Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52010IE0770

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „De betrekkingen tussen de EU en de ASEAN-landen”

OJ C 21, 21.1.2011, p. 21–25 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

21.1.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 21/21


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „De betrekkingen tussen de EU en de ASEAN-landen”

2011/C 21/04

Rapporteur: de heer CAPPELLINI

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 26 februari 2009 besloten om overeenkomstig art. 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over

De betrekkingen tussen de EU en de ASEAN-landen.

De gespecialiseerde afdeling Externe betrekkingen, die met de voorbereiding van de betreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies goedgekeurd op 11 mei 2010.

Het Comité heeft tijdens zijn op 26 en 27 mei gehouden 463e zitting (vergadering van 26 mei) het volgende advies uitgebracht, dat met 163 stemmen vóór, bij 5 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   Het EESC onderstreept dat het zaak is dat de Europese instellingen de contacten met de ASEAN vernieuwen en intensiveren. Onderhavig advies sluit in dit opzicht aan bij een aantal eerdere EESC-adviezen over dit thema (1), waarin reeds meer dan 10 jaar geleden werd gewezen op het belang van een grotere gerichtheid van de EU op Zuidoost-Azië alsook op de wezenlijke bijdrage die de EU heeft kunnen leveren aan de Aziatische regionale integratie.

1.2   Het EESC stelt evenwel vast dat met het partnerschap EU-ASEAN tot dusver niet de verwachte vorderingen zijn gemaakt. Ondanks de inspanningen die vooral de laatste jaren ook op financieel gebied zijn geleverd om de gestructureerde dialoog EU-ASEAN op verschillende gebieden (politiek, samenwerking, handel, enz.) te bevorderen, laten de concrete resultaten te wensen over en wordt bij de dialoog met en tussen de maatschappelijke organisaties het beschikbare potentieel nog niet optimaal benut. In het voorbije decennium werd de kans meer dan eens gemist om het partnerschap uit te breiden met een gebied dat voor de belangen van de EU in de wereld als strategisch wordt beschouwd (2). Tekenend in dit verband is het geval van de handelsbesprekingen. Terwijl de EU en de ASEAN een pauze in de onderhandelingen zijn overeengekomen, heeft de ASEAN handelsovereenkomsten gesloten met de belangrijkste andere geo-economische wereldmachten (China, India, Australië - met de VS, Zuid-Korea en Japan zijn onderhandelingen aan de gang).

1.3   In deze grondig veranderde internationale context waarin enerzijds de politieke en economische beperkingen groter zijn dan in het vorige decennium maar zich anderzijds nieuwe kansen voor integratie en dialoog hebben aangeboden, beoogt het onderhavige EESC-advies een aantal beschouwingen en functionele voorstellen te formuleren die van nut kunnen zijn voor het heropstarten van de betrekkingen tussen de EU en ASEAN.

1.4   Het Comité wijst er andermaal op dat het garanderen van menswaardig werk en de eerbiediging van de acht IAO-Verdragen die de fundamentele arbeidsnormen vormen, absolute voorwaarden zijn om verder werk te maken van het regionale partnerschap. In het geval van Myanmar komt daar het probleem van de eerbiediging van de mensenrechten bij, dat een onoverkomelijk obstakel vormt om eventuele onderhandelingen met het land aan te vatten, zoals ook door het Europees Parlement in januari 2008 duidelijk is onderstreept. Het EESC is er dus mee ingenomen dat voor de handelsonderhandelingen EU-ASEAN ambitieuzere doelstellingen zijn vastgesteld dan in het geval van de andere door ASEAN gesloten handelsovereenkomsten, met name wat betreft de arbeids- en milieunormen, alsook de sociale dialoog (3). In het licht hiervan moet de bilaterale benadering (zie par. 4.2.2) als een basis voor en niet als een afwijzing van economische en handelsakkoorden op regionaal of multilateraal niveau worden beschouwd. In zijn advies inzake de onderhandelingen over nieuwe handelsovereenkomsten (CESE 773/2008) van april 2008 heeft het Comité erop gewezen dat zowel bij deze als bij andere onderhandelingen die in de mededeling „Europa als wereldspeler” in het vooruitzicht worden gesteld, de Commissie de ratificatie, uitvoering en monitoring van de 27 verdragen die in de SAP plus-regeling worden opgelijst, in de onderhandelingen met de Aziatische landen over het hoofdstuk duurzame ontwikkeling als minimumvereiste dient te beschouwen. Een en ander heeft ook betrekking op de onderhandelingen met de ASEAN. In het advies beval het Comité evenwel ook aan „deze voorwaarde per geval te bekijken”. Voorts (zie par. 1.2) wordt duidelijk gemaakt dat „bilaterale overeenkomsten geen afbreuk doen aan het multilateralisme, maar dit juist kunnen versterken”.

