EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52020XG0626(01)

Conclusies van de Raad over het bestrijden van de COVID‐19-crisis in onderwijs en opleiding 2020/C 212 I/03

ST/8610/2020/INIT

OJ C 212I , 26.6.2020, p. 9–14 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

26.6.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CI 212/9


Conclusies van de Raad over het bestrijden van de COVID‐19-crisis in onderwijs en opleiding

(2020/C 212 I/03)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

BENADRUKKEND HETGEEN VOLGT:

1.

De COVID‐19-pandemie heeft de onderwijs- en opleidingsstelsels wereldwijd en in de hele Unie getroffen en onder een ongekende druk gezet. Hierdoor is onze manier van leren, lesgeven, communiceren en samenwerken in en tussen onze onderwijs- en opleidingsgemeenschappen ingrijpend veranderd. Dit heeft een impact op lerenden (1), hun gezinnen, leraren, opleiders, instellingshoofden en de samenleving in het algemeen.

2.

Sinds het uitbreken van de pandemie leveren de lidstaten en onderwijs- en opleidingsinstellingen aanzienlijke inspanningen om de veiligheid en het welzijn van lerenden en personeel te waarborgen en ervoor te zorgen dat het leren en lesgeven kunnen worden voortgezet, teneinde het recht op onderwijs veilig te stellen.

3.

Als reactie op de noodsituatie hebben de meeste lidstaten besloten om onderwijs- en opleidingsinstellingen op grote schaal fysiek te sluiten, en snel te voorzien in alternatieve opties en steun voor afstandsonderwijs, met name door middel van digitale oplossingen. Deze verschuiving heeft de onderwijs- en opleidingsstelsels en de belanghebbenden in de lidstaten, met name lerenden en hun gezinnen, leraren en opleiders, voor verschillende uitdagingen geplaatst, maar heeft hun tegelijkertijd een waardevolle leerervaring bezorgd en ertoe geleid dat de verdere digitale transformatie van onderwijs- en opleidingsinstellingen sneller verloopt.

4.

In deze uitzonderlijke omstandigheden is er een opmerkelijke samenwerking ontstaan tussen de lidstaten, die in deze tijden van crisis solidariteit tonen en wederzijdse steun verlenen door regelmatig informatie over hun nationale situaties, uitdagingen, beoogde of reeds uitgevoerde maatregelen en plannen uit te wisselen en, waar mogelijk, leermiddelen openlijk te delen.

ZICH BEWUST VAN HET VOLGENDE:

5.

Bij het begin van de crisis, toen de onderwijs- en opleidingsinstellingen in de meeste lidstaten nog normaal functioneerden, lag de nadruk op manieren om de veiligheid van lerenden en personeel te waarborgen, onder meer door beschermings- en hygiënemaatregelen in te voeren en informatie en sturing te geven, waarbij nationale onderwijs- en gezondheidsinstanties onderling samenwerkten.

6.

Naarmate de situatie is geëvolueerd, met meer fysieke sluitingen van onderwijs- en opleidingsinstellingen in de meeste lidstaten, hebben lidstaten, de onderwijs- en opleidingsinstellingen en betrokken belanghebbenden aanzienlijke inspanningen geleverd om de onderwijsinhoud aan te passen en voor te bereiden voor gebruik in het afstandsonderwijs, opdat het leerproces kon worden voortgezet. Dit proces wordt ondersteund met passende richtsnoeren en gaat gepaard met wendbaar beheer, permanente monitoring, voortdurende verbeteringen en aanpassingen in de wetgeving, naargelang de nationale omstandigheden. In dit opzicht waren de uitgangsposities van de lidstaten en onderwijs- en opleidingsinstellingen misschien onderling verschillend qua digitale paraatheid van de onderwijs- en opleidingsstelsels, onder meer wat betreft de beschikbaarheid van hulpmiddelen en materialen voor digitaal leren en of leraren en opleiders er klaar voor zijn om afstandsonderwijs te geven.

