EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52003AR0397

Advies van het Comité van de Regio's over de Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Basisrichtsnoeren voor een duurzaam Europees toerisme

OJ C 121, 30.4.2004, p. 1–6 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

30.4.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 121/1


Advies van het Comité van de Regio's over de „Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Basisrichtsnoeren voor een duurzaam Europees toerisme”

(2004/C 121/01)

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S,

Gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — „Basisrichtsnoeren voor een duurzaam Europees toerisme” (COM(2003) 716 def.);

Gezien het besluit van de Commissie van 21 november 2003 om overeenkomstig artikel 265, 1e alinea, van het EG-Verdrag het Comité van de Regio's over dit document te raadplegen;

Gezien het besluit van de voorzitter van het Comité van 27 januari 2004 om de commissie „Beleid inzake territoriale samenhang” te belasten met het opstellen van een advies ter zake;

Gezien zijn advies over „Een gezamenlijke aanpak voor de toekomst van het Europees toerisme” (CDR 99/2002 fin) (1);

Gezien de conclusies van de door de regio Toscane en de commissie COTER van het Comité georganiseerde conferentie „Euromeeting 2003” over de duurzaamheid van het Europees toerisme;

Gezien het „Europees Ruimtelijk Ontwikkelingsperspectief” (EROP) en het desbetreffende advies van het Comité (CDR 266/98 fin) (2);

Gezien Gezien het op 18 februari 2004 door de commissie „Beleid inzake territoriale samenhang” goedgekeurde ontwerpadvies (CDR 397/2003 rev. 1) (rapporteur: de heer Martin Menis, premier van de Canarische eilanden (ES/ELDR));

Overwegende dat:

1)

het toerisme een van de belangrijkste Europese en mondiale economische sectoren vormt en volop in expansie is,

2)

het toerisme in hoge mate kan bijdragen tot het behoud van een sterke economische groei en een hoog werkgelegenheidsniveau, sociale vooruitgang waarbij oog bestaat voor de behoeften van iedereen, efficiënte milieubescherming en een zorgvuldig gebruik van natuurlijke hulpbronnen;

3)

de natuurlijke, economische, sociale en culturele hulpbronnen die de economische duurzaamheid van de sector bepalen, niet in staat zijn om het hoofd te bieden aan een zich onbeperkt uitbreidend Europees toerisme;

4)

het tijdens de mondiale top over duurzame ontwikkeling (Johannesburg) goedgekeurde uitvoeringsplan gericht is op de ontwikkeling van duurzaam toerisme en maatregelen bevat tegen niet-duurzame productie- en consumptiepatronen;

5)

het toerisme een mondiaal verschijnsel is dat zich lokaal ontwikkelt en dat mondiale problemen in verband met duurzaamheid mondiaal moeten worden opgelost en lokale problemen lokaal moeten worden aangepakt. Momenteel is toerisme in de eerste plaats lokaal of regionaal van aard en dienen maatregelen dus in beginsel lokaal te worden ontworpen en uitgevoerd om in te kunnen spelen op specifieke behoeften en beperkingen;

6)

het bevorderen van een duurzame ontwikkeling van de economische activiteit binnen de gehele Gemeenschap in artikel 2 van het EG-Verdrag als een van de taken van de Gemeenschap wordt genoemd. Het toerisme biedt veel mogelijkheden ter verwezenlijking van de doelstellingen aangaande duurzame ontwikkeling en in artikel 3, lid 1, onder u), worden gemeenschappelijke maatregelen op het gebied van het toerisme genoemd ten behoeve van de doelstellingen van artikel 2. Voorts moet de duurzaamheid van het toerisme worden afgestemd op de algemene oriëntatie inzake duurzame ontwikkeling in de EU die in de desbetreffende Europese strategie is opgenomen;

7)

de duurzame ontwikkeling van het toerisme sinds het midden van de jaren '90 een prioriteit van de Europese instellingen is. In haar mededeling van november 2001 over een „gezamenlijke aanpak voor de toekomst van het Europees toerisme” stelt de Commissie verdere „stimulering van een duurzame ontwikkeling van het toerisme in Europa door opstelling en uitvoering van een Agenda 21” voor;

8)

dit voorstel veel steun heeft gekregen van het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.

heeft tijdens zijn 54e zitting van 21 en 22 april 2004 (vergadering van 21 april) het volgende advies goedgekeurd:

