EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52004AR0021

Advies van het Comité van de Regio's over het Gezamenlijk verslag inzake sociale integratie, met een samenvatting van de resultaten van de bestudering van de Nationale Actieplannen voor sociale integratie (2003-2005)

OJ C 121, 30.4.2004, p. 32–35 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

30.4.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 121/32


Advies van het Comité van de Regio's over het „Gezamenlijk verslag inzake sociale integratie, met een samenvatting van de resultaten van de bestudering van de Nationale Actieplannen voor sociale integratie (2003-2005)”

(2004/C 121/08)

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S,

Gezien de Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld „Gezamenlijk verslag inzake sociale integratie”, met een samenvatting van de resultaten van de bestudering van de Nationale Actieplannen voor sociale integratie (2003-2005), COM(2003) 773 def.,

Gezien het besluit van de Europese Commissie van 12 december 2003 om, overeenkomstig art. 265, eerste alinea van het VEG, het Comité te raadplegen over dit onderwerp,

Gezien het besluit van zijn voorzitter van 6 november 2003 om de commissie „Economisch en sociaal beleid” te belasten met de desbetreffende voorbereidende werkzaamheden,

Gezien het besluit van het Europees Parlement en de Raad d.d. 15 oktober 2001 tot vaststelling van een communautair actieprogramma ter aanmoediging van samenwerking tussen lidstaten ter bestrijding van sociale uitsluiting,

Gezien het werkdocument van de diensten van de Europese Commissie „E-integratie – de mogelijkheden van de informatiemaatschappij voor de sociale integratie in Europa” (SEC (2001) 1428),

Gezien de resolutie van het Europees Parlement betreffende de Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's „Ontwerp — Gezamenlijk Verslag inzake sociale integratie” COM(2001) 565 def. C5-0109/2002-2002(2051 (COS),

Gezien het CvdR-advies over de mededeling van de Commissie „Bouwen aan een solidair Europa” (CDR 84/2000 fin) (1),

Gezien de resolutie van de Raad van 6 februari 2003 betreffende „Sociale integratie door middel van sociale dialoog en partnerschap” (2),

Gezien het CvdR-advies over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautair actieprogramma ter aanmoediging van samenwerking tussen lidstaten ter bestrijding van sociale uitsluiting (CDR 302/2000 fin) (3),

Gezien het CvdR-advies over het ontwerp — gezamenlijk verslag inzake sociale integratie (CDR 393/2001) (4),

Gezien het door de commissie „Economisch en sociaal beleid” op 2 maart 2004 met algemene stemmen goedgekeurde ontwerpadvies (CdR 21/2004 rev. 1); rapporteur: mevrouw MARIN-MOSKOVITZ adjunct-burgemeester van Belfort (F/PSE) en vice-voorzitter van de algemene raad van het departement Territoire de Belfort (F/PSE),

heeft tijdens zijn 54e zitting van 21 en 22 april 2004 (vergadering van 22 april) het volgende advies uitgebracht:

1.   Standpunten van het Comité van de Regio's

Het Comité van de Regio's

1.1

staat positief tegenover het ontwerp van gezamenlijk verslag van de Commissie inzake sociale integratie, waarin een samenvatting wordt gegeven van de resultaten van de nationale actieplannen sinds de inwerkingtreding van het communautaire actieprogramma om samenwerking tussen lidstaten aan te moedigen op het gebied van de bestrijding van sociale uitsluiting. Het bewuste vijfjarenprogramma ging in 2002 van start;

1.2

benadrukt dat de krachten gebundeld dienen te worden om het aandeel van de bevolking in Europa dat op of zelfs onder de armoedegrens leeft (momenteel gaat het volgens schattingen om 15 % van de Europese bevolking ofwel 55 miljoen mensen) terug te dringen;

1.3

prijst het samenhangend karakter van het rapport, waarin zowel rekening wordt gehouden met de uitbreiding als met de verschillen tussen de lidstaten en de invoering van een nieuwe gerationaliseerde structuur voor de coördinatie van het communautaire beleid op het gebied van sociale bescherming zoals goedgekeurd door de Raad in oktober 2003;

