Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52008IE0273

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Op visserijrechten gebaseerde beheersinstrumenten

OJ C 162, 25.6.2008, p. 79–82 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

25.6.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 162/79


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Op visserijrechten gebaseerde beheersinstrumenten”

(2008/C 162/16)

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 27 september 2007 besloten overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over

„Op visserijrechten gebaseerde beheersinstrumenten”.

De gespecialiseerde afdeling Landbouw, plattelandsontwikkeling, milieu, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 22 januari 2008 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Sarró Iparraguirre.

Het Comité heeft tijdens zijn op 13 en 14 februari 2008 gehouden 442e zitting (vergadering van 13 februari 2008) het volgende advies uitgebracht, dat met 110 stemmen vóór en 2 stemmen tegen, bij 5 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies

1.1

Het Comité dringt erop aan dat de Commissie na afloop van de discussieperiode een studie opstelt over de huidige capaciteit van de communautaire vloot en de quota die noodzakelijk zijn om het concurrentievermogen van die vloot op peil te houden, zonder dat het voortbestaan van de communautaire visgronden in gevaar wordt gebracht.

1.2

Deze studie dient o.m. een actualisering te bevatten van de visserijrechten die de lidstaten hebben verkregen op grond van het beginsel van relatieve stabiliteit, waarbij wordt gekeken naar de 24 jaar die verstreken zijn sinds 1983.

1.3

In het kader van die actualisering dient een tijdelijke quotaverdeling te worden vastgelegd, bv. voor vijf jaar, zodat een nieuwe verdeling steeds mogelijk is mocht het evenwicht zoek dreigen te raken.

1.4

Op dit moment is de quotaverdeling voor bepaalde pelagische en diepzeesoorten in een aantal visserijgebieden onevenwichtig, zodat een meerderheid van de lidstaten met quotumoverschotten of -tekorten kampt. In de context van genoemde actualisering moet worden nagegaan hoe deze scheve verhoudingen het best kunnen worden rechtgetrokken.

1.5

Hoe dan ook moet het gaan om reële quota die zijn uitgewerkt aan de hand van vergelijkbare wetenschappelijke gegevens. De wetenschappelijke kennis van de bestanden moet dan ook worden vergroot. Bij gebrek aan voldoende wetenschappelijke gegevens worden de meeste quota vandaag vastgesteld op grond van het voorzorgsbeginsel.

1.6

Anderzijds is het Comité wel van oordeel dat de lidstaten zich op grond van het criterium van relatieve stabiliteit op een aantal verworven rechten kunnen beroepen. Deze mogen niet zonder meer worden afgeschaft, maar zouden kunnen worden aangepast aan de GVB-vereisten op het vlak van duurzaamheid van de bestanden en van het concurrentievermogen van de vloten.

1.7

Besluit de Commissie over te stappen op een op visserijrechten gebaseerd beheerssysteem, dan moet zij dat op communautair niveau doen.

1.8

Als de visserijrechten naar behoren worden geactualiseerd kan dat een rem zetten op het teruggooien en kan de overbevissing drastisch worden teruggebracht.

1.9

Het Comité is wel van mening dat vóór alles rekening moet worden gehouden met de rechten van de ambachtelijke vissers, die m.n. een belangrijke rol spelen in de eilandgebieden van de EU. Een op visserijrechten gebaseerd beheerssysteem op communautair niveau behoort dan ook niet van toepassing te zijn op de ambachtelijke visserij, d.w.z. de visserij waarbij gebruik wordt gemaakt van schepen met een totale lengte van minder dan 12 meter (1).

1.10

De Commissie zou een op visserijrechten gebaseerd beheerssysteem op de eerste plaats moeten toepassen op de visserijtakken waar overtollige quota en quotatekorten met elkaar botsen. In de desbetreffende landen bestaat immers een brede consensus terzake.

1.11

Het zou in dit geval ook aan de Commissie zijn om te beslissen op welk niveau — van de EU, de lidstaten, de producentenorganisaties of het bedrijfsleven — de visserijrechten kunnen worden verhandeld en erop toe te zien dat een en ander rechtmatig verloopt.

1.12

Als we erin slagen het huidige onevenwicht te herstellen zonder af te wijken van het criterium van relatieve stabiliteit, zijn we al een heel eind op weg naar een op visserijrechten gebaseerd beheerssysteem.