Het Comité van de Regio's

ziet in dat het moeilijk is om de prioriteiten en strategieën met betrekking tot de duurzaamheid van het Europees toerisme in een mededeling samen te vatten. Deze zijn namelijk evenals de regionale structuur van het toerisme ingewikkeld en net zo gevarieerd als het aangeboden assortiment, dat weer wordt bepaald door de vele uiteenlopende wensen van de consument. Daarbij komen ook nog eens de onderling verschillende praktijken van bestuur en bedrijfsleven om toeristische bestemmingen vorm te geven;

staat daarom, ondanks kritiek op sommige punten, zeer positief tegenover de mededeling, die mag worden beschouwd als de eerste brede opstelling van de EU tegenover de uitdagingen in verband met duurzaam toerisme;

beseft dat er andere, eveneens nuttige initiatieven ten behoeve van duurzaamheid bestaan, zoals EROP (Europees Ruimtelijk Ontwikkelingsperspectief), maar acht vooral onderhavige mededeling van belang omdat daarin concreet wordt aangegeven welke maatregelen met name op plaatselijk en regionaal niveau moeten worden genomen om de theorie aangaande duurzaam toerisme in de praktijk om te zetten;

benadrukt dat de Commissie de lokale en regionale autoriteiten nieuwe perspectieven biedt voor een duurzaam toerisme en evenwichtige ontwikkeling van de drie bijbehorende pijlers. Het wijst er verder op dat samenwerking en governance de cruciale methode zijn om de sector verder te helpen en het gebrek aan samenhang tussen bestaande praktijken te verhelpen;

constateert met genoegen dat de Commissie met voorstellen komt voor wat de Europese burgers en toeristen, particuliere bedrijven en sociale partners, internationale organisaties en nationale, regionale en lokale overheden, alsook maatschappelijke belangenorganisaties zelf kunnen doen.

1.   Uitdagingen en doelstellingen in verband met duurzaam toerisme

Belangrijkste uitdaging: duurzame activiteiten en groei

1.1

Het Comité is van opvatting dat niet uitsluitend geografische zones zoals het Middellandse Zeegebied en de Alpen met bijkomende en specifieke uitdagingen op het gebied van duurzaam toerisme worden geconfronteerd, maar denkt hier ook aan andere regio's, zoals eilanden, ultraperifere gebieden en ontwikkelingslanden.

1.2

Het constateert voorts met genoegen dat de Commissie duurzaam beheer van het zogenaamde massatoerisme als een speciale uitdaging beschouwt en vindt dat deze beheerswijze de grootste bijdrage tot duurzaam toerisme belooft te zijn.

1.3

Dit massatoerisme drukt in veel bestemmingen zwaar op milieu, samenleving en landschap. Vanuit Europees gezichtspunt worden deze lasten evenwel verzacht door de positieve sociale effecten in zowel de landen van oorsprong als die van ontvangst.

1.4

Veel bestemmingen streven momenteel naar kwaliteitsverhoging in plaats van kwantitatieve groei. Daartoe passen zij hun infrastructuur en producten aan en doen zij voortdurend aan innovatie. Voorts binden zij de groei aan limieten en verspreiden zij nieuwe strategieën voor door duurzaamheid gekenmerkte planning en beheer.

1.5

Deze nieuwe, op duurzaamheid gerichte aanpak leidt ook tot duurzame productie- en consumptiepatronen in het toerisme in plaats van korte-termijnbelangen aan de vraagzijde te dienen. Probleem is echter wel dat de aanpak op talloze politieke, economische en juridische moeilijkheden stuit waartegen vaak niets gedaan kan worden.

1.6

In bestemmingen waar het toerisme de belangrijkste bron van welvaart en economische activiteit vormt, bestaat het risico dat deze moeilijkheden alleen nog zullen toenemen.

1.7

Dit laatste geldt zeker voor eilanden, berggebieden en zwakke, afgelegen regio's waar het isolement de impact van het gebrek aan duurzaamheid versterkt.

1.8

De lokale en regionale autoriteiten moeten dan ook bij het aangaan van uitdagingen van een dergelijke omvang kunnen rekenen op maximale samenwerking met en betrokkenheid van de nationale overheden en de Europese instellingen, die bereid dienen te zijn om de meest efficiënte mechanismen op juridisch, economisch en politiek gebied te activeren ten einde te voorkomen dat de lokale en regionale duurzaamheidsinitiatieven tot mislukken zijn gedoemd.

