Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62009CN0205

Zaak C-205/09: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Szombathelyi Városi Bíróság (Hongarije) op 8 juni 2009 — Strafzaak tegen Emile Eredics e.a.

OJ C 205, 29.8.2009, p. 20–20 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

29.8.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 205/20


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Szombathelyi Városi Bíróság (Hongarije) op 8 juni 2009 — Strafzaak tegen Emile Eredics e.a.

(Zaak C-205/09)

2009/C 205/34

Procestaal: Hongaars

Verwijzende rechter

Szombathelyi Városi Bíróság

Partijen in het hoofdgeding

Partij(en) in de strafzaak): Emile Eredics e.a.

Prejudiciële vragen

1)

Deze rechter wenst, ter precisering en aanvulling van het arrest van het Hof van 28 juni 2007 in de zaak Dell’Orto (C-467/05, Jurispr. blz. I-5557), in de bij hem aanhangige strafprocedure te vernemen of een „persoon anders dan een natuurlijke persoon” onder het begrip „slachtoffer” als bedoeld in artikel 1, sub a, van kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad valt, gelet op de bevordering van de bemiddeling in strafzaken tussen het slachtoffer en de dader, als bedoeld in artikel 10 van het kaderbesluit.

2)

Deze rechter wenst in verband met artikel 10 van kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad, dat bepaalt dat „[e]lke lidstaat […] voor de bevordering van bemiddeling in strafzaken [zorgt] met betrekking tot de strafbare feiten waarvoor hij die maatregel passend acht”, te vernemen of het begrip „strafbare feiten” aldus kan worden uitgelegd dat het alle strafbare feiten omvat waarvan het wettelijk omschreven materiële bestanddeel in wezen overeenkomt.

3)

Kan de uitdrukking „[e]lke lidstaat zorgt voor de bevordering van bemiddeling in strafzaken […]” in artikel 10, lid 1, van kaderbesluit 2001/220/JBZ aldus worden uitgelegd dat het scheppen van de voorwaarden voor bemiddeling tussen de dader en het slachtoffer ten minste mogelijk is totdat in eerste aanleg vonnis is gewezen, dat wil zeggen dat het vereiste van erkenning van de feiten tijdens de gerechtelijke procedure na de afronding van het onderzoek, voor zover aan de andere voorwaarden is voldaan, in overeenstemming is met de verplichting om bemiddeling te bevorderen?

4)

Omtrent artikel 10, lid 1, van kaderbesluit 2001/220/JBZ vraagt deze rechter zich af of de uitdrukking „[e]lke lidstaat […] voor de bevordering van bemiddeling [zorgt] in strafzaken met betrekking tot de strafbare feiten waarvoor hij die maatregel passend acht” impliceert dat een algemene toegang tot de mogelijkheid van bemiddeling in strafzaken is gewaarborgd voor zover is voldaan aan de wettelijk bepaalde voorafgaande voorwaarden, zonder dat er ruimte voor uitlegging bestaat. Dat wil zeggen, wanneer de vraag bevestigend wordt beantwoord, is een voorwaarde inhoudend dat „gelet op de aard van het strafbare feit, de soort bemiddeling en de persoon van verdachte, kan worden afgezien van de gerechtelijke procedure indien er reden is om aan te nemen dat de rechter het getoonde berouw bij de straftoemeting zal meewegen”, in overeenstemming met de bepalingen (vereisten) van het eerder genoemde artikel 10?


Top