EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 51995IR0376

Advies van het Comité van de Regio's over het "Groenboek van de Commissie 'De rol van de Europese Unie op het gebied van toerisme'"

CdR 376/95

OJ C 126, 29.4.1996, p. 24–27 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

51995IR0376

Advies van het Comité van de Regio's over het "Groenboek van de Commissie 'De rol van de Europese Unie op het gebied van toerisme'" CdR 376/95

Publicatieblad Nr. C 126 van 29/04/1996 blz. 0024


Advies van het Comité van de Regio's over het "Groenboek van de Commissie 'De rol van de Europese Unie op het gebied van toerisme'"

(96/C 126/05)

De Europese Commissie heeft op 24 april 1995 besloten, overeenkomstig de bepalingen van artikel 198 C van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, het Comité van de Regio's te raadplegen over voornoemd Groenboek.

Het Comité van de Regio's heeft op 19 juli 1995 besloten, een advies over dit Groenboek op te stellen. Sub-commissie 2 "Toerisme - Platteland" werd met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden belast. Rapporteur was de heer B. Hansen (Denemarken).

Sub-commissie 2 heeft haar advies op 6 september 1995 goedgekeurd.

Tijdens zijn op 15 en 16 november 1995 gehouden tiende zitting (vergadering van 16 november 1995) heeft het Comité van de Regio's het volgende advies uitgebracht.

Inleiding

Onder verwijzing naar zijn advies van 2 februari 1995 over "Een beleid ter ontwikkeling van het plattelandstoerisme in de regio's van de EU" (CDR 6/95 fin) wijst het Comité van de Regio's erop dat:

- de toekomstperspectieven voor toerisme gezien de huidige behoeften en mogelijkheden uit het oogpunt van werkgelegenheid, gedragspatronen, levensstandaard en technologie zeer gunstig zijn;

- toerisme kan bijdragen tot economische en regionale ontwikkeling en diversifiëring;

- toerisme kan bijdragen tot vergroting van de economische en sociale samenhang en tot vermindering van de territoriale en regionale ongelijkheden binnen de Unie;

- lokale en regionale overheden vaak bevoegdheden op het gebied van toerisme hebben.

Algemene opmerkingen

1. Het Comité van de Regio's:

- stelt met tevredenheid vast dat in het Groenboek een overzicht wordt gegeven van de bestaande communautaire acties op het gebied van toerisme en wordt ingegaan op de samenhang tussen de ontwikkeling van toerisme, enerzijds, en een groot aantal communautaire beleidsmaatregelen en -instrumenten, anderzijds;

- wijst erop dat het gewenst is in bijlage 3 van het Groenboek de bevoegdheden van plaatselijke en regionale autoriteiten voor de ontwikkeling van het toerisme verder uit te werken, aangezien bedoelde autoriteiten verantwoordelijk voor dit terrein zijn; het is bereid via zijn leden het nodige informatiemateriaal ter beschikking te stellen;

- is eveneens ingenomen met de heldere analyse van de meerwaarde van communautaire initiatieven op het gebied van toerisme en van de verschillende mogelijkheden voor de toekomstige rol van de EU;

- vindt het een goede zaak dat de Commissie in het Groenboek oproept tot breed overleg.

Doelstellingen voor de toekomstige inspanningen van de Unie op het vlak van toerisme

2. Het CvdR vestigt er de aandacht op dat de hierna genoemde maatregelen en activiteiten van de EU met het subsidiariteitsbeginsel te rijmen moeten zijn.

Het Comité wijst erop dat de Unie duidelijke doelstellingen voor haar optreden op het gebied van toerisme moet formuleren. Tevens moet worden onderzocht of deze doelstellingen door middel van gecooerdineerde inspanningen op de bestaande beleidsterreinen gehaald kunnen worden.

Het Comité dringt er bij de Commissie op aan, hierover voorstellen uit te werken.

3. Het Comité is van mening dat de Unie dient te streven naar een - uit economisch, cultureel en milieu-oogpunt - duurzame ontwikkeling van toerisme, die ook op lange termijn zowel toeristen, bedrijfsleven als de lokale bevolking ten goede komt.

Het Comité onderschrijft dan ook dat aandacht voor de bedrijven en voor de toerist als consument belangrijke doelstellingen zijn bij het optreden van de Unie op het vlak van toerisme.

Niettemin benadrukt het dat er in dit verband nog een derde groep is die aandacht verdient: de bewoners van plaatsen die door toeristen worden bezocht.

