Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 12019W/TXT(02)

Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie2019/C 384 I/01

XT/21054/2019/INIT

OJ C 384I , 12.11.2019, p. 1–177 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

Date of entry into force unknown (pending notification) or not yet in force., Date of effect: 01/01/1001

12.11.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CI 384/1


AKKOORD

inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie

(2019/C 384 I/01)

DE EUROPESE UNIE EN DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR ATOOMENERGIE,

EN

HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORD-IERLAND,

OVERWEGEND dat het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (hierna “Verenigd Koninkrijk” genoemd) op 29 maart 2017, na de uitslag van een in het Verenigd Koninkrijk gehouden referendum en zijn soevereine besluit de Europese Unie te verlaten, in overeenstemming met Artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna “VEU” genoemd), dat krachtens Artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (hierna “Euratom-Verdrag” genoemd) van toepassing is op Euratom, kennis heeft gegeven van zijn voornemen zich uit de Europese Unie (hierna de “Unie” genoemd) en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (hierna “Euratom” genoemd) terug te trekken,

STREVEND naar de vaststelling van regelingen voor de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie en Euratom, met inachtneming van het kader voor hun toekomstige betrekkingen,

NOTA NEMEND van de richtsnoeren van 29 april en 15 december 2017 en van 23 maart 2018 van de Europese Raad, aan de hand waarvan de Unie het akkoord moet sluiten dat de regelingen bevat voor de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie en Euratom,

ERAAN HERINNEREND dat ingevolge Artikel 50 VEU, juncto Artikel 106 bis van het Euratom-Verdrag en onverminderd de in dit akkoord neergelegde regelingen, het recht van de Unie en van Euratom in zijn geheel niet langer op het Verenigd Koninkrijk van toepassing is met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit akkoord,

BEKLEMTONEND dat dit akkoord als doelstelling heeft te zorgen voor een ordelijke terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie en Euratom,

ERKENNEND dat het nodig is burgers van de Unie en onderdanen van het Verenigd Koninkrijk, alsook hun respectieve familieleden wederzijds bescherming te bieden wanneer zij vóór een in dit akkoord vastgestelde datum een recht op vrij verkeer hebben uitgeoefend en ervoor te zorgen dat hun rechten uit hoofde van dit akkoord afdwingbaar zijn en gebaseerd zijn op het non-discriminatiebeginsel; eveneens erkennend dat rechten uit hoofde van sociale-verzekeringstijdvakken beschermd moeten worden,

VASTBESLOTEN voor een ordelijk verloop van de terugtrekking te zorgen door middel van diverse scheidingsbepalingen waarmee ontwrichting moet worden voorkomen en burgers en marktdeelnemers alsook justitiële en administratieve autoriteiten in de Unie en in het Verenigd Koninkrijk rechtszekerheid moet worden geboden, zonder de mogelijkheid uit te sluiten dat het akkoord of de akkoorden over de toekomstige betrekkingen voorrang krijgen boven relevante scheidingsbepalingen,

OVERWEGEND dat het in het belang van zowel de Unie als het Verenigd Koninkrijk is om een overgangs- of uitvoeringsperiode vast te stellen, tijdens welke – in weerwil van alle gevolgen van de terugtrekking uit de Unie van het Verenigd Koninkrijk wat betreft de deelname van het Verenigd Koninkrijk aan de instellingen, organen en instanties van de Unie, en met name de beëindiging, op de datum van inwerkingtreding van dit akkoord, van de mandaten van alle leden van instellingen, organen en instanties van de Unie die benoemd, aangewezen of verkozen zijn in verband met het lidmaatschap van het Verenigd Koninkrijk van de Unie – het recht van de Unie, met inbegrip van internationale overeenkomsten, van toepassing dient te zijn op en in het Verenigd Koninkrijk, en zulks, in de regel, met dezelfde gevolgen als voor de lidstaten, teneinde ontwrichting in de periode waarin over het akkoord of de akkoorden over de toekomstige betrekkingen wordt onderhandeld, te voorkomen,