2.   Inleiding

2.1

Met haar Mededeling betreffende op rechten gebaseerde beheersinstrumenten in de visserijsector  (2) heeft de Commissie het startsein gegeven voor een debat over de vraag hoe de in het kader van het nieuwe gemeenschappelijke visserijbeleid (GVB) vastgelegde doelstellingen van duurzaamheid van de visbestanden en een concurrerende visserijsector het best kunnen worden bereikt. Die discussie zou een goed jaar later, nl. op 27 februari 2008, haar beslag moeten krijgen.

2.2

In haar Groenboek over de toekomst van het gemeenschappelijk visserijbeleid  (3) pleit de Commissie ervoor dat de Gemeenschap zich gaat buigen over nieuwe beheersinstrumenten, bv. „marktgerichte procedures voor toewijzing van quota, zoals individueel overdraagbare quota en veilingsystemen, waardoor een markt in vangstrechten ontstaat en waardoor de interesse van de houders van dergelijke rechten voor de duurzaamheid van de visserij zou kunnen toenemen”.

2.3

In de Roadmap betreffende de hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid  (4) wijst de Commissie erop „dat de visserijsector nog steeds een aantal typische kenmerken vertoont die het moeilijk maken om op korte termijn normale economische voorwaarden, zoals vrije mededinging tussen producenten en vrije investeringen, toe te passen”. Zij verwijst daarmee naar het structurele onevenwicht tussen de schaarse bestanden en de omvang van de communautaire vloot en naar de kustgemeenschappen die nog steeds volledig afhankelijk zijn van de visserij. Ook is in de roadmap een tijdschema voor actie opgenomen. Zo was het de bedoeling dat de Commissie in 2002 studiebijeenkomsten over economisch beheer zou organiseren, waarbij o.m. de mogelijkheid van een systeem van individuele of collectieve verhandelbare visserijrechten zou worden besproken. In 2003 zou dan aan de Raad verslag worden uitgebracht over de uitkomst van deze besprekingen. Uiteindelijk heeft pas in maart 2007 een seminar plaatsgevonden over de economische dimensie van de visserij, waarop ook de problematiek van de visserijrechten ter sprake is gekomen (5).

2.4

Het Comité wil met dit initiatiefadvies zijn bijdrage leveren aan het door de Commissie geplande debat over een beter systeem voor het beheer van de visbestanden, dat de hoeksteen moet gaan vormen van het GVB. Alleen op die manier kan de duurzaamheid van de bestanden op lange termijn worden verzekerd en kan het concurrentievermogen van de communautaire vloot worden veiliggesteld.

2.5

Bedoeling van het advies is duidelijk te maken welke struikelblokken een efficiënt, op visserijrechten gebaseerd economisch beheer van de visbestanden in de weg staan en mogelijke oplossingen voor te stellen.

2.6

Het Comité is het met de Commissie eens dat een klimaat tot stand moet worden gebracht „dat gunstiger is voor de introductie van normalere economische voorwaarden en voor de opheffing van belemmeringen voor een normale economische bedrijvigheid zoals de verdeling van de vangstmogelijkheden door de lidstaten en het beginsel van relatieve stabiliteit” (6).

2.7

Het Comité wil hier dan ook dieper ingaan op het criterium van relatieve stabiliteit, dat in de ogen van de voornaamste communautaire vissersverenigingen (7) en de Commissie een van de grootste obstakels is voor de invoering van een communautair op de visserijrechten gebaseerd beheerssysteem. Als ondernemingen uit de lidstaten hun visserijrechten onderling verhandelen of doorgeven, heeft dat tot gevolg dat de huidige percentages m.b.t. de verdeling van de quota over de lidstaten worden gewijzigd en dat dus ook de relatieve stabiliteit in gevaar wordt gebracht. Op de tweede plaats wil het Comité een aantal elementen aanreiken ter vergemakkelijking van de invoering van een dergelijk beheerssysteem, dat al van toepassing is in een aantal lidstaten en in bepaalde derde landen die actief zijn op de EU-markt.

