Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52008AE0977

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een beschikking van het Europees Parlement en de Raad betreffende de deelname door de Gemeenschap aan een door verschillende lidstaten ondernomen programma voor onderzoek en ontwikkeling dat gericht is op de ondersteuning van onderzoek en ontwikkeling verrichtende KMO's COM(2007) 514 final — 2007/0188 (COD)

OJ C 224, 30.8.2008, p. 18–22 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 224/18


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een beschikking van het Europees Parlement en de Raad betreffende de deelname door de Gemeenschap aan een door verschillende lidstaten ondernomen programma voor onderzoek en ontwikkeling dat gericht is op de ondersteuning van onderzoek en ontwikkeling verrichtende KMO's

COM(2007) 514 final — 2007/0188 (COD)

(2008/C 224/04)

De Raad heeft op 11 oktober 2007 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 172 van het EG-Verdrag te raadplegen over het

Voorstel voor een beschikking van het Europees Parlement en de Raad betreffende de deelname door de Gemeenschap aan een door verschillende lidstaten ondernomen programma voor onderzoek en ontwikkeling dat gericht is op de ondersteuning van onderzoek en ontwikkeling verrichtende KMO's

Op 25 september 2007 heeft het bureau van het Comité besloten de gespecialiseerde afdeling „Interne markt, productie en consumptie” met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden te belasten.

Gezien de urgentie van de werkzaamheden heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité tijdens zijn op 28 en 29 mei 2008 gehouden 445e zitting (vergadering van 29 mei) de heer Cappellini als algemeen rapporteur aangewezen en vervolgens het volgende advies met algemene stemmen goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) schaart zich achter de doelstellingen van het gezamenlijk programma „Eurostars” en benadrukt dat er bij de goedkeuring van nieuw EU-beleid en programma's ten behoeve van onderzoek, ontwikkeling en innovatie die gericht zijn op de werkelijke behoeften van KMO's op innovatiegebied rekening nmoet worden gehouden met met de verschillende categorieën, de omvang en de sectoren van het MKB.

1.2

Verder kan het zich vinden in het voorstel van de lidstaten om dit gezamenlijk programma ter ondersteuning van de zog. „O&O verrichtende KMO's” goed te keuren en wijst het erop dat dit programma toegankelijk dient te zijn voor alle mkb's uit de bij het programma aangesloten landen die aan het innovatieproces willen deelnemen.

1.3

Daarnaast is het van groot belang dat de instrumenten worden gevonden om alle lidstaten die aan EUREKA maar niet aan Eurostars deelnemen bij dat gezamenlijk programma te betrekken.

1.4

Het EESC maakt zich bezorgd over de toegangscriteria aangaande Eurostars (1): deelname staat uitsluitend open voor O&O verrichtende KMO's die minimaal 10 % voltijdequivalent of van de jaaromzet in onderzoeksactiviteiten investeren. Weliswaar geldt deze beperking alleen voor de O&O verrichtende KMO die een project voorstelt (de projectleider), maar de definitie is gebaseerd op gecodificeerde indicatoren en de veelsoortige niet-gecodificeerde indicatoren worden genegeerd (2) terwijl zeer innovatieve processen juist vaak door „stille kennis” worden gekenmerkt (3).

1.5

Daarom herinnert het EESC nogmaals aan het beginsel dat ter wille van faire mededinging betreffende projectvoorstellen projecten moeten worden geselecteerd op basis van hun inhoudelijke kwaliteit, managementervaring met O&O en samenhang met de doelstellingen van het programma, waarbij een groot deel van de innovatieve KMO's die aan Eurostars willen deelnemen niet mogen worden uitgesloten. Verder moet financiering worden toegestaan van opleidingsprogramma's om managers voor te bereiden die zijn gespecialiseerd in echte overdracht van technologie vanuit het onderzoek naar producten die op de markt kunnen worden gebracht.

