EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52007AE0094

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Balans van de maatschappelijke realiteit in Europa

OJ C 93, 27.4.2007, p. 45–48 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

27.4.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 93/45


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Balans van de maatschappelijke realiteit in Europa

(2007/C 93/11)

De Commissie heeft op 5 oktober 2006 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité, overeenkomstig artikel 262 van het EG-Verdrag, te raadplegen over de Balans van de maatschappelijke realiteit in Europa.

De gespecialiseerde afdeling Werkgelegenheid, sociale zaken, burgerschap, die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 19 december 2006 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Olsson.

Het EESC heeft tijdens zijn op 17 en 18 januari 2007 gehouden zitting (vergadering van 18 januari) onderstaand advies uitgebracht, dat met 153 stemmen vóór en drie stemmen tegen, bij zes onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Inleiding

1.1

In juni 2006 benadrukte de Europese Raad dat het van groot belang is om de sociale dimensie meer onder de aandacht van de burgers te brengen. Daarbij verwelkomde de Europese Raad het voornemen van de Commissie om de balans op te maken van de maatschappelijke realiteit in de EU. De Europese Raad nodigde de Commissie uit om vóór de voorjaarstop van 2007 daarvan een tussentijds verslag uit te brengen (1).

1.2

In verband daarmee heeft de Commissie het EESC gevraagd een verkennend advies op te stellen over de vraag hoe de balans kan worden opgemaakt van de realiteit in de Europese maatschappij en hoe een agenda voor solidariteit en toegankelijkheid kan worden gelanceerd, waarbij de sociale dimensie parallel loopt met en afgestemd wordt op de herziening van de interne markt (2). In onderhavig advies wordt ingegaan op het eerste deel van die vraag; de voortgang van de interne markt wordt in een ander advies behandeld.

1.3

De Commissie acht het noodzakelijk dat de Europese solidariteitsmaatregelen en programma's de levenskwaliteit en de sociale cohesie ten goede komen en meer kansen scheppen voor de Europese burgers door in het veld samen te werken met nationale, regionale en andere overheden én met de sociale partners, waarbij de sociale dialoog moet worden gestimuleerd en het contact met het maatschappelijk middenveld geïntensiveerd (3). Bij het opmaken van de balans zullen de belangrijkste factoren voor sociale verandering in kaart worden gebracht, hetgeen als input kan dienen voor het Europese beleidsproces van het komende decennium, teneinde een nieuwe consensus tot stand te brengen aangaande de maatschappelijke uitdagingen die Europa te wachten staan. (4)

1.4

Uit het initiatief blijkt dat er ten gevolge van de afwijzing van de Europese Grondwet in Frankrijk en Nederland op het hoogste niveau hernieuwde belangstelling voor maatschappelijke kwesties is ontstaan. Het VK-voorzitterschap nodigde de lidstaten uit voor een speciale, aan het Europees sociaal model gewijde top (in Hampton Court) in oktober 2005. De Duitse en Oostenrijkse premiers/kanseliers hebben voorgesteld om in een gewijzigd Grondwettelijk Verdrag een „sociaal hoofdstuk ”op te nemen.

1.5

Het EESC is ingenomen met de voornemens van de Commissie. Met het opmaken van de balans van de maatschappelijke realiteit in Europa gaat de Commissie verder dan het gebruikelijke doorlichten van maatschappelijke vraagstukken: die balans kan een belangrijk instrument in handen geven om de EU dichter bij de burgers te brengen en te beantwoorden aan hun verwachtingen van wat Europees beleid tot stand zou moeten brengen. Ook kan dit initiatief worden beschouwd als een manier om de economische en de sociale dimensie met elkaar in evenwicht te brengen.

1.6

Het EESC benadrukt dat voornoemd proces aan nauwkeurig omschreven doelstellingen moet beantwoorden en aan een welbepaald tijdschema moet worden gekoppeld. Wil het onderzoek vruchten afwerpen en niet slechts academisch tijdverdrijf zijn, dan moet het wel een meerwaarde inhouden voor en aansluiten bij andere Europese beleidsterreinen, -acties en debatten met betrekking tot maatschappelijke vraagstukken. Er dient daarom een duidelijk verband te zijn tussen het onderzoek enerzijds en de Lissabonstrategie en de sociale agenda anderzijds. Daarnaast dienen de Europese instrumenten voor sociaal beleid en de toepassing daarvan onder de loep te worden genomen. Tot slot dient er voldoende tijd te worden ingeruimd om de maatschappelijke organisaties op alle niveaus van de samenleving erbij te betrekken.