4. Het Comité acht het van fundamenteel belang dat voor de toeristische bedrijfstak net als andere sectoren randvoorwaarden worden gecreëerd en dat toeristische ondernemingen kunnen profiteren van bedrijfsgerichte instrumenten die bijdragen tot harmonisering van de concurrentievoorwaarden en groei en werkgelegenheid stimuleren.

De inspanningen op het gebied van toerisme moeten zo veel mogelijk worden geïntegreerd in een meer gediversifieerde economische ontwikkelingsstrategie op langere termijn.

5. Het Comité wijst er ten slotte op hoe belangrijk het is dat de Unie de regionale en lokale partners in een vroeg stadium bij de beleidsvorming betrekt. Tot deze partners behoren ook de overheden en bedrijven die primair verantwoordelijk zijn voor de ontwikkeling van toerisme.

Samenwerking en partnerschap

6. Het Comité van de Regio's merkt op dat toerisme niet alleen in politieke, maar ook in praktische zin een uiterst ingewikkeld terrein is:

- de ondernemingen variëren van kleine en middelgrote bedrijven tot multinationale hotelketens en vliegtuigmaatschappijen;

- het toeristisch aanbod zelf varieert van stedenreizen en internationale mega-attracties tot fietsvakanties en plattelandstoerisme;

- de lokale bevolking van de verschillende toeristische bestemmingen vormt geen homogene groep; sommige bewoners zijn voor hun levensonderhoud afhankelijk van het toerisme, terwijl andere wellicht van mening zijn dat het toerisme een te zware belasting voor het milieu en de cultuur in hun gebied vormt;

- op vele beleidsterreinen kunnen overheden maatregelen nemen die belangrijke gevolgen voor toerisme kunnen hebben.

7. Het Comité is dan ook van mening dat toerisme alleen dan in positieve zin kan worden ontwikkeld, wanneer op alle niveaus in de Unie wordt samengewerkt:

- tussen ondernemingen die toeristische produkten en diensten aanbieden;

- tussen overheids- en particuliere partners die verantwoordelijkheid op het gebied van toerisme bezitten;

- tussen overheden op de verschillende niveaus in de Unie: de Commissie, de lid-staten en de regionale en lokale overheden;

- tussen de verschillende diensten binnen elk overheidsniveau in de Unie: tussen kantoren en afdelingen bij lokale en regionale instanties, tussen ministeries binnen lid-staten en tussen diensten binnen de Commissie.

8. Het Comité beklemtoont dat alle acties nog meer effect zullen sorteren indien op al deze niveaus in de vorm van partnerschappen wordt samengewerkt.

Het wijst er tevens op dat het opzetten van de noodzakelijke samenwerking en het ontwikkelen van toerisme in de gewenste richting niet de taak of verantwoordelijkheid van één enkele betrokken partij is; dit is een gemeenschappelijke aangelegenheid. Wel kunnen overheden een specifieke rol spelen door samenwerking te stimuleren, door ervoor te zorgen dat bij de bevordering van toerisme rekening wordt gehouden met het algemeen belang en door hun inspanningen ter ontwikkeling van de openbare goederen, zoals natuurgebieden, het cultureel erfgoed, recreatieve voorzieningen en vervoersinfrastructuur, voort te zetten.

9. Het Comité wenst er met name de aandacht op te vestigen dat regionale en lokale overheden een sleutelrol kunnen spelen bij het opzetten van partnerschappen en samenwerkingsverbanden ten behoeve van een doelmatige ontwikkeling van toerisme. Democratisch gekozen regionale en lokale raden en organen zijn reeds in vele gevallen verantwoordelijk voor regionale en lokale strategieën op lange termijn, waarbij voor evenwicht tussen alle belangen is gezorgd en in onderlinge samenwerking wordt gestreefd naar een duurzaam toerisme.

Het Comité dringt er bij de Commissie op aan, binnen de grenzen van haar huidige bevoegdheden zo snel mogelijk een stimulans te geven aan interregionale en lokale samenwerking op het gebied van toerisme om het de lokale en regionale overheden aldus mogelijk te maken, hun leidinggevende rol als wegbereiders van en verantwoordelijken voor de ontwikkeling van het toerisme in heel Europa te versterken.

10. Het Comité herinnert eraan dat ook een gezond concurrentieklimaat bedrijven, landen, regio's en gebieden kan stimuleren om het toerisme te ontwikkelen.

