Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52008AE0989

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een verordening van de Raad houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen COM(2007) 602 final — 2007/0223 (CNS)

OJ C 224, 30.8.2008, p. 72–76 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 224/72


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een verordening van de Raad houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen

COM(2007) 602 final — 2007/0223 (CNS)

(2008/C 224/16)

De Raad heeft op 4 december 2007 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig art. 37 van het EG-Verdrag te raadplegen over het

„Voorstel voor een verordening van de Raad houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen”

De gespecialiseerde afdeling Landbouw, plattelandsontwikkeling, milieu, die met de voorbereiding van de werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 29 april 2008 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Sarró Iparraguirre.

Tijdens zijn op 28 en 29 mei 2008 gehouden 445e zitting (vergadering van 29 mei 2008) heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité het volgende advies uitgebracht, dat met 70 stemmen voor, bij 3 onthoudingen, werd goedgekeurd:

1.   Conclusies

1.1

Aangezien illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserijpraktijken (IOO-visserij) nog steeds niet de wereld uit zijn, pleit het Comité voor een totaalaanpak, waarbij wordt uitgegaan van doeltreffende regelgeving die van toepassing is op de hele aanbodketen, van de visserij tot de verkoop. Het schaart zich dan ook achter de grote lijnen van het voorstel voor een verordening waarmee de Commissie de basis legt voor de invoering van maatregelen om IOO-visserij te voorkomen, te ontmoedigen en te beëindigen. Bovendien versterkt de Commissie met haar voorstel de rol van de Gemeenschap als vlaggen-, haven- en marktstaat en staat van de begunstigde.

1.2

Het welslagen van het voorstel is afhankelijk van de volgende vier aspecten:

de inzet van de lidstaten in de strijd tegen IOO-visserijactiviteiten;

de samenwerking tussen de lidstaten;

de internationale samenwerking;

het voortdurende en niet-aflatende streven om de verordening te doen naleven.

1.3

Zonder ervoor te pleiten de communautaire vloot uit te sluiten van de verordening, wil het Comité er wel op wijzen dat de Commissie duidelijker onderscheid zou moeten maken tussen IOO-visserij door schepen uit derde landen, die niet door de vlaggenstaat worden gecontroleerd, en illegale visserijpraktijken door schepen die de vlag van een EU-lidstaat voeren, die zich dus niet houden aan het gemeenschappelijk visserijbeleid en waarop Verordening (EEG) 2847/93 (1) van toepassing is.

1.4

Als alle voorgestelde toezicht- en controlemaatregelen worden uitgevoerd zal dat op nationaal niveau de kosten fors de hoogte injagen, heel wat bureaucratische rompslomp meebrengen en de toezichtautoriteiten zwaar belasten. Het Comité verzoekt de Commissie dan ook hiermee rekening te houden, omdat de hele onderneming anders dreigt te mislukken. De verordening mag er hoe dan ook niet toe leiden dat visserijondernemingen die zich aan de regelgeving houden, te maken krijgen met hogere exploitatiekosten.

1.5

Voorts wijst het Comité erop dat de voorgestelde maatregelen in geen geval mogen indruisen tegen de internationale handelsregels en het handelsverkeer niet mogen belemmeren.

1.6

In het voorstel wordt niet voldoende nauwkeurig uitgelegd hoe de vlaggenstaat het door de EU opgelegde vangstcertificaat dient te valideren. Duidelijk is dat het om elektronische validatie gaat, maar de Commissie dient concreet aan te geven welke methode daarbij dient te worden gehanteerd, zowel voor het vervoer van verse als van diepgevroren vis.

1.7

De controle van vissersvaartuigen uit derde landen dient in alle „aangewezen havens” van de lidstaten op dezelfde manier te verlopen. Voorts moet de Commissie in ondubbelzinnige bewoordingen aangeven dat zowel op zee als op het land en via de lucht zal worden gecontroleerd.