1.7

Dit verkennend advies is de eerste bijdrage van het EESC in dit verband en zal nog een vervolg krijgen in de vorm van andere activiteiten tijdens de periode waarin de balans wordt opgemaakt.

2.   Algemene opmerkingen

2.1

De maatschappelijke realiteit in Europa is al uitgebreid in kaart gebracht door academici, instellingen en organisaties (5). Ook is die realiteit belicht in verschillende EESC-adviezen als uitgangspunt voor conclusies en aanbevelingen.

Er dient de nadruk te worden gelegd op de positieve aspecten van de economische en sociale ontwikkelingen in Europa die de huidige maatschappelijke realiteit vooral hebben beïnvloed: een wereldwijd erkende hoge bestaanskwaliteit, een toegenomen levensverwachting, nieuwe economische kansen, sociale mobiliteit, verbeterde werkomstandigheden en een hoog peil van onderwijs en sociaal welzijn. De „Trente Glorieuses” (6) die zich in een context van volledige werkgelegenheid en alomvattende sociale bescherming hebben afgespeeld, hebben geleid tot een relatief homogene welvaartstaat in Europa waarop de economische groei geschraagd is.

2.2

Het EESC is ervan overtuigd dat deze positieve aspecten nauw verweven zijn met een elkaar wederzijds versterkende combinatie van economisch, werkgelegenheids- en sociaal beleid. Het is van mening dat sociaal beleid moet worden gezien als een productiefactor.

2.3

De afgelopen decennia is er echter in de Europese samenleving een sociale kentering gaande: werkgelegenheid en arbeidsmarkt transformeren zich in hoog tempo, waardoor de werkende bevolking geconfronteerd zal worden met compleet nieuwe scenario's. Verder is sprake van een niet eerder gekende demografische verandering. Gekeken moet worden naar de oorzaken van het dalende geboortecijfer. De ervaringen die in verschillende lidstaten zijn opgedaan, wijzen uit dat een weldoordacht beleid waarin gezins- en beroepsleven met elkaar worden gecombineerd d.m.v. een alomvattend en goed functionerend stelsel van kinderopvang, alsmede maatregelen om de arbeidsparticipatie van vrouwen op te voeren, het geboortecijfer weer kunnen doen stijgen. Immigratie zal dan ook een factor van toenemend belang worden voor het temperen van de dalende geboortecijfers. De integratie van immigranten en etnische minderheden is een belangrijke uitdaging.

2.4

Door de sociaal-economische veranderingen tijdens deze overgang naar een globale, post-industriële en verouderende samenleving zijn er nieuwe kansen gecreëerd, maar ook nieuwe maatschappelijke risico's ontstaan. Grotere delen van de bevolking dan voorheen zullen hiermee te maken krijgen. Het vermogen van de welvaartstaat om het welzijn van al zijn burgers via adequate en duurzame werkgelegenheid en sociale bescherming te garanderen, raakt uitgehold. Armoede blijft een realiteit, met name in samenhang met de risico's op maatschappelijke uitsluiting en op een aanhoudend onzeker bestaan waaraan vooral vrouwen, immigranten, jongeren en ongeschoolde werknemers zijn blootgesteld. Die armoede neemt toe in gebieden waar de werkloosheid hoog blijft. Een snelle overgang naar de kennismaatschappij maakt vaardigheden al gauw onbruikbaar en beroepscarrières minder stabiel. Flexibiliteit dient te worden gekoppeld aan nieuwe vormen van sociale bescherming, een actief werkgelegenheidsbeleid en programma's voor levenslang leren: alleen dan wordt een tegenwicht gegeven voor de risico's op arbeidsonzekerheid die door die flexibiliteit kunnen ontstaan.

2.5

Nieuwe gezinsstructuren en levensstijlen, cultuurpatronen, demografische verandering, de verstedelijking, de toegenomen mobiliteit, de gemakkelijkere toegang tot informatie, alsook consumptie- en individuele gedragspatronen zijn allemaal factoren die de samenleving een ander gezicht geven. Bovendien zullen milieu- en klimaatveranderingen ons leven en de maatschappij op korte termijn ingrijpend wijzigen. Ook moet aandacht worden geschonken aan de publieke opinie en aan de attitudes van het grote publiek.