1.4

herinnert eraan dat steeds meer mensen bedreigd worden met sociale uitsluiting. Zij moeten geholpen worden om toch hun plaatsje in de samenleving te behouden. Sociale integratie kan in dit opzicht gezien worden als een dringende collectieve maatregel om de negatieve effecten van armoede en marginalisering op te vangen. Tegelijkertijd zou in het kader van sociale-integratiemaatregelen elke vorm van discriminatie moeten worden bestreden (of dit nu op grond van huidskleur, geslacht, handicap, homoseksuele geaardheid, godsdienst of leeftijd is) als signaal dat een deel van de Europese bevolking in haar strijd om niet buiten de maatschappij te vallen met groeiende problemen te kampen heeft; een evenwichtig beleid voor sociale integratie dient deze mensen echter ook economische en financiële prikkels te bieden voor een actieve deelname aan het beroepsleven;

1.5

onderstreept dat ongelijke arbeidskansen, een fluctuerende arbeidsmarkt, verplaatsingen van bedrijven naar goedkopere landen of regio's en massale ontslagen als gevolg van onverwachte structurele veranderingen (die zich in verband met de mondialisering van het kapitaal kunnen voordoen) en als gevolg van een slechtere conjuncturele toestand de mens en de samenleving treffen en sociale uitsluiting versterkt in de hand werken;

1.6

is van mening dat in de strategie van de Gemeenschap voor sociale integratie meer aandacht moet worden geschonken aan macro-economische verbanden en de repercussies van het economisch, financieel en belastingbeleid op het functioneren van gemeenschappen;

1.7

steunt de Commissie, die door een evaluatie van het beleid van de lidstaten aan de hand van gemeenschappelijke indicatoren (in totaal zijn er 18 gemeenschappelijke indicatoren voor armoede en sociale uitsluiting vastgesteld) de interactie met de regionale en lokale overheden wil bevorderen en op basis van deze evaluatie voor de periode 2004-2010 adequate maatregelen wil nemen ter bestrijding van sociale uitsluiting, zoals bepaald tijdens de Top van Lissabon in maart 2000 en goedgekeurd tijdens de Raad van Laken in december 2001;

1.8

meent, met name in verband met de evaluatie van de coördinatiemethode voor de strijd tegen armoede die voor 2005 op het programma staat,dat rekening moet worden gehouden met het effect van de uitbreiding met tien nieuwe landen op de toekomstige communautaire strategie ter bevordering van sociale integratie;

1.9

herhaalt zijn oproep om meer in te spelen op goede praktijken en innovatieve processen in de lidstaten op het vlak van de naleving van de grondrechten, wat sociale integratie en een leven zonder armoede tenslotte zijn;

1.10

juicht de 6 hoofdprioriteiten toe die door de Raad zijn vastgesteld voor de NAP's/integratie 2003-2005 van de tweede generatie:

Verhoging van investeringen in en het afstemmen van actieve arbeidsmarktmaatregelen op de behoeften van degenen die de grootste problemen hebben om werk te vinden;

Garanderen dat de stelsels van sociale zekerheid toereikend en toegankelijk zijn;

Verbetering van de toegang van de groepen die het meest kwetsbaar zijn en het meeste risico op sociale uitsluiting lopen, tot fatsoenlijke huisvesting, kwalitatief goede gezondheidszorg en mogelijkheden voor levenslang leren;

Leveren van een gezamenlijke inspanning om te voorkomen dat leerlingen vroegtijdig de school verlaten bij wijze van buffermaatregel tegen uitsluiting die anders automatisch zou volgen met alle nefaste gevolgen van dien;

Meer aandacht voor het uitroeien van kinderarmoede;

Terugdringen van armoede en sociale uitsluiting onder immigranten en etnische minderheden.

1.11

stelt vast dat de coördinatiemethode (tussen staten, regionale en lokale overheden en de Europese Unie) een stuk coherenter is geworden door de vooruitgang die is geboekt op het vlak van met name de verstrekking van de noodzakelijke openbare diensten aan de individuele burger, zoals opleiding, gezondheidszorg, huisvesting, vervoer, waarborging van gelijke kansen voor mannen en vrouwen, toegang tot kennis, vrijetijdsactiviteiten, cultuur en recht, en waarborging van individuele rechten;

1.12

zou graag zien dat de lidstaten voor een coherentere aanpak kiezen om de armoede te bestrijden. Het is teleurstellend om bij de vergelijking van de aanpak in de verschillende gepresenteerde nationale actieplannen te moeten vaststellen dat bepaalde groepen in de samenleving (werklozen, eenoudergezinnen, alleenstaande ouderen, gehandicapten, jongeren zonder diploma, grote gezinnen) steeds meer onder armoede te lijden hebben;

1.13

onderstreept het belang van sociale bescherming voor mannen en vrouwen die zich geen plaatsje op de arbeidsmarkt kunnen verwerven;

