Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52010IE0764

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Gezamenlijke initiatieven van maatschappelijke organisaties ten behoeve van duurzame ontwikkeling”

OJ C 21, 21.1.2011, p. 9–14 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

21.1.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 21/9


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Gezamenlijke initiatieven van maatschappelijke organisaties ten behoeve van duurzame ontwikkeling”

2011/C 21/02

Rapporteur: Raymond HENCKS

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) heeft op 16 juli 2009 besloten om overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn rvo een initiatiefadvies uit te brengen over

Gezamenlijke initiatieven van maatschappelijke organisaties ten behoeve van duurzame ontwikkeling”.

De gespecialiseerde afdeling Landbouw, plattelandsontwikkeling, milieu, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 6 mei 2010 goedgekeurd.

Het EESC heeft tijdens zijn op 26 en 27 mei 2010 gehouden 463e zitting (vergadering van 26 mei) onderstaand advies uitgebracht, dat met 146 stemmen vóór en 5 stemmen tegen, bij 2 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Aan het streven naar duurzame ontwikkeling, dat nog wordt gecompliceerd door de crisis in de overheidsfinanciën, zitten zoveel problemen vast dat het maatschappelijk middenveld wel in actie móet komen om beleidsmakers te steunen en de noodzakelijke veranderingen in economie en samenleving, alsook de terugkeer naar sluitende overheidsfinanciën te begeleiden.

1.2

Of politieke besluiten succes opleveren, hangt - afgezien van wetenschappelijke overwegingen - grotendeels af van het draagvlak onder maatschappelijke organisaties. Deze zouden, omwille van meer transparantie van de uiteindelijke besluiten en meer duidelijkheid over de vraag wie waarvoor verantwoordelijk is, nauw moeten worden betrokken bij alle stadia van de tenuitvoerlegging van beleid voor duurzame ontwikkeling.

1.3

De participatie van maatschappelijke organisaties in de totstandbrenging van een ambitieus beleid voor duurzame ontwikkeling moet aan een structuur worden verbonden. Alleen dan kan die inspanning effect sorteren en kan worden voorkomen dat participatie ontaardt in populisme.

1.4

Op grond van de hierna aangevoerde argumenten pleit het EESC ervoor dat burgerparticipatie en de uitwisseling van kennis in aanmerking worden genomen bij de herziening van de strategie voor duurzame ontwikkeling in 2011. Dit kan met name aan de hand van een actieplan, financiële prikkels en de publicatie van voorbeelden van meest geslaagde gezamenlijke initiatieven van maatschappelijke organisaties.

1.5

Ten slotte vindt het EESC dat duurzame ontwikkeling een grote rol moet spelen in de Europa 2020-strategie.

2.   Doel van onderhavig initiatiefadvies

2.1

De wijze spreuk van de Canadese Haida indianen „We erven de wereld niet van onze ouders, maar lenen de wereld van onze kinderen” drukt heel beeldend uit voor welke uitdaging de huidige generatie staat, nl. om op een andere manier te gaan leven en nieuwe wegen te vinden naar een economie die niets inboet aan doeltreffendheid, maar vanuit maatschappelijk oogpunt rechtvaardig en vanuit milieu-oogpunt duurzaam is, ervoor zorgt dat de rijkdommen eerlijk worden verdeeld en elke burger de kans geeft op een menswaardig bestaan.

2.2

Voor sommige van de beoogde veranderingen zijn maatregelen van hogerhand nodig, zoals wettelijke bepalingen of programma's voor publieke en/of particuliere investeringen. Andere veranderingen daarentegen vragen om initiatieven van onderaf, d.w.z. acties van bewust levende burgers voor wie het belangrijk is om zelf een steentje bij te dragen. Die bijdrage bestaat er met name in dat zij hun (consumptie)gedrag veranderen en/of gezamenlijke initiatieven of acties ten gunste van duurzame ontwikkeling steunen of zich daar persoonlijk voor inzetten.

2.3

De lidstaten en de EU moeten de volstrekte noodzaak van dergelijke initiatieven van onderaf onderkennen, omdat die niet alleen uitmonden in een duurzame economie, maar ook de duurzaamheidsdoelstellingen van de beleidsmakers helpen verwezenlijken. Duidelijk is dat een initiatief in EU-verband daaraan een aanzienlijke meerwaarde kan toevoegen, vooral als bekendheid wordt gegeven aan best practices inzake de inzet en initiatieven van burgers en leefgemeenschappen ten gunste van duurzame ontwikkeling.