7.

Een van de grootste uitdagingen is het waarborgen van inclusie en gelijke toegang tot mogelijkheden voor kwaliteitsvol afstandsleren. Sommige lerenden, en ook leraren, opleiders en gezinnen, kunnen te weinig digitale vaardigheden hebben, en geen toegang tot technologie of het internet, hetgeen een ernstig obstakel kan vormen, met name voor lerenden uit achterstandsgroepen en in landelijke, afgelegen en zeer verstedelijkte gebieden. Bovendien hebben sommige lerenden bijzondere onderwijsbehoeften en moeten zij begeleiding en extra ondersteuning krijgen tijdens het leren. Voorts vormt de sluiting van onderwijs- en opleidingsinstellingen met name een uitdaging voor lerenden met een sociaal-economische achterstand, die wellicht vaker in een huishouden zonder goede omstandigheden voor thuisstudie leven of die normaal recht hebben op gratis schoolmaaltijden, en voor lerenden die risico lopen op voortijdig schoolverlaten.

8.

Onderwijs- en opleidingsinstellingen zijn meer dan alleen maar plaatsen waar mensen leren, lesgeven en opleiden; het zijn ook veilige omgevingen die structuur en een gemeenschapsgevoel geven en mogelijkheden voor socialisatie bieden. Vanwege onrust en stress als gevolg van angst voor de pandemie en voor sociale isolatie, hetgeen bijzonder moeilijk is voor degenen die geconfronteerd worden met of risico lopen op huiselijk geweld, is het van essentieel belang dat er actief contact wordt gezocht en psychologische en emotionele ondersteuning wordt geboden om het welzijn en de lichamelijke en geestelijke gezondheid van lerenden en hun gezinnen, alsmede van leraren en opleiders te waarborgen.

9.

Leraren en opleiders hebben zich snel moeten aanpassen van contactonderwijs naar afstandsonderwijs. Aangezien niet alle leraren en opleiders (2) beschikten over de ervaring, het vertrouwen, de kennis, de vaardigheden en de competenties die nodig zijn om afstandsonderwijs effectief te organiseren en te geven, moest worden voorzien in aanvullende, gerichte opleidingen. De inzet van leraren en opleiders gaat vaak verder dan het lesgeven alleen: ze spannen zich ook extra in opdat lerenden vorderingen maken en zich lichamelijk en geestelijk goed voelen. De noodzaak om zich snel aan de nieuwe werkomgeving aan te passen, heeft misschien een hogere werklast met zich mee gebracht, hetgeen een invloed heeft op hun balans tussen werk en privé. In deze omstandigheden hebben leraren, opleiders en ondersteunend personeel blijk gegeven van een bewonderenswaardige inzet en creativiteit, en hebben zij zich opengesteld voor samenwerking, cocreatie en peer learning.

10.

Hoewel de overschakeling naar digitaal lesgeven en leren zeer belangrijk is gebleken om het leerproces te kunnen voortzetten, kan digitaal onderwijs hoogwaardig contactonderwijs niet volledig vervangen. Bovendien was de plotselinge overgang naar digitaal lesgeven en leren in vele gevallen een reactie op een noodsituatie, en geen geplande optimale invoering op grote schaal van digitaal afstandsonderwijs. Voor sommige leraren en opleiders was het de eerste keer dat zij online lesgaven en hoewel hun veerkracht en aanpassingsvermogen alle lof verdienen, moet het digitale lesgeven en leren op afstand zoals dat in het kader van COVID‐19 wordt beleefd, hoe waardevol ook, niet noodzakelijkerwijs worden gezien als de algemene norm voor digitaal afstandsonderwijs.

11.