De toekomstige rol van de EU op het gebied van toerisme

11. Het Comité van de Regio's vindt dat de Unie, gezien de dynamische ontwikkeling en de mogelijkheden van toerisme en vooral ook de ingewikkelde wisselwerking tussen toerisme en een groot aantal communautaire beleidsterreinen, actiever en beter gecooerdineerd moet optreden.

12. Daarentegen acht het Comité het niet noodzakelijk om, buiten de bestaande EU-beleidsvormen om, rechtsgrondslagen voor een EU-beleid inzake toerisme in het leven te roepen.

Niettemin is het zaak dat communautaire initiatieven doorzichtig en samenhangend zijn om de noodzakelijke legitimatie en daardoor ook de cooerdinatie en het effect van de inspanningen te waarborgen.

13. Het Comité benadrukt dat het subsidiariteitsbeginsel ten grondslag moet liggen aan de inspanningen van de Unie op het gebied van toerisme. Bovendien zouden pogingen om voor heel Europa één imago te creëren, er alleen maar toe kunnen leiden dat allerlei identiteitsbepalende (culturele) kenmerken, die tegenwoordig een vooraanstaande rol spelen in de campagnes waarmee lid-staten en regionale en lokale overheden toeristen proberen te trekken, ondergesneeuwd raken.

Het Comité beklemtoont daarom dat maatregelen om toeristen aan te trekken, niet onder de verantwoordelijkheid van de Unie, maar van de lokale, regionale en nationale autoriteiten en organisaties moeten vallen.

Verder dient de Unie rekening te houden met de uiteenlopende omstandigheden in de verschillende gebieden, zowel stads- en plattelandsgebieden als berg- en zeestreken, die elk hun eigen troeven op milieu- en cultureel vlak bezitten.

14. Het Comité is van mening dat communautaire inspanningen het meeste effect zullen sorteren wanneer aan de volgende drie voorwaarden wordt voldaan: 1) de directoraten-generaal van de Commissie moeten hun inspanningen cooerdineren; 2) nationale, regionale en lokale strategieën moeten aangevuld worden; 3) lokale en regionale initiatieven moeten gestimuleerd en gesteund worden.

15. Het Comité wijst op het feit dat de verantwoordelijkheid voor de vele beleidsterreinen die van groot belang voor de ontwikkeling van toerisme zijn - en in deel A II van het Groenboek worden behandeld -, over verschillende diensten van de Commissie is gespreid en dat cooerdinatie tussen deze diensten daarom noodzakelijk is.

Het Comité pleit ervoor dat bij de uitwerking en uitvoering van communautaire beleidsmaatregelen op terreinen als milieu, cultuur, midden- en kleinbedrijf, interne markt, onderzoek en technologie, vervoer en onderwijs terdege rekening wordt gehouden met de doelstellingen van de Unie op het vlak van toerisme.

Het Comité hoopt dat het formuleren van duidelijke doelstellingen van de Unie op het vlak van toerisme zal leiden tot meer begrip voor de noodzaak om bij het uitwerken en uitvoeren van beleidsmaatregelen en programma's op deze en andere terreinen aandacht aan de toeristische dimensie te schenken.

Evenwel moeten er ook interne regels en procedures komen om ervoor te zorgen dat aan deze doelstellingen recht wordt gedaan.

16. Het Comité beklemtoont dat de toeristische bedrijfstak bij de steunverlening via de structuurfondsen gelijkgesteld moet worden aan andere bedrijfstakken. Regionale en lokale overheden kunnen zorgen voor cooerdinatie van de middelen die de structuurfondsen en de lid-staten ten behoeve van het toerisme ter beschikking stellen.

Het Comité acht het verder van belang dat voor een zo groot mogelijke samenhang wordt gezorgd tussen de algemene doelstellingen van de Unie op het vlak van toerisme en de steunmaatregelen van de structuurfondsen ten behoeve van de toeristische sector. De initiatieven die de Unie op lokaal en regionaal niveau steunt, moeten wel gebaseerd blijven op de behoeften en prioriteiten ter plaatse.

17. Het Comité merkt op dat de communautaire actieprogramma's op het gebied van toerisme gezien moeten worden als een waardevol instrument voor het uitvoeren van experimenten en het uitbreiden van kennis.

Deze actieprogramma's mogen evenwel geen afbreuk doen aan de politieke verantwoordelijkheid van de regionale en lokale partners om duurzame en evenwichtige ontwikkelingsstrategieën op lokaal en regionaal niveau uit te werken en uit te voeren. Evenmin mag afbreuk worden gedaan aan de commerciële verantwoordelijkheid van bedrijven om nieuwe toeristische produkten en diensten te ontwikkelen en op de markt te brengen.