2.6

De algemene economische en sociale vooruitgang in Europa verhult vaak dat de maatschappelijke realiteit op alle niveaus zeer grote verschillen vertoont. Uiteindelijk gaat het erom hoe de levensomstandigheden en -kwaliteit van ieder afzonderlijk individu eruitzien. Bij het opmaken van de maatschappelijke balans moet daarom van onderaf worden begonnen.

2.7

De diversiteit is aanmerkelijk toegenomen door de laatste twee uitbreidingen. Bij elke voorgaande uitbreiding stond de EU voor de taak om nieuwe maatschappelijke uitdagingen het hoofd te bieden en de weg te bereiden voor een vlottere toetreding. Veel van het prioritaire sociaal beleid kan in die context worden bekeken, zoals sociale zekerheid voor migrantenwerknemers, sociale cohesie, sociale dialoog, werkgelegenheidsbeleid en gendergelijkheid.

Uitbreiding gaat gepaard met grote uitdagingen voor de samenhang in de EU en de verwezenlijking van bepaalde Lissabondoelstellingen, vooral op het gebied van sociaal en werkgelegenheidsbeleid. In het Kok-rapport over de tussentijdse evaluatie van de Lissabonstrategie wordt daarop de vinger gelegd: „Tenzij er uitzicht wordt geboden op convergentie, zal er sprake zijn van toenemende spanningen. ”Het zwaartepunt in het integratiebeleid moet ook de komende jaren nog meer bij de sociale verdieping van de EU worden gelegd. Daartoe heeft de EU o.m. op groei en werkgelegenheid gerichte macro-economische randvoorwaarden nodig.

Het EESC stelt vast dat de economisch en sociale verschillen tussen de lidstaten nog steeds groot zijn. Zijns inziens moet uitbreiding niet worden gezien als een risico op nivellering van de sociale dimensie, maar juist als een mogelijkheid om de arbeidsomstandigheden en de levensstandaard te verbeteren, en dat niet alleen in de nieuwe lidstaten, maar overal in de EU, als er tenminste een meer daarop gericht Europees beleid wordt gevoerd.

2.8

Deze balans kan worden gezien als een belangrijke opmaat voor het streven om Europa's toekomstige sociaal model meer inhoud te geven. Dat zou een dynamisch model moeten worden, waarmee kan worden ingespeeld op nieuwe uitdagingen en dat is gebaseerd op waarden als democratie, milieubehoud, concurrentievermogen, solidariteit en sociaal welzijn voor alle burgers, zoals uiteengezet in een recent EESC-advies (7).

3.   Specifieke opmerkingen

3.1

Zoals al eerder vermeld heeft het EESC, niet alleen op verzoek van de Commissie maar ook op eigen initiatief en in verkennende adviezen, bijna alle maatschappelijke thema's in de Europese samenleving al onder de loep genomen.

3.2

Zo wordt in recente EESC-adviezen stilgestaan bij thema's als burgerschap, werkgelegenheid, arbeidsomstandigheden, levenslang leren, sociale en territoriale samenhang, sociale bescherming, sociale uitsluiting, mensen met een handicap, gendervraagstukken, jeugd, kinderrechten, vergrijzing, immigratie en integratie, milieu en duurzame ontwikkeling, voedselveiligheid en consumentenbescherming, communicatie en vervoer, toerisme, diensten van algemeen belang, volksgezondheid, zwaarlijvigheid, de sociale gevolgen van klimaatverandering en de overkoepelende Lissabonstrategie.

Enkele van de verkennende en initiatiefadviezen die de laatste tijd zijn uitgebracht, blijken zeer relevant voor deze balans (8). Daarnaast zijn er ook nog lopende advieswerkzaamheden die daarvoor nuttige informatie zullen opleveren.

3.3

Wil de EU inzicht kunnen krijgen in de algemene en meer specifieke maatschappelijke realiteit van mensen en in het effect van haar beleidsmaatregelen, dan dienen er indicatoren te worden opgesteld aan de hand waarvan een voldoende gedetailleerd en nauwkeurig beeld kan worden gegeven. Het EESC heeft in het verleden al voorstellen voor benchmarks en meer betrouwbare en kwalitatieve indicatoren aangedragen, waarmee de „welzijnsprestaties ”inzichtelijk kunnen worden gemaakt die bij deze balans in aanmerking moeten worden genomen (9). Het wijst er nogmaals op dat de belanghebbenden bij het formuleren en evalueren van indicatoren moeten worden betrokken (10).