1.9

Daarbij is het vooral van belang dat de EG-regels voor staatssteun op de juiste wijze worden aangepast ten behoeve van de permanente renovatie van de toeristische bestemmingen. Daarbij dient beperkte en duurzame groei te worden gestimuleerd, alsook de ontwikkeling van duurzaam toerisme in gebieden met permanente natuurlijke en geografische handicaps waar kost- en kwetsbare natuurlijke hulpbronnen door toeristische activiteiten in gevaar kunnen worden gebracht.

Een evenwichtige aanpak betreffende de drie duurzaamheidspilaren

1.10

Het Comité schaart zich achter de expliciete erkenning van het belang van integrale samenwerking en governance.

1.11

Het Comité is van mening dat de lokale en regionale toerismediensten versterkt uit dit proces dienen te komen en op alle niveaus beter dienen te kunnen samenwerken met andere diensten of entiteiten, met alle nauwkeurige afstemming en uitwisseling van goede praktijkvoorbeelden van dien, zodat doelstellingen inderdaad kunnen worden verwezenlijkt.

1.12

Voorts is het noodzakelijk dat de bundeling van administratieve samenwerking en regionaal en lokaal sectoraal beleid, waardoor duurzaam toerisme duidelijk gestalte moet krijgen, nieuwe mogelijkheden en stimulansen biedt voor governance, planning en management op het gebied van duurzaam toerisme.

1.13

Daarnaast zouden zowel de toeristische sector als alle andere betrokkenen vanaf het begin moeten kunnen participeren in de nieuwe beleidsvorming betreffende duurzame bestemmingen.

Duurzame consumptiepatronen

1.14

De Commissie legt terecht de vinger op seizoensgebondenheid en vervoer als obstakels voor duurzaam toerisme.

1.15

Seizoensgebondenheid is volgens het Comité regionaal bepaald en de vele Europese bestemmingen en vormen van toeristische dienstverlening dienen in dat teken te staan;

1.16

De EU moet bij alle beleidsmaatregelen t.a.v. seizoensgebondenheid de grootste voorzichtigheid betrachten ten einde concurrentievervalsing te voorkomen, waarbij bestemmingen en producten die profiteren van het feit dat het elders laagseizoen is, de dupe zijn.

1.17

De vervoersmaterie moet onder meer op efficiëntie vanuit zowel het oogpunt van de toerist als dat van de transporteur worden onderzocht en daarbij dient gekeken te worden naar de risico's en baten voor beiden, alsmede naar de offers die de Europese bestemmingen en regio's ten behoeve van duurzaamheid dienen te brengen. Verder dient men zich ook te laten leiden door andere documenten en protocollen, zoals dat bij het Alpenverdrag, die in dit verband zijn opgesteld.

1.18

Het Comité begrijpt dat er vanuit de consumenteninvalshoek ook oog dient te bestaan voor andere variabelen zodat onvolledige of tegenstrijdige conclusies worden voorkomen.

1.19

Daarom acht het een meer omvattende benadering geboden, waarin aandacht wordt besteed aan:

bredere verspreiding van duurzaam toerisme;

meer keuzemogelijkheden voor de in duurzaamheid geïnteresseerde toerist;

bescherming van zijn rechten;

toerisme als stimulans voor cohesie;

toerisme als herverdeler van inkomen;

toerisme als katalysator voor vrede.

Aan de hand van deze factoren kan een nauwkeurigere duurzaamheidsanalyse worden gemaakt vanuit het oogpunt van de toerist/consument.

1.20

Het Comité gelooft niet dat de aandacht van de toeristen voor duurzaamheid afneemt. Integendeel, ook al kijkt lang niet iedereen op dezelfde wijze tegen duurzaamheid aan, dan nog hecht de Europese toerist belang aan duurzame dienstverlening en daarom moeten de bestemmingen en de bedrijven in de toeristische sector die ook bieden. De ter plaatse te ontwikkelen duurzame dienstverlening moet bijdragen tot verhoging van de aantrekkingskracht en de duurzaamheid, alsook resulteren in meer keuzevrijheid voor de toerist.