2.8   Historische achtergrond

2.8.1

Het in 1970 (8) vastgelegde beginsel van gelijke toegang tot de visbestanden van de lidstaten werd in 1972 (9) door de Raad buiten werking gesteld voor een overgangsperiode die op 31 december 1982 zou aflopen.

2.8.2

In verband hiermee en met het oog op de bescherming van de kustgebieden na afloop van de overgangsperiode, werden in 1976 de zogenoemde „Haagse preferenties” (10) goedgekeurd, waarin werd verklaard dat rekening dient te worden gehouden met de vitale behoeften van de lokale gemeenschappen die afhankelijk zijn van de visserij.

2.8.3

De onderhandelingen tussen de Commissie en de lidstaten over de verdeling van de TAC's liepen pas af in 1983, met de goedkeuring van Verordening (EEG) nr. 170/83 tot instelling van een communautaire regeling voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden (11), waarin de definitieve verdeling werd vastgelegd aan de hand van de volgende criteria: de traditionele visserij-activiteiten van elke lidstaat, de bijzondere behoeften van de gebieden waar de plaatselijke bevolking zeer sterk is aangewezen op de visserij (rekening houdend met de „Haagse preferenties”) en het potentiële verlies aan vangsten in de wateren van derde landen ten gevolge van de uitbreiding van de exclusieve economische zones (EEZs) tot 200 mijl.

2.8.4

Dankzij deze verdeelregeling, bekend als het criterium van relatieve stabiliteit, kon elke lidstaat (12) beschikken over een vast percentage van de voor de verschillende soorten vastgelegd TAC's. De Raad verklaarde in dit verband dat „gelet op de biologische situatie van de bestanden van het moment, rekening moet worden gehouden met de bijzondere behoeften van de gebieden waar de plaatselijke bevolking zeer sterk is aangewezen op de visserij en aanverwante industrieën” en dat de relatieve stabiliteit in die zin moet worden begrepen (13). Er werd m.a.w. vastgehouden aan de „preferenties van Den Haag”, zoals door de Raad vastgelegd in 1976, en de buitenwerkingstelling van het beginsel van gelijke toegang werd verlengd.

2.8.5

Conform Verordening (EEG) nr. 170/83 diende de Commissie voor 31 december 1991 verslag uit te brengen over de sociale en economische situatie in de kustgebieden. Op grond van dit verslag zou de Raad zich dan uitspreken over de noodzakelijke aanpassingen of eventueel besluiten de regeling inzake de voorwaarden voor toegang en de criteria voor de verdeling van de quota tot 31 december 2002 te verlengen.

2.8.6

Uiteindelijk heeft de Raad in het licht van het verslag van de Commissie besloten de regeling inzake de voorwaarden voor toegang en de criteria voor de verdeling van de quota tot 31 december 2002 te verlengen (14).

2.8.7

Bij Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid werd ten slotte besloten dat „de vangstmogelijkheden (…) zodanig tussen de lidstaten (zullen) worden verdeeld dat voor iedere lidstaat de relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten voor elk visbestand of elke visserijtak gewaarborgd is” (art. 20). Voorts wordt in art. 17 de buitenwerkingstelling van het beginsel van gelijke toegang tot de wateren weer verlengd (tot 31 december 2012) en wordt bepaald dat hierover een verslag dient te worden voorgelegd.

3.   Algemene opmerkingen

3.1

Het criterium van relatieve stabiliteit, dat impliceert dat elke lidstaat al 24 jaar lang kan rekenen op een vast percentage van de TAC's, houdt duidelijk geen rekening met de economische en sociale ontwikkeling van de gemeenschappen die afhankelijk zijn van de visserij en de aanverwante bedrijfstakken. De capaciteit van de communautaire vloot, de exploitatie van de bestanden en de investeringen in de kustregio's zijn niet meer te vergelijken met de situatie in 1983, toen een aantal landen met visserijbelangen nog niet tot de Gemeenschap was toegetreden.

3.2

De verordeningen van de Commissie betreffende de aanpassing van de quota (15) tonen aan dat de aan de lidstaten toegewezen quota in bepaalde visserijtakken en in bepaalde gebieden elk jaar weer aanzienlijk afwijken van de werkelijke vangsten, zowel wat pelagische als diepzeesoorten aangaat. Dit onevenwicht, dat quotumoverschotten en -tekorten in de hand werkt en zelfs tot niet bruikbare quota leidt (omdat de vlootcapaciteit te kort schiet), heeft schadelijke gevolgen voor het merendeel van de lidstaten, waar altijd wel een bepaalde visserijtak of een bepaald gebied wordt getroffen. Deze situatie is niet alleen te wijten aan biologische factoren maar ook aan de toepassing van het criterium van relatieve stabiliteit.