ERKENNEND dat, ook hoewel het recht van de Unie tijdens de overgangsperiode op en in het Verenigd Koninkrijk van toepassing zal zijn, de bijzondere kenmerken van het Verenigd Koninkrijk als een staat die zich uit de Unie heeft teruggetrokken, betekenen dat het voor het Verenigd Koninkrijk belangrijk zal zijn om maatregelen te kunnen nemen ter voorbereiding en vaststelling van zijn eigen, nieuwe internationale regelingen, onder meer op gebieden waarop de Unie uitsluitend bevoegd is, mits dergelijke overeenkomsten niet tijdens die periode in werking treden of van toepassing zijn, tenzij de Unie daarvoor toestemming verleent,

ERAAN HERINNEREND dat de Unie en het Verenigd Koninkrijk met elkaar zijn overeengekomen om door middel van een alomvattende financiële regeling de wederzijdse verplichtingen na te komen die zij zijn aangegaan toen het Verenigd Koninkrijk lid van de Unie was,

OVERWEGEND dat het, om de correcte uitlegging en toepassing van dit akkoord en de naleving van de verplichtingen uit hoofde van dit akkoord te garanderen, van wezenlijk belang is om bepalingen vast te stellen die een algeheel beheerskader waarborgen, in het bijzonder bindende regels voor geschillenbeslechting en handhaving die geheel in overeenstemming zijn met de respectieve rechtsordes van de Unie en van het Verenigd Koninkrijk, alsook met de status van derde land van het Verenigd Koninkrijk,

ONDERKENNEND dat het voor een ordelijke terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie ook nodig is om, in afzonderlijke protocollen bij dit akkoord, duurzame regelingen vast te stellen voor de zeer specifieke situaties in verband met Ierland/Noord-Ierland en de zones van Cyprus die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk vallen,

VOORTS ONDERKENNEND dat het voor een ordelijke terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie ook nodig is om in een afzonderlijk protocol bij dit akkoord de specifieke regelingen vast te stellen die in het bijzonder tijdens de overgangsperiode op Gibraltar van toepassing zijn,

BEKLEMTONEND dat dit akkoord is gebaseerd op een algeheel evenwicht wat betreft de voordelen en de rechten en plichten voor de Unie en het Verenigd Koninkrijk,

WIJZEND op het feit dat de partijen parallel aan dit akkoord een Politieke Verklaring waarin het kader wordt geschetst voor de toekomstige betrekkingen tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland hebben vastgesteld,

OVERWEGEND dat zowel het Verenigd Koninkrijk als de Unie alle nodige maatregelen moet nemen om zo snel mogelijk na de datum van inwerkingtreding van dit akkoord de formele onderhandelingen over een of meerdere akkoorden inzake hun toekomstige betrekkingen te starten, teneinde ervoor te zorgen dat deze akkoorden, voor zover mogelijk, vanaf het einde van de overgangsperiode van toepassing zijn,

ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN:

DEEL EEN

GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel 1

Doelstelling

Dit akkoord bevat de regelingen voor de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (hierna “Verenigd Koninkrijk” genoemd) uit de Europese Unie (hierna “Unie” genoemd) en uit de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (hierna “Euratom” genoemd).

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van dit akkoord wordt verstaan onder:

a)

“recht van de Unie”:

i)

het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna “VEU” genoemd), het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna “VWEU” genoemd) en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (hierna “Euratom-Verdrag” genoemd), zoals deze Verdragen zijn gewijzigd of aangevuld, alsook de Toetredingsverdragen en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, hierna samen “de Verdragen” genoemd;

ii)

de algemene beginselen van het recht van de Unie;

iii)

de door de instellingen, organen en instanties van de Unie vastgestelde handelingen;

iv)

de internationale overeenkomsten waarbij de Unie partij is en de internationale overeenkomsten die zijn gesloten door de lidstaten die namens de Unie optreden;

v)

de overeenkomsten tussen lidstaten die deze zijn aangegaan in hun hoedanigheid van lidstaat van de Unie;

vi)

handelingen van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, bijeenkomend in het kader van de Europese Raad of de Raad van de Europese Unie (hierna “de Raad” genoemd);

vii)

de verklaringen die zijn afgelegd in het kader van intergouvernementele conferenties die de Verdragen hebben aangenomen;

b)