1.21

Voorts dient evenwicht te worden aangebracht tussen duurzaamheid en concurrentievermogen. Deze relatie werd tot op heden door broosheid en tegenstrijdigheden gekenmerkt, maar verbetering ervan is de manier om de dialoog op weg te helpen naar duurzamere standpunten en meer steun in bredere kring daarvoor.

Duurzame productiepatronen

1.22

Het Comité feliciteert de Commissie met de grondige behandeling van de duurzame ontwikkeling van bestemmingen.

1.23

Dit onderdeel kan worden beschouwd als een van de belangrijkste van de mededeling.

1.24

Het Comité schaart zich achter de verwijzingen naar:

de bestemming als het totale toeristische product;

het belang voor duurzame productie van activiteiten waarbij particuliere en publieke belangen worden gecombineerd;

de zwakke en afhankelijke mono-economieën waarin indirecte effecten van andere sectoren ontbreken;

gelijke voorwaarden voor de plaatselijke leveranciers en het terugvloeien van winsten naar de bestemmingen.

Deze elementen vormen de basis voor maatregelen en beleid om de regionale toeristische patronen af te stemmen op de mogelijkheden die de markt biedt en de belangen van duurzaamheid, bestemmingen en regio's.

1.25

Ook kan het zich vinden in de verwijzingen naar:

het culturele en traditionele landschap;

erfgoed, infrastructuur, gastvrijheid en voorzieningen als primaire hulpbronnen van de bestemmingen;

verstandig gebruik van het gebied;

de lokale culturele identiteit en de behoeften van de plaatselijke bevolking.

Deze factoren zijn noodzakelijk voor de koppeling, via good governance, van het lokaal en regionaal toerismebeleid aan het overige sectorbeleid;

1.26

Toe te juichen zijn ook de opmerkingen dat oog moet bestaan voor de ecologische draagkracht van natuurlijke en stedelijke zones en dat analyses dienaangaande moeten worden ingebed in een algemeen kader voor de totstandbrenging van modellen voor duurzaam toerisme op regionaal en lokaal niveau;

1.27

Het Comité is het daarnaast eens met de passage over vakantiehuizen, permanent verblijf van 60-plussers en eendagstoerisme waarin deze verschijnselen worden aangemerkt als blijk van de noodzaak om met toerisme samenhangende aspecten de juiste vorm te geven en zowel de negatieve als de positieve effecten te bestuderen alvorens tot maatregelen en regelgeving over te gaan.

2.   Huidige stand van zaken

Vele initiatieven

2.1

Een van de meest interessante elementen van het EROP (Europees Ruimtelijk Ontwikkelingsperspectief) is dat het bedrijfsleven en sectorale bestuurders ertoe worden opgeroepen om, onder meer op het gebied van het toerisme, hun verantwoordelijkheid te nemen in het overleg en ten aanzien van de ruimtelijke ordening. In dit hoogst belangrijk document wordt een beroep gedaan op de toeristische en andere sectoren om bij te dragen tot de territoriale ontwikkeling en wordt tevens gepleit voor meer mogelijkheden om kennis op te doen en met nieuwe methoden vertrouwd te raken. Op die manier nemen de keuzemogelijkheden van de in duurzaamheid geïnteresseerde toerist toe en zullen er meer duurzame producten worden aangeboden. Verder wordt erop gewezen dat het regionaal beleid moet worden gericht op het belang dat de bestemmingen in economisch, sociaal en milieuopzicht bij duurzaamheid hebben.

Trage vooruitgang

2.2

Zoals de Commissie ook aangeeft, is er inderdaad maar weinig vooruitgang geboekt op het gebied van duurzaamheid en dat er daarom basisrichtsnoeren moeten komen om de huidige tendensen te keren.

2.3

Het Comité constateert met genoegen dat zij pleit voor een „bottom up”-aanpak in het Europees toerismebeleid waarin oog bestaat voor subsidiariteit en de eigen verantwoordelijkheid van de bestemmingen voor hun duurzame ontwikkeling.

2.4

Ook deelt het de mening van de Commissie dat het MKB en de bestemmingen cruciaal zijn voor de succesvolle tenuitvoerlegging van de duurzaamheidsinitiatieven.