2.4

Doel van onderhavig initiatiefadvies is dus om aanbevelingen te formuleren over hoe Europa ervoor kan zorgen dat gezamenlijke initiatieven van instanties, ondernemingen, vakbonden, ngo's en andere verenigingen of maatschappelijke organisaties doeltreffender worden en dat er méér van dat soort initiatieven worden genomen. Op die manier kan meer vooruitgang worden geboekt op het gebied van duurzame ontwikkeling.

2.5

Het EESC zal zich hieronder bezinnen op de vraag hoe maatschappelijke organisaties in het algemeen actiever aan duurzame ontwikkeling kunnen bijdragen en welk soort raamstructuren de EU in het leven zou moeten roepen om desbetreffende initiatieven te begeleiden en zo efficiënt mogelijk te maken.

3.   Maatschappelijke organisaties staan voor de uitdaging om een drijvende kracht achter duurzame ontwikkeling te worden

3.1

De klimaatverandering staat momenteel volop in de belangstelling en vormt zonder enige twijfel een dreiging waarvan de gevolgen rampzalig kunnen worden. Toch is de klimaatverandering niet het enige wat de duurzame ontwikkeling van onze samenlevingen in de weg staat: ook fenomenen als de teruglopende biodiversiteit, de ontbossing, de verarming van de bodem, de productie van giftig afval, zware metalen en organische vervuilende stoffen, de ongebreidelde verstedelijking, en maatschappelijke ongelijkheden en onrechtvaardigheden stellen de mensheid voor grote problemen.

3.2

Om op den duur te gaan leven op een manier die het milieu niet aantast en bevorderlijk is voor een duurzame samenleving, moet worden afgezien van een economie die draait om altijd maar meer niet-duurzame groei. Het tijdperk van overconsumptie en verspilling moet plaats maken voor een nieuw tijdperk waarin „welzijn” hoog in het vaandel staat geschreven en het zwaartepunt bij menselijke en maatschappelijke ontwikkeling wordt gelegd. De Franse sociale, economische en milieuraad formuleert het zo: De mens moet worden gezien als een biologisch en sociaal wezen, als kind van de natuur en de cultuur, kortom als een wezen met een geheel eigen persoonlijkheid.

3.3

Dat de mens in zijn gedrag nauwelijks rekening houdt met duurzaamheid, is niet alleen van deze tijd: de mens heeft van oudsher weinig oog gehad voor duurzaamheid in zijn omgang met het milieu. Wat is veranderd, zijn de snelheid waarmee de ecosystemen achteruithollen en de omvang van de schade die - door de manier waarop mensen produceren en consumeren - wordt aangericht.

3.4

Nieuw is ook dat de wetenschappelijke kennis van de werking van ecosystemen tegenwoordig groot genoeg is om de ernst van de situatie te kunnen aantonen en inzichtelijk te maken en om de vele maatschappelijke „niet-duurzame” gedragingen onder de aandacht te brengen. Alleen volstaan al die overduidelijke alarmsignalen kennelijk nog niet om de samenleving voldoende te doordringen van „niet-duurzaam” gedrag en de mensen tot meer duurzame en maatschappelijk verantwoorde gedragingen aan te zetten.

3.5

Met het begrip „duurzame ontwikkeling” werd oorspronkelijk alleen gerefereerd aan natuurlijke rijkdommen (uitputting van de reserves aan fossiele brandstoffen) en de vervuiling (aantasting van de ozonlaag): vandaar dat emissienormen voor schadelijke stoffen en drempels voor de benutting van natuurlijke rijkdommen zijn vastgelegd. Inmiddels heeft dit begrip echter een ruimere betekenis gekregen en bestrijkt het tevens verplichtingen die voortvloeien uit de groei van de economie en de noodzaak van maatschappelijke samenhang. Duurzame ontwikkeling is aldus uitgegroeid tot een begrip dat ook betrekking heeft op het streven naar een rechtvaardige ontwikkeling van de samenleving (waartoe met name de bestrijding van armoede wordt gerekend) en de inspanningen om de komende generaties een milieu mee te geven dat gezond, rijk en gediversifieerd is.

