Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document C2008/224/17

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de bescherming van kwetsbare mariene ecosystemen op volle zee tegen de nadelige effecten van bodemvistuig en de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Destructieve visserijpraktijken op volle zee en bescherming van kwetsbare diepzee-ecosystemen COM(2007) 605 final — 0227/0224 (CNS) — COM(2007) 604 final

OJ C 224, 30.8.2008, p. 77–80 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 224/77


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het

Voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de bescherming van kwetsbare mariene ecosystemen op volle zee tegen de nadelige effecten van bodemvistuig en de

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Destructieve visserijpraktijken op volle zee en bescherming van kwetsbare diepzee-ecosystemen

COM(2007) 605 final — 0227/0224 (CNS)

COM(2007) 604 final

(2008/C 224/17)

De Raad heeft op 4 december 2007 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 37 van het EG-Verdrag te raadplegen over het

Voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de bescherming van kwetsbare mariene ecosystemen op volle zee tegen de nadelige effecten van bodemvistuig

De Europese Commissie heeft op 17 oktober 2007 besloten, overeenkomstig het Samenwerkingsprotocol van 7 november 2005, het Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over de

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Destructieve visserijpraktijken op volle zee en bescherming van kwetsbare diepzee-ecosystemen

De afdeling Landbouw, plattelandsontwikkeling, milieu, die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 29 april 2008 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Espuny Moyano, corapporteur de heer Adams.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 28 en 29 mei 2008 gehouden 445e zitting (vergadering van 29 mei 2008) onderstaand advies uitgebracht, dat met 101 stemmen vóór, bij 1 onthouding, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het EESC staat in grote lijnen achter het beleidsvoorstel en de mededeling van de Commissie, maar formuleert in de hoofdstukken 4 en 5 van dit advies een reeks aanbevelingen om de verordening inhoudelijk te verbeteren en de doeltreffendheid en reikwijdte ervan te vergroten.

2.   Inleiding

2.1

Het is de jongste jaren duidelijk geworden dat ecosystemen in diepe wateren vaak een enorme biologische diversiteit en een overvloed aan mariene organismen herbergen. Dit soort ecosystemen behoort tot de laatste belangrijke verzamelingen van natuurlijke hulpbronnen ter wereld. Menselijke activiteiten vormen echter een steeds grotere bedreiging voor koudwaterriffen, onderzeese bergen, koralen, warmwaterkraters en sponsriffen. Aangezien reproductie in de diepzee veel moeizamer verloopt dan in ondiep water, kan het eeuwen duren voor deze systemen zich kunnen herstellen. Koolwaterstofprospectie, het leggen van onderzeese kabels, het dumpen van afval, specifieke vormen van bodemvisserij (1) en andere menselijke activiteiten kunnen schadelijke gevolgen hebben. Koudwaterkoralen worden ook aangetroffen in het continentaal plat van gebieden met een gematigd klimaat (2).

2.2

Voor bodemvisserij is zeer gespecialiseerd vistuig nodig dat aan een zanderige of modderige bodem over het algemeen geen noemenswaardige schade veroorzaakt. Bepaalde soorten vistuig zijn echter noodzakelijkerwijs zwaar en stevig en kunnen de habitats in fragiele diepzee-ecosystemen ernstig beschadigen en oude en grotendeels onvervangbare organismen, zoals m.n. koralen, vernietigen.

2.3

Alle partijen zijn het erover eens dat deze kwestie net als de meeste globale milieuproblemen alleen wereldwijd kan worden aangepakt en dat evenwichtige, doeltreffende en afdwingbare maatregelen nodig zijn. In de Algemene Vergadering van de VN wordt al sinds 2004 gedebatteerd over de problematische aspecten van de visserij op volle zee. In resolutie 61/105 inzake duurzame visserij (aangenomen op 8 december 2006) verzoeken de VN de staten en organisaties die bevoegd zijn voor de bodemvisserij op volle zee, met klem om kwetsbare mariene ecosystemen tegen beschadiging te beschermen (3).