De samenwerking tussen gezinnen met lerenden, enerzijds, en leraren en opleiders, anderzijds, moest worden opgevoerd en er moesten extra inspanningen worden geleverd om leren op afstand mogelijk te maken. Voor ouders en verzorgers die thuiswerken, is het lastig om hun professionele taken te combineren met leerondersteuning en opvang van kinderen. Voor ouders en verzorgers die niet kunnen thuiswerken, is het vinden van dagopvang voor jongere kinderen een extra opgave gebleken.

12.

Bij afstandsonderwijs is het bijzonder moeilijk om praktische onderdelen van leerplannen af te werken. Dit is met name zo in beroepsonderwijs en ‐opleiding, waar grote delen van de leerplannen uit praktisch leren bestaan. Lerenden die beroepsonderwijs en ‐opleiding volgen, kunnen een extra nadeel ondervinden omdat de crisis veel werkgevers heeft getroffen die leren op de werkplek en leerlingplaatsen aanbieden. Aangezien jongeren met een leerovereenkomst in sommige gevallen door hun werkgevers worden betaald of vergoed, heeft dit een impact op hun levensonderhoud.

13.

Lerende volwassenen, en met name lerende volwassenen met lage vaardigheden, missen soms de nodige digitale vaardigheden om digitaal onderwijs te volgen, hetgeen hun bij- en omscholingsmogelijkheden negatief kan beïnvloeden.

14.

Een van de grootste uitdagingen is hoe om te gaan met het (cijfermatig) beoordelen van lerenden, waarbij sommige lidstaten ertoe aansporen om in te zetten op formatieve beoordeling en rekening te houden met verschillende leeromstandigheden. Dit houdt verband met de vraag hoe een school- of academisch jaar op efficiënte wijze kan worden afgesloten, hetgeen met name belangrijk is bij eindexamens en voor einddiploma’s die mede bepalen op welk onderwijs- en opleidingsniveau mensen zich voor een studie kunnen inschrijven. In dit opzicht kunnen informatie-uitwisseling, samenwerking en dialoog tussen betrokken stakeholders in onderwijs en opleiding, waaronder kwaliteitsbewakings- en erkenningsinstanties en sociale partners, de basis vormen voor een nuttige gecoördineerde aanpak. Dit kan met name nuttig zijn bij het nemen van besluiten over de voorwaarden voor inschrijving bij instellingen voor hoger onderwijs, met inachtneming van hun autonomie en nationale omstandigheden.

15.

De pandemie heeft ook invloed op Europese en internationale mogelijkheden voor leermobiliteit. Aangezien veel onderwijs- en opleidingsinstellingen gesloten zijn, ondervinden lerenden die in een mobiliteitsprogramma zitten, verschillende problemen in verband met hun verdere deelname aan het mobiliteitsprogramma, de toegang tot huisvesting en gezondheidszorg, het recht op subsidies en studiebeurzen of de terugkeer naar hun land van herkomst. Lerenden in een mobiliteitsprogramma worden ook geconfronteerd met sociaal-economische problemen die verband houden met verlies van gezinsinkomen als gevolg van de door de COVID‐19-pandemie veroorzaakte crisis op de arbeidsmarkt.

16.

Vele projectactiviteiten in het kader van Erasmus+ en het Europees Solidariteitskorps zijn uitgesteld of geannuleerd, en in gevallen waarin mobiliteit was gepland, wordt virtuele samenwerking aangemoedigd.

17.

Naast de noodzakelijke investeringen om de gezondheids- en sociaal-economische gevolgen van de crisis aan te pakken, is het van belang om de huidige investeringsprioriteiten op onderwijs en opleiding te richten. In dit verband is het essentieel te onderkennen dat onderwijs en opleiding van hoge kwaliteit een bepalende bijdrage leveren aan het welzijn en de persoonlijke en professionele ontwikkeling van burgers, en aan de veerkracht van de samenleving en van de economie, en dat zij een belangrijke rol spelen bij het herstel. Hiermee moet rekening worden gehouden bij het opstellen van het Europees herstelplan.