3.4

Het EESC constateert een gebrek aan statistieken over arbeidsmarkt en migratie; ook stelt het vast dat er volledigere gegevens nodig zijn vanuit het perspectief van gender en armoede. Het stelt daarom voor om Eurostat te belasten met het opstellen van statistieken die de maatschappelijke trends in de samenleving weergeven en om daartoe dan ook de nodige middelen vrij te maken. De Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden in Dublin zou voor het uitvoeren van een meer kwalitatieve analyse kunnen worden ingeschakeld.

4.   Een nieuwe consensus over de maatschappelijke uitdagingen in Europa — enkele suggesties

Het maatschappelijk middenveld als noodzakelijke partner

4.1

Wil een onderzoek naar de maatschappelijke realiteit in een nieuwe consensus kunnen resulteren, dan is een „van onderaf”-benadering geboden waarbij alle maatschappelijke organisaties op alle niveaus hun bijdrage kunnen leveren. Er dient voldoende tijd te worden uitgetrokken, zodat burgers en hun organisaties daadwerkelijk kunnen worden bereikt. Anders bestaat het risico dat hun raadpleging oppervlakkig blijft en niet meer is dan een onderonsje tussen deskundigen op hoog niveau.

4.2

Aangezien een dergelijke balans van onderaf moet worden opgemaakt, is daarin een belangrijke taak weggelegd voor de sociale partners en andere betrokken actoren, samen met lokale overheden, om nieuwe maatschappelijke behoeften en problemen in kaart te brengen en duidelijk te omschrijven. Dit gezamenlijke proces kan bedrijven en burgers ertoe aanzetten om op lokaal niveau in actie te komen en kan eveneens een bijdrage vormen tot een meer systematische inventaris op nationaal en Europees niveau.

4.3

Teneinde die „van onderaf”-benadering en het gebruik van passende „methoden ”te stimuleren, zou de Commissie op nationaal en regionaal niveau daaraan financiële en logistieke steun moeten verlenen, zodat met het opmaken van deze balans kan worden begonnen. Ook is van belang dat goede praktijken en nieuwe methoden t.a.v. participatief onderzoek worden ontwikkeld en uitgewisseld.

4.4

De deelnemers dienen zelf te bepalen hoe deze „van onderaf”-benadering vorm moet worden gegeven. In de discussie daarover mag geen enkel thema bij voorbaat worden uitgesloten. Het EESC is het echter wel met de Commissie eens dat een aantal transversale thema's aan de orde moeten komen, zoals gelijke kansen en non-discriminatie, sociale rechten en toegang tot diensten van algemeen belang, en het verband tussen de economische en de sociale dimensie (11).

4.5

Nationale regeringen dienen dit proces serieus te nemen en de resultaten van de balans mee te nemen in hun nationale hervormingsprogramma's in het kader van de Lissabonstrategie en andere beleidsplannen.

4.6

Het EESC kan — via zijn leden en de organisaties die het vertegenwoordigt — zowel op nationaal als op Europees niveau een actieve rol spelen. Wanneer een land beschikt over een sociaal-economische raad of andere soortgelijke organisaties, dienen ook deze te worden ingeschakeld.

4.7

Het EESC kan op Europees niveau, samen met de Commissie, een stakeholders' forum organiseren, zowel aan het begin van het proces teneinde een activiteitenschema op te stellen, als tegen het einde ervan, bij wijze van follow-up. Het zou een goede zaak zijn als ook de Verbindingsgroep (12) bij de activiteiten op dit gebied wordt betrokken.

5.   Een nieuwe programma voor sociale actie

5.1

Het spreekt voor zich dat in het kader van deze balans ook moet worden bekeken welke verschillende methoden en instrumenten van Europees sociaal beleid er al zijn en in hoeverre de nieuwe maatschappelijke uitdagingen daarmee op efficiënte wijze kunnen worden aangepakt. De gulden middenweg dient te worden gevonden tussen de scheidslijn tussen de bevoegdheden van de EU en van de lidstaten en het onderling complementaire karakter daarvan, en tussen het gebruik van Europese wetgevende acties en de toepassing van de open coördinatiemethode. Tegelijkertijd moet de bestaande acquis communautaire ten uitvoer worden gelegd.