“lidstaten”: het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden;

c)

“burger van de Unie”: eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit;

d)

“onderdaan van het Verenigd Koninkrijk”: een onderdaan van het Verenigd Koninkrijk als gedefinieerd in de Nieuwe verklaring van de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland van 31 december 1982 betreffende de definitie van het woord “onderdanen” (1) juncto verklaring nr. 63 die is gehecht aan de Slotakte van de intergouvernementele conferentie die het Verdrag van Lissabon heeft aangenomen (2);

e)

“overgangsperiode”: de in Artikel 126 vastgestelde periode;

f)

“dag”: een kalenderdag, tenzij anders is bepaald in dit akkoord of in de bepalingen van het recht van de Unie die krachtens dit akkoord van toepassing zijn geworden.

Artikel 3

Territoriale werkingssfeer

1.   Tenzij anders is bepaald in dit akkoord of in het recht van de Unie dat krachtens dit akkoord van toepassing is, worden verwijzingen in dit akkoord naar het Verenigd Koninkrijk of het grondgebied daarvan zodanig begrepen dat daaronder vallen:

a)

het Verenigd Koninkrijk;

b)

Gibraltar, voor zover het recht van de Unie daarop vóór de datum van inwerkingtreding van dit akkoord van toepassing was;

c)

de Kanaaleilanden en het Isle of Man voor zover het recht van de Unie daarop vóór de datum van inwerkingtreding van dit akkoord van toepassing was;

d)

Akrotiri en Dhekelia, zijnde de zones van Cyprus die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland vallen, voor zover nodig om de uitvoering te waarborgen van de regelingen als vervat in het protocol betreffende de zones van Cyprus die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland vallen dat gehecht is aan de Akte betreffende de voorwaarden voor de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek tot de Europese Unie;

e)

de in bijlage II bij het VWEU vermelde landen en gebieden overzee die met het Verenigd Koninkrijk bijzondere betrekkingen onderhouden (3), voor zover de bepalingen van dit akkoord betrekking hebben op de speciale regelingen voor de associatie van de landen en gebieden overzee met de Unie.

2.   Tenzij anders is bepaald in dit akkoord of in het recht van de Unie dat krachtens dit akkoord van toepassing is, worden verwijzingen in dit akkoord naar lidstaten of het grondgebied daarvan zodanig begrepen dat daaronder de gebieden van de lidstaten vallen waarop overeenkomstig Artikel 355 VWEU de Verdragen van toepassing zijn.

Artikel 4

Methoden en beginselen met betrekking tot de gevolgen, de uitvoering en de toepassing van dit akkoord

1.   De bepalingen van dit akkoord en de bepalingen van het recht van de Unie die krachtens dit akkoord van toepassing zijn geworden, hebben ten aanzien van en in het Verenigd Koninkrijk dezelfde rechtsgevolgen als in de Unie en haar lidstaten.

Dienovereenkomstig kunnen natuurlijke personen of rechtspersonen zich met name rechtstreeks beroepen op de in dit akkoord opgenomen of bedoelde bepalingen die voldoen aan de voorwaarden voor rechtstreekse werking krachtens het recht van de Unie.

2.   Het Verenigd Koninkrijk waarborgt de naleving van lid 1, met inbegrip van de vereiste bevoegdheden van zijn justitiële en administratieve autoriteiten om tegenstrijdige of onverenigbare nationale bepalingen buiten toepassing te laten, door middel van nationale primaire wetgeving.

3.   De bepalingen van dit akkoord die verwijzen naar het recht van de Unie, of naar begrippen of bepalingen daarin, worden uitgelegd en toegepast overeenkomstig de methoden en algemene beginselen van het recht van de Unie.

4.   De bepalingen van dit akkoord die verwijzen naar het recht van de Unie, of naar begrippen of bepalingen daarin, worden in het kader van hun uitvoering en toepassing uitgelegd overeenkomstig de relevante rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie die is vastgesteld voor het eind van de overgangsperiode.

5.   Bij de uitlegging en toepassing van dit akkoord houden de justitiële en administratieve autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk terdege rekening met de relevante rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie die is vastgesteld na het eind van de overgangsperiode.