1.8

Het Comité heeft er in andere adviezen al op aangedrongen dat het Communautair Bureau voor visserijcontrole nauw wordt betrokken bij de coördinatie, de follow-up en de controle van IOO-visserij. Het Bureau moet daarom meer financiële middelen en personeel toegewezen krijgen.

1.9

De EU-lidstaten moeten hun sancties voor vaartuigen uit derde landen op elkaar afstemmen. In het geval van overtredingen door niet-meewerkende staten moet worden overwogen sancties toe te passen die niet gerelateerd zijn aan de visserij.

1.10

In de procedures voor de aangifte van IOO-visserij en niet-meewerkende staten moeten meer garanties worden ingebouwd, m.n. op het gebied van verdediging. Daarnaast moet een aangifte gebaseerd zijn op degelijk bewijsmateriaal, om te voorkomen dat de door de lidstaten goedgekeurde maatregelen meteen weer worden opgeheven door de rechtbank.

2.   Inleiding

2.1

De Gemeenschap zet zich nu al meer dan tien jaar in voor de bestrijding van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (IOO-visserij). Sinds 2002 heeft zij haar eigen actieplan waarmee op regionaal, Europees en internationaal niveau wordt getracht IOO-visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen (2).

2.2

In 2005 heeft het Europees Parlement in zijn resolutie (3) betreffende de uitvoering van het in bovenvermelde mededeling bedoelde EU-actieplan, de EU opgeroepen om de strijd tegen IOO-visserij op te voeren.

2.3

Hoewel reeds flink aan de weg is getimmerd, lijdt het geen twijfel dat de IOO-visserij verre van uitgeroeid is. De Commissie is dan ook van mening dat de EU deze misstanden, die maar blijven voortwoekeren, zonder verder uitstel krachtdadig moet aanpakken.

2.4

Zij heeft dan ook vorig jaar een nieuwe mededeling (4) opgesteld „over een nieuwe strategie voor de Gemeenschap om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen”.

2.5

Na een uitgebreide raadplegingsronde het afgelopen jaar, waarbij ook het Comité (5) actief was betrokken, heeft de Commissie onderhavig voorstel voor een verordening (6) uitgewerkt, waarin de volgende actieterreinen zijn afgebakend:

nauwkeuriger nagaan of de vissersvaartuigen van derde landen die vissershavens van de Europese Gemeenschap aandoen, zich aan de regelgeving houden;

nauwkeuriger nagaan of de visserijproducten uit derde landen die met andere middelen dan vissersvaartuigen in de Gemeenschap worden ingevoerd, stroken met de instandhoudings- en beheersmaatregelen;

afsluiten van de EU-markt voor IOO-visserijproducten;

bestrijding van IOO-activiteiten door onderdanen van de Gemeenschap buiten haar grondgebied;

verbeteren van het juridische instrumentarium dat nodig is om IOO-visserijactiviteiten op te sporen;

invoeren van een doeltreffende sanctieregeling om ernstige overtredingen tegen te gaan;

het optreden tegen IOO-visserij in het kader van de regionale organisaties voor visserijbeheer verbeteren;

ontwikkelingslanden steunen in hun beleid ter bestrijding van IOO-visserij en ervoor zorgen dat zij over de nodige middelen beschikken;

de synergie op het gebied van toezicht, controle en bewaking vergroten, zowel tussen de lidstaten onderling als tussen de lidstaten en derde landen.

2.6

De Commissie gaat er m.a.w. van uit dat alleen een totaalaanpak van IOO-visserij, die alle facetten van de problematiek en de hele aanbodketen bestrijkt, doeltreffend is.

3.   Algemene opmerkingen

3.1

Het Comité kan zich vinden in de algemene strekking van het Commissievoorstel. Gezien de ingrijpende gevolgen van IOO-visserij op sociaaleconomisch en milieugebied is een krachtdadig optreden van de EU geboden.

