Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52001AE0404

Advies van het Economisch en Sociaal Comité over het "Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de algemene beginselen en vereisten van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Voedselautoriteit en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden"

OJ C 155, 29.5.2001, p. 32–38 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

52001AE0404

Advies van het Economisch en Sociaal Comité over het "Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de algemene beginselen en vereisten van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Voedselautoriteit en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden"

Publicatieblad Nr. C 155 van 29/05/2001 blz. 0032 - 0038


Advies van het Economisch en Sociaal Comité over het "Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de algemene beginselen en vereisten van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Voedselautoriteit en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden"

(2001/C 155/08)

De Raad van de Europese Unie heeft op 22 december 2000 besloten, overeenkomstig de bepalingen van artikelen 37, 95, 133 en 152, lid 4b) van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap het Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over het voornoemde voorstel.

De afdeling "Landbouw, plattelandsontwikkeling, milieu", die met de voorbereiding van de werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 8 maart 2001 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Verhaeghe.

Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 380e zitting (vergadering van 28 maart 2001) het volgend advies uitgebracht, dat met 92 stemmen vóór, 6 stemmen tegen, en bij 5 onthoudingen is goedgekeurd.

1. Inleiding en achtergrond

1.1. Het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de algemene beginselen en vereisten van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Voedselautoriteit (EVA) en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden, werd op 8 november 2000 door de Commissie goedgekeurd.

1.2. Dit voorstel is de kapstok waaraan de 84 wetgevingsvoorstellen inzake veiligheid van levensmiddelen en diervoeder zullen worden opgehangen; deze voorstellen worden naar aanleiding van het in januari 2000 goedgekeurde Witboek in de loop van de komende drie jaar door de Commissie voorgelegd. Met het Witboek wordt het bestaande communautaire levensmiddelen- en diervoederbeleid over een andere boeg gegooid en speelt de Commissie in op de groeiende bezorgdheid van de consument over de voedselveiligheid.

1.3. Het ESC-advies over het Witboek werd in mei 2000 met zeer grote meerderheid van stemmen goedgekeurd(1).

1.4. Een aantal suggesties uit het ESC-advies over het Witboek zijn in het voorstel overgenomen, met name de grotere nadruk op crisismanagement, de opname van enige voedingsleerelementen en drinkwater in de definitie van levensmiddelen en de integratie van aquacultuur, visserij en producten van de zee.

1.5. Hoewel in artikel 29 van het voorstel de belangrijkste zorgen van het ESC over tegenstrijdigheden tussen nationale en communautaire wetenschappelijke standpunten worden ondervangen, vindt het Comité dat de aangeboden oplossing niet ver genoeg gaat: het wetenschappelijk advies van de Europese Voedselautoriteit (EVA) zou voorrang moeten krijgen. In de bijzondere opmerkingen wordt hierop verder ingegaan. Een ander punt dat het ESC tijdens de bespreking van het Witboek aan de orde heeft gesteld, was de coördinatie tussen de bevoegde diensten in EU en lidstaten; in artikel 35 wordt duidelijk dat alles in het werk zal worden gesteld om eventuele coördinatieproblemen op te lossen.

1.6. De suggesties van het ESC met betrekking tot de sociale dimensie zijn niet overgenomen; de Commissie verwijst hiervoor naar andere rechtsinstrumenten. Het Comité benadrukt dat de adviezen van de EVA grote gevolgen kunnen hebben voor de veiligheid op het werk, de werkgelegenheid en het concurrentievermogen van het bedrijfsleven. Het is dan ook van plan om in zijn toekomstige adviezen over specifieke aspecten van voedselveiligheid op deze onderwerpen terug te komen.

1.7. In eerdere discussies over de Europese Voedselautoriteit kwamen er in het ESC talrijke vragen naar voren over de samenstelling van de raad van bestuur van deze instantie. Zo werd de noodzaak beklemtoond primaire voedselproducenten in de raad van bestuur op te nemen om de geïntegreerde aanpak van de voedselketen kracht bij te zetten. Ook werd sterk betwijfeld of het beperkte budget van de EVA een efficiënte publieksvoorlichting niet in de weg zou staan.

1.8. In dit advies zal het voorstel gedetailleerd onder de loep worden genomen. In hoofdstukken II,III,IV en V van het voorstel komen respectievelijk de volgende onderwerpen aan bod: algemene levensmiddelenwetgeving; de Europese Voedselautoriteit; het systeem voor snelle waarschuwingen, crisismanagement en noodsituaties; procedures en slotbepalingen.