3.   De uitdagingen aangaan: de beleidskeuze

3.1

Het Comité vindt ook dat de maatregelen moeten worden gericht op:

efficiënte uitvoering van bestaande initiatieven;

maximalisering van het effect van EG-beleid en maatregelen op duurzaam toerisme;

de ontwikkeling en uitvoering van aanvullende maatregelen.

Het Comité zou wel graag een nadere uitwerking hiervan hebben gezien.

4.   Het realiseren van duurzaam toerisme: basisrichtsnoeren voor een aanpak van de Europese Gemeenschap

Het algemene concept voor toekomstige actie

4.1

Het Comité kan zich vinden in het standpunt van de Commissie dat er op ieder niveau, vanaf lokaal tot mondiaal, maatregelen nodig zijn.

4.2

Het maakt zich zorgen over het idee dat kwesties in verband met de seizoensgebondenheid van duurzame toeristische reizen boven het lokale en regionale niveau zouden moeten worden aangepakt.

4.3

Door „top down”-stimulering kan afbreuk worden gedaan aan de belangen van bepaalde Europese bestemmingen, terwijl bestemmingen in derde landen buiten schot blijven. Dat kan concurrentievervalsing opleveren.

4.4

De Commissie wijst er terecht op dat zowel de politiek als het bedrijfsleven en de maatschappelijke organisaties met sectorale voorstellen of in het kader van Agenda 21 moeten bijdragen tot de concretisering van de duurzaamheidsdoelstellingen. Anders gezegd en wat het regionaal beleid betreft, betekent dit dat het toerismebeleid op regionaal en lokaal niveau veel meer op duurzaamheidscriteria moet steunen, waarvan de belangrijkste qua motivering, doelstellingen en methoden in de mededeling worden behandeld. Op die manier kan vaart worden gezet achter de uitvoering van Agenda 21, die momenteel in veel regio's en Europese bestemmingen bij het bestuur, de politiek, het bedrijfsleven en de maatschappelijke organisaties op de tweede plaats komt.

4.5

Er dienen de lokale en regionale kaders voor actie ten behoeve van duurzaam toerisme te worden ontwikkeld, die op hun beurt weer met nationale en Europese kaders moeten worden verbonden. Wellicht zullen er zodoende nieuwe mogelijkheden komen voor de regionale besturen en met name voor de regionale en lokale instanties voor toerisme die meer middelen nodig hebben om de uitdagingen aan te gaan. Ook kan het regionaal bestuur dan ten behoeve van de duurzaamheid van het toerisme maatregelen nemen op het gebied van milieu, ruimtelijke ordening, werkgelegenheid, landbouw, cultureel en ander erfgoed, opleiding, enz. Gegeven het verband hiervan met duurzaamheid ontstaat er een nieuw regionaal actiekader.

4.6

Duidelijke en transparante informatie is inderdaad cruciaal voor een duurzame ontwikkeling van het toerisme. Momenteel ontbreekt het daar echter aan. Maar sectoren en bestemmingen kunnen niet zònder bij het ontwikkelen van duurzaamheidstrategieën en een groot deel van die informatie kan uitsluitend ter plaatse worden gevonden;

4.7

Het Comité verzoekt de Europese instellingen dan ook, oprichting te stimuleren en te ondersteunen van netwerken van bestemmingen die in staat zijn om informatie te produceren en uit te wisselen.

4.8

Overigens bestaat er ook nog voor het toerisme relevante informatie waar de netwerken of bestemmingen niet aan kunnen geraken; hier is wellicht een belangrijke taak weggelegd voor de Commissie die niet door de regio's en lidstaten kan worden vervuld.

Wat de Commissie van plan is te doen

4.9

Het Comité staat positief tegenover de effectrapportage door de Commissie, vooral op toerismegebied, en acht die een uitstekend voorbeeld van een instrument waarmee good governance in de Europese regio's en toeristische bestemmingen kan worden gestimuleerd.

4.10

Ook haar voornemen om een intern werkprogramma in te voeren ten einde het effect van de verschillende communautaire beleidsmaatregelen op het toerisme te verhogen kan de goedkeuring van het Comité wegdragen.

4.11

De indicatoren om de duurzaamheid van het toerisme te meten zijn meer dan een doelstelling op zich en kunnen op weg naar duurzaamheid een katalysatorrol vervullen. Daarom is het van belang dat partijen (bedrijf, bestuur, maatschappelijke organisatie, enz.) van meet af aan bij het ontwerpen van de indicatoren worden betrokken. Voorts dienen deze eenvoudig en gebruikersvriendelijk te zijn, zodat iedereen ze kan begrijpen en voortdurend tot de ontwikkeling ervan kan bijdragen.