1.6

Daarom zou het EESC graag zien dat er overeenkomstig de toepasselijke procedures voor Eurostars een specifieke begrotingslijn wordt geopend voor transnationale initiatieven die de lidstaten in samenwerking met organisaties van het MKB nemen om nog meer mkb's van vruchtbare informatie over de resultaten van Eurostarsprojecten te voorzien. Een andere manier om alle in het succes van het gezamenlijk programma geïnteresseerde mkb's meer kennis te verschaffen is dat de MKB-organisaties en de sociale partners een gemeenschappelijke gegevensbank en meertalige websites oprichten en promoten.

1.7

Ook maakt het EESC zich zorgen over de criteria voor de bijdrage van mkb's aan de totale O&O-projectkosten. Er dient erop te worden gewezen dat gegeven de huidige Eurostarsregeling mkb's samen minstens 50 % van die kosten moeten dragen. Daardoor zullen veel mkb's gegeven hun marktpositie niet mee kunnen doen en daarom moet worden overwogen om dat percentage bij de tussentijdse evaluatie van het programma tot 25 % te verlagen (4).

1.8

Daarna dienen de betrokken EU- en nationale autoriteiten tijdens de fasen van effectbeoordeling en resultaatverspreiding oog te hebben voor de zorgen van de Europese en nationale MKB-organisaties en andere O&O-stakeholders. Zo zou regelmatige controle door de adviesgroep van de Unie inzake het MKB en O&O nuttig kunnen blijken te zijn voor technische raadpleging door de nationale en Europese autoriteiten. In dit verband zou ook de WIM van het EESC, in samenwerking met de MKB-afvaardiging, tijdens de monitoring-, uitvoerings- en verspreidingsfase deel van die groep kunnen uitmaken.

1.9

Het is vooral van belang dat Eurostars op transparante en niet-bureaucratische wijze ten uitvoer wordt gelegd, zodat mkb's gemakkelijker informatie kunnen ontvangen en met name betrokken kunnen worden bij de follow-upactiviteiten met verwante O&O-instellingen. Dus moeten projecten met een lump sum worden gefinancierd en wanneer dat niet met nationale programma's strookt via een vast tarief.

1.10

Verder moeten ten behoeve van de efficiënte uitvoering van Eurostars de regionale innovatienetwerken worden versterkt, zodat zij met één-loketdiensten innovatieve mkb's kunnen ondersteunen en deze bedrijven daadwerkelijk toegang tot Europese O&O-fondsen kunnen bieden. Zo zouden de banden tussen EUREKA-netwerken, andere bestaande publiek/particuliere lichamen en MKB-organisaties op EU, nationaal en regionaal niveau moeten worden geïntensiveerd en beter worden gecoördineerd ten einde meer bekendheid te geven aan specifieke steunprogramma's voor O&O verrichtende KMO's.Verder zouden door representatieve MKB-organisaties georganiseerde evenementen moeten worden gesteund om mkb's en betrokken organisaties bewust te maken van de betekenis, het belang en de rol van innovatie voor de toekomst van de EU.

1.11

De resultaten van de projectselectie die de MKB-sectoren in het kader van Eurostars (5) verrichten moeten door het EUREKA-netwerk via internet openbaar worden gemaakt. Ook moet er een shortlist beschikbaar zijn van in aanmerking komende projecten van hoog innovatief gehalte die niet worden gesteund. Die lijst vormt namelijk een indicatie voor de nationale publiek/particuliere investeerders of het programma met meer geld moet worden gevoed.

1.12

De coördinatie tussen de met het MKB- en O&O-beleid belaste nationale autoriteiten en EUREKA dient consistent te zijn en tegemoet te komen aan de door de MKB-organisaties en andere stakeholders naar voren gebrachte behoeften (daaronder particuliere en publieke onderzoeksinstellingen). Het EESC verzoekt dan ook de betrokken Europese instellingen, de lidstaten en het Sloveens en Frans voorzitterschap om ervoor te zorgen dat die coördinatie overeenkomstig de verwachtingen van het MKB en de programmadoelstellingen gestalte krijgt.

1.13

Daarnaast dringt het erop aan dat, betreffende de deelname van mkb's aan gesubsidieerde programma's en Eurostars, de lange periode tussen het indienen van een voorstel en de goedkeuring ervan door de EU wordt verkort, zodat KMO's worden aangemoedigd om voorstellen in te dienen.