3.6

Zo heeft het begrip „duurzame ontwikkeling” mettertijd in bredere kringen ingang gevonden. Ecosystemen interesseerden in het begin vooral milieubewegingen die overal in de Westerse wereld als paddenstoelen uit de grond verrezen. Ondertussen hebben alle politieke partijen milieubescherming - en dus ook duurzame ontwikkeling - op hun programma gezet.

3.7

Wel zij opgemerkt dat maatschappelijke organisaties niet stil hebben gezeten. Nu al strijden veel burgers - op eigen houtje of in verenigingsverband - voor een duurzame levenswijze. Zo

proberen werknemers en werkgevers om op de werkplek minder energie te verbruiken, minder afval te produceren en duurzamere productiemiddelen te ontwikkelen;

zoeken groot- en kleinhandelaars, samen met hun klanten, naar middelen om duurzamere producten te promoten;

nemen burgers maatregelen om hun woning energiezuiniger te maken en thuis verspilling te voorkomen, zo weinig mogelijk water te verbruiken en zoveel mogelijk te recycleren;

zijn er lidstaten waar schoolkinderen al van kinds af aan vertrouwd worden gemaakt met de problematiek van milieubescherming en duurzame ontwikkeling.

3.8

Ook zijn er op regionaal bestuursniveau beroepsorganisaties, verenigingen en/of burgerpanels opgericht om over duurzame-ontwikkelingsvraagstukken te discussiëren, advies uit te brengen en actie te ondernemen.

3.9

Alhoewel het vraagstuk van duurzame ontwikkeling tijdens de recente VN-Top van Kopenhagen over de klimaatverandering volop media-aandacht heeft gehad, is de belangstelling ervoor in werkelijkheid toch duidelijk tanende. De in het oog springende verklaring daarvoor is dat de bestrijding van de klimaatverandering slechts één – zij het belangrijk - onderdeel van de problematiek van duurzame ontwikkeling is, maar toch van tijd tot tijd alle andere onderdelen daarvan overschaduwt. Bij de teleurstelling van het publiek dat had gehoopt op een formeel engagement van de politici, komt ook nog een zekere scepsis t.a.v. de reële risico's van de klimaatverandering. Sommige wetenschappers en politieke organen geven voedsel aan die scepsis doordat zij de daadwerkelijke ernst van de situatie in twijfel trekken. Hierdoor verflauwt de belangstelling, terwijl het protest luider wordt.

3.10

De resolutie „Geen stap terug” van 23 november 2009 die het EESC aan de VN-Klimaatconferentie te Kopenhagen heeft voorgelegd, wint daarom aan belang en richt zich tot het hele maatschappelijk middenveld. Bedrijfsleven en vakbonden, net zo goed als alle overige maatschappelijke organisaties, moeten er alles aan doen om de klimaatverandering zoveel mogelijk tegen te gaan en zich daaraan aan te passen.

3.11

De VN-Conferentie in Kopenhagen is op een teleurstelling uitgelopen, waardoor onverschilligheid de overhand dreigt te gaan krijgen. Juist daarom is het meer dan ooit nodig dat het maatschappelijk middenveld in actie komt. Volgens het EESC mag de Europese Unie zeker niet zwichten voor de verleiding, het Kopenhaagse falen aan te grijpen om haar ambities naar beneden toe bij te stellen of op eerder gedane toezeggingen terug te komen. Integendeel, de Europese Unie moet meer dan ooit toewerken naar een koolstofarm ontwikkelingsmodel, dat de natuurlijke rijkdommen in stand houdt, waarbij ze haar concurrentievermogen ontleent aan de capaciteit om samenhang te brengen tussen innovatie, productieve investeringen en menselijk kapitaal.

3.12

Dat milieu, economie, sociaal welzijn en cultuur een wisselwerking vertonen, staat buiten kijf. Daarom is een benadering nodig die geen enkele van die gebieden buiten beschouwing laat en waarbij actoren worden betrokken die de meest verschillende vakbekwaamheden hebben en zeer uiteenlopende belangen vertegenwoordigen: hun moet worden gevraagd om de institutionele verzuiling achter zich te laten en deskundigheid en gezond verstand met elkaar te combineren. Zo kan worden voorkomen dat de diverse geledingen van de maatschappij elkaar gaan tegenwerken en dat uiteindelijk de belangengroeperingen of politici die het best georganiseerd zijn, aan het langste eind trekken.