5.2

De bestaande Europese instrumenten dienen op hun doeltreffendheid te worden getoetst, ook bezien tegen het achtergrondscenario van de uitholling van Europa's sociaal beleid en sociale acquis. Het Finse EU-voorzitterschap heeft in november 2006 een conferentie georganiseerd over het thema „De Europeanisering van de sociale zekerheid”, waarbij o.m. de conclusie is getrokken dat de Europese sociale dimensie verder moet worden ontwikkeld en dat de open coördinatiemethode beter moet worden benut.

5.3

Er worden vraagtekens geplaatst bij het nut van die laatste methode, aangezien het bij veel regeringen aan politieke wil ontbreekt. Bij het opmaken van de balans moet speciale aandacht worden besteed aan mogelijkheden om de open coördinatiemethode kracht bij te zetten, zodat deze methode met succes kan worden toegepast voor het behalen van de Lissabondoelstellingen.

5.4

Diversiteit en nationale prioriteiten beperken de ruimte voor sociale wetgeving op Europees niveau. De uitkomst van de balans moet echter worden afgezet tegen de noodzaak om wetgeving voor te stellen, te veranderen of te vereenvoudigen. Wanneer de verschillen zo groot zijn dat de economische prestaties daardoor minder groot worden en de betrekkingen tussen de lidstaten onder spanning komen te staan, dan is het wellicht tijd voor welbepaalde wetgevende maatregelen.

5.5

Het EESC wijst op het belang en de speciale functie van de sociale dialoog op alle niveaus zowel voor de balans van de maatschappelijke realiteit als in het streven naar gemeenschappelijke oplossingen voor de problemen die zich aandienen. De in het Verdrag verankerde Europese sociale dialoog dient ten volle te worden benut. Het EESC schaart zich achter het driejarige programma van de Europese sociale partners en constateert tot zijn voldoening dat de EU de sociale dialoog in de nieuwe lidstaten aanmoedigt.

5.6

De deelname van andere representatieve maatschappelijke organisaties aan de vormgeving van beleid zou moeten worden aangemoedigd. Deze organisaties zijn op alle maatschappelijke terreinen en op alle niveaus actief, teneinde een stem te geven aan de burgers en hen te mobiliseren voor collectieve actie ter verbetering van hun leefomstandigheden. Er dient erkenning te zijn voor hun rol bij het opmaken van de balans en de governance van het sociaal beleid. Verder verdient de sociale economie, waarbij voor de productie en het aanbod van diensten daadwerkelijk van de werkelijke behoeften van de burgers wordt uitgegaan, met het oog op de verbetering van hun levensomstandigheden, meer steun in de rug.

5.7

Tot slot zou het voor deze balans een goede zaak zijn als de Commissie voor alle betrokken partijen een „burgertop ”over maatschappelijke realiteiten zou organiseren. Hier is een doorslaggevende taak voor de Commissie weggelegd: zij moet uitmaken welke maatschappelijke problemen het best op Europees niveau kunnen worden aangepakt. Het maatschappelijk middenveld, de nationale parlementen en de regionale overheden zou moeten worden gevraagd hun eigen voorstellen te formuleren. Het EESC pleit ervoor dat er bij wijze van follow-up een tweede speciale Europese Raad komt die zich over het Europese sociaal model buigt (Hampton Court 2).

5.8

Om de grondslag te leggen voor een nieuwe consensus ten aanzien van de maatschappelijke uitdagingen die Europa te wachten staan, zou er een nieuw „sociaal actieprogramma ”moeten worden uitgewerkt, waarbij zowel de economische realiteit als de sociale verwachtingen in aanmerking worden genomen. Het EESC wil erop wijzen dat de in de jaren tachtig ingevoerde strategie voor de eenmaking van de markt tegen 1992 ook door een dergelijk programma werd onderbouwd en dat de Commissie nu wil werken aan een sociale dimensie die parallel loopt met en afgestemd wordt op de herziening van de interne markt.

5.9

Zo'n programma zou noodzakelijkerwijs moeten worden gebaseerd op gedeelde waarden, op de herbevestiging van de onlosmakelijke verbondenheid tussen sociale en economische vooruitgang en op een herdefiniëring van dat wat burgers en lidstaten in de Europese samenleving bindt, waardoor veel sociaal kapitaal ontstaat. Het zou moeten worden opgesteld aan de hand van een precieze en concrete agenda die de verschillende actoren samenbrengt, die ruimte biedt voor de vraag hoe de bestaande EU-instrumenten het beste kunnen worden ingezet en waarmee op de maatschappelijke behoeften en verwachtingen op zowel Europees als nationaal niveau kan worden ingespeeld. Dit alles tegen de achtergrond van de globalisering en van het bredere kader van de Europese sociale verworvenheden.