1.14

is van oordeel dat de actuele ontwikkelingen in de Europese Unie, met name de snelle transformatie van de arbeidsmarkt, de ontwikkeling en algemene verbreiding van nieuwe informatie- en communicatietechnologieën, de veranderingen als gevolg van nieuwe demografische ontwikkelingen en groeiende migratiestromen aanleiding zijn om er des te nauwlettender op toe te zien dat valstrikken omgezet worden in nieuwe kansen voor sociale integratie;

1.15

juicht het succes van e-integratie toe en de mogelijkheden die hierdoor in de toekomst gecreëerd zullen kunnen worden om door middel van ICT diensten toegankelijk te maken voor alle lagen van de bevolking en op die manier een actief en participerend burgerschap te bevorderen;

1.16

onderstreept de katalyserende rol van de staat om in de universele behoeften van de burger te voorzien. De staat dient zorg te dragen voor een goed functionerend belastingstelsel, sociale bescherming, onderwijs en opleidingsprogramma's, waarborging van het recht op huisvesting, de volksgezondheid, vrije informatie en gelijke kansen. De participatie van lokale en regionale overheden is tevens een aanvullend instrument om de diensten op een efficiënte manier te coördineren;

1.17

merkt op dat het gezamenlijke document van de Commissie en de Raad niet voldoende ingaat op de reële begrotingsinspanningen die nodig zijn om het beleid ter bevordering van de sociale integratie vorm te geven;

1.18

steunt het voorstel om gerichte, kwantitatieve streefdoelen vast te leggen zoals dit al is gebeurd in de nationale plannen van acht lidstaten;

2.   De aanbevelingen van het Comité van de Regio's

Het Comité van de Regio's

2.1

gaat ervan uit dat er na lezing van de gezamenlijke mededeling over sociale integratie in het kader van de inspanningen op lokaal, regionaal, nationaal en EU-niveau na de Top van Lissabon ook nationale plannen voor de tien nieuwe lidstaten zullen worden opgesteld;

2.2

merkt op dat voor de integratie van de nationale actieplannen op nationaal, regionaal en lokaal niveau de nodige tijd ingepland dient te worden voordat de plannen op hun effect beoordeeld worden;

2.3

beveelt aan om met minder indicatoren te werken en alleen indicatoren te gebruiken die toepasbaar en compatibel zijn in alle EU-lidstaten. Het Comité stelt vast dat na afloop van de in twee eerdere adviezen over sociale uitsluiting ten zeerste aanbevolen nationale actieplannen van de eerste generatie aanzienlijke inspanningen zijn gedaan op EU-niveau om dergelijke indicatoren te definiëren;

2.4

benadrukt nogmaals, geheel in de lijn van het witboek „Europese governance” m.b.t. de werkgelegenheid in 2003, het belang van samenwerking op alle bestuursniveaus tussen de actoren die op het gebied van sociale integratie werkzaam zijn als instelling of maatschappelijke organisatie;

2.5

stelt met voldoening vast dat de lidstaten hebben erkend dat de nationale plannen aangevuld dienen te worden met maatregelen op lokaal en regionaal niveau. Hierbij moet echter worden voorkomen dat de nationale plannen bol komen te staan van voor bepaalde regio's bestemde en op de werkmethoden van plaatselijke sociale-zekerheidsinstanties toegesneden maatregelen, omdat het daardoor veeleer lastiger zou worden lidstaten met elkaar te vergelijken en minder, maar goede en vergelijkbare indicatoren te gebruiken;

2.6

moedigt de Commissie aan de regionale en lokale overheden op een meer systematische wijze te betrekken bij het toezicht op methoden voor het terugdringen van sociale uitsluiting;

2.7

constateert verheugd dat de meeste lidstaten de nadruk leggen op ambitieuze en veelzijdige kwantificeerbare doelstellingen die geleidelijk de armoede moeten terugdringen (waarbij de armoedegrens overigens sterk varieert per lidstaat);

2.8

dringt erop aan de in de nationale actieplannen vastgelegde criteria voor sociale integratie ook toe te passen bij de evaluatie van de structuurfondsen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de manier waarop de middelen uit de structuurfondsen verdeeld zullen worden vanaf 2006;

2.9

spoort aan om zo snel mogelijk iets te doen aan de meest ingrijpende gevolgen van sociale uitsluiting en hardnekkige armoede (bijv. het probleem van de daklozen of huishoudens die diep in de schulden zitten) overeenkomstig doelstelling 3 van de structuurfondsen waarin steun aan de meest kwetsbaren in de samenleving centraal staat;