1.5   Uit de ervaring blijkt welke voordelen de samenwerking en dialoog met internationale partners in verschillende gebieden van de wereld opleveren. Aldus is immers een beter wederzijds begrip mogelijk, alsook een doeltreffender aanpak van de uitdagingen en de problemen die moeten worden opgelost. In deze context wijst het EESC op de mogelijkheden om de sociale partners en de middenveldorganisaties zowel op Europees niveau als in de derde landen beter te betrekken bij de beoordeling van de impact die de vrijhandelsovereenkomsten met de ASEAN-landen hebben op de sociaal-economische duurzaamheid en op de kwetsbaarheid van de sociale groepen die het meest onder de concurrentie te lijden hebben. Ook zij gewezen op de noodzaak het maatschappelijk middenveld te versterken en de duurzame ontwikkeling in het kader van de „gestructureerde dialoog” EU-ASEAN te bevorderen. In dit verband zij onderstreept dat de betrekkingen met de EU doeltreffender zijn in de ASEAN-landen waarin de maatschappelijke organisaties steviger geworteld zijn (bv. Indonesië, Thailand en de Filippijnen). De uitdaging ligt thans in het vinden van doeltreffende manieren om zelfs met de zwakste middenveldorganisaties in andere landen van de regio samen te werken.

1.6   Het EESC hoopt en is dan ook bereid om in samenwerking met de andere communautaire instellingen een rol te spelen in het aanmoedigen, vergemakkelijken, deskundig ondersteunen en versterken van de dialoog met de maatschappelijke organisaties van de ASEAN-landen, met name van de meest kwetsbare leden. Deze inspanningen kunnen ongetwijfeld worden vergemakkelijkt en versterkt indien ze gebeuren in nauwe samenwerking en geïntegreerd met de nieuwe diplomatieke dienst voor externe betrekkingen van de EU.

1.7   Het Comité stelt voor een geïntegreerd en inclusief platform van maatschappelijke organisaties EU-ASEAN in het leven te roepen ter ondersteuning van de speerpunten van het interregionale integratieproces, alsook van de organisaties die de behoeften van het lokale maatschappelijke middenveld vertolken, met name in landen waar die organisaties het zwakst zijn. Een dergelijk samenwerkingsinstrument voor de actoren van het maatschappelijk middenveld EU-ASEAN zou een geïntegreerde strategie voor capaciteitsopbouw bevorderen door uitwisseling van ervaringen met specifieke casestudy's en ten aanzien van verschillende aspecten van het integratieproces: sociaal-culturele dialoog, wetenschappelijke en industriële samenwerking, diensten van algemeen belang, beheer van noodsituaties, enz.

1.8   Het Comité stelt in dit opzicht voor na te gaan of, eventueel ook met medewerking van de ASEAN Foundation  (4) en/of de Asia Europe Foundation (ASEF) (5) een Europese stichting in het leven kan worden geroepen die specifiek gericht is op de sociale, burger-, beroeps- en interculturele dialoog EU-ASEAN. Een realistisch jaarlijks activiteitenprogramma zou de betrokken communautaire instellingen in staat stellen een nuttige monitoring uit te voeren.

1.9   Het Comité stelt voorts voor op korte termijn te voorzien in een Jaarverslag over de toestand van de participatieve modellen en systemen in de ASEAN-landen teneinde toe te zien op de gemaakte vorderingen, met bijzondere aandacht voor specifieke thema's, zoals de sector van de voedselveiligheid, waterbeheer, gezondheid, enz. Met het verslag zou aldus op regelmatige basis een screening en monitoring worden uitgevoerd van de acties die in de praktijk zijn verricht ter bevordering van de sociaal-culturele dimensie. Tevens zou een en ander ook een vergelijking vergemakkelijken met soortgelijke modellen en acties die door de belangrijkste internationale organisaties en in eerste instantie door de FAO, maar ook door andere spelers op het wereldtoneel zoals bv. de VS en Japan worden opgezet.