4.12

Dergelijke metingen zullen de duurzaamheid verhogen, omdat partijen daarmee meer inzicht krijgen in de effecten op het toerisme, alternatieven en de daarmee gepaard gaande kosten voor de samenleving.

4.13

Het Comité is ingenomen met de kaderovereenkomst inzake duurzaam toerisme die de Commissie met de Wereldorganisatie voor toerisme (WTO)wil sluiten.

4.14

Lovenswaardig is ook haar voornemen om een Groep duurzaam toerisme op te richten die zal bestaan uit vertegenwoordigers van nationale, regionale en lokale autoriteiten, bedrijven uit de toeristische sector, vakverenigingen en de civiele samenleving.

4.15

Het Comité van de Regio's vindt zichzelf, als vertegenwoordiger van de regionale en lokale autoriteiten bij de Unie, de aangewezen instantie om de lidstaten, in samenwerking met de pan-Europese verenigingen van lokaal en regionaal bestuur, voordrachten te doen voor het lidmaatschap van deze groep.

4.16

Ten behoeve van het efficiënt functioneren van de groep is het aan te raden dat de regionale en territoriale entiteiten zelf hun vertegenwoordigers uitkiezen. Voorts dient de groep de diversiteit van de toeristische bestemmingen te reflecteren.

4.17

Het Comité stelt verder voor dat de groep wordt ondersteund door Eurostat ten einde tot Europese duurzaamheidsindicatoren te komen en deze op lokaal en regionaal niveau te verspreiden, hetgeen de ontwikkeling van duurzaam toerisme een kwalitatieve impuls kan geven.

4.18

De Commissie heeft gelijk wanneer zij stelt dat seizoensgebondenheid en vervoer twee belangrijke problemen zijn in verband met de duurzaamheidsopties van de consument en dat daarom een „groep van deskundigen” gebruik zal moeten maken van genoemde indicatoren, en andere relevante variabelen, om gebrekkige of tegenstrijdige gevogtrekkingen te vermijden.

4.19

In ieder geval dienen bewustmakingscampagnes, met name richting consument, zeer zorgvuldig te worden opgezet en moeten deze voldoende algemeen van aard zijn om spanningen tussen bestemmingen en producten te vermijden. Voorts moeten er voldoende middelen naar de lokale en regionale autoriteiten gaan, zodat deze de richtsnoeren uit de Commissiemededeling begrijpen en in de praktijk kunnen helpen brengen.

4.20

Anderzijds is het onontbeerlijk dat de toerist weet dat hij recht heeft op duurzaam toerisme; het „Handvest van de rechten en plichten van toeristen” is dan ook een goede zaak voor de touroperators en bestemmingen, die daarmee hun aanbod kunnen aanpassen aan de duurzaamheidseisen van toeristen van binnen en buiten Europa.

4.21

Het Comité deelt de opvatting dat aandacht moet worden besteed aan de mogelijkheden die „maatschappelijk verantwoord ondernemen” (MVO) biedt voor ontwikelling, verspreiding en overname van goede duurzaamheidspraktijken.

4.22

Verder is het Comité zeer tevreden dat de Commissie initiatieven van de bestemmingen betreffende de volgende onderwerpen wil promoten:

breedschalige toepassing van de Lokale Agenda 21 op Europese toeristische bestemmingen;

ontwikkeling van plaatselijk aan te passen technieken om de ecologische draagkracht te analyseren;

informatieuitwisseling tussen de bestemmingen;

„bottom up”- benadering;

ontwikkeling en verspreiding van goede praktijken;

gebruik van ICT.

4.23

Het Comité hoopt dat zij hiervoor de nodige middelen wil vrijmaken en genoemde aangelegenheden in de EG-steunmaatregelen en andere toereikend geachte maatregelen wil integreren, met name door INTERREG 3C te versterken waardoor via dit initiatief vooral een financiële bijdrage aan netwerken van bestemmingen of andere geschikte initiatieven kan worden geleverd.

