Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52003AR0184

Advies van het Comité van de Regio's over de Mededeling van de Commissie - Europees actieprogramma voor verkeersveiligheid - Terugdringing van het aantal verkeersslachtoffers in de Europese Unie met de helft in de periode tot 2010: een gedeelde verantwoordelijkheid

OJ C 109, 30.4.2004, p. 7–9 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

30.4.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 109/7


Advies van het Comité van de Regio's over de „Mededeling van de Commissie — Europees actieprogramma voor verkeersveiligheid — Terugdringing van het aantal verkeersslachtoffers in de Europese Unie met de helft in de periode tot 2010: een gedeelde verantwoordelijkheid”

(2004/C 109/02)

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S,

GEZIEN de Mededeling van de Europese Commissie over het Europees actieprogramma voor verkeersveiligheid (COM(2003) 311 def.);

GEZIEN het op 2 juni 2003 genomen besluit van de Europese Commissie om het Comité, overeenkomstig de eerste alinea van art. 265 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, over dit onderwerp te raadplegen;

GEZIEN het besluit van zijn voorzitter d.d. 14 mei 2002 om de commissie „Beleid inzake territoriale samenhang” met het opstellen van een advies over dit onderwerp te belasten;

GEZIEN zijn eerdere advies over het Witboek „Het Europese vervoersbeleid tot het jaar 2010: tijd om te kiezen” COM(2001) 370 def.; CDR 54/2001 fin; (1)

GEZIEN zijn eerdere advies over de „Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - Prioriteiten op het gebied van verkeersveiligheid in de Europese Unie - Voortgangsrapport en rangschikking van acties naar prioriteit”, COM(2000) 125 def.; CDR 166/2000 fin; (2)

GEZIEN het door de commissie „Beleid inzake territoriale samenhang” op 3 december 2003 goedgekeurde ontwerpadvies (CDR 184/2003 rev. 2; rapporteur: de heer Brady, lid van de regioraad van Dublin (IRL-ALE));

Overwegende hetgeen volgt:

1)

Verkeersveiligheid is een onderwerp dat het hele grondgebied van de Europese Unie en al haar inwoners rechtstreeks raakt. De financiële kosten van de 1.300.000 ongevallen, die 40.000 doden en 1.700.000 gewonden met zich meebrengen, worden geschat op EUR 160 miljard, terwijl het persoonlijk leed onmeetbaar is;

2)

Het Verdrag inzake de Europese Unie vermeldt expliciet dat het gemeenschappelijk vervoersbeleid maatregelen ter bevordering van de verkeersveiligheid moet bevatten;

3)

De verwezenlijking van de doelstellingen van het gemeenschappelijk vervoersbeleid en het Europees actieprogramma voor verkeersveiligheid zijn gedeelde bevoegdheden, waarbij een belangrijke rol is weggelegd voor de lokale en regionale overheden;

4)

De Commissie heeft voorgesteld dat de EU zich ten doel moet stellen het aantal verkeersdoden in de periode tot 2010 met de helft terug te dringen;

heeft tijdens zijn 53e zitting op 11 en 12 februari 2004 (vergadering van 11 februari) met algemene stemmen het volgende advies uitgebracht:

1.   Standpunten van het Comité van de Regio's

1.1

Het Comité van de Regio's is ingenomen met de Mededeling en het actieprogramma, waarmee een belangrijke bijdrage wordt geleverd tot de voortdurende inspanningen om de verkeersveiligheid te verbeteren.

1.2

Het Comité stemt in met de doelstelling het aantal verkeersdoden tegen 2010 te halveren en spreekt zijn tevredenheid uit over de instemming van de Raad met deze doelstelling. Zoals in de Mededeling wordt aangegeven, vergt de doelstelling een serieuze collectieve inspanning, waarbij de verantwoordelijkheden en maatregelen over alle overheidsniveaus zijn verdeeld. Het bepalen van de doelstellingen, de toekenning van verantwoordelijkheden en de geïntegreerde aard van de planning zijn sleutelfactoren voor het succes ervan. Het Comité is echter van mening dat meer aandacht moet worden geschonken aan de doelstelling van het actieprogramma. Aangezien het aantal verkeersdoden de afgelopen 30 jaar met 50 % is gedaald, kan de doelstelling om dit aantal tegen 2010 met nog eens de helft te verminderen als te ambitieus worden beschouwd, vooral wanneer deze wordt bezien in het licht van de maatregelen van het actieprogramma. Gezien de grote variatie in de aantallen verkeersdoden en –ongevallen in de EU-lidstaten is het tevens van belang dat de beoogde halvering wordt gerealiseerd in alle lidstaten, en dat met name rekening wordt gehouden met het aantal verkeersongevallen en de goede resultaten op het gebied van verkeersveiligheid. Ook zou dit streven voor alle weggebruikers en dus niet alleen voor gemotoriseerde weggebruikers moeten gelden.

1.3

Hoewel het aantal doden en gewonden als gevolg van verkeersongevallen is gedaald, benadrukt het Comité dat er nog steeds geen reden tot juichen is, omdat de situatie op de wegen van de Unie nog altijd onaanvaardbaar is.