1.10   Teneinde de dialoog en de institutionele samenwerking tussen sociale partners te bevorderen stelt het Comité ten slotte voor een permanente dialoog tussen ASEAN-ambtenaren en de afgevaardigden bij het EESC in te stellen. Aldus zouden kansen worden gecreëerd voor institutionele contacten en samenwerking op regelmatige basis, in samenhang met de belangrijkste gebeurtenissen in het bestaan van de organisatie en de belangrijkste contactmomenten in de gestructureerde dialoog EU-ASEAN en de ASEM. Zo zou bijvoorbeeld de Commissie een permanente dialoog moeten bevorderen tussen de vertegenwoordigers van de ASEAN, op alle niveaus, en de vertegenwoordigers van het Europese (en betrokken nationale) maatschappelijke middenveld op basis van een overeengekomen en realistisch activiteitenprogramma (bv. door bespreking van de EESC-adviezen in de ASEAN-landen). Wat de resultaten van deze activiteiten betreft, moeten worden voorzien in vormen van kwantitatieve/kwalitatieve beoordeling die in de verschillende talen van de EU en de ASEAN-landen toegankelijk moeten zijn. Een door het EESC ondersteund EU-ASEAN-forum zou in dit verband op de belangstelling kunnen rekenen van diverse instellingen en openbare en particuliere instanties.

2.   ASEAN: kenmerken en ontwikkeling

2.1   Sinds zijn oprichting heeft de ASEAN een lange weg van geleidelijke ontwikkeling afgelegd waarbij de organisatie gaandeweg van fysionomie is veranderd en meer complex is geworden. De ASEAN is ontstaan vanuit de geopolitieke logica van de Koude Oorlog, om redenen van territoriale veiligheid en legitimering van landen die nog maar kort daarvóór onafhankelijk waren geworden, alsook om het multilateralisme te bevorderen. De ASEAN was oorspronkelijk vooral op economisch en handelsgebied actief maar heeft het proces van regionale integratie geleidelijk uitgebreid, tevens onder impuls van de economisch crisis van '97, tot een meer geavanceerd integratieproces van institutionele, politiek-economische en sociaal-culturele aard.

2.2   Sinds de oprichtingsverdragen van de Europese Gemeenschap maar ook meer recent na de overgang op de eenheidsmunt en de uitbreiding naar het oosten, is de EU voor de ASEAN van nature een inspiratiebron geweest. Ook heeft de gestructureerde dialoog EU-ASEAN de recentere ontwikkeling van de Zuidoost-Aziatische integratie ongetwijfeld beïnvloed. Het ASEAN-handvest van 15 december 2008 (6) heeft de vereniging rechtspersoonlijkheid gegeven. Ter gelegenheid van de 14e top van staatshoofden en regeringsleiders in 2009 heeft de ASEAN een routekaart uitgetekend om tegen 2015 een gemeenschappelijke markt tot stand te brengen. De ASEAN-gemeenschap heeft zichzelf derhalve met een structuur en drie pijlers toegerust: een economische gemeenschap (AEC), een politieke en veiligheidsgemeenschap (APSC) en een sociaal-culturele gemeenschap (ASCC) (7).

2.3   De tenuitvoerlegging van de economische gemeenschap sluit aan bij de liberalisering van de handel krachtens de AFTA-overeenkomst (ASEAN Free Trade Area) en de liberalisering op het gebied van investeringen tussen ASEAN-landen, die wordt geregeld bij de AIA-overeenkomst (ASEAN Investment Area), met een uitzondering van 5 jaar voor de CLMV-landen (8). De gemeenschap op politiek en veiligheidsgebied blijft hoofdzakelijk gekoppeld aan de intergouvernementele dialoog. De sociaal-culturele dialoog heeft vooral betrekking op de samenwerking inzake onderwijs, ontwikkeling van menselijk potentieel, ICT, het ambtenarenapparaat, welzijnszorg, armoedebestrijding, voedselveiligheid, preventie en monitoring van besmettelijke ziekten, beheer van natuurrampen, bescherming van de rechten van minderjarigen, vrouwen en gehandicapten, en milieubescherming.

2.4   De institutionele versterking van de ASEAN is gepaard gegaan met een grotere internationale rol van de organisatie. Op 1 januari 2010 zijn de vrijhandelsakkoorden met Australië en Nieuw-Zeeland, China en India in werking getreden. De overeenkomst met Australië en Nieuw-Zeeland (ASEAN – Australia - New Zealand Free Trade Area, AANZFTA) (ASEA – Australia - New Zealand Free Trade Area, AANZFTA) voorziet in de liberalisering van de handel in goederen (99 % van de uit Indonesië, Maleisië, de Filippijnen en Vietnam geïmporteerde producten), diensten en investeringen.

