Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52005AE0118

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het XXXIIIe Verslag over het mededingingsbeleid — 2003 SEC(2004) 658 def.

OJ C 221, 8.9.2005, p. 1–7 (ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV)

8.9.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 221/1


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het XXXIIIe Verslag over het mededingingsbeleid — 2003

SEC(2004) 658 def.

(2005/C 221/01)

De Europese Commissie heeft op 4 juni 2004 besloten om het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig art. 262 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap te raadplegen over het XXXIIIe Verslag over het mededingingsbeleid –2003.

De gespecialiseerde afdeling „Interne markt, productie en consumptie”, die met de voorbereidende werkzaamheden terzake was belast, heeft haar advies op 11 januari 2005 goedgekeurd; rapporteur was de heer CHIRIACO.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 9 en 10 februari 2005 gehouden 414e zitting (vergadering van 9 februari) het volgende advies uitgebracht, dat met 75 stemmen vóór, bij 1 onthouding, is goedgekeurd:

1.   Inleiding

1.1

Het jaarverslag van 2003 over het mededingingsbeleid signaleert de veranderingen in de interne organisatie en werkmethoden van de Commissie, en laat zien hoe zij bijdraagt tot de samenhang van de Europese economische governance.

1.2

Het mededingingsbeleid van de EU speelt een belangrijke rol bij het verwezenlijken van de concurrentiedoelstellingen van de Lissabon-strategie. Het omvat niet alleen antitrust- en fusieregels, maar ook de toepassing van doelmatige en strenge staatssteunregels.

1.3

Om de toetreding van tien nieuwe lidstaten soepel te laten verlopen, heeft de Commissie een stelsel van gemeenschappelijke mededingingsregels uitgewerkt, om zodoende een gelijke toepassing van de staatssteunregels op alle lidstaten, zowel kleine als grote, te verwezenlijken. Zij benadrukt hoe belangrijk het is dat concurrentieverstorende staatssteun overal op eenzelfde manier wordt aangepakt door de regels voor ondernemingen te handhaven.

1.4

In 2003 werden er 815 nieuwe gevallen geregistreerd van schendingen van het mededingingsrecht. Naar aanleiding hiervan is de „Contactpersoon” in het leven geroepen, om te zorgen voor een permanente dialoog met de Europese consument. Het welzijn van de consument is de belangrijkste zorg van het mededingingsbeleid, maar zijn stem wordt niet voldoende gehoord als er afzonderlijke gevallen worden behandeld of beleidszaken worden besproken. De rol van de Contactpersoon is niet beperkt tot de controle op concentraties, maar bestrijkt ook antitrustmaatregelen — kartels en misbruiken van machtsposities — en andere relevante beleidsterreinen.

1.5

De Commissie heeft in oktober 2003 ontwerpregels en -richtsnoeren voor licentieovereenkomsten inzake technologieoverdracht gepubliceerd, waarover het EESC reeds advies heeft uitgebracht. (1) Met de voorgestelde hervorming, die rekening houdt met de evolutie die dit soort overeenkomsten de afgelopen jaren hebben doorgemaakt, wordt gestreefd naar vereenvoudiging en uitbreiding van de werkingssfeer van de groepsvrijstellingsverordening. Dit zal de volgende voordelen bieden:

de groepsvrijstellingsverordening zal alleen een zwarte lijst hebben: alles wat niet uitdrukkelijk uitgesloten is van de groepsvrijstelling, is vrijgesteld;

er wordt duidelijk onderscheid gemaakt tussen het verlenen van vergunningen tussen concurrenten en tussen niet-concurrenten;

er zal een „moderniseringspakket” worden goedgekeurd.

1.6

Daarnaast heeft de Commissie een „Chief Competition Economist” (hoofdeconoom) benoemd, die op 1 september 2003 aan de slag is gegaan, en heeft zij de functie van de raadadviseur-auditeur in positieve zin versterkt. De hoofdeconoom heeft drie hoofdtaken:

advisering inzake economische en econometrische vraagstukken bij de toepassing van de EU-mededingingsregels. Hem kan ook worden gevraagd bij te dragen aan de ontwikkeling van algemene beleidsinstrumenten;

algemene advisering in individuele concurrentiezaken vanaf de beginstadia;

gedetailleerde advisering in de belangrijkste concurrentiezaken waarbij complexe economische vraagstukken aan de orde komen, met name wanneer verfijnde kwantitatieve analyse vereist is.