Artikel 5

Goede trouw

De Unie en het Verenigd Koninkrijk bieden elkaar ondersteuning bij de uitvoering van uit dit akkoord voortvloeiende taken, waarbij zij elkaar ten volle respecteren en te goeder trouw handelen.

Zij nemen alle passende algemene of specifieke maatregelen om de naleving van de uit dit akkoord voortvloeiende verplichtingen te garanderen en onthouden zich van maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van dit akkoord in gevaar zouden kunnen brengen.

Dit Artikel doet geen afbreuk aan de toepassing van het recht van de Unie uit hoofde van dit akkoord, met name het beginsel van loyale samenwerking.

Artikel 6

Verwijzingen naar Unierecht

1.   Met uitzondering van de delen vier en vijf van dit akkoord en tenzij in dit akkoord anders is bepaald, worden alle verwijzingen daarin naar het recht van de Unie begrepen als verwijzingen naar het recht van de Unie dat op de laatste dag van de overgangsperiode van toepassing is, ook wanneer dit gewijzigd of vervangen is.

2.   Wanneer in dit akkoord wordt verwezen naar handelingen van de Unie of bepalingen daarvan, wordt deze verwijzing, in voorkomend geval, geacht tevens een verwijzing in te houden naar het recht van de Unie of bepalingen daarvan die, hoewel zij door de handeling waarnaar wordt verwezen, vervangen of overbodig zijn geworden, overeenkomstig die handeling van toepassing blijven.

3.   Voor de toepassing van dit akkoord worden verwijzingen naar bepalingen van het recht van de Unie die krachtens dit akkoord van toepassing zijn geworden, geacht tevens een verwijzing in te houden naar de relevante handelingen van de Unie die deze bepalingen aanvullen of ten uitvoer leggen.

Artikel 7

Verwijzingen naar de Unie en andere lidstaten

1.   Voor de toepassing van dit akkoord worden alle verwijzingen naar lidstaten en bevoegde autoriteiten van lidstaten in bepalingen van het recht van de Unie die krachtens dit akkoord van toepassing zijn geworden, zodanig begrepen dat deze het Verenigd Koninkrijk en zijn bevoegde autoriteiten omvatten, tenzij het gaat om:

a)

de benoeming, aanwijzing of verkiezing van leden van de instellingen, organen en instanties van de Unie, alsook de deelname aan de besluitvorming en het bijwonen van vergaderingen van de instellingen;

b)

de deelname aan de besluitvorming en het bestuur van de instellingen, organen en instanties van de Unie;

c)

het bijwonen van de vergaderingen van de in Artikel 3, lid 2, van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (4) bedoelde comités of van deskundigengroepen van de Commissie of van andere vergelijkbare entiteiten, of van de vergaderingen van deskundigengroepen of vergelijkbare entiteiten van organen of instanties van de Unie, tenzij in dit akkoord anders is bepaald.

2.   Tenzij in dit akkoord anders is bepaald, worden alle verwijzingen naar de Unie zodanig begrepen dat deze ook betrekking hebben op Euratom.

Artikel 8

Toegang tot netwerken, informatiesystemen en databanken

Tenzij in dit akkoord anders is bepaald, zal het Verenigd Koninkrijk aan het eind van de overgangsperiode niet langer recht hebben op toegang tot enig netwerk, enig informatiesysteem en enige databank dat of die op grond van het recht van de Unie is opgericht. Het Verenigd Koninkrijk zal passende maatregelen nemen om te waarborgen dat het zich geen toegang verschaft tot netwerken, informatiesystemen of databanken ten aanzien waarvan het geen recht op toegang meer heeft.

