Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62007TN0262

Zaak T-262/07: Beroep ingesteld op 13 juli 2007 — Republiek Litouwen/Commissie

OJ C 211, 8.9.2007, p. 53–54 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

8.9.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 211/53


Beroep ingesteld op 13 juli 2007 — Republiek Litouwen/Commissie

(Zaak T-262/07)

(2007/C 211/100)

Procestaal: Litouws

Partijen

Verzoekende partij: Republiek Litouwen (vertegenwoordigers: D. Kriaučiūnas en E. Matulionytė, gemachtigden)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies

beschikking C(2007) 1979 def. (1) van de Commissie van 4 mei 2007 nietig verklaren of, subsidiair, die beschikking nietig verklaren voor zover zij betrekking heeft op de Republiek Litouwen;

verwerende partij verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

In de bestreden beschikking worden de hoeveelheden landbouwproducten vastgesteld die zich op de datum van toetreding op het grondgebied van de nieuwe lidstaten in het vrije verkeer bevonden en het niveau overschreden van wat per 1 mei 2004 als normale overdrachthoeveelheden kon worden beschouwd, alsmede de van de nieuwe lidstaten te innen bedragen in verband met de uitgaven voor het wegwerken van deze hoeveelheden.

Volgens verzoekster is de bestreden beschikking onrechtmatig. Ter ondersteuning van haar beroep voert zij vier middelen aan.

1.   Onbevoegdheid

Verzoekster stelt dat punt 4 van hoofdstuk 4 van bijlage IV bij de Toetredingsakte de Commissie niet de bevoegdheid verleent om de lidstaten te verplichten aan de kas van de Gemeenschap bedragen te betalen die als boeten kunnen worden aangemerkt, vooral daar de Commissie niet heeft aangetoond dat de Gemeenschap kosten zijn opgekomen voor het wegwerken van de voorraden; de Commissie heeft ook de voorgeschreven termijn van drie jaar voor het geven een beschikking op grond van artikel 41 van de Toetredingsakte overschreden en alleen dat artikel bood een passende rechtsgrondslag voor de beschikking.

2.   Schending van gemeenschapsrecht

Schending van het rechtszekerheidsbeginsel: de bestreden beschikking schendt het rechtszekerheidsbeginsel omdat de wijze van en de criteria voor het berekenen van de overtollige voorraden bij de vaststelling van de hoeveelheden op de datum van de toetreding niet bekend waren; ware dit wel het geval geweest, dan hadden de lidstaten de nodige maatregelen kunnen nemen om te voorkomen dat die voorraden ontstonden, of om ze weg te werken op kosten van de marktdeelnemers die ze hadden doen ontstaan. Bovendien voorzag de bestreden beschikking in andere criteria — en in een uitgebreidere lijst van producten — dan artikel 4 van verordening nr. 1972/2003, volgens welke de lidstaten het ontstaan van overtollige voorraden in het oog dienen te houden.

Schending van het non-discriminatiebeginsel: anders dan verordening (EG) nr. 144/97 van de Commissie, die betrekking had op overtollige landbouwproducten in Oostenrijk, Zweden en Finland, ziet de bestreden beschikking niet alleen op producten waarvoor uitvoerrestitutie wordt verleend of waarvoor interventiemaatregelen gelden, maar ook op voorraden van andere producten. Dit beginsel is ook geschonden doordat de verschillende situaties in de nieuwe lidstaten gelijk worden behandeld en doordat zonder rechtvaardiging is voorbijgegaan aan de specifieke omstandigheden waarin die voorraden zijn ontstaan.

Schending van het beginsel van goed bestuur en van het transparantiebeginsel: de bestreden beschikking legt de criteria voor de berekening van de gevorderde bedragen niet volledig open en bovendien veranderen die criteria voortdurend. Daarbij komt dat, ofschoon de lidstaten zelf de voorraden overeenkomstig communautaire voorschriften hebben vastgesteld, de Commissie, zonder aan te geven waarom die vaststelling niet deugt en zonder ze aan te vechten, dezelfde voorraden aan de hand van haar eigen criteria heeft vastgesteld.

Schending van de bepalingen van de Toetredingsakte: ten eerste is de beschikking geen geschikt middel voor het verwezenlijken van de doelstellingen van het in punt 2 van hoofdstuk 4 van bijlage IV bij de Toetredingsakte geëiste wegwerken van de overtollige voorraden, vooral omdat in de beschikking zelfs niet wordt geprobeerd een band te leggen tussen de opgelegde geldboeten en de kosten die de Gemeenschap daadwerkelijk zijn opgekomen voor het wegwerken van de voorraden; ten tweede is de beschikking vastgesteld na het verstrijken van de in artikel 41 van de Toetredingsakte bepaalde termijn van drie jaar vanaf de datum van toetreding waarbinnen de Commissie overgangsmaatregelen kon vaststellen.

3.   Ontoereikende motivering

Verzoekster betoogt dat de bestreden beschikking ontoereikend of in het geheel niet is gemotiveerd; met name is in de beschikking niet aangegeven dat de Europese Gemeenschap daadwerkelijk kosten voor het wegwerken van de gestelde overtollige voorraden zijn opgekomen die door de lidstaten dienden te worden gedragen (en hoeveel die kosten bedroegen).

4.   Kennelijke beoordelingsfouten

Volgens verzoekster heeft de Commissie kennelijke beoordelingsfouten gemaakt door, ten eerste, te opteren voor een macro-economische methode en niet de in de lidstaten daadwerkelijk ontstane voorraden vast te stellen, en ten tweede, bij de beoordeling van specifieke argumenten van de partijen geen rekening te houden met de objectieve en specifieke omstandigheden waarin de nationale voorraden in de melksector in de Republiek Litouwen zijn ontstaan.


(1)  Beschikking 2007/361/EG van de Commissie van 4 mei 2007 houdende vaststelling van overtollige voorraden landbouwproducten, met uitzondering van suiker, en de financiële consequenties van het wegwerken daarvan, in verband met de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije (PB L 138, blz. 14).


Top