1.7

De raadadviseur-auditeur staat met meer verantwoordelijkheid en onafhankelijkheid borg voor een eerlijk proces in bepaalde mededingingsprocedures. Hij ressorteert rechtstreeks onder het lid van de Commissie dat is belast met het mededingingsbeleid en krijgt geen instructies van het DG Concurrentie. Hij kan ook tussenbeide komen wanneer legitieme procedurele kwesties op het spel staan; hij heeft tot taak de hoorzittingen te organiseren en objectief te leiden, beslist over het recht van anderen om te worden toegelaten als een belanghebbende partij, en of nieuwe stukken mogen worden geproduceerd. Hij brengt hierover verslag uit aan het bevoegde lid van de Commissie.

2.   Toepassing van de antitrustwetgeving — artt. 81 en 82 van het Verdrag

2.1

De Commissie heeft in oktober 2003 het startsein gegeven voor de slotfase van de modernisering van de handhaving van de EU-antitrustregels (meestal aangeduid als het „moderniseringspakket”), om de toepassing van de handhavingsbevoegdheden van de mededingingsautoriteiten te vergemakkelijken en om de samenwerkingsmechanismen met de nationale mededingingsautoriteiten (NMA's) en de nationale rechterlijke instanties waarin Verordening (EG) nr. 1/2003 voorziet, te ontwikkelen.

2.2

Het moderniseringspakket bevat met name een nieuwe uitvoeringsverordening inzake de mogelijkheden van de betrokken partijen om gehoord te worden, evenals een reeks andere procedurele kwesties, zoals toegang tot het dossier en de behandeling van vertrouwelijke informatie. De zes ontwerpmededelingen hebben onder meer betrekking op de wijze van samenwerking binnen het netwerk van Europese mededingingsautoriteiten en tussen de Commissie en nationale rechters, op de impact op de handel tussen de lidstaten, op de behandeling van klachten en op adviesbrieven, waarmee zij bedrijven wil helpen bij de beoordeling van nieuwe of onopgeloste vragen. Voor algemene opmerkingen over dit moderniseringspakket wordt verwezen naar het desbetreffende EESC-advies (1).

2.3

In de loop van 2003 heeft de Commissie vijf beschikkingen tegen onwettige horizontale overeenkomsten gegeven. Het ging daarbij om de volgende zaken: Frans rundvlees, sorbaten, elektrische en mechanische koolstof- en grafietproducten, organische peroxiden en industriële koperbuizen. Bij deze beschikkingen werd in totaal 400 miljoen euro aan boetes opgelegd, waarvan een afschrikkende werking zou moeten uitgaan. De kartelonderzoeken omvatten de uitvoering van inspecties bij ondernemingen. Er wordt volledige immuniteit tegen geldboeten verleend aan de eerste onderneming die het bestaan van afspraken toegeeft en die afdoende bewijzen aandraagt voor het uitvoeren van een kartelonderzoek. Wanneer de afspraken tussen ondernemingen de concurrentie op de betreffende markten niet beperken en de consumenten belang hebben bij de samenwerking, spreekt de Commissie echter een gunstig oordeel uit. In 2003 heeft de Commissie tevens uitspraak gedaan in drie gevallen waarbij art. 82 werd overtreden, namelijk in de volgende zaken:

de prijsstrategie die Deutsche Telekom AG hanteerde voor de toegang van concurrerende bedrijven tot de lokale infrastructuur van het vaste telefoonnetwerk;

de prijsstrategie van Wanadoo voor zijn ADSL-diensten;

het misbruik van machtspositie op de Italiaanse spoorwegmarkt door Ferrovie dello Stato S.p.A, voor de toegang tot de spoorweginfrastructuur, de tractiediensten en het reizigersvervoer.

3.   Sectorale ontwikkelingen op mededingingsgebied

3.1

Het jaar 2003 kende een flinke — zij het nog onvoldoende — vooruitgang in het liberaliseringsproces in de energiesector (elektriciteit en gas): in juni werd het pakket wetgevingsmaatregelen goedgekeurd dat moet garanderen dat, uiterlijk op 1 juli 2007, alle Europese elektriciteits- en gasgebruikers hun leverancier kunnen kiezen. Met deze bepalingen wordt getracht een evenwicht te vinden tussen het creëren van impulsen voor een nieuwe infrastructuur en de voltooiing van een gemeenschappelijke markt.

3.2

Onder consumenten en bedrijven uit verschillende EU-lidstaten heerst nog ontevredenheid over de te hoge prijzen en de efficiency van deze diensten. Met name in de nieuwe lidstaten hameren de sociale partners en de consumentenorganisaties erop dat de onafhankelijkheid van de nationale mededingingsautoriteiten en de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de regelgeving inzake openbare nutsdiensten volledig gewaarborgd moet zijn.