DEEL TWEE

RECHTEN VAN DE BURGERS

TITEL I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 9

Definities

Voor de toepassing van dit deel, en onverminderd titel III, wordt verstaan onder:

a)

“familieleden”: de volgende personen die, ongeacht hun nationaliteit, binnen de persoonlijke werkingssfeer vallen als bepaald in Artikel 10 van dit akkoord:

i)

familieleden van burgers van de Unie of familieleden van onderdanen van het Verenigd Koninkrijk als gedefinieerd in Artikel 2, punt 2, van Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad (5);

ii)

andere dan de in Artikel 3, lid 2, van Richtlijn 2004/38/EG gedefinieerde personen wier aanwezigheid voor de burgers van de Unie of de onderdanen van het Verenigd Koninkrijk vereist is, om deze burgers van de Unie of onderdanen van het Verenigd Koninkrijk niet een krachtens dit deel verleend verblijfsrecht te ontzeggen;

b)

“grensarbeiders”: burgers van de Unie of onderdanen van het Verenigd Koninkrijk die in een of meer staten waarin zij niet woonachtig zijn een economische activiteit uitoefenen in overeenstemming met Artikel 45 of Artikel 49 VWEU;

c)

“gastland”:

i)

met betrekking tot burgers van de Unie en hun familieleden: het Verenigd Koninkrijk wanneer zij daar voor het eind van de overgangsperiode overeenkomstig het recht van de Unie hun recht op verblijf hebben uitgeoefend en daarna hun verblijf daar voortzetten;

ii)

met betrekking tot burgers van het Verenigd Koninkrijk en hun familieleden: de lidstaat waarin zij voor het eind van de overgangsperiode overeenkomstig het recht van de Unie hun recht op verblijf hebben uitgeoefend en waarin zij ook daarna hun verblijf voortzetten;

d)

“land van beroepsactiviteit”:

i)

met betrekking tot burgers van de Unie: het Verenigd Koninkrijk wanneer zij daar voor het eind van de overgangsperiode als grensarbeider een economische activiteit hebben uitgeoefend en deze activiteit daar daarna voortzetten;

ii)

met betrekking tot burgers van het Verenigd Koninkrijk: een lidstaat waarin zij voor het eind van de overgangsperiode als grensarbeider een economische activiteit hebben uitgeoefend en waarin zij deze activiteit daarna voortzetten;

e)

“gezagsrecht”: het gezagsrecht als bedoeld in Artikel 2, punt 9, van Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad (6), met inbegrip van het gezagsrecht dat is verkregen ingevolge een beslissing, van rechtswege of bij een rechtsgeldige overeenkomst.

Artikel 10

Personele werkingssfeer

1.   Onverminderd titel III is dit deel van toepassing op de volgende personen:

a)

burgers van de Unie die overeenkomstig het recht van de Unie voor het eind van de overgangsperiode in het Verenigd Koninkrijk hun recht op verblijf hebben uitgeoefend en daarna hun verblijf daar voortzetten;

b)

burgers van het Verenigd Koninkrijk die overeenkomstig het recht van de Unie voor het eind van de overgangsperiode in een lidstaat hun recht op verblijf hebben uitgeoefend en daar ook daarna hun verblijf voortzetten;

c)

burgers van de Unie die overeenkomstig het recht van de Unie voor het eind van de overgangsperiode in het Verenigd Koninkrijk hun recht als grensarbeider hebben uitgeoefend en daar nadien mee doorgaan;

d)

burgers van het Verenigd Koninkrijk die overeenkomstig het recht van de Unie voor het eind van de overgangsperiode in één of meer lidstaten hun recht als grensarbeider hebben uitgeoefend en daar nadien mee doorgaan;

e)

familieleden van een persoon als bedoeld in de punten a) tot en met d), mits zij aan een van de volgende voorwaarden voldoen:

i)

zij verbleven voor het eind van de overgangsperiode overeenkomstig het recht van de Unie in het gastland en zetten hun verblijf daar nadien voort;

ii)

zij waren rechtstreeks verwant aan een persoon als bedoeld in de punten a) tot en met d) en verbleven voor het eind van de overgangsperiode buiten het gastland, mits zij op het moment waarop zij op grond van dit deel een verblijfsvergunning aanvragen teneinde zich bij de persoon als bedoeld in de punten a) tot en met d) van dit lid te voegen, voldoen aan de in Artikel 2, punt 2, van Richtlijn 2004/38/EG vermelde voorwaarden;

iii)

zij werden na het eind van de overgangsperiode, in dan wel buiten het gastland, geboren als kind van of wettelijk geadopteerd door een persoon als bedoeld in de punten a) tot en met d) en voldoen op het moment waarop zij op grond van dit deel een verblijfsvergunning aanvragen teneinde zich bij de persoon als bedoeld in de punten a) tot en met d) van dit lid te voegen, aan de in Artikel 2, punt 2), onder c), van Richtlijn 2004/38/EG vermelde voorwaarden:

beide ouders zijn een persoon als bedoeld in de punten a) tot en met d);

een van de ouders is een persoon als bedoeld in de punten a) tot en met d) en de andere ouder is een onderdaan van het gastland; of