1.14

Om de absorptie door mkb's van O&O-steun te verbeteren en te verhogen is het voorts van belang dat de EG beziet of ongebruikte middelen voor het MKB van het hoofdstuk „Samenwerking” van het Zevende kaderprogramma (goed voor 15 % van het budget van het Zesde kaderprogramma voor thematische prioriteiten) kunnen worden overgeheveld naar het Capaciteitenprogramma (CRAFT, enz.), dat efficiënter op het MKB is toegesneden.

1.15

Ook moet er meer aandacht worden besteed voor de onevenredige hoge, uit de regelgeving voortvloeiende lasten voor het MKB, die soms het tienvoudige van die voor grote bedrijven bedragen. (6) Verlaging van de beheerskosten en vereenvoudiging van de indieningsprocedures voor mkb's die met Europese of partners van elders aan O&O-programma's willen deelnemen is tevens wenselijk. Ook zou een oplossing voor kwesties aangaande intellectuele-eigendomsrechten en Europees octrooien (7) welkom zijn. De huidige situatie vormt namelijk een belemmering voor concurrentievermogen en innovatie in Europa. Verder vormen toegankelijke octrooien en intellectuele-eigendomsrechten (8) waarschijnlijk ook niet-financiële troeven voor de versterking van partnerschappen tussen bedrijven die aan internationale projecten deelnemen.

2.   Achtergrond van het advies

2.1

In het door de EU-leiders in 2000 goedgekeurde Handvest voor kleine bedrijven was men het erover eens dat kleine bedrijven een hoofdmotor vormen achter innovatie, werkgelegenheid en sociale en lokale integratie in Europa. (9) Verder kondigde de Commissie in oktober 2007 de voorbereiding aan van een Europese „Small Business Act” (10) en daarin wordt een serie maatregelen uiteengezet om ondernemerschap, bedrijfscultuur en toegang tot vaardigheden te promoten. (11) Voorts zal de Commissie in de loop van 2008 een aantal op het MKB gerichte initiatieven (12) onderzoeken om te bekijken hoe de toegang van de sector tot EU-programma's kan worden vergemakkelijkt.

2.2

Dit alles vormde de basis voor Eurostars. Het programma valt onder artikel 169 van het EG-Verdrag en is bedoeld als een uitwerking van onderzoek te behoeve van de op het Zevende kaderprogramma gebaseerde MKB-activiteiten, wordt door EUREKA beheerd en werd opgestart door 22 lidstaten en vijf andere EUREKA-landen (Ijsland, Israël, Noorwegen, Zwitserland en turkije). Momenteel zijn 30 landen bij Eurostars aangesloten: Oostenrijk, België, Cyprus, Tsjechië, Denemarken, Estland, Finland, Frankrijk, Duitsland, Griekenland, Hongarije, Ijsland, Ierland, Israël, Italië, Letland, Litouwen, Luxemburg, Nederland, Noorwegen, Polen, Portugal, Roemenië, Slowakije, Slovenië, Spanje, Zweden, Zwitserland, Turkije en het VK.

2.3

Het Zevende kaderprogramma bevat veel van de tijdens de herziening van het Zesde programma voorgestelde maatregelen (13) om de hiaten in het MKB-beleid te dichten. Het Zevende programma bevat een strategie ten behoeve van het MKB die zowel kwalitatieve als kwantitatieve maatregelen omvat om acties op nationaal en regionaal niveau te stimuleren. Het is gericht op creatie van clusters en bedrijvennetwerken, verbetering van pan-Europese samenwerking tussen kleine ondernemingen die informatietechnologie gebruiken, verspreiding van goede praktijken betreffende samenwerkingsovereenkomsten en op ondersteuning van samenwerking tussen kleine bedrijven (14).

2.4

De 23 miljoen in de EU geregistreerde mkb's zijn goed voor 99 % van alle bedrijven, voor twee derden van de Europese omzet en ondersteunen de hoofdrolspelers bij duurzame ontwikkeling (15). Om aan concurrentiekracht te winnen moeten de mkb's wel worden gerationaliseerd en gehergroepeerd om om een samenhangend geheel met kritische massa te vormen, zodat zij kunnen profiteren van de opkomst van speciale durfkapitaalfondsen, wetenschapsparken, incubators en regionaal innovatiebeleid (16).