3.2.1

Zelfs wanneer er een uitgebreide en adequate mededingingswetgeving is, komt het soms voor — zeker in de nieuwe lidstaten — dat de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de controle en regelgeving weerstand ondervinden wanneer zij hun rol op onafhankelijke wijze trachten te vervullen. Vandaar dat deze landen er soms niet in zijn geslaagd de belangen van de consument te beschermen of te zorgen voor een doeltreffende markt. Het Comité is voorstander van een meer functionele verhouding tussen het mededingingsbeleid en het consumentenbeleid. Een beter georganiseerde consumentenbeweging met meer participatiemogelijkheden zal bovendien kunnen bijdragen tot de besluitvorming van de overheid, en informatie kunnen verschaffen over markten en concurrentiebeperkende praktijken.

3.3

Op het gebied van de postdiensten wordt met de in 2002 goedgekeurde postrichtlijn gestreefd naar de voltooiing van de interne markt voor postdiensten, met name via een geleidelijke beperking van de voorbehouden diensten en de liberalisering van de uitgaande grensoverschrijdende post. Op basis van een akkoord binnen de Europese Raad zal de Commissie in de loop van 2006 tevens een studie verrichten om voor iedere lidstaat de impact op de universele dienstverlening te evalueren. Aan de hand van de resultaten van deze studie zal de Commissie een voorstel goedkeuren voor de volledige openstelling van de postmarkt vanaf 2009, of andere maatregelen nemen om de universele dienstverlening veilig te stellen.

3.4

Met betrekking tot elektronische communicatie moest uiterlijk in juli 2004 het nieuwe regelgevingspakket op dit gebied in nationaal recht zijn omgezet. In haar verslag hierover heeft de Commissie met name de volgende beginselen benadrukt: analyse van de markten moet plaatsvinden op basis van de in het mededingingsrecht gangbare beginselen; een onderneming kan alleen aan regels worden gebonden indien zij een machtspositie heeft; alle elektronische communicatiediensten en -netwerken moeten gelijk worden behandeld („technologische neutraliteit”). De ontwikkeling en brede toegang tot elektronische communicatie alléén zijn niet in staat de economische groei te stimuleren. Hiervoor is het tevens van fundamenteel belang dat de kennis en vaardigheden van alle personen die van de informatie- en communicatietechnologie gebruik moeten maken, worden vergroot.

3.5

Wat de luchtvaartsector betreft heeft de Commissie in 2003 besloten een brede en niet-zaakgebonden sectorale dialoog aan te gaan met belanghebbenden uit de sector, teneinde doorzichtige richtsnoeren uit te werken betreffende het handhaven van de concurrentie op het gebied van luchtvaartallianties en -fusies.

3.5.1

Verder zijn de werkzaamheden voortgezet om te komen tot een gemeenschappelijke aanpak bij de toepassing van de antitrustwetgeving in de spoorwegsector, zowel voor het goederen- als het personenvervoer.

3.5.2

Ook in de sectoren van het zeevervoer, de distributie van motorvoertuigen en verzekeringen is een sectorale dialoog op gang gekomen, die tot doel heeft de regelgeving voor groepsvrijstellingen vast te stellen of te herzien.

3.5.3

In de sectorale dialoog moet tevens voor vergelijkbare vormen van fiscale behandeling worden gezorgd.

3.6

Media: de Commissie acht pluralisme in de media van fundamenteel belang voor zowel het functioneren van de Europese Unie als de culturele identiteit van de lidstaten; het toezicht op concentratie in de media is evenwel op de eerste plaats een verantwoordelijkheid van die lidstaten. De toepassing van instrumenten van mededingingsbeleid in de mediasector beperkt zich tot het aanvatten van de onderliggende marktstructuur en de economische invloed van het gedrag van mediaondernemingen, en het toezicht op staatssteun. Deze instrumenten kunnen het nationaal toezicht op mediaconcentraties en maatregelen ter waarborging van pluralisme in de media niet vervangen, en pretenderen ook niet dit te doen. De functie van de toepassing van mededingingsregels is beperkt tot het oplossen van problemen die zich voordoen door de vorming of versterking van machtsposities in de respectieve markten, en de controle van uitsluiting van concurrenten van die markten.

3.6.1

We zullen zien dat deze benadering van de Commissie weliswaar correct is, maar niet in staat zal blijken te zijn om machtsposities en concurrentiebeperkende praktijken tegen te gaan, zeker in sommige landen. Van alle betrokken markten, die onderling sterk verschillen, speelt de markt voor televisiereclame (waarnaar nog te weinig onderzoek is gedaan) een steeds grotere rol bij de bescherming van het pluralisme.

3.6.2

Verder is te weinig aandacht besteed aan de praktijken waarvan sommige mediaconcerns zich bedienen om hun machtspositie te versterken, met name door hun toevlucht te nemen tot defensieve maatregelen om vijandige overnames tegen te gaan, zoals de „poison pills” of „multiple voting rights”, waarmee minderheidsaandeelhouders gemakkelijker controle kunnen uitoefenen.