Brussel, 18 januari 2007

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

D. DIMITRIADIS


(1)  Europese Raad van juni 2006, punt 21

(2)  Cf. de brief van mevrouw Wallström, vice-voorzitster van de Commissie, d.d. 5 oktober 2006

(3)  Cf. de brief van mevrouw Wallström, vice-voorzitster van de Commissie, d.d. 5 oktober 2006 en COM (2006) 211 final: „Een agenda voor de burger — Concrete resultaten voor Europa”, blz. 4 en 5

(4)  Cf. het werkprogramma van de Commissie (COM (2006) 629 final)

(5)  Het Bureau van de Europese beleidsadviseurs (BEPA) — de „denktank ”van de Commissie — zal binnenkort een document publiceren met achtergrondinformatie.

(6)  Franse uitdrukking voor de dertig jaren na de oorlog dat het Europa voor de wind ging.

(7)  Cf. het EESC-advies van 6 juli 2006 over „Sociale samenhang : inhoud geven aan een Europees sociaal model”, rapporteur: Ehnmark (PB C 309 van 16.12.2006).

(8)  Het gaat daarbij om de volgende adviezen:

advies van 29 september 2005 over „Armoede onder vrouwen in Europa”, rapporteur: King (PB C 24 van 31 januari 2006);

advies van 16 december 2004 over „Relaties tussen generaties”, rapporteur: Bloch-Lainé (PB C 157 van 28 juni 2005);

advies van 13 september 2006 over „Immigratie binnen de EU en het integratiebeleid: samenwerking tussen regionale en lokale overheden en het maatschappelijk middenveld”, rapporteur: Pariza Castanos (PB C 318 van 23.12.2006);

advies van 13 september 2006 over „Deelname van het maatschappelijk middenveld aan de bestrijding van georganiseerde misdaad en terrorisme”, rapporteurs: Rodriguez Garcia Caro, Pariza Castanos en Cabra de Luna (PB C 318 van 23.12.2006);

advies van 14 september 2006 over „Europees burgerschap en de middelen om dit zichtbaar en effectief te maken”, rapporteur: Vever (PB C 318 van 23.12.2006) en

van 9 februari 2005 over „Werkgelegenheidsbeleid: rol van het EESC na de uitbreiding en in de optiek van het proces van Lissabon”, rapporteur: Greif (PB C 221 van 8 september 2005);

advies van 7 juni 2004 over „Industriële reconversie en economische, sociale en territoriale samenhang”, rapporteur: Leiriao, corapporteur: Cué ;

advies van 14 juli 2005 over „Reikwijdte en gevolgen van bedrijfsverplaatsingen”, rapporteur: Rodriguez Garcia Caro, corapporteur: Nusser (PB C 294 van 25.11.2005);

advies van 17 mei 2006 over „Flexicurity in Denemarken”, rapporteur: Vium (PB C 195 vann 18.8.2006);

advies van 31 maart 2004 over „De sociale dimensie van cultuur”, rapporteur: Le Scornet (PB C 112 van 30 april 2004);

advies van 16 maart 2006 over „Huiselijk geweld tegen vrouwen”, rapporteur: Heinisch (PB C 110 van 9 mei 2006);

advies van 14 september 2006 over „Klimaatverandering — de rol van het maatschappelijk middenveld”, rapporteur: Ehnmark (PB C 318 van 23.12.2006).

(9)  Cf. het EESC-advies van 13 juli 2005 over de Mededeling van de Commissie over de sociale agenda, rapporteur: Engelen-Kefer (PB C 294 van 25 november 2005)

(10)  Cf. het EESC-advies over Sociale indicatoren (initiatiefadvies), rapporteur: Giacomina Cassina (PB C 221 van 19 september 2002)

(11)  De balans zal worden opgemaakt in de loop van 2007, het Europese jaar van gelijke kansen.

(12)  De Verbindingsgroep met de organisaties en netwerken van het maatschappelijk middenveld is zowel een verbindingsorgaan als een forum voor politieke dialoog tussen de EESC en deze organisaties en netwerken.


Top