2.4

In dit advies worden twee Commissiedocumenten over de bescherming van kwetsbare mariene ecosystemen besproken. In COM(2007) 604 worden de algemene beleidsrichtsnoeren voor specifieke EU-actie uiteengezet. De Commissie heeft zich daarbij gebaseerd op de aanbevelingen van de FAO, die zijn opgesteld aan de hand van de resultaten van de uitgebreide besprekingen in de Algemene Vergadering van de VN (4), waarbij ook de EU nauw betrokken was. Het tweede document (COM(2007) 605) is een voorstel voor een verordening van de Raad die van toepassing is op EU-vaartuigen die vissen op volle zee in gebieden die niet worden geregeld door een regionale organisatie voor visserijbeheer (ROVB). De Commissie heeft er immers voor gekozen deze problematiek aan te pakken via regelgeving.

2.5

Op lange termijn is het zowel in het belang van de visserijsector als van het milieu dat habitats op de zeebodem worden beschermd; alleen op die manier kan de duurzaamheid van de visbestanden op lange termijn worden verzekerd en kan de mariene biodiversiteit worden beschermd.

3.   Samenvatting van de algemene aanpak (COM 604) en het specifieke voorstel (COM 605) van de Commissie

3.1

Er zijn twee sleutelelementen in de voorgestelde beheersaanpak voor de bodemvisserij op volle zee. Zo moet een milieueffectbeoordeling worden uitgevoerd vóór toestemming wordt gegeven voor individuele visserijactiviteiten in een bepaald gebied, en mogen visserijactiviteiten pas worden voortgezet als is aangetoond dat zij geen negatieve impact van enige betekenis hebben. Ter ondersteuning van deze aanpak moeten ook de inspanningen op het vlak van onderzoek en gegevensverzameling worden opgevoerd, zodat de gebieden met (vermoedelijk) kwetsbare systemen en de ecologische dynamiek in kaart kunnen worden gebracht.

3.2

Een bijzonder waardevolle maatregel is het sluiten van gebieden of bijzondere beheersgebieden. In principe wordt daartoe in overleg besloten in het kader van een ROVB. Is er geen ROVB, dan zijn de afzonderlijke staten verantwoordelijk voor de schepen die hun vlag voeren.

3.3

De verordening is gericht op een strenge controle van de bodemvisserij op volle zee. De voorgestelde aanpak is vergelijkbaar met de al bestaande maatregelen die werden goedgekeurd door de landen die vissen op volle zee in het noordwestelijke en zuidelijke deel van de Stille Oceaan en de wateren van Antarctica en die zijn voorgelegd voor goedkeuring door ROVB's van het noordelijke en zuidoostelijke deel van de Atlantische Oceaan, de wateren van Antarctica en de Middellandse Zee.

3.4

Tijdens de drie jaar dat in de Algemene Vergadering van de VN werd onderhandeld over deze problematiek heeft de Commissie uitgebreide bijdragen ontvangen van de lidstaten, de visserijsector en milieuorganisaties. Uiteindelijk verkoos de Commissie regelgeving boven een verbod. Verantwoordelijk voor de uitvoering zijn óf de ROVB's, óf de vlaggenstaten in gebieden op volle zee waar de visserij niet door een ROVB wordt geregeld.

3.5

De Commissie stelt voor het beheer van de diepzeevisserij grotendeels over te laten aan de EU-lidstaten, die speciale visserijdocumenten kunnen afgeven. Vaartuigen die een vergunning willen krijgen moeten een visserijplan voorleggen waarin zij aangeven waar zij willen vissen, op welke soorten en op welke diepte. Ook moet in het plan een bathymetrisch profiel van de zeebodem van het betrokken gebied worden opgenomen. De autoriteiten bestuderen de mogelijke impact van het plan op kwetsbare mariene ecosystemen en baseren zich daarbij op de beste beschikbare wetenschappelijke gegevens.