2.5

Belangrijker is dat volgens „Flash Eurobarometer report” de groei van het MKB wordt belemmerd door het feit dat de Europeanen niet van risico's houden en daarmee de ondernemersgeest ontberen (17). Daarom is het van groot belang om het imago van ondernemers te verbeteren en de mensen bewust te maken van hun de sleutelrol die zij spelen ten aanzien van innovatie, economische vooruitgang en welvaart in het algemeen. De doelstellingen van Lissabon kunnen uitsluitend worden verwezenlijkt door verantwoordelijk, energetisch en vindingrijk ondernemerschap dat vrije baan moet hebben (18).

2.6

Probleem is echter dat de nationale, specifiek op MKB-ondersteuning gerichte maatregelen niet altijd aanzetten tot transnationale onderzoekssamenwerking en technologieoverdracht en deze evenmin altijd ondersteunen. Gegeven marktveranderingen en internationalisering van waardetoevoeging moeten de Europese mkb's zich heden aanpassen aan intensieve mondiale mededinging door deel te nemen aan permanente innovatieprocessen in een steeds globaler milieu. Het moet toch de bedoeling zijn dat Eurostars de mkb's en particuliere en/of publieke onderzoeksinstellingen beloont die een extra inspanning leveren om O&O-projecten te ondersteunen, de resultaten ervan te verspreiden, technologie over te dragen en bijdragen tot toegang tot kennis. Verder moet Eurostars projecten dienen waarbij instellingen, samenwerkingsverbanden en/of individuele mkb's zijn betrokken die doorgaans in mindere mate of geheel niet bij dergelijke programma's zijn betrokken. Het EESC wijst met klem op het belang van de uitbreiding van de bijdrage van alle bij EUREKA aangesloten landen aan Eurostars en denkt daarbij met name aan de nieuwe lidstaten, die van de transnationale aanpak kunnen profiteren.

2.7

Eurostars is gericht op O&O verrichtende KMO's en daarbij wordt de nadruk gelegd op marktgerichte O&O-projecten en transnationale projecten met meerdere partners (minstens twee zelfstandige partners uit verschillende aangesloten landen). De „bottom-upbenadering”, die de O&O verrichtende KMO's meer mogelijkheden biedt voor eigenaarschap en strategische bedrijfsinnovatie, vormt een belangrijk aspect van het programma. Op die manier zijn mkb's in staat om de resultaten van in gang zijnd onderzoek aan commerciële mogelijkheden te toetsen en te beïnvloeden.

3.   De doelstellingen van Eurostars

3.1

Overeenkomstig artikel 169 van het EG-Verdrag impliceert de deelname aan O&O-programma's voor de desbetreffende lidstaten dat zij hun nationale onderzoeksprogramma's bundelen door zich aan een gezamenlijk programma te binden. De Commissie heeft op basis van dit artikel vier potentiële initiatieven in kaart gebracht. Een daarvan is Eurostars: een gezamenlijk onderzoeksprogramma voor mkb's en hun partners.

3.2

Het programma bestaat uit projecten die worden voorgesteld door één of meer mkb's die gevestigd zijn in de deelnemende landen en actief aan O&O doen. Daarbij kan het om alle gebieden van wetenschap en technologie gaan(mits voor civiele doeleinden). De projecten moeten op samenwerking berusten en minstens twee deelnemers uit twee verschillende deelnemende landen omvatten die bezig zijn met activiteiten in verband met onderzoek, technologische ontwikkeling, demonstratie, opleiding en verspreiding van informatie. Overeenkomstig de aard van het MKB is de levensduur van een project kort: maximaal drie jaar en binnen twee jaar na afronding moet het onderzoeksproduct marktrijp zijn.