3.3

Bij de toekenning van rechten (binnen het kader van de TAC's) moet op de eerste plaats worden gekeken naar het herstel (en de instandhouding) van de bestanden van de verschillende vissoorten en andere mariene bronnen, die tot een hoger en duurzamer niveau moeten worden opgetrokken. Er moeten meer inspanningen worden geleverd om de wetenschappelijke kennis van de situatie van de bestanden te vergroten en bij de vastlegging van de toewijzingen en visserijpraktijken moet worden gestreefd naar optimale resultaten, zowel wat de instandhouding van de bestanden als de welvaart van de visserijgemeenschappen betreft. De toewijzingen moeten worden begrensd door de wetenschappelijk vastgelegde maximale duurzame opbrengst. Ook moet er nauwgezet op worden toegezien dat de maxima voor de individuele toewijzingen niet worden overschreden.

3.4

Het Comité dringt erop aan dat de Commissie een studie opstelt over de huidige capaciteit van de communautaire vloot en de quota die noodzakelijk zijn om het concurrentievermogen van die vloot alsmede de visbestanden op peil te houden. Daarnaast moeten de verworven rechten van de lidstaten worden aangepast aan de huidige situatie, daarbij uitgaand van het beginsel van relatieve stabiliteit, zodat kan worden nagegaan hoe de quota voor bepaalde pelagische en diepzeesoorten en bepaalde visserijgebieden evenwichtiger kunnen worden verdeeld. Hierbij moeten steeds de belangrijkste doelstellingen van het GLB voor ogen worden gehouden, nl. de instandhouding van de bestanden op lange termijn en het concurrentievermogen van de vloot.

3.5

Anderzijds is het zo dat de lidstaten op grond van het criterium van relatieve stabiliteit over een aantal verworven rechten beschikken. Die mogen niet zonder meer worden afgeschaft. Wel kan een actualisering worden overwogen, daarbij rekening houdend met de uit het GVB voorvloeiende vereisten op het gebied van duurzaamheid van de bestanden en concurrentievermogen van de communautaire vloot.

4.   Bijzondere opmerkingen

4.1

Het Comité verzoekt de Commissie met klem bedoelde studie zo snel mogelijk na afloop van de discussieperiode op te stellen. De toestand van de communautaire visbestanden en het concurrentievermogen van de communautaire vloot maken dat dringend een oplossing moet worden gevonden voor het onevenwicht tussen de vangstquota en de omvang van de vloot. Daarmee mag niet worden gewacht tot de Commissie in 2012 een nieuw rapport uitbrengt.

4.2

In het kader van die actualisering dienen tijdelijke quota te worden toegekend, bv. voor een periode van vijf jaar, zodat een herverdeling mogelijk is mochten de verhoudingen opnieuw scheefgroeien.

4.3

Mocht de discussie over een uitweg uit de huidige situatie de Commissie doen besluiten een beheerssysteem in te voeren dat is gebaseerd op de geactualiseerde visserijrechten van de lidstaten, dan moet zij dat op communautair niveau doen.

4.4

Het ziet ernaar uit dat de lidstaten na de ondertekening van het Hervormingsverdrag (het Verdrag van Lissabon) in december 2007 gunstig staan tegenover een dergelijke beheersregeling.

4.5

Het Comité is zich ervan bewust dat het invoeren van een communautaire, op verhandelbare visserijrechten gebaseerde beheersregeling, geen sinecure is. Hiermee wordt echter wel de weg vrijgemaakt voor „een duurzame exploitatie van de levende aquatische hulpbronnen en van de aquacultuur in de context van duurzame ontwikkeling (…), daarbij op evenwichtige wijze rekening houdend met de milieu-, economische en sociale aspecten” (16), tenminste als ook de hieronder vermelde punten in aanmerking worden genomen.