één ouder is een persoon als bedoeld in de punten a) tot en met d) en heeft alleen het gezagsrecht dan wel een gedeeld gezagsrecht over het kind, in overeenstemming met de toepasselijke regels van familierecht van een lidstaat of het Verenigd Koninkrijk, daaronder begrepen de toepasselijke regels van internationaal privaatrecht krachtens welke een op grond van het recht van een derde land vastgesteld gezagsrecht in de lidstaat of het Verenigd Koninkrijk wordt erkend, met name met betrekking tot het belang van het kind en onverminderd de normale werking van dergelijke toepasselijke regels van internationaal privaatrecht (7);

f)

familieleden die voor het eind van de overgangsperiode overeenkomstig de Artikelen 12 en 13, Artikel 16, lid 2, en de Artikelen 17 en 18 van Richtlijn 2004/38/EG in het gastland verbleven en daar ook daarna hun verblijf voortzetten.

2.   Personen die onder Artikel 3, lid 2, onder a) en b), van Richtlijn 2004/38/EG vallen en wier verblijf voor het eind van de overgangsperiode door het gastland overeenkomstig de nationale wetgeving van dat land in overeenstemming met Artikel 3, lid 2, van die richtlijn werd vergemakkelijkt, behouden hun recht van verblijf in het gastland in overeenstemming met dit deel, mits zij ook daarna hun verblijf in het gastland voortzetten.

3.   Lid 2 is ook van toepassing op personen die onder Artikel 3, lid 2, onder a) en b), van Richtlijn 2004/38/EG vallen en die voor het eind van de overgangsperiode om vergemakkelijking van binnenkomst en verblijf hebben verzocht en wier verblijf daarna door het gastland overeenkomstig de nationale wetgeving van dat land wordt vergemakkelijkt.

4.   Onverminderd een persoonlijk verblijfsrecht van de betrokkenen vergemakkelijkt het gastland overeenkomstig zijn nationale wetgeving en Artikel 3, lid 2, onder b), van Richtlijn 2004/38/EG de binnenkomst en het verblijf van de partner met wie de persoon als bedoeld in lid 1, onder a) tot en met d), van dit Artikel een deugdelijk bewezen duurzame relatie heeft, wanneer die partner voor het eind van de overgangsperiode buiten het gastland woonachtig was, mits die relatie al voor het eind van de overgangsperiode duurzaam was en op het tijdstip waarop de partner op grond van dit deel een verblijfsvergunning vraagt, voortduurt.

5.   In de in de leden 3 en 4 bedoelde gevallen onderzoekt het gastland de persoonlijke situatie van de betrokken personen uitgebreid en motiveert het een eventuele weigering van toegang of verblijf.

Artikel 11

Ononderbroken karakter van het verblijf

Voor de toepassing van de Artikelen 9 en 10 laten afwezigheden als bedoeld in Artikel 15, lid 2, het ononderbroken karakter van het verblijf onverlet.

Het duurzame verblijfsrecht dat voor het eind van de overgangsperiode krachtens Richtlijn 2004/38/EG is verkregen, wordt niet als verloren beschouwd vanwege een afwezigheid uit het gastland voor een periode als vermeld in Artikel 15, lid 3.

Artikel 12

Non-discriminatie

Binnen de werkingssfeer van dit deel en onverminderd eventuele daarin vervatte specifieke bepalingen is ten aanzien van de in Artikel 10 van dit akkoord bedoelde personen elke discriminatie op grond van nationaliteit in de zin van Artikel 18, eerste alinea, VWEU, in het gastland en het land van beroepsactiviteit verboden.