2.5   De overeenkomst met China (China ASEAN Free Trade Area, CAFTA) is gericht op de afschaffing van de douanerechten voor 7.000 productgroepen (ca. 90 % van de tarieflijnen), waarmee een geïntegreerde markt van ca. 1,9 miljard personen ontstaat, gekenmerkt door een handelsvolume van ongeveer 4,5 miljard dollar. Aan de CLMV-landen is een overgangsperiode tot 2015 toegestaan.

2.6   De overeenkomst met India (ASEAN India Trade In Goods, TIG) voorziet in een geleidelijke tariefliberalisering voor ruim 90 % van de verhandelde producten, met inbegrip van „bijzondere producten” als palmolie, koffie, thee en peper. Ook in dit geval is de overeenkomst gericht op de totstandbrenging van een geïntegreerde interne markt van meer dan 1,8 miljard personen.

2.7   ASEAN onderhoudt voorts geprivilegieerde betrekkingen inzake politieke en economische samenwerking met Zuid-Korea, Japan en China (het blok ASEAN+3) alsook met de VS, die zoals bekend strategische belangen hebben in het zuidoosten van de Stille Oceaan en reeds een vrijhandelsakkoord hebben gesloten met Singapore. Van bijzonder strategisch belang is het voorstel van president Obama (waarover sinds afgelopen maart wordt onderhandeld) om het Trans-Pacific Partnership-TPP (dat thans bestaat uit Brunei, Chili, Nieuw-Zeeland en Singapore) uit te breiden tot de VS, alsook tot Australië, Peru en Vietnam.

3.   Betrekkingen EU-ASEAN: stand van zaken

3.1   Het belang van de betrekkingen EU-ASEAN blijkt duidelijk uit de commerciële en financiële betrekkingen tussen de twee geo-economische grootmachten. In de mededeling „Global Europe” van 2006 heeft de Commissie de ASEAN ingedeeld bij de prioritaire markten op basis van het betreffende groeipotentieel: van 2004 tot 2008 is de handel in goederen en diensten tussen EU en ASEAN met ruim 25 % toegenomen en was dit goed voor 175 miljard euro in 2008 (gegevens van DG Trade).

3.2   De ASEAN is thans de derde handelspartner van de Europese Unie, na de VS en China, en neemt ca. 7 % van haar totale invoer voor zijn rekening. De handelsbalans EU-ASEAN laat een aanzienlijk tekort zien, in 2008 van ongeveer 25 miljard euro (gegevens van Eurostat). De EU voert voornamelijk machines (29,2 miljard euro in 2008) en landbouwproducten (12,4-miljard euro in 2008) in, terwijl ze een overschot laat zien op de dienstenbalans (+2,6-miljard euro in 2007, Eurostat-gegevens).

3.3   Wat investeringen betreft, zijn de kapitaalstromen EU-ASEAN in de periode 2005-2008 met 200 % in waarde gestegen (en hebben zij een totaalwaarde van 105,4 miljard euro bereikt –Eurostat-gegevens). Europese investeerders zijn goed voor ca. 27 % van de totale instroom van directe buitenlandse investeringen naar de ASEAN-landen. Het overgrote deel daarvan gaat naar Singapore (65 %), en vervolgens naar Maleisië (9 %) Thailand, Indonesië, Brunei en Vietnam (5-7 % elk), terwijl nog geen 1 % naar de andere landen vloeit. Niettemin kon in dezelfde periode ook een aanzienlijke toename van de stromen ASEAN-EU worden waargenomen: deze zijn van 29,7 tot 43,6 miljard euro gestegen in 2007 (Eurostat-gegevens). 85 % van de stromen die de ASEAN verlaten zijn evenwel uit slechts twee bronnen afkomstig: Singapore en Maleisië (9).