3.6.3

De Commissie zal dus bijzonder waakzaam moeten zijn bij de toepassing van de voorschriften en de instrumenten van het mededingingsbeleid.

3.7

Vrije beroepen: de Commissie heeft een onderzoek van het in Wenen gevestigde Institut für Höhere Studien (IHS) voor het publiek toegankelijk gemaakt. Hieruit blijkt dat er verschillende reguleringen bestaan voor diensten die worden verricht in het kader van vrije beroepen, al naar gelang de lidstaat en het vrije beroep. De conclusie van het onderzoek luidt als volgt: minder regelgeving en een grotere vrijheid in de beroepen kunnen tot het scheppen van meer welvaart in het algemeen leiden.

3.7.1

Tijdens de conferentie over de regulering van de professionele dienstverlening die in oktober 2003 in Brussel plaatsvond, waarbij 260 beroepsvertegenwoordigers aanwezig waren, zijn de effecten van regels en regelingen op de bedrijfsstructuur en de bescherming van consumenten ter sprake gekomen.

3.7.2

Bij die gelegenheid heeft commissaris Monti aangekondigd dat de Commissie in 2004 een verslag over de concurrentie in de professionele dienstverlening zou uitbrengen. Dit verslag, dat zeer belangrijke richtsnoeren bevat, is op 9 februari 2004 gepubliceerd.

4.   Hervorming van de concentratiecontrole

4.1

Op 27 november 2003 bereikte de Raad een politiek akkoord over een herziene concentratieverordening, die in wezen de door de Commissie in december 2002 voorgestelde hervormingen omvatte. Deze hervormingen betroffen niet-juridische maatregelen bedoeld om het besluitvormingsproces te stroomlijnen, economische analyses te verbeteren en het recht van verdediging doelmatiger te beschermen. Verder is een „Chief Competition Economist” benoemd voor concurrentiekwesties, en is een panel ingesteld om volledig onpartijdige conclusies te waarborgen. Wat betreft de beoordeling van fusies wordt verwezen naar het EESC-advies over het „Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende grensoverschrijdende fusies van kapitaalvennootschappen”. (2)

4.2

Doelstelling: ervoor zorgen dat de materiële toets in de concentratieverordening (de machtspositietoets) daadwerkelijk alle concurrentiebeperkende fusies bestrijkt en tegelijkertijd meer rechtszekerheid biedt. De doelmatigheid van de materiële toets is afgezet tegen die van de toets van de „substantiële concurrentievermindering”. De tekst voor de nieuwe toets zoals die door de Raad is goedgekeurd, luidt als volgt: „Concentraties die de daadwerkelijke mededinging op de gemeenschappelijke markt of een wezenlijk deel daarvan op significante wijze zouden belemmeren, met name door de creatie of versterking van een machtspositie, moeten onverenigbaar verklaard worden met de gemeenschappelijke markt”.

4.2.1

De woorden „met name door de creatie of versterking van een machtspositie” wijzen op een mogelijke uitbreiding van het toepassingsgebied van het verbod, dat niet langer gekoppeld is aan de machtspositie. Deze bepaling dient echter te worden geïnterpreteerd en toegepast in het licht van de gezamenlijke verklaring van de Raad en de Commissie over art. 2, onder verwijzing naar overweging nr. 25 van de verordening (3), waarin staat dat het begrip „significante belemmering van daadwerkelijke mededinging” moet worden uitgelegd „in die zin dat het, naast het begrip „machtspositie”, alleen de mededingingbelemmerende gevolgen van een concentratie bestrijkt welke voortvloeien uit niet-gecoördineerd gedrag van ondernemingen die geen machtspositie op de betrokken markt zouden hebben.” Het toepassingsgebied blijft derhalve afhankelijk van het begrip „machtspositie”.

4.3

Richtsnoeren betreffende de beoordeling van horizontale fusies: dat wil zeggen fusies tussen daadwerkelijke of potentiële concurrenten. Dergelijke fusies zijn alleen verboden voorzover zij de marktmacht van ondernemingen vergroten op een wijze die voor de consumenten waarschijnlijk nadelige gevolgen heeft, met name in de vorm van hogere prijzen, producten van mindere kwaliteit of een beperkte keuze. Daarbij maakt het geen verschil of de concurrentiebeperkende gevolgen voortkomen uit het ontstaan of het versterken van een enkele dominante marktspeler, of uit een oligopolistische situatie. De gevolgen van een fusie worden beoordeeld aan de hand van wat anders in de markt zou zijn gebeurd. Dit kan bijvoorbeeld inhouden dat de overname van een „failing firm” geen interventie van de zijde van de Commissie rechtvaardigt.