3.13

Initiatieven van maatschappelijke organisaties kunnen daadwerkelijk fungeren als een drijvende kracht achter de politieke besluitvorming. Het maatschappelijk middenveld is in staat om actoren en beleidsmakers bijeen te brengen en om alle geledingen van de samenleving te doordringen van de noodzaak om ánders te gaan leven, consumeren en produceren en om ambitieuze initiatieven te ontplooien en acties te ondernemen.

4.   Het publieke debat over duurzame ontwikkeling: een terugblik

4.1

In de Slotverklaring van de in 1992 te Rio de Janeiro gehouden VN-Wereldconferentie over Milieu en Ontwikkeling (Earth summit) wordt voor het eerst - dankzij initiatieven van het maatschappelijk middenveld zelf - in een officiële context het maatschappelijk middenveld genoemd in verband met het debat over duurzame ontwikkeling. Bij de in deze slotverklaring vastgelegde 27 beginselen voor de toepassing van duurzaam ontwikkelingsbeleid staat o.m. dat het publiek inspraak moet hebben bij de besluitvorming en dat vrouwen, jongeren, plaatselijke gemeenschappen en minderheden thans een grotere rol moet worden toebedeeld.

4.2

In Agenda 21 (programma voor de toepassing van een duurzaam ontwikkelingsbeleid) wordt alle lokale overheden gevraagd om het streven naar duurzame ontwikkeling in hun actieprogramma's te verwerken, gekoppeld aan een regeling om de bevolking te raadplegen (artikel 28).

4.3

Impliciet wordt daarmee onderkend dat het belangrijk is om het maatschappelijk middenveld bij de analyse van de consequenties van overheidsoptreden te betrekken en medezeggenschap te geven als er knopen moeten worden doorgehakt en/of als er verantwoordelijkheid voor duurzame ontwikkeling moet worden gedragen. Daarom moeten alle partijen die hier om de één of andere reden belang bij hebben - wetende dat één belanghebbende, nl. de generatie die hierná komt, er uiteraard zelf niet bij kan zijn - nauw worden betrokken bij de uitwerking en uitvoering van projecten.

4.4

Sindsdien laten in de eerste plaats ngo's, maar daarna ook ondernemingen, vakbonden, lokale en regionale overheden en andere organisaties zich niet langer met een kluitje in het riet sturen: zij eisen medezeggenschap in het debat over duurzame ontwikkeling, naast politici en vertegenwoordigers van instellingen. Zij staan aan de wieg van talrijke acties, initiatieven en aanbevelingen om duurzaam gedrag te bevorderen.

5.   Maatschappelijke organisaties die actief zijn op het gebied van duurzame ontwikkeling

5.1

Als spreekbuis voor het maatschappelijk middenveld in de EU houdt het EESC zich al jaren bezig met duurzame ontwikkeling en heeft het in 2006 de Waarnemingspost voor duurzame ontwikkeling (WDO) opgericht. Doel van de WDO is maatschappelijke organisaties helpen om een eigen bijdrage te leveren aan de uitstippeling van beleid voor duurzame ontwikkeling, waartoe milieu-, economische en sociale belangen met elkaar moeten worden verzoend. Tegen die achtergrond heeft het EESC tal van adviezen en aanbevelingen over in dit opzicht cruciale vraagstukken opgesteld en zal het ook in de toekomst praktische oplossingen blijven aandragen, zoals in het advies „Werken aan een duurzame economie: ons consumptiepatroon veranderen” (INT/497).

5.2

Toch valt niet te ontkomen aan de vaststelling dat instellingen en politici altijd nog veel meer in de melk te brokkelen hebben dan maatschappelijke organisaties. Bovendien zijn met hun schijnbaar op de bevordering van duurzame ontwikkeling gerichte handelen soms eerder politieke, financiële of ideologische dan milieubelangen gediend, naar gelang van wat in ieders straatje past. Het streven naar duurzame ontwikkeling dreigt dan ook te verworden tot een instrument dat drukgroepen zich toeëigenen voor een doel dat nog maar weinig te maken heeft met de oorspronkelijke thema's.

5.3

In werkelijkheid lukt het maar zelden om álle partijen te mobiliseren. Bepaalde maatschappelijke organisaties komen pas opdagen als de nood hoog is en laten het afweten zolang de situatie niet dringend is: in dat laatste geval krijgen vooral pressiegroepen en protestbewegingen veel ruimte.