TITEL II

RECHTEN EN VERPLICHTINGEN

Hoofdstuk 1

RECHTEN MET BETREKKING TOT VERBLIJF, VERBLIJFSDOCUMENTEN

Artikel 13

Verblijfsrechten

1.   Burgers van de Unie en onderdanen van het Verenigd Koninkrijk hebben het recht in het gastland te verblijven onder de beperkingen en voorwaarden als vermeld in de Artikelen 21, 45 of 49 VWEU en in Artikel 6, lid 1, Artikel 7, lid 1, onder a), b) of c), Artikel 7, lid 3, Artikel 14, Artikel 16, lid 1, of Artikel 17, lid 1, van Richtlijn 2004/38/EG.

2.   Familieleden die ofwel burger van de Unie ofwel onderdaan van het Verenigd Koninkrijk zijn, hebben het recht om in het gastland te verblijven als vermeld in Artikel 21 VWEU en in Artikel 6, lid 1, Artikel 7, lid 1, onder d), Artikel 12, lid 1 of lid 3, Artikel 13, lid 1, Artikel 14, Artikel 16, lid 1, of Artikel 17, leden 3 en 4, van Richtlijn 2004/38/EG, behoudens de in die bepalingen vermelde beperkingen en voorwaarden.

3.   Familieleden die burger van de Unie noch onderdaan van het Verenigd Koninkrijk zijn, hebben het recht om in het gastland te verblijven krachtens Artikel 21 VWEU en als vermeld in Artikel 6, lid 2, Artikel 7, lid 2, Artikel 12, lid 2 of lid 3, Artikel 13, lid 2, Artikel 14, Artikel 16, lid 2, Artikel 17, lid 3 of lid 4, of Artikel 18, van Richtlijn 2004/38/EG, behoudens de beperkingen en voorwaarden die in die bepalingen worden genoemd.

4.   Het gastland mag de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde personen geen andere beperkingen of voorwaarden opleggen inzake het verkrijgen, behouden of verliezen van verblijfsrechten dan die waarin deze titel voorziet. Ten aanzien van de toepassing van de beperkingen en voorwaarden waarin deze titel voorziet, bestaat alleen beoordelingsvrijheid voor zover die in het voordeel van de betrokken persoon is.

Artikel 14

Uitreis- en inreisrecht

1.   Burgers van de Unie en onderdanen van het Verenigd Koninkrijk, hun respectieve familieleden en andere personen, die overeenkomstig de in deze titel vermelde voorwaarden op het grondgebied van het gastland verblijven, hebben het recht het gastland te verlaten en binnen te komen als vermeld in Artikel 4, lid 1, en Artikel 5, lid 1, eerste alinea, van Richtlijn 2004/38/EG, met een geldig paspoort of geldige nationale identiteitskaart in geval van burgers van de Unie en onderdanen van het Verenigd Koninkrijk, en met een geldig paspoort in het geval van hun respectieve familieleden en andere personen, die geen burger van de Unie of onderdaan van het Verenigd Koninkrijk zijn.

Vijf jaar na het eind van de overgangsperiode kan het gastland besluiten om niet langer nationale identiteitskaarten te accepteren voor het binnenkomen of verlaten van zijn grondgebied wanneer dergelijke kaarten geen chip bevatten die voldoet aan de toepasselijke normen van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie op het gebied van biometrische identificatie.

2.   Aan de houders van een overeenkomstig Artikel 18 of Artikel 26 afgegeven geldig document wordt geen uit- of inreisvisumplicht of soortgelijke formaliteit opgelegd.

3.   Wanneer het gastland familieleden die zich na het eind van de overgangsperiode bij de burger van de Unie of de onderdaan van het Verenigd Koninkrijk voegen, ertoe verplicht om over een inreisvisum te beschikken, verleent het gastland deze personen alle faciliteiten om de benodigde visa te verkrijgen. Deze visa worden zo spoedig mogelijk kosteloos afgegeven via een versnelde procedure.