4.4

Nieuwe beste praktijken: als onderdeel van het pakket herzieningen van 2002 heeft een raadpleging plaatsgevonden, die werd afgerond in februari 2003, met als doel richtsnoeren voor de betrokken partijen vast te stellen inzake de dagelijkse uitvoering van de EU-procedures voor fusiecontrole.

5.   Internationale samenwerking

5.1

De Commissie is een actief lid van de werkgroep binnen het ICN (International Competition Network) die zich bezighoudt met de controle op fusies die onder verschillende jurisdicties vallen. De activiteiten van deze werkgroep worden verricht binnen drie verschillende subgroepen:

aanmelding en procedures;

onderzoekstechnieken;

het analysekader.

5.1.1

De Commissie neemt deel aan alle drie subgroepen. Het voornaamste doel is het wederzijds begrip tussen jurisdicties te verbeteren, teneinde de controle op fusies doeltreffender te maken.

5.1.2

Meer in het algemeen fungeert het ICN als een virtueel netwerk tussen verschillende mededingingsautoriteiten, met als doel de internationale samenwerking te vergemakkelijken en voorstellen te formuleren voor procedurele en materieelrechtelijke convergentie.

5.1.3

Tijdens de tweede ICN-conferentie, die in juni 2003 te Mérida (Mexico) plaatsvond, is bijzondere nadruk gelegd op de noodzaak om bij concurrentieaangelegenheden duidelijke en begrijpelijke taal te gebruiken, en werd tevens gehamerd op het strategisch belang van concurrentiebevordering in gereguleerde sectoren, zodat de kosten van regelgeving worden teruggedrongen en de obstakels voor een wederzijds begrip van met name fusiebeleid tussen jurisdicties worden weggenomen.

6.   Staatssteun

6.1

Bij het toezicht op staatssteun wordt vooral gekeken welke uitwerking de steun van lidstaten aan ondernemingen heeft op de concurrentie. De doelstellingen hierbij zijn, dat overheidsmaatregelen de soepele werking van de interne markt niet verhinderen, dat de concurrentie en competitieve markten worden gestimuleerd, en dat structurele hervormingen worden versterkt. Er moet speciaal op worden gelet dat de gunstige effecten van de liberalisering niet door staatssteun teniet worden gedaan. Europese Raad van Stockholm: de lidstaten moeten het steunpeil verminderen, en de steun zoveel mogelijk ombuigen naar horizontale doelstellingen van gemeenschappelijk belang (zoals de versterking van de economische en sociale samenhang, werkgelegenheid, milieubescherming, bevordering van O&O en het MKB). De Commissie beschouwt de terugvordering van door de lidstaten onrechtmatig uitgekeerde steun als prioritair.

6.1.1

In dit verband valt het te betreuren dat verschillende lidstaten hun openbare aanbestedingen niet openstellen voor kandidaten uit andere lidstaten. De sector van de openbare aanbestedingen in de EU heeft een jaaromzet van meer dan 1.500 miljard euro: de door sommige lidstaten gevolgde praktijk om de eigen nationale ondernemingen voor te trekken schaadt de concurrentie en verhoogt de belastingdruk voor de consumenten.

6.2

Staatssteun voor de redding en herstructurering van ondernemingen in moeilijkheden. De betreffende richtsnoeren, die in oktober 2004 zijn komen te vervallen, hielden in dat staatssteun slechts verenigbaar is op bepaalde stringente voorwaarden. Deze richtsnoeren zijn voorwerp geweest van een herziening, waarbij met name werd stilgestaan bij de volgende mogelijkheden:

ervoor te zorgen dat reddingssteun beperkt blijft tot omkeerbare, tijdelijke, kortstondige financiële steun die slechts wordt verleend voor zolang als nodig is om een algeheel herstructureringsplan door te voeren;

het toezicht op staatssteun te richten op grote ondernemingen die overal in de EU handel drijven;

vooral ten aanzien van grote ondernemingen, het beginsel aan te scherpen dat de ontvanger van de steun verplicht is om een groot deel van de herstructureringskosten zonder staatssteun te financieren;

de toepassing van het beginsel van de „eenmalige steun”.

6.3

Multisectorale kaderregeling voor grote investeringsprojecten: strikte regels voor sectoren met structurele moeilijkheden. Eind 2003 zou er een lijst met dergelijke sectoren moeten zijn opgesteld. Vanwege methodologische en technische moeilijkheden heeft de Commissie besloten de goedkeuring van de lijst op te schorten. Daarom zijn de bestaande overgangsregels voor grote investeringsprojecten in „gevoelige” sectoren tot 31 december 2006 verlengd.

6.4

O&O-steun voor het MKB: Onderzoeks- en ontwikkelingssteun kan een bijdrage leveren aan economische groei, door het concurrentievermogen te versterken en de werkgelegenheid te vergroten. Vooral onderzoeks- en ontwikkelingssteun aan het MKB is van belang.