5.4

Het komt er dus op aan meer te doen dan alleen maar informatie te verschaffen en middelen te vinden voor de totstandbrenging van een participatiedemocratie. In die participatiedemocratie mogen de overlegstructuren geen enkele maatschappelijke organisatie uitsluiten en moeten zij, ook op de lange duur, representatief en actief blijven. Daarbij is het zaak de milieu-, sociale en economische belangen bij lokale en globale acties met elkaar te verzoenen. Tegen die achtergrond moet beslist worden bevorderd dat er naast globale acties ook lokale initiatieven worden genomen en dat het maatschappelijk middenveld daar nauw bij wordt betrokken. Dat is de beste manier om ervoor te zorgen dat al degenen voor wie die acties zijn bestemd, zich daarmee vereenzelvigen.

6.   Maatschappelijke organisaties die representatief en actief blijven

6.1

In een systeem van meerlagig bestuur (multilevel governance) zoals dat van de EU, is het onverstandig om uitsluitend een beroep te doen op democratisch verkozen representatieve instellingen, wil men bewerkstelligen dat burgers deelnemen aan discussies en invloed uitoefenen op de besluitvorming.

6.2

In het in het kader van de UNECE (Europese Economische Commissie van de Verenigde Naties) gesloten Verdrag van Arhus is in beginsel vastgelegd hoe burgers daadwerkelijk kunnen deelnemen aan de besluitvorming over milieuvraagstukken. Dit verdrag gaat over „toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden”.

6.3

Het Verdrag van Arhus bepaalt dat overheden altijd alle informatie over milieuvraagstukken moeten verschaffen aan wie daar ook om vraagt, zonder dat bedoelde personen hun identiteit bekend behoeven te maken of behoeven aan te geven waarvoor zij die informatie nodig hebben. Het EESC heeft in zijn advies over Richtlijn 2003/4/EG kritiek geuit op het feit dat de bepalingen uit dit Verdrag op een aantal punten niet adequaat zijn overgenomen in het communautaire recht, bv. waar het gaat om het begrip „bevoegde entiteit” (als rechtspersoon die toegang heeft tot informatie). Een herziening van bovengenoemde richtlijn lijkt dan ook aangewezen. Bovendien betreurt het EESC dat er geen balans is opgemaakt van de toepassing van het Verdrag van Arhus in EU-verband, terwijl de lidstaten die dit verdrag hebben geratificeerd, wél verplicht verslag moeten uitbrengen van de toepassing ervan.

6.4

Om te beginnen moet worden uitgemaakt welke burgerdoelgroepen in aanmerking komen voor deelname aan de procedure voor participatie aan de uitwerking en uitstippeling van beleid voor duurzame ontwikkeling. Bovendien moet worden bepaald hoe vrijwilligers worden aangenomen en dienen er concrete doelstellingen, methoden, een evaluatieprocedure en een procedure voor de verspreiding van de resultaten te worden vastgelegd.

6.5

Duurzame ontwikkeling gaat alle burgers rechtstreeks aan. Daarom moet voor de keuze van een representatieve doelgroep worden uitgegaan van een breed spectrum aan sociaal-demografische kenmerken en een rijke verscheidenheid in vakkennis en opvattingen.

6.6

De problemen dienen dus duidelijk te worden afgebakend, terwijl er voor de korte en middellange termijn concrete prioritaire doelstellingen moeten worden vastgelegd. Daarbij mag de sociaal-culturele dimensie van de problemen, die steeds raakvlakken moeten hebben met wat écht belangrijk is voor burgers, niet uit het oog worden verloren. Een en ander impliceert dat er een volgorde van belangrijkheid wordt vastgelegd en dat problemen worden behandeld naar gelang van hun prioriteit, de ernst van de gevolgen ervan, de schade die erdoor kan worden berokkend en de kosten die met de oplossing ervan zijn gemoeid.

6.7

Participatie moet door de burgers worden ervaren als een manier om medeverantwoordelijkheid te dragen. Dat houdt in dat burgers al in een vroeg stadium bij initiatieven moeten worden betrokken (al vanaf het tijdstip waarop strategieën worden uitgewerkt en projecten worden bedacht) en dat zij in alle fasen actief hieraan moeten meewerken.