1.4

Het Comité onderstreept dat de rechten van de individuele weggebruikers niet mogen prevaleren boven het collectieve recht op veiligheid.

1.5

Het succes van het actieprogramma hangt af van de inzet van inspanningen en middelen door alle belanghebbenden, en het Comité is dan ook ingenomen met het feit dat de Commissie de sleutelrol van de lokale en regionale overheden erkent. Ook is het tevreden dat tal van aanbevelingen uit zijn advies over „Prioriteiten op het gebied van verkeersveiligheid in de Europese Unie - Voortgangsrapport en rangschikking van acties naar prioriteit” door de Commissie zijn overgenomen. (3)

1.6

Het Comité betoogt dat maatregelen op EU-niveau met name van belang zijn wanneer snel evoluerende technologieën en multinationals in het geding zijn, en denkt derhalve dat het nuttig kan zijn de open-coördinatiemethode toe te passen op bepaalde aspecten van de verkeersveiligheid in de Unie.

1.7

Het is algemeen aanvaard dat het niet-naleven van de basiswetgeving op het gebied van de verkeersveiligheid door weggebruikers (met name snelheidsovertredingen, met alcohol op achter het stuur en het niet-dragen van de veiligheidsgordel of een helm) de belangrijkste oorzaak van ernstige ongevallen is. Het Comité onderstreept dat bijzondere nadruk moet worden gelegd op de implementatie en handhaving van de bestaande wetgeving in de lidstaten.

1.8

Het Comité is ingenomen met het Europees Handvest over de verkeersveiligheid, en hoopt dat dit actief zal worden gepromoot. Het is van mening dat het CvdR een kanaal kan zijn om dit handvest te promoten bij de lokale en regionale overheden in de Unie, en is er voorstander van dat dit met name ook in de toetredingslanden wordt gedaan.

1.9

Het Comité stemt in met het voorstel tot oprichting van een Europees studiecentrum voor de verkeersveiligheid, aangezien betrouwbare en vergelijkbare statistieken, met name over de oorzaken van ongevallen, noodzakelijk zijn om meer doelgerichte maatregelen te ontwikkelen om het wegverkeer veiliger te maken.

1.10

Het Comité dringt aan op de ontwikkeling van technologieën zoals standaard-ongevallenregistratieapparatuur (zwarte dozen), die in auto's kunnen worden gemonteerd. Mits op grote schaal gebruikt kan deze apparatuur een enorme impact hebben op het rijgedrag, en kan het de kosten voor handhaving van de veiligheidswetgeving sterk verminderen.

1.11

Binnen de grenzen van het bestaande EU-beleid zouden volgens het Comité fiscale prikkels moeten worden gegeven voor de ontwikkeling en toepassing van veiligheidsapparatuur in voertuigen. Het Comité benadrukt echter dat de veiligheidsmaatregelen voor voertuigen en hun inzittenden niet ten koste mogen gaan van andere weggebruikers, die toch al kwetsbaarder zijn.

1.12

In de Mededeling wordt opgemerkt dat de Europese Unie over de „financiële middelen” beschikt om initiatieven op het gebied van verkeersveiligheid te ondersteunen; het Comité onderstreept dat deze middelen ter beschikking moeten worden gesteld van de lokale en regionale overheden, voor de uitvoering van doelgerichte verkeersveiligheidsprogramma's. Verkeersveiligheidsoverwegingen zouden tevens een criterium moeten zijn voor de financiering van vervoersinfrastructuur met geld uit de structuurfondsen.

1.13

Het Comité is van mening dat de Mededeling dieper had moeten ingaan op de veiligheid van andere weggebruikers, zoals voetgangers en fietsers. De geringe aandacht die traditioneel aan deze weggebruikers wordt besteed heeft in de EU al veel te veel ongevallen veroorzaakt. Het Comité is bang dat het voorgestelde actieprogramma voor verkeersveiligheid deze traditionele scheefgroei alleen maar versterkt.

2.   Aanbevelingen van het Comité van de Regio's

2.1

Het Comité is van mening dat meer aandacht zou moeten worden geschonken aan de concrete doelstelling van het actieprogramma. Hierbij zou tevens kunnen worden gedacht aan streefcijfers voor individuele lidstaten en voor afzonderlijke categorieën weggebruikers, omdat er binnen de EU grote verschillen zijn op het punt van verkeersveiligheid. De doelstellingen moeten ook voor landen met een gunstige situatie op het gebied van verkeersveiligheid motiverend en realistisch zijn. Als er streefcijfers voor afzonderlijke lidstaten worden geformuleerd, dient dit te gebeuren in overleg met deze landen en met lokale en regionale overheden.

2.2

Het Comité juicht de speciaal op kinderen gerichte campagne van de Commissie en het Rode Kruis toe. Het is van belang dat jonge automobilisten en weggebruikers een veilig rijgedrag en weggebruik ontwikkelen; in dat verband hoopt het Comité dat voorstellen worden gedaan voor een door de Commissie gesponsord EU-bewustmakingsprogramma voor een verstanding en veilig rijgedrag, gericht op middelbare scholieren, zo mogelijk in combinatie met het JEUGD-programma. Het Comité denkt dat de lokale en regionale overheden bereidwillige en geschikte partners zijn voor de vaststelling en uitvoering van zo'n campagne.

