Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document C2007/211/36

Zaak C-295/07 P: Hogere voorziening ingesteld op 20 juni 2007 door Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 29 maart 2007 in zaak T-369/00, Département du Loiret (Frankrijk) ondersteund door Scott SA/Commissie van de Europese Gemeenschappen

OJ C 211, 8.9.2007, p. 19–20 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

8.9.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 211/19


Hogere voorziening ingesteld op 20 juni 2007 door Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 29 maart 2007 in zaak T-369/00, Département du Loiret (Frankrijk) ondersteund door Scott SA/Commissie van de Europese Gemeenschappen

(Zaak C-295/07 P)

(2007/C 211/36)

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwirant: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordiger: J. Flett, gemachtigde)

Andere partijen in de procedure: Département du Loiret, Scott SA

Conclusies

de hogere voorziening gegrond te verklaren en dus het bestreden arrest volledig te vernietigen;

het geschil zelf af te doen en beschikking [2002/14/EG] (1) afdoende gemotiveerd te verklaren wat het gebruik van een samengestelde rentevoet betreft, zo niet, indien het Hof van oordeel is dat het geschil nog niet in staat van wijzen is, voor verdere afdoening naar het Gerecht te verwijzen;

verzoekster te verwijzen in haar eigen kosten en in die van de Commissie in de procedures bij het Gerecht en het Hof;

Scott SA te verwijzen in haar eigen kosten in de twee procedures.

Middelen en voornaamste argumenten

Om te beginnen, aldus verzoekster, worden de gemeenschapsregels inzake staatssteun in het bestreden arrest onjuist opgevat; het Gerecht stelt ze ten onrechte gelijk met regels inzake mededinging tussen ondernemingen op het tijdstip van het bevel tot terugvordering van de onrechtmatige steun en niet met regels inzake mededinging tussen lidstaten op het tijdstip van de daadwerkelijke toekenning van deze steun. Voorts baseert zij haar hogere voorziening op acht middelen.

Haar eerste middel stelt dat, anders dan het Gerecht in het bestreden arrest oordeelt, een beschikking waarbij de terugvordering van een onrechtmatig verleende steun wordt gelast, afdoende gemotiveerd is wanneer de gebruikte berekeningsmethode uit een eenvoudige wiskundige berekening blijkt. Dat is hier juist het geval, aangezien alle belangrijke gegevens over het bedrag van de verleende steun, de rentevoet, de duur en het terug te vorderen bedrag in haar beschikking zijn vermeld.

Volgens verzoeksters tweede middel vloeide het gebruik van een samengestelde rentevoet hoe dan ook althans impliciet voort uit de motivering van haar beschikking gelet op het gestelde doel de uit de steun voortvloeiende voordelen teniet te doen en de vooraf bestaande situatie te herstellen. Daartoe moet op het terug te vorderen bedrag noodzakelijkerwijs een samengestelde rentevoet worden toegepast om rekening te houden met de inflatie en het voordeel dat de steunbegunstigde met het verloop van de tijd opbouwt.

Het derde middel van de Commissie stelt dat het Gerecht het recht heeft geschonden door de bewijslast in haar nadeel om te keren. Het stond namelijk aan verzoekster in eerste aanleg de gestelde wijziging van de praktijk van de Commissie inzake de op bevelen tot terugvordering van onrechtmatige steun toe te passen rentevoet aan te tonen en niet aan de Commissie om aan te tonen dat er geen dergelijke wijziging was.

Volgens verzoeksters vierde middel heeft het Gerecht het recht geschonden door te oordelen dat zij niet heeft gepreciseerd hoe de steunbegunstigde onderneming op het tijdstip van het bevel tot terugvordering van de steun steeds voordeel uit deze steun haalde. De Commissie dient aan te tonen dat er sprake is van een dergelijk voordeel op het tijdstip van de toekenning van de steun en niet op het tijdstip van de terugvordering ervan.

Het vijfde en het zesde middel van de Commissie verwijten het Gerecht zich voor de verkoopprijs van de steunbegunstigde onderneming aan een andere onderneming op speculaties en niet op bewijzen te hebben gebaseerd en deze verkoopprijs 11 jaar na de toekenning van de steun te hebben beschouwd als een factor waarmee de Commissie bij de vaststelling van het terug te vorderen bedrag rekening had moeten houden. Op het gebied van staatssteun is het doel namelijk het herstel van de vorige situatie en komt het bedrag van de terug te vorderen steun dus noodzakelijkerwijs overeen met het aanvankelijk toegekende bedrag plus jaarlijkse samengestelde rente tot de daadwerkelijke terugbetaling ervan, ongeacht hetgeen de steunbegunstigde inmiddels met de steun heeft gedaan.

Verzoeksters zevende middel stelt dat het Gerecht het recht heeft geschonden door te oordelen dat de omstandigheid dat de steun overeenkomstig de nationale bepalingen moet worden teruggevorderd, noodzakelijkerwijs inhoudt dat de rente moet worden berekend tegen een niet-samengestelde rentevoet. Hoofdsom en rente moeten weliswaar overeenkomstig de procedures van nationaal recht worden teruggevorderd, maar de oplegging van een rentevoet zoals de vraag of deze voet al dan niet samengesteld moet zijn, valt namelijk onder het gemeenschapsrecht en niet onder het nationaal recht.

Volgens het achtste middel van de Commissie ten slotte is het bestreden arrest volledig onevenredig, aangezien haar beschikking volledig nietig wordt verklaard, terwijl de hoofdsom kon worden onderscheiden van het als rente te betalen bedrag, net zoals het gebruik van een niet-samengestelde rentevoet kon worden onderscheiden van die van een samengestelde rentevoet.


(1)  Beschikking 2002/14/EG van de Commissie van 12 juli 2000 betreffende door Frankrijk verleende staatssteun ten behoeve van Scott Paper SA/Kimberly-Clark (PB 2002, L 12, blz. 1).


Top