ONDERKENNEND HETGEEN VOLGT:

18.

Om deze uitdagingen het hoofd te bieden, hebben de lidstaten en hun onderwijs- en opleidingsinstellingen, afhankelijk van de nationale omstandigheden, snel tal van maatregelen genomen, zoals:

het ontwikkelen en delen van hoogwaardige onderwijsinhoud, ‐materialen en ‐praktijken aangepast aan het leren op afstand op nationaal en/of schoolniveau;

het ondersteunen van virtuele leeromgevingen, waarbij het gebruik van bestaande online-leerplatformen (of de ontwikkeling van nieuwe) en het gebruik van hulpmiddelen voor het samenwerken in teamverband mogelijk wordt gemaakt;

het gebruik van televisie en andere media om educatieve inhoud uit te zenden;

het opstellen van tal van richtsnoeren en instructies over hoe kan worden deelgenomen aan leren op afstand en hoe les op afstand kan worden gegeven, bijvoorbeeld wat betreft het veilige gebruik van digitale hulpmiddelen en online-evaluatie;

het aanbieden van gerichte mogelijkheden voor bij- en nascholing ten behoeve van leraren, opleiders en ander pedagogisch personeel;

het in kaart brengen van lerenden die niet in staat zijn deel te nemen aan leren op afstand en actief contact met hen te leggen door het beschikbaar stellen van de nodige uitrusting en internettoegang, met name aan degenen uit gebieden en groepen die geografisch geïsoleerd zijn of een sociaal-economische achterstand hebben, en het verspreiden van lesmateriaal op papier, indien nodig;

het verlenen van gerichte steun aan lerenden met specifieke onderwijsbehoeften;

het vergemakkelijken van de toegang tot digitale inhoud in bibliotheken;

het verstrekken van maaltijden aan lerenden uit sociaal-economisch kansarme groepen;

het aanbieden van diverse vormen van psychologische ondersteuning voor lerenden, gezinnen, leraren en opleiders;

het zorgen voor dagopvang ten behoeve van jongere kinderen van wie de ouders en verzorgers niet kunnen thuiswerken, in het bijzonder mensen die werkzaam zijn in kritieke sectoren zoals de gezondheidsdiensten;

het verstrekken van diverse vormen van steun voor zowel inkomende als uitgaande lerenden in een mobiliteitsprogramma;

het regelmatig verschaffen van informatie aan lerenden, leraren en opleiders, onderwijs- en opleidingsinstellingen, gezinnen en andere relevante stakeholders;

het opzetten van samenwerking met lokale en regionale autoriteiten en niet-gouvernementele organisaties, en met ondernemingen, waaronder telecommunicatiebedrijven, internetaanbieders en uitgeverijen, die in sommige gevallen gratis materiaal en hulpmiddelen hebben verschaft;

het ondersteunen en stimuleren, indien mogelijk, van lichamelijke opvoeding en activiteit, in overeenstemming met de veiligheidsmaatregelen.

19.

In reactie op de COVID‐19-crisis heeft de Commissie mogelijkheden geboden voor extra flexibiliteit bij de uitvoering van het Erasmus+-programma, aangevuld met praktisch adviezen voor Erasmus+-deelnemers en nationale agentschappen. Bovendien heeft de Commissie, naast de inspanningen die worden verricht binnen de Raad, ruimere mogelijkheden geboden voor samenwerking en informatie-uitwisseling tussen lidstaten.

20.

Naarmate de situatie evolueert en inperkingsmaatregelen op aanbeveling van de gezondheidsautoriteiten mogelijk worden opgeheven, rijzen er verdere vragen betreffende het heropenen van onderwijs- en opleidingsinstellingen en van bedrijven die leren op de werkplek aanbieden, alsmede betreffende organisatorische en veiligheidsmaatregelen, met name inzake social distancing, sanitaire voorzieningen en hygiëne. In dit verband zijn voldoende personeel, alsook de paraatheid en duurzaamheid van onderwijs- en opleidingsvoorzieningen een aantal van de uitdagingen, met name wat betreft de vraag of deze geschikt zijn om de nodige maatregelen te implementeren.