3.2

De huidige communautaire controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (7) voorziet in een uitgebreid systeem om na te gaan of de vangsten van communautaire vissersvaartuigen legaal zijn. Het is echter niet mogelijk op grond van deze regeling de vangsten van vaartuigen uit derde landen die in de Gemeenschap worden ingevoerd, even streng te controleren en deze schepen vergelijkbare sancties op te leggen.

3.3

Door deze lacune slagen ondernemers uit zowel de Gemeenschap als derde landen erin van de IOO-visserij afkomstige producten aan de man te brengen op de communautaire markt en zo hun winstmarge te verruimen. De EU is immers de grootste markt ter wereld en de belangrijkste invoerder van visserijproducten. Het Comité juicht het daarom toe dat het voorstel voor een verordening is gericht op de IOO-visserij door schepen uit derde landen, zonder dat de EU-vloot wordt uitgesloten van de werkingssfeer (zie art. 1.4 van het voorstel).

3.4

De voorgestelde nieuwe controleregeling geldt voor alle IOO-visserijactiviteiten en alle aanverwante activiteiten die worden verricht op het grondgebied van de lidstaten of in de maritieme wateren onder de soevereiniteit of jurisdictie van de lidstaten, of die worden verricht door EU-vissersvaartuigen of -onderdanen. De regeling geldt, onverminderd de jurisdictie van de betrokken vlaggen- of kuststaat, eveneens ten aanzien van IOO-visserijactiviteiten die door niet-communautaire vaartuigen op volle zee of in wateren onder de jurisdictie van een derde land worden verricht, en is dus vergelijkbaar met de verplichtingen die het gemeenschappelijk visserijbeleid de EU-vloot oplegt.

3.5

Zonder ervoor te pleiten de communautaire vloot uit te sluiten van de verordening, wil het Comité er wel op wijzen dat de Commissie duidelijker onderscheid zou moeten maken tussen IOO-visserij door schepen uit derde landen, die niet door de vlaggenstaat worden gecontroleerd, en illegale visserijpraktijken door schepen die de vlag van een EU-lidstaat voeren, die zich dus niet houden aan het gemeenschappelijk visserijbeleid en waarop bovengenoemde Verordening (EEG) 2847/93 van toepassing is.

3.6

Met dit voorstel voor een verordening wordt een regeling ingevoerd die het mogelijk maakt de aanbodketen van in de Gemeenschap ingevoerde visserijproducten behoorlijk te controleren. Wel wil het Comité erop wijzen dat de voorgestelde maatregelen het legale handelsverkeer in geen geval mogen belemmeren.

3.7

Het Comité is ingenomen met dit Commissievoorstel, en heeft m.n. lof voor de heldere bewoordingen en de ruime werkingssfeer. Er wordt voorzien in een controleregeling voor illegale visserijactiviteiten op communautair en internationaal niveau, in onmiddellijke handhavingsmaatregelen en doeltreffende, evenredige en ontmoedigende sancties voor natuurlijke of rechtspersonen die ernstige overtredingen van de verordening begaan of daarvoor aansprakelijk zijn. Wel pleit het Comité ervoor in het geval van overtredingen door niet-meewerkende staten te overwegen ook sancties toe te passen die niet noodzakelijk verband houden met de visserij.

3.8

Het Comité is het niet eens met de volgorde waarin de verschillende hoofdstukken worden behandeld. Zo zouden de hoofdstukken IV en V over een communautair alarmeringssysteem en identificatie van de vaartuigen die IOO-visserijactiviteiten verrichten, op hoofdstuk I moeten volgen.

3.9

Voorts dient in hoofdstuk III, artikel 13, lid 1, uitdrukkelijk te worden gesteld dat het verbod op de invoer van producten van IOO-visserij zowel van toepassing is op de invoer via zee als via het land en de lucht.

3.10

Het grote struikelblok bij de tenuitvoerlegging van de verordening, zo vreest het Comité, is dat de lidstaten hun volledige medewerking moeten verlenen en ten volle achter de maatregelen moeten staan. Ook een doeltreffende vorm van internationale samenwerking is onontbeerlijk.