3.6

In het voorstel worden ook een aantal duidelijke beperkingen opgelegd. Het gebruik van bodemvistuig op een diepte van meer dan 1 000 m is verboden. Wanneer een vaartuig een kwetsbaar marien ecosysteem aantreft, wordt de visserij onmiddellijk stopgezet. De activiteiten mogen pas worden hervat op een afstand van ten minste 5 zeemijl van de plaats waar het ecosysteem werd aangetroffen. De bevoegde autoriteiten moet worden meegedeeld waar het kwetsbare ecosysteem zich bevindt; zij kunnen dan eventueel besluiten dat gebied af te sluiten voor visserij met bodemtuig. Alle schepen moeten het satellietvolgsysteem voor vaartuigen gebruiken en wetenschappelijke waarnemers aan boord hebben.

3.7

De lidstaten brengen elk half jaar bij de Commissie verslag uit over de tenuitvoerlegging van de verordening. De Commissie stelt op haar beurt vóór juni 2010 een verslag op voor het Europees Parlement en de Raad, dat eventueel vergezeld gaat van voorstellen voor wijzigingen.

4.   Algemene opmerkingen

4.1

Het EESC is ingenomen met de door de Commissie uitgezette beleidskoers, die nauw aansluit bij zijn advies over het tot staan brengen van het biodiversiteitverlies (NAT/334).

4.2

Het EESC heeft zich de afgelopen jaren in verschillende adviezen (5) uitgebreid gebogen over de min- en pluspunten van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) en heeft zich meermaals afgevraagd hoe de doelstelling van een duurzame exploitatie van de bestanden te realiseren is zonder het evenwicht tussen economische, sociale en milieuaspecten uit het oog te verliezen. Al deze facetten van het Commissievoorstel dienen bij de bespreking in acht te worden genomen.

4.3

Zowel in de Commissiemededeling als in het werkdocument over de impact van de voorgestelde verordening wordt vermeld dat de verordening op dit moment enkel van toepassing is op EU-bodemtrawls in het zuidwestelijke deel van de Atlantische Oceaan buiten de exclusieve economische zone (EEZ) van Argentinië.

4.4

Op dit moment zijn er zo'n 30 EU-bodemtrawls actief in het zuidwestelijke deel van de Atlantische Oceaan, waar nog geen ROVB is opgezet, wat alles te maken heeft met het al lang aanslepende politieke conflict tussen het Verenigd Koninkrijk en Argentinië over de Falkland-eilanden. Hieronder volgt een uitvoerige beschrijving van bedoelde vorm van visserij:

De desbetreffende visserijactiviteiten op volle zee vinden plaats in de wateren van het continentaal plat en het hoogste gedeelte van de continentale helling in Patagonië. Deze vorm van visserij bestaat al 25 jaar en wordt volgens de visserijsector en wetenschappers steeds beoefend in dezelfde gebieden met een zanderige en vlakke bodem. Er wordt gevist op twee soorten, nl. de kortvinpijlinktvis (Illex) en de gewone pijlinktvis (Loligo), en de heek (Merlucius hubsi). Geen van deze soorten behoort tot de diepzeevissen, of bij de indeling nu wordt uitgegaan van diepte (6) (een criterium dat nu door de FAO van de hand gewezen wordt) of van biologische kenmerken (hoge levensduur, late maturiteit, langzame groei of lage vruchtbaarheid (7)); hier ligt dus een argument tegen bijkomende bescherming. (8) Het gaat met andere woorden om gemiddeld of sterk vruchtbare soorten die leven in gebieden waar vermoedelijk geen bijzonder kwetsbare ecosystemen voorkomen; overigens is er bij deze visserij geen sprake van noemenswaardige bijvangsten.

Het startsein voor deze vorm van visserij werd gegeven met de EU-steunverlening aan visserijmissies die bedoeld waren om te kijken hoe de communautaire vloot beter kon worden gespreid. Bij deze reizen waren steeds waarnemers aan boord en de Commissie zou over gedetailleerde informatie ter zake moeten beschikken.

Daarnaast heeft de Commissie ook middelen uitgetrokken voor evaluaties en Spanje heeft via het Spaans Oceanografisch Instituut (IEO) voor deze hele periode een programma opgezet waarbij wetenschappelijke waarnemers aan boord bleven om voortdurend informatie te kunnen verstrekken over dit soort visserijactiviteiten en andere kwesties (9).