3.3

Eurostars kan de EG-subsidiëring een forse stoot geven: lidstaten en vijf EUREKA-landen (IJsland Israël, Noorwegen, Zwitserland en Turkije) zullen 300 miljoen bijdragen. De Gemeenschap legt daar een derde van de bijdrage van de lidstaten bij, hetgeen neerkomt op 400 miljoen euro aan overheidsgeld. Uitgaande van een financieringsverhouding van 50-75 % kan via Eurostars gedurende de programmaperiode een bijkomend bedrag van tussen de 133 en 400 miljoen aan particuliere investeringen worden aangetrokken (hefboomeffect). Verwacht wordt die per project 1,4 miljoen euro zullen bedragen. Met een gemiddelde ondersteuning van 50 %, een overheidsbijdrage van 0,7 % per project en een totaal programmabudget van ongeveer 400 miljoen euro kunnen 565 projecten worden gesteund.

3.4

De EG-bijdrage vult daarmee een leemte op tijdens een vroeg O&O-stadium waarin innovatieve activiteiten relatief veel risico's herbergen en wellicht geen individuele particuliere investeerders aantrekken. (19) Deze bijdrage van de Gemeenschap zal meer O&O verrichtende KMO's ertoe aanzetten om particuliere investeringen aan te trekken om innovatieve producten en diensten te ontwikkelen.

3.5

Ten aanzien van de financiering moet worden overwogen om nationale fiscale faciliteiten voor O&O-investeringen in te voeren. Daarbij denkt het EESC aan lidstaten waar investeerders zelfs in het ergste geval nog aantrekkelijk blijven dank zij een fiscale-lastenverlichting. Voor een mkb vormt dit een alternatieve lastenverlichting.

3.6

Toch toont men zich erover bezorgd dat veel mkb's niet deel zullen deelnemen aan dit EU-initiatief voor concurrentiële innovatie. Volgens de toegangscriteria is het namelijk zo dat de O&O verrichtende KMO die het project voorstelt minstens 10 % voltijdequivalent of van de jaaromzet in onderzoeksactiviteiten investeert. Weliswaar geldt deze beperking slechts voor de projectleider, maar dit kan veel kleine bedrijven ervan doen afzien om met innovatieve projectvoorstellen te komen. Dat zou erin kunnen resulteren dat alleen hightech-ondernemingen met een reeds gevestigde marktpositie en meer toegang tot passendere financieringsmodaliteiten door het programma worden aangetrokken.

3.7

Verder speelt ook nog dat in sommige lidstaten O&O-kosten vaak deel uitmaken van andere operationele kosten en dus niet separaat kunnen worden opgevoerd. (20) De door De OESO gebruikte O&O-indicatoren vertonen dus soms gebreken wanneer deze op innovatieve kleine ondernemingen worden losgelaten. Niet-gecodificeerde kennis, die moeilijk valt te kwantificeren, wordt namelijk buiten beschouwing gelaten. (21)

3.8

Voorts zou volgens de OESO de „High-Tech Sector” gedefinieerd worden als een geheel van ondernemingen die minstens 4 % van de omzet aan O&O besteden. Zelfs in hoogontwikkelde economieën is die sector goed voor ongeveer 3 % van het BBP en dat betekent dat 97 % van alle economische activiteiten en de meeste innovatieprocessen plaatsvinden in sectoren die door de OESO als „Mid-Tech” of „Low-Tech” worden aangemerkt. (22) Dat duidt erop dat een groot deel van innoverende bedrijven van het ondersteuningsprogramma zou worden uitgesloten. Met de 10 %-drempel voor O&O valt namelijk de prikkel tot deelname aan Eurostars weg.

3.9

Daarom vindt het EESC dat projecten op basis van kwaliteit en samenhang met de doelstellingen van het programma moeten worden uitgekozen, en dat dient te worden afgezien van drempel van 10 % — O&O.

3.10

Een ander programmavereiste is dat de O&O verrichtende KMO zelf het grootste gedeelte van het onderzoek kan doen. Samenwerking met partners als andere mkb's, lokale clusters, onderzoeksinstellingen of universiteiten moet echter niet worden uitgesloten. Verder dient de term „cluster” tevens de situatie te omvatten dat de KMO in kwestie op de campus van een universiteit of een instelling voor derdegraadsonderwijs wordt gevestigd om wederzijds nuttige interactie te bevorderen.