3.11

De uitvoering van alle maatregelen op het vlak van controle en inspectie, zowel in de havens als op zee, de toepassing van de certificerings-, toezicht- en verificatieregelingen voor schepen en vangsten en de uitoefening van de controle op de invoer via land, zee en lucht, zullen het budget van de lidstaten fors de hoogte injagen, de bureaucratische rompslomp aanzienlijk doen toenemen en de nationale toezichtautoriteiten zwaar belasten. Het Comité verzoekt de Commissie dan ook hiermee rekening te houden, omdat de hele onderneming anders dreigt te mislukken.

3.12

Voorts mag de verordening er in geen geval toe leiden dat visserijondernemingen die zich aan de regelgeving houden, te maken krijgen met hogere exploitatiekosten.

3.13

Al met al is het Comité van mening dat de voorgestelde maatregelen de rol van de Gemeenschap als vlaggen-, haven-, marktstaat en staat van de begunstigde versterken.

4.   Bijzondere opmerkingen

4.1

In het licht van het bovenstaande durven we te stellen dat de voorgestelde verordening, indien zij naar behoren en op continue wijze wordt toegepast, voldoende zwaar weegt om van de EU een van de voortrekkers in de internationale strijd tegen IOO-visserij te maken.

4.2

Na het hoofdstuk algemene bepalingen wordt in de voorgestelde verordening direct overgestapt op de havencontrole van vissersvaartuigen van derde landen. Opmerkelijk is het verbod op overladingen in communautaire wateren tussen vissersvaartuigen van derde landen en EU-vaartuigen. Dit verbod geldt niet alleen voor de communautaire wateren maar ook voor overladingen op zee waarbij de vangst van vaartuigen van derde landen wordt overgeladen naar EU-vaartuigen.

4.3

Het Comité heeft er in het verleden al herhaaldelijk bij de Commissie op aangedrongen om overladingen op volle zee, die vaak aan de basis liggen van IOO-visserij, te verbieden, en is dus ingenomen met deze bepaling.

4.4

In de verordening wordt duidelijk bepaald dat vissersvaartuigen van derde landen pas toegang kunnen krijgen tot vooraf door de lidstaten aangewezen havens als is voldaan aan een aantal vereisten i.v.m. de mededeling inzake het binnenvaren van de haven, de machtiging, het gevalideerd vangstcertificaat en toezicht. Vaartuigen uit derde landen die niet aan de in de verordening vastgelegde vereisten en bepalingen voldoen, mogen de havens van de lidstaten niet binnen, krijgen geen toegang tot de havendiensten en mogen geen activiteiten op het gebied van aanlanding, overlading of be- of verwerking aan boord ontplooien.

4.5

De Commissie besteedt bijzonder veel aandacht aan minutieuze en geregelde controles van de mededeling inzake het binnenvaren van de haven, de vangstcertificaten en de inspectie in de haven.

4.6

Het Comité pleit voor elektronische verificatie van de vangstcertificaten, die ten minste 72 uur vóór de geschatte tijd van aankomst in de haven moeten worden toegestuurd. De Commissie maakt in haar voorstel niet voldoende duidelijk hoe de validering van vangstcertificaten dient te verlopen. Daarnaast zou zij moeten aangeven in welke gevallen kan worden afgeweken van de vermelde termijn van 72 uur.

4.7

Het Comité steunt de door de Commissie voorgestelde bepalingen op het vlak van de controle van vissersvaartuigen en dringt er bij de lidstaten op aan dat zij deze maatregelen in alle aangewezen havens op dezelfde manier uitvoeren.

4.8

Indien blijkt dat een vissersvaartuig van een derde land betrokken is bij IOO-visserijactiviteiten, dan wordt het dit vaartuig verboden zijn vangst aan te landen, over te laden of aan boord te verwerken. Ook wordt een onderzoek geopend en zullen eventueel de in de nationale wetgeving vastgelegde sancties worden toegepast. Bij ernstige overtredingen worden onmiddellijke handhavingsmaatregelen genomen.