3.4   Ondanks de uitbreiding van de handels- en financiële betrekkingen, handhaven de ASEAN-markten aanzienlijke tarifaire en niet-tarifaire belemmeringen. Het opheffen van deze belemmeringen door de tenuitvoerlegging van een vrijhandelsovereenkomst EU-ASEAN zou duidelijke voordelen opleveren voor de EU, met name op het gebied van de diensten. Anderzijds zouden er ook voordelen zijn voor de ASEAN-landen, die hiervan weliswaar in uiteenlopende mate profijt trekken maar hoe dan ook de tendens vertonen méér voordelen te genieten naarmate zij méér geïntegreerd zijn (zie TSIA, DG Trade) (10)

3.5   De in juli 2007 tussen de EU en 7 ASEAN-landen die niet tot de groep van minst ontwikkelde landen behoren (11) gelanceerde commerciële onderhandelingen zijn in maart 2009 niettemin in onderling overleg stopgezet. De vanuit economisch oogpunt verregaande heterogeniteit van de ASEAN-partners (de betrokken landen zijn erg verschillend wat betreft menselijke ontwikkeling, levensverwachting, armoedeniveaus, prioriteit van overheidsuitgaven), de verscheidenheid van het handelsbeleid maar ook de grondige verschillen op politiek gebied (hierbij zij gedacht aan de militaire dictatuur en de mensenrechtenproblematiek in Birma/Myanmar) zijn ook voor de handelsonderhandelingen onoverkomelijke obstakels gebleken. Op dit punt valt het Comité het Europees Parlement bij dat zich reeds in januari 2008 gekant heeft tegen een mogelijk handelsakkoord met Birma/Myanmar onder het huidige militaire regime.

3.6   Tegenover de verzwakking van het integratieproces op economisch en handelsgebied is recentelijk een geleidelijke versterking van de politieke en institutionele betrekkingen EU-ASEAN komen te staan, hoewel deze enkel van intergouvernementele aard zijn. In dit verband kan melding worden gemaakt van het ASEAN-EU Programme for Regional Integration Support (fase I en fase II) (12), het Trans Regional EU-ASEAN Trade Initiative (TREATI) (13) en het Regional EU-ASEAN Dialogue Instrument (READI) (14).

3.7   Naast deze overeenkomsten hebben de twee organisaties (op de 14e ministeriële bijeenkomst in 2003) een gemeenschappelijke verklaring over terrorismebestrijding uitgebracht (15), en hebben zij ter gelegenheid van de 16e ministerbijeenkomst op 15 maart 2007 te Neurenberg een gemeenschappelijk actieplan goedgekeurd (actieplan van Neurenberg voor de periode 2007-2012).

3.8   De EU en de ASEAN blijven voorts op politiek vlak samenwerken via gezamenlijke bijeenkomsten van hun respectieve ministers van Buitenlandse Zaken en hoge ambtenaren. Tijdens de 17e vergadering van de ministers van Buitenlandse Zaken EU-ASEAN op 27 en 28 mei 2009 te Phnom Penh (Cambodja) werd de balans opgemaakt van de twee eerste jaren van tenuitvoerlegging van het actieplan van Neurenberg en was er gelegenheid om dringende vraagstukken (als de wereldwijde recessie en het risico op een pandemie van het A/H1N1-virus) aan te pakken. Ter afsluiting ervan is een nieuw document, de Phnom Penh-agenda, goedgekeurd waarin de prioriteiten en doelstellingen voor de periode 2009-2010 zijn vastgelegd.

3.9   Vermeldenswaard, hoewel los van de dialoog EU-ASEAN, is nog de positieve ervaring met ASEM (Asia-Europe Meeting), dat thans het belangrijkste kanaal voor multilateraal contact tussen Europa en Azië vormt (16). ASEM helpt mee tweejaarlijkse bilaterale topbijeenkomsten van intergouvernementele aard (17), het Asia Europe People’s Forum, het Asia-Europe Parliamentary Partnership en het Asia-Europe Business Forum te organiseren, naast een netwerkplatform ter bevordering van de wetenschappelijke samenwerking op onderwijs- en onderzoeksgebied: het Trans-Eurasia Information Network (TEIN) (18).

4.   Hoofdpunten van de betrekkingen EU-ASEAN

4.1   Zonder exhaustief te willen zijn zou het Comité de aandacht willen vestigen op een aantal prioritaire thema's en kritieke punten die van strategisch belang zijn voor de toekomstige ontwikkeling van de betrekkingen EU-ASEAN, teneinde een aantal richtsnoeren en mogelijkheden voor concrete actie aan te reiken.

