Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62010CN0370

Zaak C-370/10 P: Hogere voorziening ingesteld op 23 juli 2010 door Ravensburger AG tegen het arrest van het Gerecht (Achtste kamer) van 19 mei 2010 in zaak T-243/08, Ravensburger AG/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen), Educa Borras S.A.

OJ C 260, 25.9.2010, p. 11–11 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

25.9.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 260/11


Hogere voorziening ingesteld op 23 juli 2010 door Ravensburger AG tegen het arrest van het Gerecht (Achtste kamer) van 19 mei 2010 in zaak T-243/08, Ravensburger AG/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen), Educa Borras S.A.

(Zaak C-370/10 P)

()

2010/C 260/14

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirante: Ravensburger AG (vertegenwoordigers: H. Harte-Bavendamm, M. Goldmann, Rechtsanwälte)

Andere partijen in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen), Educa Borras S.A.

Conclusies

de hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van 19 mei 2010 (zaak T-243/08) ontvankelijk verklaren;

het arrest van het Gerecht vernietigen;

de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 8 april 2008 (zaak R 597/2007-2) vernietigen;

in voorkomend geval de zaak terugverwijzen naar het BHIM met het oog op een nieuwe beslissing;

interveniënte en het BHIM verwijzen in de kosten die rekwirante in het kader van de onderhavige hogere voorziening heeft gemaakt.

Middelen en voornaamste argumenten

Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste opvatting van het recht door te oordelen dat het geen rekening hoefde te houden met de bekendheid van de oudere merken bij de vaststelling dat de voorwaarden voor de toepassing van artikel 8, lid 1, sub b, en artikel 8, lid 5, van de gemeenschapsmerkverordening (1) niet waren vervuld.

Het Gerecht heeft de opzet van artikel 8 van de gemeenschapsmerkverordening geschonden door één enkele feitelijke beoordeling van de overeenstemming te verrichten en daaraan gevolgen te verbinden voor de toepassing van zowel artikel 8, lid 1, sub b, als artikel 8, lid 5, van de gemeenschapsmerkverordening, ook al bevatten die bepalingen totaal verschillende criteria.

Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste opvatting van het recht en heeft artikel 76 van de gemeenschapsmerkverordening geschonden door de conclusie van de tweede kamer van beroep dat de marktsituatie met betrekking tot het gebruik van huismerken enerzijds en merken voor specifieke waren anderzijds irrelevant was, niet te vernietigen.

Het Gerecht heeft artikel 77 van de gemeenschapsmerkverordening geschonden door geen bezwaar te maken tegen het kennelijk onjuiste gebruik dat de kamer van beroep van haar beoordelingsbevoegdheid inzake het houden van een terechtzitting heeft gemaakt.


(1)  Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk (PB L 78, blz. 1).


Top