4.5.1

Veel kustgemeenschappen zijn afhankelijk van de ambachtelijke visserij (17), m.n. in de eilandgebieden van de EU. Om de ambachtelijke vissers niet te kort te doen mag een op de visserijrechten gebaseerde communautaire beheersregeling niet van toepassing zijn op de ambachtelijke visserij.

4.5.2

Om te voorkomen dat bij het verhandelen van de visserijrechten machtsposities ontstaan, zou voor elke lidstaat per soort een percentage van de jaarlijkse totale maximumvangst kunnen worden vastgelegd.

4.5.3

Een op visserijrechten gebaseerd beheerssysteem zou geleidelijk aan moeten worden ingevoerd, te beginnen bij de communautaire visserijtakken die kampen met quotumoverschotten en quotumtekorten en waarover dus een brede consensus bestaat tussen de betrokken lidstaten.

4.5.4

Het is aan de Commissie om te beslissen op welk niveau — van de EU, de lidstaten, de producentenorganisaties of het bedrijfsleven — de visserijrechten kunnen worden verhandeld en erop toe te zien dat een en ander rechtmatig verloopt.

4.6

Als de visserijrechten naar behoren worden geactualiseerd kan dat een rem zetten op het teruggooien en kan de overbevissing drastisch worden teruggebracht.

4.7

Als we erin slagen het huidige onevenwicht te herstellen zonder te raken aan het criterium van relatieve stabiliteit, zijn we al een heel eind op weg naar de invoering van een op visserijrechten gebaseerd beheerssysteem. Een dergelijk systeem zal een evenwichtiger en aangepaste verdeling van de vangsten over de verschillende communautaire vloten mogelijk maken. Wel moet er op worden toegezien dat geen machtsposities ontstaan. De instandhouding van de bestanden op lange termijn en het concurrentievermogen van de vloot komen op die manier weer een stap dichterbij.

Brussel, 13 februari 2008

De voorzitter van het

Europees Economisch en Sociaal Comité

D. DIMITRIADIS


(1)  Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad inzake het Europees Visserijfonds (PB L 223 van 15.8.2006), art. 26

(2)  COM(2007) 73 final van 26.2.2007

(3)  COM(2001) 135 final van 20.3.2001

(4)  COM(2002) 181 fnal van 28.5.2002

(5)  Seminar van de Commissie in Brussel, 14 en 15 mei 2007

(6)  COM(2002) 181 final, blz. 25

(7)  Tijdens de vergadering van de werkgroep „Visbestanden” van het Raadgevend Comité voor de Visserij op 18 september 2007 hebben de AEOP (Europese Vereniging van producentenorganisaties uit de visserijsector) en Europêche/COGECA hun bezorgdheid uitgesproken over de visserijrechten (het gaat om de volgende documenten: EAPO 07-29 van 17-9-2007; Europêche/COGECA EP(07)119F/CP(07)1053.3 van 17-9-2007).

(8)  Verordening (EEG) nr. 2141/70, PB L 236 van 27.10.1970.

(9)  Conform de door de Gemeenschap en door Denemarken, Groot Brittannië en Ierland ondertekende documenten betreffende de toetreding zou de overgangsperiode aflopen op 31 december 1982; zie PB L 73 van 27-3-1972.

(10)  Resolutie van de Raad van 3 november 1976 (PB C 105 van 7-5-1981).

(11)  PB L 24 van 27-1-1983.

(12)  In 1983 waren de volgende landen lid van de Gemeenschap: België, Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Groot Brittannië, Ierland, Italië, Luxemburg en Nederland.

(13)  Verordening (EEG) nr. 170/83, 6de en 7de overweging, PB L 24 van 27-1-1983.

(14)  Verordening (EEG)nr. 170/83, artikel 4

(15)  Voor de drie afgelopen jaren zijn dat: Verordening van de Commissie (EG) nr. 776/2005, PB L 130 van 24-5-2005; (EG) nr. 742/2006, PB L 300 van 31-10-2006 en (EG) nr. 609/2007, PB L 141 van 2-6-2007.

(16)  Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid, PB L 358 van 31-12-2002.

(17)  In de zin van artikel 26 van Verordening (EG) nr. 1198/2006, d.w.z. vaartuigen met een totale lengte van minder dan 12 meter (kleinschalige visserij).


Top