4.2   Zoals reeds werd onderstreept, zijn de handelsonderhandelingen EU-ASEAN thans opgeschort. Met het oog op de continuïteit van haar inspanningen in de regio heeft de EU onderhandelingen gelanceerd voor vrijhandelsovereenkomsten van bilaterale aard met een aantal ASEAN-landen (te beginnen met Singapore en Vietnam).

4.2.1   De ASEAN-landen zijn onmiskenbaar zeer verschillend, zowel vanuit politiek en institutioneel oogpunt (zij tellen zowel democratische als autoritaire regimes, naast ook echte militaire dictaturen zoals in het geval van Birma/Myanmar) als op economisch gebied (er is bv. een duidelijk onderscheid tussen de zogenaamde economieën van ASEAN-6 en de 4 nieuwe CLMV-landen wat alle indicatoren van sociaal-economische ontwikkeling betreft). Voorts hebben de ASEAN-instellingen (secretariaat en presidium) geen onderhandelingsmandaat. Bovendien is enige terughoudendheid geboden ten aanzien van de sociale kosten van een vergaande economische integratie van de CLMV-landen (19).

4.2.2   Bilaterale betrekkingen blijven niettemin slechts tweede keus en de uitsluiting van een aantal landen van de onderhandelingen (Birma, Cambodja en Laos) wordt door de ASEAN-landen zelf scherp bekritiseerd. Voorts is het van essentieel belang dat echte onderhandelingen op regionale basis worden aangemoedigd om de Europese aanwezigheid in de regio te versterken en tevens de dialoog met China uit te breiden, gezien de nauwe banden tussen de verschillende economieën in het gebied. In dit opzicht mag de lancering van bilaterale onderhandelingen met ASEAN-landen uitsluitend als een eerste stap op weg naar een ruimer akkoord over een politiek en economisch partnerschap van regionale aard worden beschouwd, zowel gelet op het belang van de Aziatische regio voor het politieke en economische evenwicht op wereldvlak en, indirect, voor de betrekkingen EU-China, als op het streven van de Zuidoost-Aziatische landen naar totstandbrenging van een gemeenschappelijke markt tegen 2015, een doelstelling die de EU op technisch en financieel gebied ondersteunt.

4.3   De EU is met de ASEAN-landen aan het onderhandelen over specifieke overeenkomsten inzake uitgebreide samenwerking (Partner and Co-operation Agreements-PCAs) en ondersteunt het ASEAN-initiatief inzake integratie, alsook de initiatieven die betrekking hebben op subregionale groeigebieden (20). Voorts is de samenwerking versterkt op het gebied van onderwijs en beroepsopleiding. De belangrijkste doelstellingen in dit verband zijn de verhoging van de onderwijsnormen, de bevordering van het talenonderwijs en het gebruik van moderne informatie- en communicatietechnologieën (21).

4.3.1   Wat de gevoelige kwestie van de voedselveiligheid betreft, is de EU voorts ook voornemens de samenwerking met de FAO in het gebied te versterken. De FAO heeft in samenwerking met de ASEAN reeds werk gemaakt van een ASEAN Integrated Food Security Framework (AIFS) en het betreffende strategische actieplan Strategic Plan of Action for Food Security (SPA-FS), en bereidt thans 10 landenstudies voor over de gevolgen van de crisis op het gebied van voedselveiligheid in de regio. Voorts werkt de FAO aan een Memorandum of Understanding met de ASEAN om de wederzijdse betrekkingen te formaliseren en de technische bijstandacties op het gebied van voedselveiligheid in de regio te vergemakkelijken.

4.3.2   Gelet op de sociaal-economische gevoeligheid van de regio voor externe bedreigingen, alsook op het feit dat de ondertekening van de vrijhandelsovereenkomsten een aantal lidstaten en sociale groepen die bijzonder aan concurrentie onderhevig zijn, waarschijnlijk nog extra kwetsbaar zal maken, is het zaak bijzondere aandacht te schenken aan deze aspecten van de economische samenwerking, ook met het oog op kennisuitwisseling met andere internationale instellingen en onderzoekscentra.

4.4   De politieke samenwerking tussen de Unie en de ASEAN blijft een louter intergouvernementele aangelegenheid en ontwikkelt zich via periodieke (tweejaarlijkse) ontmoetingen tussen de respectieve ministers van Buitenlandse Zaken en hoge ambtenaren. Deze ministerbijeenkomsten hebben niettemin een toenemende convergentie van de standpunten inzake buitenlands beleid in de hand gewerkt. Zo heeft de EU bv. toegang gevraagd tot de ASEAN Treaty of Amity and Cooperation en heeft ASEAN met het oog daarop toegestemd om dit verdrag tot supranationale rechtspersonen uit te breiden.