Het aantal vissen dat ongewild gevangen wordt (bijvangst) is minimaal; het gaat vooral om de roze koningsklip of zeepaling (Genipterus blacodes) en de Lotella rhacina (familie van de diepzeeschelvissen); op dit moment worden pogingen ondernomen om deze laatste, niet-commerciële soort, op de EU-markt te brengen.

Alle communautaire schepen beschikken over speciale, door de bevoegde lidstaat afgegeven visdocumenten en worden via het satellietvolgsysteem gecontroleerd. Bovendien hebben circa 20 % van de schepen wetenschappelijke waarnemers aan boord.

De visserij op koppotigen (kortvinpijlinktvis en gewone pijlinktvis) en op heek vindt plaats op volle zee, in twee kleine gebieden die deel uitmaken van een veel groter visgebied waartoe zowel de EEZ's van Argentinië en Uruguay behoren als de door de regering van de Falklands gecontroleerde wateren, waar zo'n 100 schepen uit Argentinië, derde landen en de Falklands actief zijn (10).

Van de diepzeesoorten die zijn vermeld in de bijlagen I en II bij Verordening (EG) nr. 2347/2002 van de Raad tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor de toegang tot diepzeebestanden en bij de visserij daarop in acht te nemen voorschriften (11), leeft alleen de wrakbaars (Polyprion americanus) in de Patagonische wateren. Noch het IEO noch de communautaire vloot hebben echter al vangsten van deze soort opgetekend.

Bedoelde visserijactiviteiten zorgen voor werkgelegenheid en welvaart in een EU-regio die sterk afhankelijk is van de visserij (12).

4.5

In het licht van het bovenstaande zou het EESC willen voorstellen dat dit gebied wordt vrijgesteld van de in het verordeningsvoorstel vastgelegde bepalingen, ten minste als uit het lopende algemeen oceanografisch onderzoek afdoende blijkt dat er zich geen kwetsbare mariene ecosystemen in het (duidelijk af te bakenen) gebied bevinden.

4.6

Voorts wijst het EESC erop dat het Commissievoorstel niet voldoende garanties biedt inzake geharmoniseerde toepassing van de bepalingen door de lidstaten. Het verzoekt de Commissie daarom zich meer toe te leggen op coördinatie en erop toe te zien dat de lidstaten de verordening naar behoren ten uitvoer leggen.

4.7

Ter aanvulling op de nationale impactbeoordelingen zou de Commissie ook de publicatie van onafhankelijke wetenschappelijke evaluaties moeten stimuleren en daartoe de nodige financiële middelen moeten vrijmaken.

4.8

Ten slotte wijst het EESC erop dat de FAO bezig is met de uitwerking van een reeks internationale richtsnoeren voor het beheer van de diepzeevisserij op volle zee en stelt het voor dat de Commissie de conclusies van de FAO in haar voorstel verwerkt.

5.   Bijzondere opmerkingen

5.1

In artikel 1, lid 1, van het voorstel wordt bepaald dat de verordening van toepassing is op communautaire vissersvaartuigen die op volle zee visserijactiviteiten met bodemvistuig uitoefenen. Volgens het EESC doelt de Commissie hier enkel op visserij in nog onontgonnen visgronden, en dient rekening te worden gehouden met zijn opmerkingen uit par. 4.5.

5.2

De in artikel 2 opgenomen definitie van een „kwetsbaar marien ecosysteem” is vaag en onduidelijk en kan voor problemen zorgen bij de interpretatie. De Commissie zou zich voor een duidelijkere definitie kunnen baseren op de werkzaamheden van de FAO.

5.3

Artikel 4, lid 5, heeft betrekking op de wijziging van visserijplannen die significante nadelige effecten zouden kunnen hebben. Ook deze wijzigingen moeten worden geëvalueerd om er zeker van te zijn dat de mogelijke problemen waarop in de impactbeoordeling is gewezen, efficiënt zijn aangepakt. Visserijactiviteiten kunnen ingrijpende veranderingen ondergaan en hun ontwikkeling is moeilijk te voorspellen. Het EESC vreest dat de voorgestelde regeling niet flexibel genoeg is om hierop in te spelen.