VERZOEKT DE LIDSTATEN OM, MET INACHTNEMING VAN HET SUBSIDIARITEITSBEGINSEL EN VAN NATIONALE OMSTANDIGHEDEN:

21.

informatie, ervaringen en beste praktijken tussen de lidstaten te blijven uitwisselen over manieren waarop onderwijs en opleiding het best kunnen worden aangepast aan de situatie, afhankelijk van verdere ontwikkelingen in verband met de COVID‐19-crisis, onder meer over verschillende maatregelen betreffende de heropening van onderwijs- en opleidingsinstellingen, het waarborgen van kansengelijkheid, het bevorderen van het welzijn van lerenden en personeel en het verlenen van psychologische bijstand; in dit verband een gestroomlijnde en coherente informatiestroom aan te moedigen en optimaal gebruik te maken van bestaande netwerken;

22.

in overeenstemming met lokale, regionale en nationale omstandigheden de nodige maatregelen te nemen in verband met de heropening van onderwijs- en opleidingsinstellingen, teneinde te zorgen voor de veiligheid van lerenden en personeel, waaronder passende sanitaire en hygiënische omstandigheden, en opnieuw van start te gaan met contactonderwijs en lesactiviteiten, waarbij gelijke kansen worden gewaarborgd;

23.

op basis van de lessen die al zijn getrokken uit de COVID‐19-crisis, en met het oog op de mogelijke langetermijngevolgen van de crisis voor de toekomst van onderwijs en opleiding, mogelijkheden voor innovatie te verkennen en verdere inspanningen te leveren om de digitale transformatie van onderwijs- en opleidingsstelsels te versnellen en, waar nodig, de digitale capaciteit van onderwijs- en opleidingsinstellingen te vergroten en de digitale kloof te dichten;

24.

rekening houdend met de uit de COVID‐19-crisis geleerde lessen, steun te verlenen aan de verdere ontwikkeling van de digitale vaardigheden en competenties van leraren en opleiders, teneinde lesgeven en evalueren in digitale leeromgevingen te faciliteren;

25.

na te gaan, met inachtneming van de institutionele autonomie, of digitaal leren van hoge kwaliteit kan worden geïntegreerd in het onderwijs- en opleidingsaanbod op alle niveaus en in alle soorten onderwijs en opleiding; daarbij aandacht te besteden aan de vraag of de digitale hulpmiddelen geschikt zijn voor de leeftijd en de bijzondere behoeften van lerenden, en of deze hulpmiddelen voldoen aan de gegevensbeschermingsvoorschriften en aan eisen inzake privacy, ethiek, veiligheid en cyberbeveiliging;

26.

mogelijkheden voor het verbeteren van lesgeven en leren te verkennen door middel van monitoring en evaluatie op basis van op bestaande data gerichte onderwijsdatamining, leerprocesanalyse en het gebruik van kunstmatige intelligentie, met de nodige aandacht voor de naleving van de algemene verordening gegevensbescherming (Verordening (EU) 2016/679);

27.

bij het bieden van mogelijkheden voor afstandsonderwijs, digitaal leren en blended leren, extra aandacht te besteden aan het waarborgen van gelijke kansen en permanente toegang tot onderwijs en opleiding van hoge kwaliteit voor lerenden van alle leeftijden, waarbij kwaliteit wordt gewaarborgd en het valideren en erkennen van verworven leerresultaten worden aangemoedigd; bij de herbevestiging van het recht op onderwijs, speciale aandacht te besteden aan het voorkomen van een mogelijke, toename van voortijdig schoolverlaten vanwege de COVID‐19-crisis;