6.5

Steun ten behoeve van het milieu, steun voor onderzoek en ontwikkeling, opleidingssteun, fiscale steun. Op het gebied van fiscale steun is vooral gekeken naar alternatieve belastingheffingsmethoden, zoals de „cost plus”-methode (waarbij het belastbare inkomen forfaitair wordt vastgesteld en overeenkomt met een percentage van het bedrag van de uitgaven en de exploitatiekosten). Op het gebied van de sectorale steun (zie in het bijzonder de toepassing van het tijdelijk defensief mechanisme — TDM) zijn de volgende sectoren bestudeerd: de staalindustrie, telecommunicatie, de kolenindustrie, het spoorwegvervoer, het gecombineerd vervoer en het weg-, zee- en luchtvervoer.

6.6

Landbouw: de Commissie heeft op 23 december 2003 een nieuwe verordening vastgesteld tot invoering van een groepsvrijstellingsregeling voor bepaalde soorten staatssteun, die inhoudt dat de lidstaten deze niet meer van tevoren ter goedkeuring hoeven aan te melden bij de Commissie. De nieuwe verordening, die van kracht blijft tot en met 31 december 2006, heeft betrekking op staatssteun voor het midden- en kleinbedrijf (MKB) in de landbouwsector. Gezien de definitie van het MKB (maximaal 250 werknemers, een omzet van 40 miljoen euro of 27 miljoen euro op de balans) zijn deze bepalingen op bijna alle bedrijven en ondernemingen in de landbouwsector van toepassing. Ook voert de Commissie een nieuwe transparantienorm in: vijf dagen voordat een begin wordt gemaakt met de betaling van de steunbedragen wordt op het internet een samenvatting gepubliceerd van alle per lidstaat vrijgestelde staatssteunmaatregelen, zodat alle belanghebbenden toegang hebben tot alle informatie die nuttig kan zijn.

7.   Algemene opmerkingen

7.1

Nu het XXXIIIe Verslag over het mededingingsbeleid — 2003 is samengevat en onderdelen daarvan zijn becommentarieerd, dienen enkele algemene opmerkingen te worden geformuleerd over het verslag in zijn geheel, en met name over enkele van de belangrijkste aspecten.

7.2   Het verband tussen mededingingsbeleid en het beleid voor economische ontwikkeling

7.2.1

Het mededingingsbeleid van de EU is doeltreffender geworden en staat meer open voor een positieve band met ondernemingen en consumenten, dankzij de invoering van nieuwe handhavingsprocedures voor de antitrustregels, de herziening van de concentratieverordening en ten slotte ook de nieuwe interne organisatie van de Commissie.

7.2.2

Dankzij het mededingingsbeleid heeft de EU wezenlijke vooruitgang geboekt met het liberaliseringsproces, door hele economische sectoren weer aan de logica en dynamiek van de markt over te laten, waarmee concreet wordt bijgedragen tot de totstandkoming van een grote Europese interne markt. Het mededingingsbeleid is dus van essentieel belang, en de volledige autonomie van dit beleid moet altijd gewaarborgd blijven.

7.2.3

Toch kan het mededingingsbeleid alléén niet volstaan om tegemoet te komen aan de behoefte — die tegenwoordig in de hele EU zeer sterk gevoeld wordt — aan een sterke opleving van de groei en een op innovatie en de sociale dialoog gebaseerd duurzaam beleid voor economische ontwikkeling. De structurele veranderingen in de mondiale productie- en handelsactiviteiten, vooral die welke het gevolg zijn van de nieuwe technologieën, maken dat de Commissie andere economische beleidsinstrumenten moet inzetten en coördineren om het concurrentievermogen van de Europese economie in stand te houden en te verbeteren, de sociaal-economische samenhang op te voeren, meer banen te scheppen, het milieu beter te beschermen en grootschalige en ambitieuze O&O-programma's te bevorderen. De Mededeling van de Commissie „De structurele veranderingen begeleiden: een industriebeleid voor het uitgebreide Europa” en het desbetreffende EESC-advies (4) wijzen in dezelfde richting. In de agenda van Lissabon worden de volgende stappen uiteengezet. Maar e.e.a. moet dan wel sneller kunnen worden uitgevoerd, zowel wat de algemene als de sectorale bepalingen betreft.

7.2.3.1

Op sectoraal niveau bevestigt het EESC de opmerkingen uit zijn advies van 30 juni 2004 over „LeaderSHIP 2015: De toekomst van de Europese scheepsbouw en scheepsreparatieConcurrentievermogen door uitmuntendheid”  (5), en wijst het nogmaals op de noodzaak om de in november 2003 door de Raad Concurrentievermogen vastgestelde integrale benadering voort te zetten, teneinde het concurrentievermogen van de industrie te verbeteren en alle sectoren aan te sporen tot onderzoek, ontwikkeling en innovatie.