6.8

Bij discussies, in welk stadium dan ook, of als wordt gezocht naar een consensus, zou er altijd – of het nu op nationaal, regionaal of lokaal bestuursniveau is – iemand moeten worden aangewezen die, vanwege zijn of haar bekwaamheid op het gebied van communicatie en onafhankelijk van belangengroeperingen, als „ombudspersoon van duurzame-ontwikkelingsprojecten” kan optreden. Zijn of haar taak wordt het dan om te informeren, te motiveren en geïnteresseerde burgers op te sporen die willen participeren. Ook zou de ombudspersoon de projecten moeten coördineren en erop moeten toezien dat alle meningen worden gehoord en dat alle deelnemers de kans krijgen om mee te praten, zonder dat de discussie oeverloos wordt.

6.9

Verder zou deze ombudspersoon moeten optreden als woordvoerder voor het publiek en een schakelfunctie moeten hebben naar de media toe. Zo krijgen voorstanders van duurzame ontwikkeling een spreekbuis, wordt erop toegezien dat informatie klopt en wordt voorkomen dat de media eenzijdige informatie geven. Ten slotte zou de ombudspersoon nauw moeten samenwerken met schoolhoofden, zodat burgers al van kinds af aan worden doordrongen van de noodzaak van duurzame ontwikkeling.

6.10

Om zoveel mogelijk burgers voor participatie aan de besluitvorming over duurzame-ontwikkelingsprojecten te motiveren, moet worden uitgezocht waarom een groot deel van de samenleving eerder geneigd is om lijdzaam toe te zien en huiverig staat tegenover participatie. De oorzaken van die houding moeten worden geanalyseerd en bestreden.

7.   Uit de weg ruimen van de hinderpalen voor actieve participatie van maatschappelijke organisaties

7.1

Maatregelen om beschadiging van de ecosystemen tegen te gaan en verandering te brengen in gedragspatronen, ressorteren momenteel onder een langetermijnplanning. Het gevolg is dat de uitvoering ervan niet wordt ervaren als een reële noodzaak voor de korte termijn. Maar al te vaak wordt wat op het spel staat, gezien als nu nog niet ernstig te nemen milieuproblemen die slechts langzaamaan noodlottig kunnen worden en pas op den duur op een ramp zullen uitlopen. Die zienswijze is „utilitaristisch”, d.w.z. beperkt zich tot het leven van alledag en tot tastbare gevolgen en schadelijke effecten, met voorbijgaan van potentiële risico's die nog niet waarneembaar zijn of waarvan de realiteit nog niet is vastgesteld.

7.2

Alle burgers moeten worden overtuigd van het belang om van levenswijze te veranderen. Daar is voorlichting voor nodig: het belang daarvan moet in duidelijke bewoordingen en zonder vakjargon en dure woorden worden uitgelegd. Dat gezegd zijnde, is het ook zaak niet in holle kreten te vervallen en te vermijden dat emoties de plaats gaan innemen van wetenschappelijke argumenten.

7.3

Europa's burgers zullen ongetwijfeld de problemen waarmee ze worden geconfronteerd beter kunnen onderkennen en zich gemakkelijker met de te ondernemen stappen kunnen vereenzelvigen als de communicatie beter wordt en via diverse media verloopt en als de berichtgeving duidelijk en begrijpelijk is.

7.4

Daarenboven moet de berichtgeving objectief zijn. Wat averechts werkt, is de burgers overdonderen met naakte cijfers die nauwelijks geloofwaardig zijn, ook al worden ze als onweerlegbare waarheid gepresenteerd. Een voorbeeld daarvan werd gegeven door een voormalige vice-president van de Verenigde Staten die aankondigde dat er op de Noordpool over vijf jaar geen zomerijs meer zou zijn. Dergelijke uitspraken ondermijnen op den duur het vertrouwen in bewindslieden en vergroten de onverschilligheid voor de echte problemen.

7.5

Dat soort doorgedraafde profetieën waarbij plompverloren geen-tegenspraak-duldende rampen worden aangekondigd, voeden een stemming van voortdurende angst. Die angst werkt egocentrisme in de hand en dient als excuus voor NIMBY-gedrag (not in my backyard of ver-van-mijn-bed-gedrag), wat de genadeslag is voor maatschappelijke samenhang en duurzame ontwikkeling. Protestacties tegen windmolens omdat daarmee het landschap wordt vervuild of illegale afvalverbranding om niet voor de collectieve voorzieningen voor vuilnisinzameling te hoeven betalen, zijn tekenend voor een dergelijke „ieder-voor-zich”-houding.