28.

om het negatieve effect van de COVID‐19-crisis op fysieke grensoverschrijdende mobiliteit en samenwerking te verzachten, het gebruik van virtuele mogelijkheden voor mobiliteit en samenwerking aan te moedigen;

29.

samen te werken bij het wegnemen van aan COVID‐19 gerelateerde belemmeringen voor grensoverschrijdende leermobiliteit, waarbij rekening wordt gehouden met de mogelijke gevolgen van verschillende benaderingen wat betreft evaluatie, mogelijk uitgestelde of geannuleerde examens en uitgestelde inschrijving, die een negatief effect kunnen hebben op de mogelijkheden voor leermobiliteit in de volgende jaren;

30.

samen te werken bij het veiligstellen van onderwijsmogelijkheden voor lerenden die dagelijks op en neer reizen tussen aan elkaar grenzende lidstaten, vooral bij langdurige sluiting van de grenzen;

31.

de verdere ontwikkeling van digitale infrastructuur en digitale vaardigheden en competenties te ondersteunen door gebruik te maken van beschikbare financiering in het kader van de programma’s en fondsen van de Unie, met name het Erasmus+-programma, het Europees Solidariteitskorps en de Europese structuur- en investeringsfondsen, het steunprogramma voor structurele hervormingen en de opvolgers ervan, alsmede het nieuwe programma Digitaal Europa.

VERZOEKT DE COMMISSIE OM, CONFORM HAAR BEVOEGDHEDEN EN MET INACHTNEMING VAN HET SUBSIDIARITEITSBEGINSEL:

32.

onderzoek te verrichten naar en resultaten te verspreiden over de gevolgen van de COVID‐19-pandemie en de geleerde lessen op de verschillende onderwijs- en opleidingsniveaus, met de nadruk op leren en lesgeven op afstand, alsmede op de digitale capaciteiten van de onderwijs- en opleidingsstelsels in de lidstaten, als een middel om empirisch onderbouwde nationale beleidsvorming en samenwerking op Unieniveau te versterken teneinde veerkracht en paraatheid op te bouwen om in de toekomst tijdig, effectief en adequaat te kunnen reageren op noodsituaties;

33.

bij het uitwerken van een voorstel voor het Europees herstelplan het transformatieve potentieel van onderwijs en opleiding als drijvende kracht achter een succesvol herstel te erkennen, evenals de noodzaak van investeringen in onderwijs en opleiding, met name in verband met digitaal onderwijs, inclusief infrastructuur en digitale vaardigheden;

34.

lidstaten te ondersteunen door mogelijkheden te bieden voor investeringen in duurzame onderwijs- en opleidingsinfrastructuren, in overeenstemming met de Europese Green Deal, waarbij tevens rekening wordt gehouden met de noodzakelijke capaciteit voor de waarborging van de veiligheid en nodige organisatorische maatregelen als respons op de COVID‐19-crisis;

35.

bij het ontwikkelen van de Europese onderwijsruimte, samen met het strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding na 2020, het nieuwe actieplan voor digitaal onderwijs en de geactualiseerde vaardighedenagenda, rekening te houden met de lessen die zijn getrokken uit de COVID‐19-crisis in verband met de digitale transformatie van onderwijs- en opleidingsstelsels, met speciale aandacht voor kwaliteit en maatschappelijke uitdagingen zoals het zorgen voor inclusie, het bieden van gelijke kansen, het bevorderen van samenhang en het bestrijden van desinformatie;

36.