4.9

Vaartuigen uit derde landen ondergaan dus dezelfde strenge controle als EU-vissersvaartuigen. Bedoeling daarvan is na te gaan of er visserijproducten aan boord zijn die zijn verkregen door illegale, ongemelde of ongereglementeerde visserij. Met deze verordening wordt de invoer van dit soort visserijproducten in de EU verboden.

4.10

Controle van de invoer is noodzakelijk in de hele EU. In hoofdstuk III zou daarom ook moeten worden verwezen naar de controle van de containers die over land en door de lucht in de EU worden geïmporteerd. Overigens zou de Commissie moeten aangeven welk percentage van de containers jaarlijks minimaal dient te worden gecontroleerd.

4.11

Indien de invoer van visserijproducten wordt geweigerd omdat het overeenkomstig de bepalingen van de verordening om IOO-visserij gaat, kunnen de lidstaten die producten in beslag nemen en zich ervan ontdoen overeenkomstig de nationale voorschriften. Wel dient daarbij steeds het recht op beroep in acht te worden genomen.

4.12

Met het oog op een correcte tenuitvoerlegging van de bepalingen van de verordening die betrekking hebben op de invoer en wederuitvoer van visserijproducten en op een eventueel invoerverbod, kan de Commissie regelingen voor administratieve samenwerking aangaan met de vlaggenstaten.

4.13

De door de Commissie voorgestelde regeling vereist nauwe internationale samenwerking tussen de EU en de vlaggenstaten, de landen die zijn aangesloten bij de regionale organisaties voor visserijbeheer en de regionale organisaties zelf. Onderdeel van die samenwerking is ook het opsporen van niet-meewerkende staten. Overigens geeft de Commissie in de verordening aan hoe daartegen moet worden opgetreden.

4.14

Op intern vlak heeft deze internationale samenwerking geleid tot het opzetten van een communautair alarmeringssysteem, waarmee ondernemers en lidstaten kan worden meegedeeld dat er gerede twijfel bestaat of bepaalde vissersvaartuigen uit derde landen de geldende wet- en regelgeving en de internationale instandhoudings- en beheersmaatregelen naleven.

4.15

Naar aanleiding van een dergelijke mededeling kunnen op communautair en internationaal niveau controles worden uitgevoerd op de desbetreffende importproducten en alle eerder ingevoerde visserijproducten, én op de desbetreffende vissersvaartuigen. Indien de Commissie aan de hand van haar inlichtingen, inspecties en verificaties besluit dat er sprake is van IOO-visserijactiviteiten, dan neemt zij de betrokken vaartuigen op in de communautaire lijst van IOO-vaartuigen.

4.16

In de verordening wordt bepaald dat de Commissie of een door haar aangewezen instantie alle informatie over IOO-visserijactiviteiten verzamelt en analyseert.

4.17

Volgens het Comité evenwel is het Communautair Bureau voor visserijcontrole hiervoor de meest geschikte instantie. Het zou dan ook graag zien dat dit Bureau over meer financiële middelen en personeel kon beschikken.

4.18

In de verordening wordt uitgebreid ingegaan op de uitwerking, inhoud, aanpassing en bekendmaking van de lijst van IOO-vaartuigen van de Europese Gemeenschap. Vissersvaartuigen die voorkomen op door regionale organisaties voor visserijbeheer vastgestelde lijsten van IOO-vaartuigen, worden automatisch op de lijst van de Commissie geplaatst. Het Comité kan zich niet vinden in deze automatische opname en stelt voor dat de Commissie eerst nagaat of de lidstaten in kwestie de in artikel 26 van het voorstel vastgestelde maatregelen hebben genomen.