3.11

Wat de inbreng van de innoverende mkb's in een Eurostars-project betreft moet erop worden gewezen dat de O&O verrichtende KMO's samen minstens 50 % van de O&O-kosten van het project dienen te dragen. Dit criterium kan nog altijd voor veel mkb's een belemmering vormen om deel te nemen en daarom moet worden overwogen of het percentage bij de tussentijdse evaluatie van het programma niet tot 25 % kan worden teruggebracht (23).

3.12

De relatie met andere financiële instrumenten van CIP (Kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie) vereist nog steeds opheldering. Ook moet steunprogramma flexibeler worden gemaakt en meer worden toegesneden op de behoeften van mkb's. Daarbij moet worden geput uit de positieve ervaringen die met garantiefondsen voor O&O zijn opgedaan zodat bedrijven de zaken op langere termijn kunnen bekijken.

3.13

Betere regelgeving, met systematische raadpleging van de representatieve MKB-organisaties en verdere stakeholders, zal resulteren in lagere operationele kosten en risico's, meer winst, meer durfkapitaal en beter functionerende risicokapitaalmarkten. Dat zal vooral innovatieve mkb's ten goede komen. Deze financiering zal een aanvulling vormen op de overheidssteun voor de allereerste fasen van het omvormen van de onderzoeksresultaten in een commercieel voorstel.

3.14

De Commissie heeft zich ertoe verbonden om maatregelen voor meer grensoverschrijdende investeringen door risicokapitaalfondsen te promoten. (24) De Europese risicokapitaalmarkt is momenteel gefragmenteerd in 27 verschillende operationele segmenten en dat vormt een obstakel voor zowel het bijeenbrengen van kapitaal als investeringen.

3.15

Daarom dient er een beter klimaat voor risicokapitaal te komen en dienen de lidstaten particuliere beleggers prikkels te verschaffen om in op samenwerking gebaseerd internationaal onderzoek te stappen (25) en de betrokkenheid van zakelijke ondersteunende diensten voor mkb's die de startfase met succes hebben doorlopen te promoten.

4.   Verbetering van de coördinatie van Eurostars

4.1

Eurostars strekt tot de ondersteuning van mkb's op ieder technologisch of industrieel, juridisch en organisatorisch terrein die nodig is voor grootschalige Europese samenwerking op het gebied van toegepaste O&O. Bijgevolg zal het programma het vermogen van O&O verrichtende KMO's om nieuwe en competitieve producten, processen en diensten op de markt te brengen, verhogen.

4.2

De internationalisering van een project zou dubbelwerk op innovatiegebied kunnen voorkomen en zou de gelegenheid moeten bieden om gemeenschappelijk beleid vast te stellen en snel maatregelen te nemen om administratieve lasten terug te dringen (26). Met behulp van het programma zouden veel mkb's kunnen worden aangemoedigd om van internationale samenwerking te profiteren mits zij in staat zijn om een project voor te stellen en rechtstreeks te beheren. De betrokkenheid bij geïntegreerde projecten en het netwerk van excellentie moet echter zorgvuldig worden gepland ten einde scheeftrekkingen in de projectdeelname te voorkomen.

4.3

Los van ondersteuning van O&O moet worden gekeken naar manieren waarop overheden innovatie op meer directe wijze kunnen steunen door voor de juiste infrastructuur te zorgen. Er bestaat een grote gemeenschap van onderzoeks„instellingen” en sommige daarvan zijn verenigingen en andere onderzoeksbedrijven met als taak om innovatie door vooral mkb's te steunen. Ook bestaan er wetenschapsparken, wetenschapswinkels, incubators, regionale en lokale overheidsorganen en organisaties voor kennisoverdracht. Deze verschaffen belangrijke ondersteuning aan jonge high-tec-mkb's en zelfs aan meer traditionele bedrijven die overwegen om over te schakelen naar op innovatie gebaseerde strategieën. Het Sloveense en het daaropvolgende Franse voorzitterschap moeten bezien hoe Eurostars op EU- en nationaal niveau optimaal kan worden gecoördineerd en overlapping van functies en het risico van verwarring tussen bestaande MKB-agentschappen kunnen worden voorkomen.