2. Algemene opmerkingen

2.1. Het Comité waardeert dat de Commissie zo snel met dit voorstel is gekomen en belooft dat het ESC het voorstel net zo efficiënt zal behandelen, in de hoop dat de andere betrokken instellingen dit voorbeeld zullen volgen. Gezien de bezorgdheid van de consument duldt het uitwerken van een efficiënt Europees instrument voor risicobeoordeling geen uitstel.

2.2. Het Comité betreurt dat er al een herziening van de wetgevende maatregelen uit het Witboek op stapel staat voordat een akkoord is bereikt over de algemene beginselen en vereisten van de communautaire levensmiddelenwetgeving en over de oprichting van de EVA. Hoewel de EVA een sleutelrol bij het opstellen van de toekomstige levensmiddelenwetgeving zal vervullen, wordt deze Autoriteit pas na de herziening van deze maatregelen opgericht. Gezien het tijdpad dat tijdens de Top van Nice in december 2000 werd uitgezet (en op grond waarvan de EVA begin 2002 operationeel moet zijn), roept het Comité de Europese instellingen op om na te gaan of een aantal elementen uit het voorstel alvast vóór die datum in werking kan treden.

2.3. Het Comité is er voorstander van dat vaker gebruikt wordt gemaakt van "verordeningen"; dit rechtsinstrument staat immers garant voor een uniforme toepassing en tenuitvoerlegging van de wetgeving en draagt, in het belang van consument en bedrijfsleven, bij tot een betere werking van de interne markt. Het ESC verbaast zich in dit geval evenwel over het grote aantal begrippen dat vaag of zelfs helemaal niet wordt gedefinieerd (artikel 19: "waar mogelijk", "in een passend stadium", "representatieve organen", "op doeltreffende wijze"; artikel 6, lid 3: "andere ter zake doende factoren"; artikel 6, lid 1: "de omstandigheden of de aard van de maatregel"). Aangezien de lidstaten de bepalingen van een verordening rechtstreeks moeten toepassen en dergelijke vaagheden tot interpretatieproblemen kunnen leiden, moeten deze begrippen absoluut worden verduidelijkt.

2.4. Er moet duidelijker worden aangegeven tot wie de verschillende artikelen van de verordening zijn gericht. Misverstanden over de verantwoordelijkheden van lidstaten en betrokkenen dienen te allen prijze te worden vermeden. Zo kan artikel 8 aanleiding tot verwarring geven: waar lid 1 kennelijk tot de lidstaten is gericht, daar zijn de verplichtingen in lid 2 blijkbaar voor de voedselproducenten bestemd. In het voorstel moet ook in aanmerking worden genomen dat de actoren in de levensmiddelenindustrie zeer heterogeen zijn en nu eenmaal niet allen in dezelfde mate aan de regelgeving inzake voedselveiligheid kunnen voldoen. Met name aan de speciale situatie van het MKB in de levensmiddelenindustrie dient in dit verband de nodige aandacht te worden geschonken.

2.5. Het Comité is verrast door de herhaaldelijke discrepanties tussen de overwegingen en de eigenlijke tekst van de ontwerpverordening (de artikelen). Aangezien ook hierdoor interpretatieproblemen kunnen ontstaan, moeten deze beide delen van de tekst met elkaar in overeenstemming worden gebracht. Ter illustratie het volgende voorbeeld: in de vijfde overweging wordt gesteld dat de in deze verordening gebruikte beginselen en definities van de levensmiddelenwetgeving een gemeenschappelijke basis vormen voor maatregelen op het gebied van levensmiddelen, terwijl in artikel 3 staat dat de daar opgenomen definities enkel van toepassing zijn op de onderhavige verordening.

2.6. Hoewel het lovenswaardig is dat de communautaire levensmiddelenwetgeving vanuit een nieuwe invalshoek wordt belicht en hierbij met name aandacht aan voedselveiligheid wordt geschonken, is het volgens het Comité raadzaam de stevig verankerde grondbeginselen, waarop een groot deel van de regelgeving is gestoeld, met name vrij verkeer, wederzijdse erkenning, proportionaliteit en subsidiariteit, in deze regelgeving te integreren. Waar het gaat om de doelstellingen van de levensmiddelenwetgeving, moet niet alleen op voedselveiligheid, maar ook op andere aspecten worden gewezen. Hierbij dient te worden voortgeborduurd op het Europese Voedselmodel, waaraan overeenkomstig de Landbouwraad van Biarritz de beginselen kwaliteit, diversiteit en veiligheid ten grondslag liggen.