7.6

Die onverschilligheid is een ernstig probleem. Ook al loopt het waarschijnlijk niet zo'n vaart met de aangekondigde rampen, toch zijn er problemen die snel om een oplossing vragen. Het voorzorgsbeginsel wil dat nu al wordt gereageerd op potentieel gevaarlijke situaties en dat niet eerst wordt gewacht tot het risico wetenschappelijk is komen vast te staan.

7.7

De resultaten en successen van de burgerinspraak moeten – buiten de wereld van de specialisten om – worden gedocumenteerd en verspreid, in de wetenschap dat de uitwisseling van voorbeelden van geslaagde methoden (best practices) een middel bij uitstek is om overal vooruitgang te bewerkstelligen.

7.8

Om zich van een blijvend engagement van maatschappelijke organisaties te verzekeren, moeten suggesties van burgers die - onverkort of slechts gedeeltelijk - in praktijk zijn gebracht, in de schijnwerpers worden gezet en bekend worden gemaakt.

7.9

Er moet meer onderzoek worden gedaan naar de vraag hoe gedragsverandering tot stand kan worden gebracht. Zonder twijfel is de opname in het nationaal onderwijs van lessen in duurzame ontwikkeling een probaat middel om burgers van kinds af aan van het belang daarvan te doordringen. Dat is ook de reden waarom het EESC een discussie heeft opgestart over de haalbaarheid van een Europees netwerk van nationale fora over onderwijs en lessen „Schone energie”.

8.   Evaluatie van acties

8.1

Vanwege de grote aantallen verschillende actoren vertonen acties ten gunste van duurzame ontwikkeling – qua vorm en inhoud – grote verschillen. Het gevolg is dat deze nauwelijks met elkaar kunnen worden vergeleken en maar zelden in een gemeenschappelijk kader kunnen worden ondergebracht. Daarom moeten die acties beslist om de zoveel tijd worden geëvalueerd.

8.2

Duurzame ontwikkeling wordt geïnstrumentaliseerd en regelgeving gaat soms te ver: daarom is er zonder meer behoefte aan een vaste evaluatie op grond van indicatoren van de voortgang van projecten.

9.   Indicatoren voor de evaluatie van acties

9.1

Krachtens het in 1992 te Rio de Janeiro goedgekeurde actieprogramma moeten de aangesloten landen een gemeenschappelijk stelsel overeenkomen voor het toezicht op en de evaluatie van de vorderingen die met duurzame ontwikkeling in het algemeen en met de lokale agenda's in het bijzonder worden gemaakt. Ook worden de aangesloten landen geacht om algemeen aanvaardbare economische, sociale en milieu-indicatoren uit te werken, die hun nut kunnen bewijzen als uitgangspunt voor de besluitvorming op alle bestuursniveaus. Bedoelde indicatoren moeten in onderlinge overeenstemming tot stand worden gebracht en een representatief beeld geven van de drie dimensies van duurzame ontwikkeling.

9.2

De evaluatie bestaat uit een diagnose, een analyse en aanbevelingen. Het doel ervan is om een waardeoordeel te vellen over een beleid, een programma of een actie. Toegegeven moet worden dat milieu-, menselijke en sociale dimensies zich vaak maar moeilijk laten evalueren. Toch zit er niets anders op, want zolang het BBP de voornaamste referentie voor welzijn en bestaanskwaliteit blijft, kunnen bewindslieden ertoe worden gebracht om besluiten te nemen die funest zijn voor de maatschappelijke samenhang en het milieu en die voorbijgaan aan de behoeften van de toekomstige generaties (1).

9.3

Duurzame ontwikkeling moet worden beoordeeld op twee fundamentele tendenzen: het absorptievermogen en de evolutie in het bestuur van leefgemeenschappen.

9.4

Het EESC heeft in een recent advies (CESE 647/2010, „Het BBP en verder - Meting van de vooruitgang in een veranderende wereld”, rapporteur: Josef Zboril) zijn waardering geuit voor de inspaningen van de Commissie om „de nationale rekeningen uit te breiden tot sociale en milieuaspecten”. Waarop het vervolgt: „Begin 2010 moet een juridisch kader voor milieuboekhouding worden voorgesteld. De sociale indicatoren uit de nationale boekhouding die nu reeds beschikbaar zijn worden echter nog niet volledig gebruikt. Naar verwachting zal de behoefte aan dit soort indicatoren toenemen, naarmate de uitwerking van een complexe en geïntegreerde aanpak voor het meten en beoordelen van de vooruitgang in een veranderende wereld vordert.