5.4

Ook artikel 5 kan verwarring stichten omdat geen onderscheid wordt gemaakt tussen het vervallen en het intrekken van de vergunning. Het speciale visdocument is een administratieve vergunning die enkel geldig is als de voorwaarden voor afgifte door de bevoegde autoriteit zijn vervuld en indien zij niet is opgeschort of ingetrokken. Als een vergunning wordt opgeschort of ingetrokken moet de houder daarvan op de hoogte worden gebracht en de kans krijgen te worden gehoord. Het EESC stelt daarom de volgende formulering voor: „Het in artikel 3, lid 1, bedoelde speciale visdocument wordt ingetrokken als de visserijactiviteiten op een gegeven moment niet langer in overeenstemming zijn met het overeenkomstig artikel 4, lid 1, ingediende visserijplan”.

5.5

Hieruit volgt dat de tweede zin van artikel 5, lid 2, als volgt moet worden gelezen: „De bevoegde autoriteiten bestuderen deze wijzigingen en passen het document alleen aan indien de wijzigingen geen verplaatsing van de activiteiten inhouden naar gebieden waar kwetsbare mariene ecosystemen voorkomen of kunnen voorkomen”.

5.6

In artikel 6 wordt voorgesteld het gebruik van bodemvistuig op een diepte van meer dan 1 000 m te verbieden. Uit het FAO-debat over de internationale richtsnoeren voor het beheer van de diepzeevisserij op volle zee blijkt dat er niet voldoende wetenschappelijke onderbouwing is voor een dergelijk verbod. Het EESC zou dan ook graag zien dat de Commissie deze bepaling schrapt. Op dit moment wordt nergens op meer dan 1 000 meter diepte gevist. Mogelijk zal dat in de toekomst wel het geval zijn, maar dat hoeft geen reden te zijn om een verbod in te stellen, op voorwaarde dat het om een duurzame vorm van visserij gaat. De Commissie erkent overigens zelf dat een dergelijke maatregel in Resolutie 61/105 van de Algemene Vergadering van de VN niet wordt aanbevolen.

5.7

Het EESC maakt zich zorgen over de dubbelzinnige formulering van artikel 8. Zo is het maar de vraag of gebieden waar (vermoedelijk) kwetsbare ecosystemen bestaan ook daadwerkelijk zullen worden afgesloten voor de bodemvisserij. De Commissie vermeldt immers niet expliciet dat de lidstaten die vermoedelijk kwetsbare gebieden ontdekken verplicht zijn deze af te sluiten voor hun vloot.

5.8

Artikel 10 schept (net als artikel 5) verwarring omdat geen duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen het vervallen en intrekken van een vergunning. Het EESC stelt daarom voor artikel 10, lid 1, als volgt te formuleren: „Bij niet-naleving van het in artikel 4, lid 1, bedoelde visserijplan in andere dan de in artikel 5, lid 2, genoemde omstandigheden wordt het aan het betrokken vissersvaartuig afgegeven speciale visdocument ingetrokken. Visserijactiviteiten die worden uitgeoefend nadat het speciale visdocument is ingetrokken, worden beschouwd als uitoefening van de visserij zonder visdocument …”.

5.9

In artikel 12 wordt bepaald dat alle vissersvaartuigen zonder uitzondering een waarnemer aan boord moeten hebben. Deze eis is in de ogen van het EESC onredelijk, onnodig en niet altijd afdwingbaar. Niet alle schepen zijn immers uitgerust om een extra man aan boord te kunnen nemen. Bovendien zou dit de ondernemingen nog meer op kosten jagen. Wetenschappelijke kringen zijn het er over eens dat de beoogde doelstellingen ook kunnen worden bereikt als een bepaald percentage van de schepen waarnemers aan boord heeft.