2.7. Het Comité is het ermee eens dat in het voorstel de nadruk op de bescherming van de consument wordt gelegd. Het ESC is ervan overtuigd dat de andere prioritaire doelstellingen van de Unie, zoals een betere werking van de interne markt en de concurrentiekracht van de Europese levensmiddelenindustrie, hierdoor niet ondergesneeuwd zullen raken. Enkel door het vertrouwen van de consument te herstellen en de producten naar behoren te controleren en te traceren, kan verstoring van de interne markt en neo-protectionistisch gedrag worden vermeden.

2.8. Het Comité houdt zijn standpunt over de EVA in beraad totdat deze Autoriteit een zekere tijd operationeel is geweest. Hoewel structuren, werkmethodes, en dergelijke op het eerste gezicht goed doorwrocht lijken, zullen de sterke en zwakke punten pas tegen het licht kunnen worden gehouden als deze nieuwe instantie écht aan het werk is. In dit licht dringt het Comité erop aan te worden opgenomen in de lijst met EU-instellingen die het werkprogramma en het activiteitenverslag van de EVA ontvangen (zie opmerkingen over artikelen 24, 7 en 3).

2.9 Het Comité had in de voorgestelde verordening meer aanzetten tot concrete maatregelen verwacht. Om ervoor te zorgen dat voedselveiligheid ook in het ESC een prioriteit blijft, zal het Comité de ontwikkelingen in deze sector van tijd tot tijd op ad-hocbasis evalueren. Zo kan de georganiseerde civiele samenleving permanent bij zijn werkzaamheden worden betrokken en de transparantie, de dialoog en de communicatie met het publiek worden bevorderd.

2.10. Het Comité is het er mee eens dat voor deze nieuwe instantie de term "Autoriteit" werd gekozen; hiermee wordt duidelijk aangegeven dat de EVA de hoeksteen van het nieuwe communautaire beleid inzake voedselveiligheid moet worden. Het ESC is er zich anderzijds van bewust dat de term "Autoriteit" een vlag is die in de rechtssystemen van de lidstaten verschillende ladingen kan dekken. Daarom zou een lijst met criteria voor deze term moeten worden opgesteld. Daarnaast zouden, voordat regelgeving wordt uitgewerkt, de punten moeten worden geïnventariseerd waarover wetenschappelijk advies moet worden ingewonnen. De nieuwe instantie moet in het geval van tegenstrijdige wetenschappelijke adviezen als scheidsrechter kunnen optreden en op zijn minst het laatste woord hebben in geschillen aangaande onderwerpen die tot haar takenpakket behoren.

3. Bijzondere opmerkingen

Hoofdstuk I: Toepassingsgebied en definities

3.1. Artikel 2 ("Definitie van levensmiddel"). Hoewel de definitie aansluit op de "geïntegreerde aanpak" van de voedselketen, lijkt ze op het eerste gezicht erg algemeen. Voor bepaalde aspecten pakt de definitie dan weer veel restrictiever uit. Door levensmiddelen af te bakenen van geneesmiddelen, bestaat het risico dat aan de recente ontwikkelingen op de levensmiddelenmarkt wordt voorbijgegaan. Levensmiddelen met een gezondheidsclaim, zoals "beperken het ziekterisico" - een dergelijke claim wordt momenteel door sommigen gelijkgeschakeld met een preventieclaim - zouden dan als geneesmiddel kunnen worden beschouwd, terwijl ze eigenlijk in de categorie "levensmiddelen met een gezondheidsclaim" thuishoren.

3.1.1 Hoewel momenteel een verticale richtlijn over "voedingssupplementen" in de medebeslissingsprocedure(2) wordt behandeld, wordt van deze producten in de tweede alinea van dit artikel geen gewag gemaakt. Aangezien de indeling van deze producten, met name ten opzichte van geneesmiddelen, in het verleden vaak voor problemen heeft gezorgd, pleit het Comité voor opname van deze term in de definitie.