4.4.1   De samenwerking op sociaal-cultureel gebied wordt voor de periode 2009-2010 geregeld door de Agenda van Phnom Penh, waarin gemeenschappelijk na te streven doelstellingen zijn vastgesteld op het gebied van gezondheidsbescherming, wetenschap en technologie, beroepsopleiding, bescherming van het artistiek en cultureel erfgoed, enz. Niettemin blijft ook op het gebied van de sociale samenwerking de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld, hoe paradoxaal ook, erg bescheiden. In feite ontbreken er in het huidige stadium fora waar de verschillende verwachtingen en eisen van de sociale partners en de andere burgers ten aanzien van de huidige situatie en de toekomstige vooruitzichten voor de samenwerking EU-ASEAN (22) ten volle tot uiting kunnen worden gebracht.

4.4.2   Wat ten slotte de mensenrechten betreft, kan de recente oprichting (bij de inwerkingtreding van het ASEAN-handvest) van een Intergouvernementele Commissie voor de mensenrechten alleen maar worden toegejuicht. Hoewel het om een instantie gaat die (voorlopig) geen dwangmaatregelen of sancties kan opleggen en veeleer tot taak heeft de mensenrechten te bevorderen dan wel te beschermen, wordt aldus toch ongetwijfeld een eerste stap gezet naar een betere bescherming van die rechten. Deze doelstelling zal de komende jaren door de organisatie gerealiseerd moeten worden. Het Comité bevestigt niettemin dat het vanwege de situatie van de mensenrechten uitgesloten is dat de onderhandelingen met de huidige militaire dictatuur van Birma/Myanmar zouden worden voortgezet.

Brussel, 26 mei 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI


(1)  EXT/132 van 1996; EXT/153 van 1997.

(2)  Zie de recente Mededeling van de Commissie „Europa als wereldspeler: wereldwijd concurreren” van 2006.

(3)  Hoewel een vergelijking nogal moeilijk is, kan Hoofdstuk 13 van de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Zuid-Korea niettemin als een nuttig referentiemodel worden beschouwd.

(4)  De ASEAN Foundation is op 15 december 1997 te Kuala Lumpur opgericht ter gelegenheid van het dertigjarig bestaan van de Vereniging. Zij beoogt de levensstijl en het welzijn van de volkeren van Zuidoost-Azië te verbeteren en de mensen meer bewust te maken van de voordelen van het regionale integratieproces door contacten „people tot people” en samenwerkingsverbanden tussen maatschappelijke en academische instellingen aan te moedigen.

(5)  De Asia-Europe Foundation (ASEF) is in februari 1997 door de ASEM-landen opgericht ter bevordering van de dialoog en de samenwerking tussen de Aziatische en de Europese volkeren via bevordering van culturele en intellectuele uitwisselingen „people to people”, waarbij de maatschappelijke organisaties en de gemeenschappen van de bedoelde landen betrokken worden.

(6)  Zie The ASEAN Charter, Singapore, 20 novembre 2007. Dit constituerend verdrag voorziet in de basisarchitectuur van de vereniging. Het handvest bestaat uit een voorwoord, 13 hoofdstukken en 55 artikelen.

(7)  Zie ASEAN Economic Community (AEC) Blueprint (Singapore, 20 november 2007); ASEAN Political-Security Community (APSC) Blueprint (Cha-Am, 1 maart 2009) en ASEAN Socio-Cultural Community (ASCC) Blueprint (Cha-Am, 1 maart 2009).

(8)  De afkorting CLMV verwijst naar de meest recente leden van de organisatie (Cambodja, Laos, Myanmar en Vietnam).

(9)  Van de 18 ASEAN-multinationals die tot de top-100 van de wereld behoren, zijn er 11 in Singapore en 6 in Maleisië gevestigd (UNCTAD-gegevens).

(10)  DG TRADE, Trade Sustainability Impact Assessment (TSIA) of the FTA between the EU and ASEAN, juni 2009, TRADE07/C1/C01 - Lot 2.

(11)  Indonesië, Maleisië, Singapore, Brunei, Thailand, de Filippijnen, Vietnam.