7.3   Staatssteun en diensten van algemeen belang

7.3.1

Met het hervormingsproces dat de procedures voor de controle op staatssteun moet stroomlijnen en vereenvoudigen is belangrijke vooruitgang geboekt, en wordt tegemoetgekomen aan het streven van de Europese Raad van Stockholm om het steunpeil te verminderen en de staatssteun zoveel mogelijk om te buigen naar horizontale doelstellingen van gemeenschappelijk belang, zoals cohesiedoelstellingen. Veel maatregelen van de Commissie zijn hiervoor bedoeld, zoals een zekere uitbreiding van het toepassingsgebied van steun aan onderzoek en ontwikkeling; de richtsnoeren voor licentieovereenkomsten inzake technologieoverdracht, de herstructurering van ondernemingen in moeilijkheden en de steun ten behoeve van opleiding en milieubescherming; en de multisectorale kaderregeling voor grote investeringsprojecten.

7.3.2

Het Hof van Justitie heeft in het Altmark-arrest van juli 2003 al de voorwaarden aangegeven waarbinnen de lidstaten compensaties kunnen verlenen aan ondernemingen die belast zijn met een dienst van algemeen belang, opdat die niet als staatssteun kunnen worden aangemerkt. Een aantal problemen blijft echter onopgelost, vooral m.b.t. de optimale verhouding tussen staatssteun en diensten van algemeen belang (DAB). De aard van die voorwaarden is immers zodanig dat de rechtszekerheid moet worden verbeterd, met name wat betreft het kostenaspect, de financiering van de diensten (4) en een betere omschrijving van de te compenseren openbaredienstverplichtingen. In het in mei 2003 gepubliceerde Groenboek over diensten van algemeen belang (DAB) werd overigens al erkend dat moet worden gekeken of de aan DAB ten grondslag liggende beginselen verder moeten worden geconsolideerd in een algemeen communautaire kaderrichtlijn, en dat de best mogelijke regelgeving en maatregelen moeten worden vastgesteld om de betrokkenen meer rechtszekerheid te bieden.

7.3.3

Indien de universele dienstverplichtingen niet op correcte wijze worden gedefinieerd en gefinancierd, zouden de daarmee belaste ondernemingen kunnen worden opgezadeld met steeds grotere verliezen, vanwege de komst van concurrenten in de meer winstgevende marktsegmenten.

7.3.4

Het EESC beveelt daarom aan, net als in zijn advies (1) over het Groenboek van de Commissie, om een duidelijke wettekst over DAB goed te keuren, teneinde iedereen een efficiënte en gelijke toegang te verschaffen tot kwalitatief hoogwaardige diensten die aan hun behoeften voldoen. Met name voor de reorganisatie en functionering van de sociale dienstverlening beveelt het EESC aan zo breed mogelijk overleg met de sociale partners en de ngo's te voeren.

7.4   Vrije beroepen

7.4.1

Het uitvoerige onderzoek van de Commissie naar de regelgevingskaders voor de professionele dienstverlening in de lidstaten is zeer nuttig geweest, omdat hiermee zeer doeltreffend is gemotiveerd waarom de restrictieve regelgeving op dit gebied zorgvuldig moet worden herzien en waarom de bestaande hulpbronnen op het gebied van kennis en cultuur productiever en concurrerender moeten worden gemaakt. Dit levert grote voordelen op, zowel voor de vrije beroepsbeoefenaars zelf als voor ondernemingen en consumenten.

7.4.2

Het is inmiddels een algemeen aanvaard beginsel — dat bovendien meermalen is bevestigd door het Hof van Justitie — dat ook het aanbod van professionele diensten de mededingingsregels dient te respecteren. Het is absoluut waar dat het economische criterium niet de enige parameter kan zijn aan de hand waarvan de professionele dienstverlening kan worden getoetst; het gaat immers niet om een louter mechanische en repetitieve handeling, maar om een dienst waarbij kennis wordt gebruikt om een probleem aan te pakken. Maar het is tevens zo dat de uitoefening daarvan een economische activiteit is die — mits de mededingingsregels daarbij in acht worden genomen — meer welvaart genereert en de doelstellingen van Lissabon kan helpen verwezenlijken.

7.4.2.1

De Mededeling van de Commissie „Verslag over de mededinging op het gebied van de professionele dienstverlening” (6) is in dit verband veelzeggend. Daarin onderstreept zij enerzijds de belangrijke rol die professionele diensten kunnen spelen bij de verbetering van het concurrentievermogen van de Europese economie, omdat zij een belangrijke input geven aan het bedrijfsleven en de consumenten. Anderzijds wordt betoogd, op basis van een omvangrijk empirisch onderzoek, welke negatieve effecten een buitensporige of verouderde restrictieve regulering kan hebben voor de consumenten (zoals voorschriften m.b.t. vaststelling van prijzen, reclame, toegangsvereisten en exclusieve rechten, en voorschriften inzake de bedrijfsstructuur).