3.2. Artikel 3 ("Overige definities"). Het is interessant dat diervoeder in punt 1 als integraal onderdeel van de levensmiddelenwetgeving wordt vermeld, terwijl het krachtens de definitie van artikel 2 géén levensmiddel is. Het ESC is van mening dat de definities en begrippen in de artikelen nogmaals moeten worden nagetrokken om misverstanden te vermijden. Ook de definitie onder punt 3 (exploitant van een levensmiddelenbedrijf) moet nader worden toegelicht, met name gezien de andere taalversies van de verordening en de belangrijke taken die deze "exploitanten" - bijvoorbeeld krachtens artikel 10 - moeten vervullen. Het Comité betreurt dat deze gelegenheid niet werd aangegrepen om begrippen als "misleidend", "voedselverontreiniging", enz. te definiëren.

Hoofdstuk II: Algemene levensmiddelenwetgeving

3.3. Artikel 5 ("Algemene doelstellingen"). In het licht van de opmerking in paragraaf 2.7 hoort de goede werking van de interne markt in lid 1 thuis. Het Comité stelt vast dat in een verordening over voedselveiligheid de bescherming van dier en milieu aan bod komt. Het gaat ervan uit dat met deze problematiek enkel rekening dient te worden gehouden voor zover er een rechtstreeks verband met voedselveiligheid bestaat. Verder vraagt het Comité zich af hoe de Commissie, conform artikel 16, lid 1 ("vereisten die tenminste gelijkwaardig zijn") erop zal toezien dat ook ingevoerde levensmiddelen aan deze regels voldoen.

3.4. Artikel 5 ("Algemene doelstellingen"). Hoewel lid 3 door de bank genomen strookt met het SPS-akkoord, wordt door de vrijblijvendheid van de formulering de deur voor de EU opengezet om internationale verplichtingen naast zich neer te leggen zonder dat daarvoor een gefundeerde verklaring moet worden gegeven.

3.5. Artikel 6 ("Gezondheidsbescherming"). Zoals reeds vermeld in paragraaf 2.3, moet de bepaling in lid 1 dat de levensmiddelenwetgeving gebaseerd dient te zijn op een risico-analyse "tenzij dit wegens de omstandigheden of de aard van de maatregel niet toepasselijk is" worden verduidelijkt. Aangezien het hier gaat om één van de meest fundamentele beginselen van de nieuwe aanpak, mag hier enkel in duidelijk afgebakende omstandigheden van worden afgeweken. De "andere ter zake doende factoren" in lid 3 moeten ook worden verduidelijkt/gedefinieerd. Met deze formulering wordt trouwens vooruitgelopen op besprekingen die momenteel in internationaal verband worden gevoerd. Conform het ESC-advies over het Witboek moet worden besloten hoe deze "andere ter zake doende factoren", zoals milieu, duurzaamheid en dierenwelzijn, op een evenwichtige manier in een voedselbeleid waar veiligheid vooropstaat, kunnen worden meegenomen (zie paragraaf 3.18 van het ESC-advies over het Witboek).

3.6. Artikel 7 ("Voorzorgsbeginsel"). Het is niet erg logisch dat een beginsel dat op hoog niveau zoveel aandacht heeft gekregen, in de verordening niet wordt gedefinieerd. Aangezien het voorzorgsbeginsel schijnbaar is gerelateerd aan het concept "wetenschappelijke onzekerheid", moet specifieker worden omschreven wat precies met dit laatste begrip wordt bedoeld. Iedereen is het er namelijk over eens dat "wetenschappelijke zekerheid" in dit verband geen haalbare kaart is. Het ESC verwijst in dit verband naar zijn eigen opmerkingen over dit onderwerp in zijn advies van 12 juli 2000 (zie paragraaf 14.2 van de conclusies)(3).

3.7. Artikel 8 ("Bescherming van consumentenbelangen"). Wat dit artikel betreft zitten Comité en Commissie op dezelfde golflengte. Het zou nuttig zijn gedetailleerder aan te geven hoe erop kan worden toegezien dat etikettering, reclame en aanbiedingswijze de consument niet misleiden. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de talrijke onderzoeksgegevens inzake de etiketteringsbehoeften van de consument. Met het herhaaldelijk gedane verzoek om het bestaande etiketteringsbeleid van de EU op de keper te beschouwen, is in dit voorstel evenmin rekening gehouden (zie de conclusies van de interfractiewerkgroep "Voeding" van het EP).