10.   De evaluatiemethode

10.1

De verscheidenheid aan programma's en acties die nationale, regionale en lokale overheden uitvoeren om tot duurzame gedragingen en een duurzame levenswijze aan te zetten, is groot. Daarom moet de evaluatie hiervan multidimensioneel zijn, temeer daar het draagvlak voor een evaluatie sterk varieert naar gelang van de gekozen gebieden, methoden en criteria.

10.2

Bovendien moet de evaluatie op nationaal bestuursniveau pluralistisch zijn. Dit houdt in dat alle betrokkenen een stem in het kapittel moeten krijgen, waarbij o.m. wordt gedacht aan overheden die verantwoordelijk zijn voor de uitwerking en tenuitvoerlegging van acties, aan dienstverleners en vertegenwoordigers van consumenten, aan vakbonden en maatschappelijke organisaties. Opiniepeilingen (hoe moeilijk het soms ook is om de resultaten daarvan te interpreteren) zijn onderdeel van een beleid om burgers en ondernemingen te informeren, hen van de problematiek te doordringen en hun de gelegenheid te geven om te participeren. Burgers en ondernemingen kunnen naar aanleiding daarvan contact opnemen met de instanties die de evaluatie hebben uitgevoerd en bij die instanties bezwaar aantekenen.

10.3

Naast pluralistisch moet de evaluatie ook onafhankelijk en openlijk bespreekbaar zijn. Immers, de belangen die de diverse actoren vertegenwoordigen, kunnen uiteenlopen en zijn soms zelfs tegenstrijdig, terwijl de inlichtingen waarover zij beschikken en de bekwaamheden die zij in huis hebben, ongelijkwaardig zijn.

10.4

De doeltreffendheid en milieu- en sociaaleconomische resultaten van duurzame- ontwikkelingsacties moeten aan meer dan één criterium worden getoetst.

10.5

De evaluatie is slechts zinvol als de te beoordelen acties aan de taken en doelstellingen van de drie pijlers van de Lissabonstrategie (economische groei, sociale samenhang en milieubescherming) worden gerelateerd. Er moet dus een veelvoud aan criteria zijn.

10.6

Net als bij de diensten van algemeen belang (2) pleit het EESC ook in dit geval voor een evaluatie op grond van periodieke – nationale of lokale – verslagen. Die verslagen moeten worden opgesteld door de instanties die de lidstaten krachtens de hierboven uiteengezette beginselen met de evaluatie hebben belast.

10.7

Hoe de evaluatieresultaten worden uitgewisseld, naast elkaar gelegd, vergeleken en gecoördineerd, moet in EU-verband worden uitgemaakt. De EU moet dus de impuls geven voor een onafhankelijke evaluatie door (in overleg met de vertegenwoordigers van de betrokken actoren) een methode uit te werken voor een in EU-verband geharmoniseerde evaluatie op grond van gemeenschappelijk indicatoren. Ook moet de EU de middelen verschaffen die nodig zijn voor de werking van het systeem.

10.8

Als garantie voor de relevantie en bruikbaarheid van de evaluatie dient er een pluralistische stuurgroep te worden opgericht. Het pluralistische karakter van die stuurgroep moet worden gewaarborgd door alle betrokken partijen hierin vertegenwoordigd te laten zijn. De opdracht van die stuurgroep strookt onverkort met de bevoegdheden van het Europees Milieuagentschap in samenwerking met de WDO van het EESC.

10.9

De stuurgroep zou met de volgende taken moeten worden belast:

vaststelling van relevante indicatoren

toepassing van de evaluatiemethode

omschrijving van opdrachten voor studies

verzorging van studieaanvragen, uitgaande van talrijke uiteenlopende vakbekwaamheden en een vergelijking met elders bereikte resultaten

kritische beoordeling van de verslagen

extrapolatie van best practices en innoverende oplossingen

verspreiding van de resultaten.

10.10

Er zou ieder jaar een conferentie over de resultaten van duurzame-ontwikkelingsacties kunnen worden gehouden. Bij die gelegenheid zouden alle betrokken partijen over de evaluatieverslagen kunnen discussiëren en voorbeelden van geslaagde methoden kunnen uitwisselen.

Brussel, 26 mei 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI


(1)  PB C 100 van 30 april 2009.

(2)  PB C 162 van 25 juni 2008, blz. 42.


Top