4.24

Voorts wijst het Comité erop dat de lokale en regionale overheden, hun representatieve verenigingen en andere actoren overleg moeten plegen over met toerisme verband houdende onderwerpen ten einde regio's, touroperators en maatschappelijke organisaties voor te lichten over doelstellingen, methoden en vooruitgang betreffende de basisrichtsnoeren voor Europees duurzaam toerisme.

4.25

De bijdrage van de Commissie tot de uitbreiding van de mogelijkheden van de bestemming moet niet alleen gericht zijn op ruimtelijke ontwikkeling en territoriale toeristische organisatie, maar ook op competitiviteit, kwaliteit en duurzaamheid.

Wat andere belanghebbenden kunnen doen

Europese burgers en toeristen

4.26

De Europese toerist moet concreet worden voorgelicht over het Handvest van de rechten en plichten van de toeristen.

4.27

De bestemmingsoorden zouden de belangen en rechten van de toeristen betreffende duurzaamheid moeten kunnen waarborgen en methoden moeten vinden om hun mening te peilen.

4.28

De bestemmingsoorden moeten vooral hun duurzaamheidsvoorzieningen promoten.

4.29

Het Comité stelt voor deze aangelegenheden expliciet op te nemen in de uitvoeringsplannen voor Agenda 21 of in ontwikkelingsplannen voor duurzaam toerisme.

Particuliere ondernemingen en sociale partners

4.30

Het Comité is het in dit verband volledig met de Commissie eens.

4.31

Bovendien vindt het dat het MKB moet worden versterkt, de opleiding van de managers en het personeel in die sector moet worden verbeterd, de deelname aan de besluitvorming moet worden geïntensiveerd en de deelname aan de toepassing van kwaliteitssystemen moet worden opgevoerd.

4.32

Het zou een goede zaak zijn indien deze doelstellingen in het communautair actiekader zouden worden opgenomen.

Europese toeristische bestemmingen en de overheid

4.33

Het Comité is het in dit verband volledig eens met de uitstekende analyse van de Commissie.

4.34

De regionale en lokale toeristische autoriteiten hebben uitgelezen mogelijkheden om een nuttige bijdrage te leveren aan de verwezenlijking van de doelstellingen aangaande duurzaam toerisme middels synergie en afstemming met de overige autoriteiten en overeenkomstig de respectieve regionale structuren.

4.35

Ook de samenwerking tussen de betrokken lokale en regionale autoriteiten biedt alle kansen om duurzaam toerisme in doelstellingen en maatregelen te integreren.

4.36

Het Comité constateert met genoegen dat de Commissie tripatiete overeenkomsten aanmerkt als instrument voor de samenwerking tussen de verschillende autoriteiten. Deze kunnen natuurlijk ook voor het toerisme worden gebruikt.

4.37

De Commissie moet een doelmatigheidsanalyse maken om te voorkomen dat haar huidige actiekader ten behoeve van duurzaam toerisme verwordt tot geïsoleerde maatregelen in de bestemmingoorden. De diversiteit van de doelstellingen dient echter behouden te blijven.

Internationale organisaties en nationale overheden

4.38

Het Comité is het in dit verband volledig met de Commissie eens.

Maatschappelijke belangenorganisaties

4.39

Het Comité is het in dit verband volledig met de Commissie eens, maar wijst erop dat deze organisaties, en de gehele tertiaire sector, uitsluitend daadwerkelijk kunnen participeren wanneer er sprake is van voldoende opleiding. Met andere woorden, het gaat om het vermogen, daadwerkelijk te kunnen participeren en dat vereist toegankelijke, volledige en gedetailleerde informatie. Voor dat laatste zijn dan weer specifieke maatregelen geboden.

5.   Conclusies

5.1

Het Comité constateert tot zijn genoegen dat de Commissie in de herfst van 2005 verslag wil uitbrengen aan de Raad en de andere EG-instellingen over de stand van de uitvoering in een vorm die voldoende gedetailleerd is voor de voorbereiding van een Agenda 21 voor Europees toerisme. De Agenda moet wel uiterlijk in 2005 gedetailleerd zijn voorbereid.

5.2

Ten slotte verzoekt het ook dat verslag te ontvangen.

Brussel, 21 april 2004.

De voorzitter

van het Comité van de Regio's

Peter STRAUB


(1)  PB C 66 van 19.3.2003, blz. 14.

(2)  PB C 93 van 6.4.1999, blz. 36.


Top