3.8. Artikel 9 ("Traceerbaarheid"). Het Comité is er principieel voorstander van dat een levensmiddel stap voor stap - van de primaire productie tot de consument - traceerbaar moet zijn. Wat de concrete toepassing van dit principe in de verschillende sectoren van de levensmiddelenindustrie en de financiële implicaties ervan betreft, zijn er evenwel nog heel wat vraagtekens.

3.9. Artikel 12 ("Veiligheidsvereisten voor levensmiddelen"). Er moet worden verduidelijkt hoe de tekst van dit artikel zich verhoudt tot de richtlijn inzake algemene productveiligheid.

3.10. Tussen artikel 16 ("In de Gemeenschap ingevoerde levensmiddelen") en artikel 17 ("Uit de Gemeenschap uitgevoerde levensmiddelen") zou een artikel over de zogenaamde "goederen in doorvoer" moeten worden ingelast. Om uiteenlopende interpretaties kort te sluiten, dient in lid 1 van artikel 16 te worden verduidelijkt wat precies wordt bedoeld met "ten minste gelijkwaardig". Wat artikel 17 betreft, is het Comité van mening dat bij de uitvoer van levensmiddelen en diervoeder de wetten en bepalingen van het invoerland moeten worden nageleefd; de desbetreffende regels van de Codex dienen hierbij als minimumnormen in acht te worden genomen, behalve wanneer een aantoonbaar risico voor de volksgezondheid bestaat.

3.11. Artikel 19 ("Raadpleging van het publiek"). Dit artikel zou als volgt moeten luiden: "De betrokken partijen moeten in alle fases van het opstellen van de levensmiddelenwetgeving op een open en efficiënte manier worden geraadpleegd".

3.12. Artikel 20 ("Informatie van het publiek"). Dit soort mogelijk gevoelige informatie moet te allen tijde zo correct en objectief mogelijk worden verstrekt. De in de tweede regel vermelde "autoriteiten" moeten nader worden omschreven.

Hoofdstuk III: Europese Voedselautoriteit

3.13. Artikel 21 ("Taakstelling van de Autoriteit"). De brede taakomschrijving moge dan door het Comité wel positief zijn ontvangen, toch zouden terwille van een doeltreffend optreden prioriteiten moeten worden aangegeven. Het ESC is van mening dat de taken en verantwoordelijkheden van de EVA duidelijk gedefinieerd en afgebakend moeten worden; mocht de EVA de grenzen van haar bevoegdheden overschrijden, bestaat immers het risico dat ze haar eigenlijke taak uit het oog verliest.

3.13.1. Overeenkomstig zijn advies over het Witboek juicht het ESC de opname van "levensmiddelen" als integraal onderdeel van het takenpakket van de EVA toe. Het dringt aan op een duidelijke afbakening van de EVA-bevoegdheden, die verband moeten houden met wetenschappelijke kwesties en met name in het teken van voedselveiligheid moeten staan. Gezondheidsbevorderingsprogramma's en dergelijke moeten onder de bevoegdheid van de Commissie en haar gespecialiseerde diensten blijven ressorteren.

3.13.2. Er dient duidelijker te worden aangegeven aan wie de EVA rekenschap is verschuldigd. Uit de ontwerpverordening kan worden afgeleid dat de EVA uiteindelijk alleen aan de Commissie rekenschap moet afleggen. Dit spoort echter niet met het ESC-advies over het Witboek, waarin wordt gesteld dat de EVA ook aan het Europees Parlement en de lidstaten verantwoording hoort af te leggen (zie paragraaf 3.17 van het advies over het Witboek).

3.13.3. Om de adviezen van de EVA en de wetenschappelijke inbreng in het besluitvormingsproces de nodige autoriteit te verlenen, zou in lid 3 moeten worden opgenomen dat de EVA geraadpleegd wordt om de wetenschappelijke logica en de coherentie van elk voorstel aangaande levensmiddelen te toetsen. De EVA moet hiertoe in twee fasen van de besluitvorming de gelegenheid krijgen: wanneer het voorstel wordt ingediend en voordat het definitief wordt goedgekeurd.