7.4.3

Het is derhalve zaak het hervormingsproces versneld uit te voeren. Het EESC dringt er dan ook bij de Commissie op aan haar belofte na te komen, namelijk dat zij in 2005 een nieuw verslag zal uitbrengen over „de gemaakte vorderingen bij de opheffing van restrictieve en ongerechtvaardigde regels”. Het herinnert er bovendien aan dat de Commissie tevens heeft toegezegd verder onderzoek te zullen doen naar de relatie tussen het regelgevingsniveau, economische resultaten (prijzen en kwaliteit), en de tevredenheid van de consument.

7.4.4

Het EESC wijst tegelijkertijd op het belang van het arrest van het Hof van Justitie van 9 oktober 2003 in de zaak Consorzio industria fiammiferi, dat de nationale autoriteiten toestemming geeft om de nationale bepalingen die ondernemingen verplichten tot handelingen die strijdig zijn met art. 81, niet toe te passen.

7.4.5

Ten slotte moeten de belanghebbende categorieën meer en bewuster bij het hervormingsproces worden betrokken.

7.5   Pluralisme in de media en mededingingsrecht

7.5.1

In haar XXXIIIe verslag over het mededingingsbeleid betoogt de Commissie enerzijds dat de bescherming en ontwikkeling van het pluralisme in de media en de vrijheid om informatie te verstrekken en te ontvangen fundamentele doelstellingen zijn van de EU, als waarden die essentieel zijn voor het democratische proces. Anderzijds wijst zij erop dat het toezicht op concentratie in de media op de eerste plaats een verantwoordelijkheid van de lidstaten is. Zij voegt daaraan toe dat de toepassing van de mededingingsregels op de mediasector zich beperkt tot het oplossen van problemen die zich voordoen door de vorming of versterking van machtsposities in de respectieve markten, en de controle van uitsluiting van concurrenten van die markten. Volgens het EESC is het onderscheid tussen de taken van de EU en de taken van de lidstaten echter tamelijk vaag, en blijven enkele belangrijke problemen vooralsnog onopgelost:

allereerst moet erop worden gewezen dat de regelgeving en de benaderingen in de lidstaten uiteenlopen, en dat harmonisatie noodzakelijk is: de Commissie heeft hiertoe in 1989 een eerste aanzet gegeven, waarna zij in 1997 de richtlijn „Televisie zonder grenzen” heeft goedgekeurd, waarin niet alleen doelstellingen van economische efficiency werden vastgelegd maar ook de eerbiediging van de culturele verscheidenheid, de bescherming van minderjarigen, het recht op weerwoord, enz.;

verder moet op het gebied van de media een onderscheid worden gemaakt tussen algemene antitrustregels en specifieke regelgeving ter bescherming van het pluralisme in de media. De mededingingsregels zijn een fundamentele voorwaarde, maar volstaan niet om het pluralisme veilig te stellen. In tegenstelling tot een mededingingsstelsel waarin de marktmacht van iedere onderneming het moet opnemen tegen de initiatieven en activiteiten van concurrerende ondernemingen, vraagt de bescherming van het pluralisme daarentegen de expliciete erkenning van het recht van burgers om daadwerkelijk te beschikken over vrije nieuwsbronnen en alternatieve informatie — een recht dat op alle niveaus moet worden beschermd;

ten slotte maakt het proces waarbij sectoren als telecommunicatie, informatica, radio, televisie en uitgeverijen steeds meer met elkaar samenvallen, het steeds ingewikkelder om de structuren van de verschillende markten uit elkaar te houden. Als dit proces niet correct wordt ingecalculeerd, dan dreigen de mededingingsregels aan doeltreffendheid in te boeten en het pluralisme te verzwakken.

7.5.2

Met de nieuwe Europese grondwet zal het mandaat van de Commissie gevoelig worden uitgebreid. Het EESC is ervan overtuigd dat de Commissie in het nieuwe rechtskader met meer kracht haar sturende rol kan uitoefenen, of rechtstreeks maatregelen kan nemen om de vrijheid en het pluralisme in de media te beschermen en uit te bouwen.

Brussel, 9 februari 2005

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Anne-Marie SIGMUND


(1)  Zie PB C 80 van 30-3-2004

(2)  Zie PB C 117 van 30-4-2004

(3)  Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20-1-2004

(4)  PB C 157 van 28.6.2005.

(5)  Zie PB C 302 van 7-12-2004

(6)  COM(2004) 83 def. van 9-2-2004


Top