Bijzondere opmerkingen

18. Het Comité wijst op de rol die de Unie kan spelen bij proefprojecten en de uitbreiding van kennis en ervaring, met name op het gebied van spreiding van toerisme in tijd en ruimte, verbetering van onderwijsvoorzieningen en arbeidsomstandigheden en versterking van het concurrentievermogen van de toeristische bedrijfstak op mondiaal niveau.

Het Comité verzoekt de Commissie daarom, de efficiëntie van het kader, de evaluatie en de verspreiding van proefprojecten t.o.v. de periode 1993-1995 te verbeteren, zodat de kwaliteit van de resultaten van de projecten zo hoog mogelijk is en de resultaten aan zoveel mogelijk belangstellenden kunnen worden doorgegeven. Er dient voorrang te worden gegeven aan maatregelen om schade aan het milieu als gevolg van toerisme tegen te gaan. Deze moeten worden uitgewerkt in de vorm van proefprojecten, waarbij partners uit verschillende lid-staten worden betrokken die op uiteenlopende niveaus ervaring met economische ontwikkeling hebben.

19. Het Comité wijst erop dat er meer aandacht aan "zakentoerisme" moet worden geschonken. Hieronder vallen bijeenkomsten, cursussen, bonusreizen, congressen en conferenties. Op dit terrein is synergie mogelijk tussen de communautaire inspanningen op het vlak van toerisme, de internationalisering van de Europese economie via de interne markt en andere Europese beleidsterreinen.

Onder "zakentoerisme" valt ook het bezoeken van grote technische installaties, grote bedrijven, openbare werken, enz.

20. Het Comité acht het zinvol dat de Unie - in samenwerking met andere belanghebbende organen - doorgaat met het cooerdineren van statistische gegevens en informatie op het gebied van toerisme en met het verstrekken hiervan aan partijen die nieuwe produkten en kaders ontwikkelen, zoals bedrijven en regionale en lokale overheden.

21. Het Comité is van mening dat een aanzienlijk gedeelte van de door de Unie aanbevolen en ontwikkelde activiteiten ten behoeve van het midden- en kleinbedrijf van groot nut voor het toerisme zou kunnen zijn. Dit geldt met name voor initiatieven op het gebied van onderwijs en nieuwe technologieën en methoden.

Conclusie

22. Het Comité van de Regio's:

- is voorstander van het vaststellen van doorzichtige en cooerdinerende richtlijnen voor toeristische activiteiten op communautair niveau;

- pleit voor het ontwikkelen van een grondslag voor de Unie waarmee wordt gewaarborgd dat bij de uitwerking en tenuitvoerlegging van communautaire beleidsmaatregelen beter rekening wordt gehouden met de specifieke belangen op het vlak van toerisme;

- vindt evenwel dat dit niet per se impliceert dat de huidige rechtsgrondslag veranderd of de bevoegdheden van de Unie uitgebreid moeten worden;

- is van mening dat het Groenboek ertoe bijdraagt dat toerisme in de communautaire politieke besluitvorming de aandacht wordt gegeven die het verdient, en dringt er bij de Commissie op aan, concrete voorstellen uit te werken inzake de aan de inspanningen van de Unie op het vlak van toerisme verbonden doelstellingen en middelen;

- dringt er bij de Commissie op aan, het partnerschaps-, complementariteits- en het subsidiariteitsbeginsel een centrale plaats te geven in het verslag dat zij de Raad in het kader van de Intergouvernementele Conferentie van 1996 zal voorleggen, en in dit verslag ook de nadruk te leggen op de verantwoordelijkheid en mogelijkheden van de lokale en regionale overheden op het gebied van de ontwikkeling van toerisme;

- is van mening dat mogelijkheid C III in het Groenboek (versterking van de communautaire actie op basis van het bestaande Verdrag) het beste uitgangspunt voor de verdere werkzaamheden van de Commissie vormt, aangezien van mogelijkheid C III een duidelijk politiek signaal uitgaat, nl. dat de huidige rechtsgrondslag (art. 3 t van het Unieverdrag) de Unie voldoende ruimte biedt om alle bovengenoemde doelstellingen te bereiken;

- dringt erop aan dat het wordt betrokken bij de verdere uitwerking van de aan de rol van de Unie op het vlak van toerisme verbonden doelstellingen en middelen.

Brussel, 16 november 1995.

De voorzitter van het Comité van de Regio's Jacques BLANC

Top