3.14. Artikel 22 ("Werkzaamheden van de Autoriteit"). Het ESC beschouwt zichzelf als één van de in punt a) vermelde "communautaire instellingen". Krachtens punt l) en artikel 39 ("Communicatie") moet de EVA het publiek direct informeren over de risicobeoordelingsaspecten van een bepaald dossier; degenen die verantwoordelijk zijn voor risicomanagement zorgen op hun beurt voor de voorlichting inzake wetgevende en andere maatregelen die in het kader van dit dossier zijn getroffen. De vraag of de EVA erin slaagt de informatie op efficiënte wijze via de juiste kanalen te verstrekken, zal doorslaggevend zijn voor haar succes en haar geloofwaardigheid bij het publiek. De EVA moet respect afdwingen door haar gedegen wetenschappelijke kennis, goed onderbouwde beoordelingen en slagvaardigheid in crisissituaties. De Autoriteit moet gebruik maken van de media om op korte termijn het vertrouwen van de consument te winnen, en dient haar invloed te optimaliseren door met eenduidige, gezaghebbende standpunten naar voren te komen.

3.15. Artikel 23 ("Organen van de Autoriteit"). Het Comité merkt op dat in punt d) de terminologie voor de wetenschappelijke instellingen is gewijzigd. Deze wijziging kan tot verwarring bij de gebruikers leiden of worden opgevat als een aantasting van het gezag en het vermogen van deze instellingen om passende technisch-wetenschappelijke ondersteuning te verschaffen.

3.16. Artikel 24 ("Raad van bestuur"). Er moet duidelijkheid komen over de samenstelling en de procedures/criteria voor de selectie van kandidaten. Het ESC heeft in één van de voorgaande paragrafen reeds beklemtoond dat in de raad van bestuur ook vertegenwoordigers van de primaire, secundaire en tertiaire voedingssector moeten zetelen; enkel op die manier kan de geïntegreerde aanpak van de voedselketen kracht worden bijgezet (zie paragraaf 1.7). Zowel het ESC als het CvdR verdienen een plaats in dit artikel aangezien zij hebben bewezen met betrekking tot voedselveiligheid een nuttige bijdrage te kunnen leveren. Voor opmerkingen over lid 7, alinea 3, verwijst het Comité naar paragraaf 2.8.

3.17. Artikel 26 ("Adviesforum"), lid 6 and artikel 27 ("Wetenschappelijk comité en wetenschappelijke panels"), lid 8. Bij de deelname van de Commissie aan vergaderingen van het adviesforum, het wetenschappelijk comité, de wetenschappelijke panels en de werkgroepen (zie artikel 27) moet worden uitgegaan van een strikte scheiding tussen risicobeoordeling en risicomanagement; hiertoe dient de inhoud van lid 8 van dit artikel in krachtiger bewoordingen te worden gesteld. Aangezien het voor één enkele vertegenwoordiger nagenoeg onmogelijk is om de informatiestroom van en naar een zo breed mogelijk nationaal netwerk te organiseren en dat netwerk bij zijn werk te betrekken, dient in lid 1 te worden opgenomen dat er plaatsvervangers moeten worden aangewezen.

3.18. Artikel 27 ("Wetenschappelijk comité en wetenschappelijke panels"). Volgens het ESC moet de mogelijkheid worden ingebouwd om speciale "task forces" op te zetten voor onderwerpen die niet tot het takenpakket van de panels behoren. Ook de mogelijkheid om hoorzittingen te houden moet in dit artikel worden opgenomen. De titels van de panels moeten zo open worden geformuleerd dat ook onderwerpen als de impact van vervuiling op de voedselketen en voedselintoleratie tot hun takenpakket behoren. Volgens het Comité zou er ook een wetenschappelijk panel moeten worden ingesteld dat zich bezighoudt met de veiligheid van traditionele voedselproducten, een kwestie die nogal gevoelig ligt.

3.19. Artikel 28 ("Wetenschappelijke adviezen"). De vraag is hoe en door wie zal worden beslist welke van de talrijke adviezen die bij de EVA zullen worden aangevraagd, prioritair moeten worden behandeld.

3.20. Artikel 29 ("Tegenstrijdige wetenschappelijke adviezen"). In lid 3 wordt de indruk gewekt dat, indien de risicobeoordelaars niet tot een vergelijk kunnen komen, de risicobeheerder de knoop moet doorhakken. Zoals gezegd in paragraaf 2.10 lijdt het geen twijfel dat de EVA in dergelijke gevallen als scheidsrechter moet optreden. Lid 4 biedt voor dit soort conflicten geen pasklare oplossing en moet derhalve worden verduidelijkt.