2.10

steunt de aanbevelingen van de Commissie — in afwachting van de evaluatie die voor 2005 op het programma staat — en pleit voor een uniforme en evenwichtige uitvoering ervan. Dit houdt in dat

door moet worden gegaan met de inspanningen om de inzet en participatie van alle betrokken actoren van de georganiseerde civiele samenleving, maar ook van de gemarginaliseerde mensen zelf te bevorderen;

ten volle rekenschap dient te worden gegeven van het primaire belang om discriminatie van de meest kwetsbare mensen in de samenleving (asielzoekers, vluchtelingen, immigranten en etnische minderheden) te bestrijden;

verdergewerkt moet worden aan de ontwikkeling van een nationale statistische basis om effectief toezicht te kunnen houden op de sociale integratiestrategieën aan de hand van de statistieken inzake inkomen en levensomstandigheden van EU-SILC;

de verspreiding van goede praktijkvoorbeelden bevorderd moet worden. Een voorbeeld hiervan is het communautaire actieprogramma tegen sociale uitsluiting;

nauwgezet rekening moet worden gehouden met de doelen van de Unie inzake sociale integratie bij de voorbereiding en follow-up van de Europese Raad van juni 2004, en met name gezorgd moet worden voor samenhang tussen deze doelstellingen en de globale richtsnoeren voor het economisch beleid en de Europese werkgelegenheidsstrategie, die in december 2000 tijdens de Europese Raad van Nice is voorgesteld;

de geleidelijke deelname van de kandidaat-lidstaten aan het gehele proces moet worden bevorderd, op basis van de gezamenlijke memoranda over integratie (de zgn. JIM's, gezamenlijk ondertekend op 10 december 2003) en de nationale actieplannen voor de tien nieuwe lidstaten die daarna hun beslag moeten krijgen;

2.11

dringt erop aan de nodige maatregelen te nemen om de sociale integratie tot de nieuwe lidstaten uit te breiden;

2.12

benadrukt dat sociale integratie nauw verbonden is met het concept van armoede in economische zin. Hieronder verstaat men o.m. uitsluiting van werk, onderwijs, opleiding en cultuur. Vaak hangt uitsluiting samen met discriminatie op grond van geslacht, leeftijd, sociale situatie, studie, taal, nationaliteit en lichamelijke of geestelijke handicap; de oorzaken en oplossingen dienen bijgevolg breed te worden opgevat;

2.13

roept de Commissie op de dialoog met de actoren op het vlak van sociale integratie en de slachtoffers van sociale uitsluiting voort te zetten en uit te breiden, zodat iedereen zijn stem kan laten horen en zijn burgerrechten kan uitoefenen;

2.14

juicht het toe dat ter gelegenheid van de werelddag van verzet tegen sociale uitsluiting jaarlijks een rondetafelconferentie over armoede en uitsluiting zal worden gehouden, zoals in oktober 2002 in Århus. De conferentie, die dit jaar plaatsvindt op 17 oktober, is nodig met het oog op de uitbreiding, nieuwe nationale methoden in de strijd tegen uitsluiting, de criteria van Nice (de vastlegging van doelstellingen op het gebied van gelijke kansen, preventie, beleid en mobilisatie in het kader van het integratieproces) en het feit dat er veel meer actoren zullen gaan deelnemen aan de sociale dialoog en het partnerschap voor de werkgelegenheid;

2.15

onderstreept dat het een moeilijke opgave is voor elk van de lidstaten van de EU om gezamenlijk criteria voor integratie of sociale uitsluiting vast te stellen die van toepassing (kunnen) zijn op lokaal, regionaal, nationaal en Europees niveau. Dit verklaart waarom de gecoördineerde dialoog op EU-niveau nodig blijft;

2.16

herinnert eraan dat de regionale en lokale overheden een belangrijke rol spelen bij de integratie op de arbeidsmarkt, en meer in het algemeen in de maatschappij, van mensen die uitgesloten dreigen te raken of dreigen te worden gemarginaliseerd;

2.17

roept de Commissie op de in onderhavig advies uiteengezette opmerkingen te verwerken in het ontwerp van gezamenlijk verslag dat tijdens de Europese Raad in maart 2004 gepresenteerd zal worden;

Brussel, 22 april 2004.

De voorzitter

van het Comité van de Regio's

Peter STRAUB


(1)  PB C 317 van 6.11.2000, blz. 47

(2)  PB C 39 van 18.2.2003, blz. 1

(3)  PB C 144 van 16.5.2001, blz. 52

(4)  PB C 192 van 12.8.2002, blz. 5


Top