2.3

Het Comité dringt erop aan dat meer aandacht wordt gegeven aan de rol van de lokale en regionale overheden bij de handhaving van de verkeerswetgeving. Zij dienen daarbij nauw samen te werken met de politie, omdat dit de naleving van de bestaande wetgeving sterk kan verbeteren. Dit mag echter niet leiden tot een toename van de verplicht uit te voeren taken. Een en ander dient te geschieden op basis van vrijwilligheid en in de eerste plaats beperkt te blijven tot lokale verkeersveiligheidsproblemen.

2.4

Het Comité staat positief tegenover het voorstel om het EuroNCAP-programma verder te ontwikkelen, ten einde andere aspecten van passieve veiligheid op te nemen, zoals de bescherming tegen een whiplash en de compatibiliteit van voertuigen in geval van een botsing tussen twee auto's. Wel is het van mening dat een risicobeoordeling voor ongevallen met voetgangers standaard in het EuroNCAP-programma moet worden opgenomen.

2.5

Het Comité is van mening dat de bevoegde autoriteiten de verkeersveiligheid als een essentiële voorwaarde moeten hanteren bij het ontwerpen en plannen van infrastructurele wegprojecten, bijvoorbeeld d.m.v. raadpleging van instanties die verantwoordelijk zijn voor de verkeersveiligheid, zoals de politie.

2.6

Het Comité erkent dat verbeteringen van de wegeninfrastructuur een potentiële bijdrage leveren aan het terugdringen van het aantal en de ernst van verkeersongevallen. Hoewel het actieprogramma maatregelen bevat voor nieuwe wegeninfrastructuur, zou het Comité willen zien dat er tevens initiatieven kwamen voor verkeersbeheer/-veiligheid voor toepassing op bestaande wegen, onder meer in stedelijke gebieden. Zo zou voor risicovolle trajecten een algemeen inhaalverbod voor vrachtwagens moeten worden overwogen.

2.7

Het Comité stelt voor het mandaat van het Europees studiecentrum voor verkeersveiligheid uit te breiden, zodat de verzameling van beste praktijken op het gebied van verkeersveiligheid en de verspreiding daarvan onder andere belanghebbenden wordt vergemakkelijkt. De rol van het studiecentrum zou tevens kunnen worden uitgebreid tot de verzameling van vergelijkende gegevens in alle lidstaten m.b.t. verkeersveiligheidsvereisten en de „pakkans” bij overtredingen. De publicatie van deze systematisch verzamelde gegevens zou de lidstaten moeten stimuleren hun prestaties op dit gebied te verbeteren.

2.8

Het Comité zou graag zien dat meer aandacht wordt geschonken aan de impact van verkeersongevallen op slachtoffers en hun gezinnen/personen ten laste, om beste praktijken vast te stellen op het gebied van voorlichting en hulp aan slachtoffers en nabestaanden. Dit zou een bijkomende taak voor het studiecentrum voor verkeersveiligheid kunnen zijn.

2.9

Als vertegenwoordiger van de lokale en regionale overheden – sleutelpartners bij de uitvoering van het actieprogramma voor verkeersveiligheid – wenst het CvdR deel uit te maken van de follow-upgroep die de geboekte vorderingen controleert.

2.10

Het voorstel om het instellen van een informatienetwerk te bevorderen tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn op het gebied van rijbewijzen, wordt toegejuicht. Het Comité zou tevens willen aanmoedigen dat er een systeem komt waarmee boetes voor verkeersovertredingen die door EU-burgers in een andere dan hun eigen lidstaat zijn begaan, worden geïnd.

2.11

Het Comité bevestigt het belang van de verkeersveiligheid, en dringt erop aan dat streng wordt opgetreden tegen personen die zonder rijbewijs en onverzekerd rondrijden. Er vinden veel te veel ongevallen plaats waarbij de bestuurder niet voldoet aan de rijbewijs- of verzekeringsplicht. Het verkeer kan alleen veiliger worden gemaakt door de bestuurders meer bewust te maken van de gevaren, en door ze te wijzen op de verplichtingen waaraan zij moeten voldoen.

2.12

Het Comité onderstreept het open karakter van de Europese ruimte, en benadrukt dat de Europese burgers zich binnen deze ruimte vrij moeten kunnen bewegen. De bestrijding van verkeersovertredingen mag geen grenzen kennen. Het is derhalve zaak de samenwerking tussen de lidstaten te versterken, om de sancties die worden opgelegd voor misdrijven en overtredingen die door een Europese burger of een onderdaan van een derde land zijn begaan op het grondgebied van een der lidstaten, werkelijk ten uitvoer te leggen.

Brussel, 11 februari 2004

De voorzitter

van het Comité van de Regio's

Peter STRAUB


(1)  PB C 192 van 12.8.2002, blz. 8

(2)  PB C 22 van 24.1.2001, blz. 25

(3)  PB C 22 van 24.1.2001, blz. 25


Top