3.21. Artikel 32 ("Gegevensverzameling"). Ook het ESC moet worden opgenomen in de lijst met instellingen die door de EVA op de hoogte worden gehouden van de met de gegevensverzameling geboekte resultaten.

3.22. Artikel 33 ("Opsporen van opduikende risico's"). Het ESC moet worden toegevoegd aan de lijst met instellingen die informatie over nieuwe risico's ontvangen.

3.23. Artikel 34 ("Systeem voor snelle waarschuwingen"). Het ESC is zich ervan bewust dat een aantal lidstaten vragen heeft bij de manier waarop de EVA dit systeem beheert. Er moet worden verduidelijkt wat precies wordt bedoeld met het "dagelijkse functioneren" van dit systeem; ook de specifieke taken van Commissie en EVA moeten nauwkeurig worden omschreven.

3.24. Artikel 41 ("Consumenten en andere belanghebbende partijen"). Het ESC stelt vast dat de Commissie rekening heeft gehouden met zijn aanbeveling betreffende de dialoog tussen consumenten en andere betrokkenen, en hoopt dat de definitieve tekst nog zal worden aangevuld met de bepaling dat de dialoog met producenten en verwerkende sector op alle niveaus van de voedselketen moet worden verzekerd.

3.25. Artikel 42 ("Vaststelling van de begroting van de Autoriteit") en artikel 44 ("Door de Autoriteit ontvangen vergoedingen"). Het Comité vindt dat de gebruikte terminologie in bepaalde taalversies moet worden gewijzigd: het moet duidelijk zijn dat het niet om "taksen" of "belastingen", maar om vergoedingen voor geleverde diensten gaat. De onafhankelijkheid en objectiviteit van de Autoriteit mogen door het vergoedingensysteem niet in gevaar worden gebracht. Verder dient te worden gepreciseerd voor welke door de EVA verleende diensten eventueel een vergoeding moet worden betaald.

3.26. Artikel 48 ("Deelname van derde landen"). Voor een dringende en cruciale kwestie als deze zijn veel gedetailleerdere en specifiekere regels nodig.

Hoofdstuk IV: Systeem voor snelle waarschuwingen, crisismanagement en noodsituaties

3.27. Artikel 53 ("Crisiseenheid"). Het Comité is van mening dat de rol van de crisiseenheid te erg op crisismanagement is toegesneden. Terwijl het volgens het Comité veel belangrijker is crisissen te voorkomen, wordt hier met geen woord over gerept. In plaats van een instantie die enkel in een crisissituatie wordt opgericht, moet de crisiseenheid een permanent, op preventie gericht orgaan worden. Mocht er zich een crisis voordoen, kunnen er nog altijd extra middelen en personeel worden ingezet.

Hoofdstuk V: Procedures en slotbepalingen

3.28. Artikel 59 ("Bemiddelingsprocedure"). Het ESC vraagt zich af of het nodig is een speciale klachtenprocedure voor vrijhandelsgeschillen met betrekking tot voedselveiligheid in te stellen; misschien is het zinvoller de algemene procedure aan te passen.

3.29. Artikel 60 ("Evaluatie"). In artikel 60, eerste lid, tweede alinea staat dat de raad van bestuur de conclusies van de evaluatie bestudeert en in voorkomend geval aan de Commissie voorstelt de Autoriteit en haar werkmethoden aan te passen. Aangezien de raad van bestuur de conclusies grondig heeft bestudeerd, is het volgens het ESC logischer dat de raad van bestuur - en niet de Commissie - beslist welke stappen moeten worden genomen. Met de huidige tekst wordt de indruk gewekt dat de EVA in feite niet meer is dan de zoveelste afdeling van de Commissie. Het ESC is van mening dat dit evaluatierapport ook aan de andere instellingen van de EU, met inbegrip van het ESC, moet worden voorgelegd en dat de opmerkingen van al deze instanties in de slotconclusies moeten worden meegenomen.