(12)  Het in september 2003 te Djakarta ondertekende ASEAN-EU Programme for Regional Integration Support (APRIS I) trekt 4,5 miljoen euro uit ter ondersteuning van de verwezenlijking van de in het actieplan van Vientiane vastgestelde doelstellingen, de verwezenlijking van het ene ASEAN-aanspreekpunt („single window”) voor de harmonisering van de douaneprocedures, de beperking van de technische handelsbelemmeringen, de onderlinge aanpassing van de kwaliteitsnormen in de regio en de technische bijstand aan het ASEAN-secretariaat. De belangrijkste doelstellingen van ARIS II (zie ASEAN-EU Programme for Regional integration Support (APRIS)- Phase II, Jakarta, november 2006) zijn daarentegen, op handelsgebied: de bevordering van de onderlinge aanpassing van de ASEAN- en internationale normen; op investeringsgebied: de bevordering van de goedkeuring van een actieplan ter bespoediging van de afschaffing van de belemmeringen voor de instroom en het vrije verkeer van kapitaal in de regio; op institutioneel gebied: de versterking van het ASEAN-mechanisme voor de regeling van geschillen en het verstrekken van bijstand aan het ASEAN-secretariaat zodat het zich op doeltreffende wijze van zijn taken kan kwijten. APRIS II geldt voor de periode van 2006 tot 2009 en voor de financiering ervan heeft de EU aanvankelijk een bedrag van 8,4 miljoen euro uitgetrokken. In 2007 is een aanvullend bedrag van 7,2 miljoen euro ter beschikking gesteld ter ondersteuning van initiatieven van het APRIS II-plan, met name wat betreft de totstandbrenging van gemeenschappelijke normen tussen de landen van de regio in de sectoren landbouw, voeding, elektronica, cosmetica en voor producten in hout.

(13)  Het programma voor technische bijstand waarin de Unie voorziet voor de Zuidoost-Aziatische landen ter bespoediging van de verwezenlijking van de ASEAN-integratiedoelstellingen inzake normen voor landbouw-, voedings- en industriële producten en op het gebied van technische belemmeringen voor de handel. Zie Trans-Regional EU-ASEAN Trade Initiative, Luang Prabang, 4 april 2003.

(14)  READI betreft alle niet-handelsvraagstukken en bevordert de politieke dialoog in zaken van algemeen belang zoals bv. de informatiemaatschappij, de klimaatverandering, de beveiliging van de burgerluchtvaart, werkgelegenheid en sociale zaken, energie, wetenschap en technologie.

(15)  Zie de Joint Declaration on Cooperation to Combat Terrorism, Brussel, 27-28 januari 2003.

(16)  De huidige 45 leden van ASEM staan voor ongeveer de helft van het mondiale BBP, ca. 60 % van de wereldbevolking en eveneens ca. 60 % van de wereldhandel (gegevens van de Europese Commissie).

(17)  De achtste top zal in oktober te Brussel worden gehouden en zal toegespitst zijn op het thema „verbetering van de levenskwaliteit”.

(18)  Het project TEIN3 (http://www.tein3.net/) biedt een portaal aan ter bevordering van de wetenschappelijke samenwerking tussen ca. 8 000 onderzoekscentra en academische instellingen van het Stille-Zuidzeegebied en ter bevordering van hun deelname aan projecten met hun Europese tegenhangers. De telematische samenwerking op onderzoeksgebied tussen Europa en Azië wordt door de koppeling aan het GEANT-netwerk verzekerd.

(19)  Conform de door de WTO goedgekeurde „bijzondere en gedifferentieerde behandeling” is de EU bereid rekening te houden met het heterogene karakter van de ontwikkelingsniveaus van de partnerlanden. Opgemerkt zij dat de uitvoer van Laos en Cambodja reeds preferentiële toegang tot de Europese markt geniet dankzij het initiatief „Everything but Arms”.

(20)  Op dit ogenblik worden 5 gemeenschappelijke projecten gerealiseerd met een totaal budget van 55,5 miljoen euro.

(21)  De prioriteit gaat daarbij naar projecten op het gebied van beroepsopleiding, vervoer, energie en duurzame ontwikkeling. Zie Regional EU-ASEAN Dialogue Instrument, Kuala Lumpur, 2005.

(22)  De enige (gedeeltelijke) uitzondering is het ASEAN-EU Business Network, dat in Brussel gevestigd is en in 2001 is opgericht ter bevordering van de handelsrelaties tussen de partners.


Top