4.19

Het Comité is tevreden over de voorgestelde regeling, omdat visserijvaartuigen en niet-meewerkende staten hiermee daadwerkelijk op IOO-lijsten kunnen worden gezet. Het staat achter de voorgestelde maatregelen tegen vaartuigen en landen die betrokken zijn bij IOO-visserij en wijst erop dat er inzake voorafgaande informatie en verdediging de nodige garanties bestaan. Wel zou het graag zien dat meer garanties worden ingebouwd in de procedures voor de aangifte van IOO-visserij en niet-meewerkende staten, m.n. op het gebied van verdediging. Daarnaast moet een aangifte gebaseerd zijn op degelijk bewijsmateriaal, om te voorkomen dat de door de lidstaten goedgekeurde maatregelen voor de rechtbank meteen weer worden opgeheven.

4.20

Een land dat op de lijst van niet-meewerkende staten voorkomt kan daarvan ernstige schade ondervinden. Daarnaast is het belangrijk dat de in de verordening vastgelegde bepalingen in alle landen zonder onderscheid worden toegepast. Het Comité meent dan ook dat het niet meer dan redelijk is dat de Commissie de ontwikkelingslanden bijstaat in hun streven om te voldoen aan de vereisten inzake follow-up, controle en bewaking van de visserijactiviteiten.

4.21

Het volgsysteem voor vaartuigen (Vessel Monitoring System — VMS) is een belangrijk instrument voor het toezicht op IOO-visserij. Het Comité stelt daarom voor in de verordening te bepalen dat een land pas kan worden geschrapt van de lijst van niet-meewerkende staten als het al zijn vissersvaartuigen uitrust met een dergelijk volgsysteem.

4.22

Het Comité staat volledig achter de strenge maatregelen waarmee de Commissie vissersvaartuigen en niet-meewerkende staten die betrokken zijn bij IOO-visserij, wil aanpakken.

4.23

De verordening is ook van toepassing op onderdanen van de lidstaten, die op geen enkele wijze mogen meewerken of steun mogen verlenen aan IOO-visserij of activiteiten die verband houden met het charteren, uitvoeren of verkopen van vissersvaartuigen die op de communautaire lijst van IOO-vaartuigen staan.

4.24

Ten slotte wordt in de verordening aandacht besteed aan ernstige overtredingen. Zo legt de Commissie een uniform minimumbedrag op voor de maximumboetes voor natuurlijke en rechtspersonen en stelt zij onmiddellijke handhavingsmaatregelen en begeleidende sancties vast, zodat overtreders niet de kans krijgen hun activiteiten voort te zetten en de bevoegde autoriteiten een onderzoek kunnen starten.

4.25

De EU-lidstaten moeten hun sancties voor vaartuigen uit derde landen op elkaar afstemmen.

4.26

Met het oog op de vereenvoudiging van de regelgeving stelt de Commissie voor de belangrijkste in het kader van de ROVB's (ten minste die waarvan ook de EU lid is) vastgestelde regelingen op het gebied van controle, inspectie en handhaving op te nemen in de verordening en het toepassingsgebied daarvan uit te breiden tot alle wateren die onder een van deze organisaties vallen.

4.27

Het Comité verzoekt de Commissie in een later stadium na te gaan of de verordening kan worden uitgebreid tot zoetwatervisserij.

4.28

Het Comité is van oordeel dat de voorgestelde verordening een bijzonder nuttig instrument is om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen en wijst erop dat de tenuitvoerlegging van deze bepalingen voortdurende en niet-aflatende inspanningen zal vergen. Het merkt ten slotte nog op dat samenwerking tussen de lidstaten in dit verband onontbeerlijk is.

Brussel, 29 mei 2008

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

D. DIMITRIADIS


(1)  Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12.10.1993.

(2)  COM(2002) 180 van 28.5.2002 en conclusies van de Raad van 7.6.2002

(3)  Resolutie van het Europees Parlement 2006/2225 (goedgekeurd op 15.2.2007)

(4)  COM(2007) 601 final van 17.10.2007

(5)  EESC-conferentie van 30.1.2007 over de verantwoordelijkheid van de vlaggenstaat

(6)  Voorstel voor een verordening van de Raad 2007/0223 (CNS) houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen

(7)  Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12.10.1993.


Top