3.30. Artikel 62 ("Bevoegdheden van het Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling"). Alhoewel in dit artikel wordt bepaald dat deze verordening de bevoegdheden van het Europees Bureau voor geneesmiddelenbeoordeling onverlet laat, zou de band tussen EMEA en de EVA nauwkeuriger moeten worden omschreven. Het ESC is er namelijk stellig van overtuigd (zie ook paragraaf 3.17 c van het advies over het Witboek) dat de samenwerking tussen beide instanties van groot belang is, met name bij de indeling van "grensgevallen", i.e. producten die zich op het breukvlak tussen levensmiddel en geneesmiddel bevinden. Een gelijkaardig artikel zou volgens het ESC moeten worden gewijd aan de band tussen de EVA en het Voedsel- en Veterinair Bureau in Dublin.

4. Conclusies

4.1. Uit het voorgaande moge blijken dat de grote inspanningen die de Commissie zich heeft getroost om dit voorstel op te stellen, bij het Comité in goede aarde zijn gevallen. Hiermee toont de Commissie aan dat ze voedselveiligheid hoog in het vaandel voert. Een alomvattend, op openheid, excellence en transparantie gestoeld plan met verbeterde structuren, dat de hele voedselketen bestrijkt, kan enkel worden toegejuicht.

4.2. Om de doelstellingen van de verordening te halen, moet het voorstel evenwel op verschillende punten worden bijgeschaafd: bepaalde artikelen en beginselen zijn te vaag gedefinieerd, een aantal onderdelen van het document sluiten niet goed op elkaar aan en de verantwoordelijkheden zijn niet duidelijk genoeg afgebakend.

4.3. De verordening moet in eerste instantie aanzetten tot doeltreffende maatregelen bevatten. De belangrijkste bekommernis moet zijn het beter te doen dan in het verleden en het vertrouwen in de hele voedselketen te vergroten. Het ESC neemt zich voor erop toe te zien dat de voedselveiligheidsmaatregelen een doeltreffend en preventief effect sorteren en zal van tijd tot tijd op ad-hocbasis de ontwikkelingen in deze sector evalueren teneinde over de coherentie van het beleid te waken en de dialoog over deze problematiek gaande te houden.

4.4. Om de voortgang op het vlak van voedselveiligheid te kunnen toetsen en te beoordelen of het nieuwe systeem aan de verwachtingen voldoet, dienen er evaluatiecriteria te worden uitgewerkt. Als toetsstenen kunnen de volgende begrippen worden gehanteerd: toegenomen of afgenomen vertrouwen van de consument, het vóórkomen en aanpakken van voedselcrisissen, nauwere samenwerking tussen belanghebbende partijen, ...

4.5. Als het belang van de rol van de toekomstige EVA door iedereen wordt onderkend, vloeit hieruit logischerwijze voort dat de EVA bij de besluitvorming over voedselaangelegenheden moet worden betrokken. In dat geval moet de EVA drie stelregels in acht nemen: de Autoriteit dient zich beperken tot de toetsing van de wetenschappelijke coherentie van de voorgestelde maatregelen, zich te allen tijde neutraal op te stellen en een realistische scheidslijn tussen risicobeoordeling en risicomanagement in acht te nemen. Het ESC is bereid om dit concept concreter uit te werken en om, samen met alle andere Europese instellingen en belanghebbende partijen, een gemeenschappelijke werkgroep over dit onderwerp op te richten.

Brussel, 28 maart 2001.

De voorzitter

van het Economisch en Sociaal Comité

G. Frerichs

(1) PB C 204 van 18.7.2000, blz. 21.

(2) PB C 14 van 16.1.2001.

(3) PB C 268 van 19.9.2000.

BIJLAGE

bij het advies van het Economisch en Sociaal Comité

Afgewezen wijzigingsvoorstel

Het volgende wijzigingsvoorstel, dat door minstens één vierde van de uitgebrachte stemmen werd ondersteund, is afgewezen.

Paragraaf 3.8

Aan het eind toe te voegen:

"Daarom is het zaak dat er voor stoffen en bestanddelen die voorkomen in voor menselijke of dierlijke voeding bestemde producten grenswaarden worden vastgesteld, zodat het traceerbaarheidsbeginsel in de praktijk ook daadwerkelijk kan worden toegepast, met name door het MKB."

Motivering

Met de voorgestelde formulering wordt aangegeven wat het traceerbaarheidsprincipe redelijkerwijs zou kunnen inhouden, namelijk dat voor bepaalde groepen producten grenswaarden moeten worden vastgesteld voor de daarin voorkomende stoffen. Zo weten de producenten waar zij zich aan te houden hebben.

Uitslag van de stemming

Vóór: 24, tegen: 63, onthoudingen: 3.

Top