uitwisselingen over uitdagingen en maatregelen in de lidstaten te blijven faciliteren, onder meer door databanken betreffende open leermiddelen met elkaar te verbinden, en de toegang ertoe en de beschikbaarheid ervan te verbeteren, zodat verschillende methoden voor afstandsonderwijs en bijbehorende hulpmiddelen en materialen gemakkelijker kunnen worden gedeeld; in dit verband voort te bouwen op bestaande mogelijkheden, zoals die welke beschikbaar zijn via eTwinning, de School Education Gateway en Epale (elektronisch platform voor volwassenenonderwijs in Europa); het gebruik van instrumenten voor zelfevaluatie zoals Selfie en HEInnovate te bevorderen ter ondersteuning van de digitale capaciteit en de digitale transformatie van scholen en instellingen voor hoger onderwijs;

37.

verdere praktische informatie te presenteren en onder de lidstaten te verspreiden over de mogelijkheid om de behoeften van onderwijs- en opleidingsstelsels om de gevolgen van de COVID‐19-pandemie te verlichten, te financieren via de investeringsinitiatieven coronavirusrespons (CRII en CRII+) en andere passende financieringsmechanismen;

38.

regelmatig informatie met belanghebbenden en uitvoerende instanties van Erasmus+ en het Europees Solidariteitskorps te blijven uitwisselen over mogelijkheden voor flexibele regelingen bij de uitvoering van leermobiliteit en leerprojecten in het kader van de COVID‐19-crisis;

39.

samen met de lidstaten te zoeken naar middelen om iets te doen aan de meest dringende behoeften in de perioden waarin de fysieke mobiliteit wordt beperkt, door in voorkomend geval flexibiliteit toe te staan om ongebruikte middelen te herschikken tussen Erasmus+-acties;

40.

de lidstaten te ondersteunen bij de verdere ontwikkeling van praktijken bij digitaal onderwijs en van mogelijkheden voor digitaal onderwijs en digitale opleiding, en de gevolgen van de COVID‐19-crisis voor de meest kwetsbare groepen van lerenden aan te pakken door gebruik te maken van de beschikbare mogelijkheden binnen Erasmus+;

41.

te zorgen voor het verspreiden en het bevorderen van het gebruik van geschikte materialen en hulpmiddelen, daaronder begrepen ervaringen met virtuele samenwerking, die voortvloeien uit projecten in het kader van Erasmus+ en het Europees Solidariteitskorps en activiteiten van Europese en nationale coalities voor digitale vaardigheden en banen, die, in een geest van solidariteit tussen de lidstaten, nuttige aanvullende ondersteuning kunnen bieden als respons op de COVID‐19-crisis;

42.

in samenwerking met de lidstaten en met inachtneming van de institutionele autonomie en de nationale context, te beginnen werken aan maatregelen voor het wegnemen van aan COVID‐19 gerelateerde belemmeringen en opnieuw mogelijkheden voor grensoverschrijdende leermobiliteit na de COVID‐19-crisis te benutten, onder meer door duidelijke richtsnoeren te verstrekken over de wijze waarop leermobiliteit in het kader van Erasmus+ kan worden gefaciliteerd;

43.

kwaliteitsvolle virtuele mobiliteit en samenwerking te bevorderen en de ontwikkeling van blended mobiliteit in het kader van het Erasmus+-programma te ondersteunen, er rekening mee houdend dat virtuele mobiliteit fysieke mobiliteit weliswaar niet kan vervangen, maar wel in belangrijke mate kan aanvullen;

44.

nauw samen te werken met internationale organisaties zoals de Raad van Europa, Unesco en de OESO bij het verstrekken en verspreiden van informatie over de gevolgen van COVID‐19 voor onderwijs en opleiding.

(1)  In dit document moet de term lerenden in ruimere zin worden opgevat, namelijk als lerenden in alle soorten en niveaus van onderwijs en opleiding, met inbegrip van voor- en vroegschoolse educatie en kinderopvang, algemeen onderwijs, beroepsonderwijs en ‐opleiding, volwassenenonderwijs en hoger onderwijs.

(2)  Volgens de Talis-enquête van de OESO (2018) voelt minder dan 40 % van de leraren zich goed voorbereid op het gebruik van ICT in het onderwijs.


Top