4.4

Het EESC heeft reeds bij verscheidene gelegenheden aanbevolen dat een veel groter deel van de middelen van de structuurfondsen moet worden gebruikt voor de ontwikkeling van gezamenlijke wetenschappelijke infrastructuur die specifiek op het MKB is toegesneden. Ook het gebruik van financiering door de EIB zou in dit verband zeer nuttig kunnen zijn (27).

Brussel, 29 mei 2008

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

D. DIMITRIADIS


(1)  http://www.eurostars-eureka.eu/.

(2)  Hartmut Hirsch-Kreinsen, „Low-Tech”  Innovations, Industry and Innovation, 02.2008

(3)  Pilot Project: http://www.pilot-projrct.org

(4)  A6-0064/2008 (amendement op het voorstel), EP-commissie Industrie, onderzoek en energie, 2008

(5)  http://ec.europa.eu/research/sme-techweb/index_en.cfm?pg=results

(6)  DG Ondernemingen en industrie, mei 2007, modellen om de onevenredig hoge regelgevingslasten voor mkb's terug te dringen

(7)  The Cost Factor in Patent systems, werkdocument van de ULB WP-CEB 06-002, Brussel 2006, blz. 17 e.v.

(8)  COM(2007) 165: Verebetering van het octrooisysteem in Europa

(9)  Zie de Europese Raad van Feira, 19 en 20 juni 2000.

(10)  COM(2007) 592 final, 04 10.2007: Het midden- en kleinbedrijf: de sleutel tot meer groei en werkgelegenheid — tussentijdse evaluatie van het moderne mkb-beleid

(11)  Luc Hendrickx, „UEAPME expectations on the proposal for a European Small Business Act”, 14.12.2007

(12)  http://ec.europe.eu/enterprise/entrepreneurship/sba_en.htm.

(13)  PB C 234, 22.9.2005, blz. 14 en het UEAPME document over het vervolg op het Zesde kaderprogramma, 01/2005

(14)  Zie COM(2007o 592, 04/10/2007: Het midden- en kleinbedrijf: de sleutel tot meer groei en werkgelegenheid — tussentijdse evaluatie van het moderne mkb-beleid.

(15)  Zie COM(2006) 349, 29.06.2006: Implementatie van het Lissabonprogramma van de Gemeenschap: Financiering van groei in het MKB — de toegevoegde waarde van Europa.

(16)  Zie COM(2004) 353, 16.06.2004: Wetenschap en technologie, sleutels tot de toekomst van Europa.

(17)  Waarnemingspost van Europese mkb's, Flash Eurobarometer 196, mei 2007

(18)  Zie PB C 256, 27.10.2007, blz. 8: Investeren in kennis en innovatie.

(19)  Annual Survey of Pan-European Private Equity & Venture Capital Activity, 2004

(20)  Zie het EU-scorebord 2007, blz. 20, van industriële O&O-investeringen (GOC en DG Onderzoek)

(21)  H. Hirsch-Kreinsen, „Low Tezchnology”: A forgotten sector in innovation policy, facultiet Economische en sociale wetenschappen van de universiteit van Dortmund, 15.03.2006; UAPME, „Towards an Innovation Policy for Crafts, Ttades and SME's”, 27.01.04

(22)  Zie UAPME, „Towards an Innovation Policy for Crafts, Ttades and SME's”, 27.01.04

(23)  Commissie Industrie, onderzoek en energie van het EP, A6-0064/2008

(24)  Zie voor haar voorstel IP/08/15, 07.01.2008

(25)  Financiering van groei in het MKB — de toegevoegde waarde van Europa, COM(2006) 349, 29.06.2006

(26)  Zie voor dit laatste de Commissievoorstellen 2008, MEMO/08/152, 10.3.2008

(27)  PB C 65, 17.3.2006), PB C 256, 27.10.2007, blz. 17.


Top