5.10

In artikel 14 staat te lezen dat de Commissie het Europees Parlement en de Raad vóór 30 juni 2010 een verslag voorlegt. Het EESC pleit ervoor deze termijn te vervroegen tot 30 juni 2009. De Algemene Vergadering van de VN heeft nl. toegezegd de uitvoering van de resolutie van 2006 in 2009 onder de loep te zullen nemen. Het zou daarom nuttig zijn als de Commissie tegen die tijd ook haar verslag klaar heeft.

5.11

De termijn voor de inwerkingtreding (zeven dagen na de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen) is volgens het EESC te krap. De vaartuigen krijgen op die manier niet de kans hun visplannen voor te leggen en voor de Commissie is het onmogelijk die plannen binnen dat tijdsbestek te beoordelen en goed te keuren. Het EESC dringt erop aan dat een redelijke, realistische termijn wordt vastgelegd zodat alle partijen aan hun verplichtingen kunnen voldoen en de Commissie vergunningen kan afgeven.

5.12

Het EESC pleit ervoor een bepaling of artikel op te nemen waarin wordt verwezen naar de duurzaamheid van de bestanden op lange termijn en de instandhouding van de bijvangstsoorten. Ook in de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN werd al opgeroepen de langetermijnduurzaamheid van de visbestanden te verzekeren en beide vereisten zijn tevens terug te vinden in de VN-overeenkomst van 1995 over visserij op volle zee.

Brussel, 29 mei 2008

De voorzitter

van het Economisch en Sociaal Comité

D. DIMITRIADIS


(1)  O.m. bodemtrawls, dreggen, geankerde kieuwnetten, grondbeugen, korven en vallen. Zie Friewald, A., Fosså, J.H., Koslow, T., Roberts, J.M. 2004. Cold-water coral reefs (Koudwaterkoraalriffen) UNEP-WCMC, Cambridge, UK.

(2)  Ibidem

(3)  Resolutie 61/105 van 9 december 1998 van de Algemene Vergadering van de VN. (par. 83-86}

(4)  Resoluties 59/25 (2004) en m.n. 61/105 (par. 80-95) van 8 december 2006.

(5)  NAT/264 — Verordening betreffende het Europese Visserijfonds (PB C 267 van 27-10-2005); NAT/280 — Verordening van de Raad houdende communautaire financieringsmaatregelen voor de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk visserijbeleid en op het gebied van het zeerecht (PB C 65 van 17-3-2006), NAT/316 (PB C 318 van 23-12-2006), NAT/333 (PB C 168 van 20-07-2007), NAT/334 — Het biodiversiteitsverlies tot staan brengen (PB C 97 van 28-4-2007); NAT/364 Voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de instelling van een communautair kader voor de verzameling, het beheer en het gebruik van gegevens in de visserijsector en voor de ondersteuning van wetenschappelijk advies over het gemeenschappelijk visserijbeleid. (PB C 10 van 15-01-2008).

(6)  Gegevens van het Spaans Oceanografisch Insituut zowel als satellietinformatie van de „blauwe dozen” tonen aan dat Spaanse bodemtrawlers op Patagonische volle zee in meer dan 95 % van de gevallen op minder dan 400 meter diepte vissen.

(7)  Studie van Koslow e.a., gepubliceerd in 2000 in het ICES Journal of Marine Science: J.A. Koslow, G.W. Boehlert, J.D.M. Gordon, R.L. Haedrich, P. Lorance and N. Parin, 2000. „Continental Slope and deep-sea fisheries: implications for a fragile ecosystem” (Het continentaal plat en visserij op volle zee: gevolgen voor een kwetsbaar ecosysteem).

(8)  Zie overweging 10 van de voorgestelde verordening.

(9)  Zie par. 2.2 van het werkdocument van de Commissie.

(10)  Korea, Japan, China, Taiwan en Uruguay

(11)  PB L 351 van 28-12-2002, blz. 6.

(12)  Uit door de regionale overheid gepubliceerde gegevens inzake toevoer en productie in de visconservenindustrie in Galicië, blijkt dat van de 74 economische activiteiten in de regio er 61 gerelateerd zijn aan de visserij.


Top