Artikel 15

Duurzaam verblijfsrecht

1.   Burgers van de Unie en onderdanen van het Verenigd Koninkrijk en hun respectieve familieleden die overeenkomstig het recht van de Unie voor een ononderbroken periode van 5 jaar of voor de in Artikel 17 van Richtlijn 2004/38/EG vermelde periode legaal in het gastland hebben verbleven, hebben het recht om duurzaam in het gastland te verblijven onder de voorwaarden als vermeld in de Artikelen 16, 17 en 18 van Richtlijn 2004/38/EG. Bij de berekening van de drempelperiode die voor de verwerving van het duurzaam verblijfsrecht nodig is, wordt rekening gehouden met de perioden van legaal verblijf of werk overeenkomstig het recht van de Unie voor en na het eind van de overgangsperiode.

2.   Met het oog op de verwerving van het duurzaam verblijfsrecht wordt het ononderbroken karakter van het verblijf vastgesteld overeenkomstig Artikel 16, lid 3, en Artikel 21 van Richtlijn 2004/38/EG.

3.   Wanneer het duurzame verblijfsrecht eenmaal is verkregen, kan het slechts worden verloren door een afwezigheid van meer dan 5 achtereenvolgende jaren uit het gastland.

Artikel 16

Accumulatie van perioden

Burgers van de Unie en onderdanen van het Verenigd Koninkrijk en hun respectieve familieleden die voor het eind van de overgangsperiode voor een periode van minder dan 5 jaar legaal in het gastland hebben verbleven overeenkomstig de voorwaarden van Artikel 7 van Richtlijn 2004/38/EG, kunnen het recht van duurzaam verblijf verwerven onder de voorwaarden als vermeld in Artikel 15 van dit akkoord wanneer zij eenmaal aan de voorwaarden inzake de verblijfsperioden hebben voldaan. Bij de berekening van de drempelperiode die voor de verwerving van het duurzaam verblijfsrecht nodig is, wordt rekening gehouden met de perioden van legaal verblijf of werk overeenkomstig het recht van de Unie voor en na het eind van de overgangsperiode.

Artikel 17

Status en wijzigingen

1.   Aan het recht van burgers van de Unie en onderdanen van het Verenigd Koninkrijk en hun respectieve familieleden om zich rechtstreeks op dit deel te beroepen, wordt geen afbreuk gedaan door een wijziging van hun status, bijvoorbeeld wanneer zij de status van student, werknemer, zelfstandige of economisch inactief persoon verruilen voor een van de drie andere statussen. Personen die aan het eind van de overgangsperiode een verblijfsrecht genieten in hun hoedanigheid van familielid van een burger van de Unie of onderdaan van het Verenigd Koninkrijk, kunnen geen persoon worden als bedoeld in Artikel 10, lid 1, onder a) tot en met d).

2.   De rechten waarin deze titel voorziet voor familieleden die voor het eind van de overgangsperiode ten laste zijn van burgers van de Unie of onderdanen van het Verenigd Koninkrijk, blijven ook wanneer deze familieleden niet langer ten laste zijn, in stand.

Artikel 18

Afgifte van verblijfsdocumenten

1.   Het gastland kan burgers van de Unie of onderdanen van het Verenigd Koninkrijk, hun respectieve familieleden en andere personen die overeenkomstig de in deze titel vermelde voorwaarden op zijn grondgebied verblijven, verplichten tot het aanvragen van een nieuwe verblijfsstatus waaraan de rechten uit hoofde van deze titel zijn verbonden alsook tot het aanvragen van een document tot staving van deze status, waarvan het formaat ook digitaal mag zijn.

Aan de aanvraag van een dergelijke verblijfstatus zijn de volgende voorwaarden verbonden:

a)

de aanvraagprocedure heeft als doel na te gaan of de aanvrager in aanmerking komt voor de in deze titel vermelde verblijfsrechten. Wanneer dat het geval is, heeft de aanvrager recht op verlening van de verblijfsstatus en op het document ter staving van die status;

b)

de uiterste termijn voor het indienen van de aanvraag bedraagt niet minder dan 6 maanden te rekenen vanaf het eind van de overgangsperiode, voor personen die voor het eind van de overgangsperiode in het gastland verblijven.

Voor personen die het recht hebben hun verblijf in het gastland overeenkomstig deze titel aan te vangen na het eind van de overgangsperiode, is de uiterste termijn voor het indienen van de aanvraag 3 maanden na hun aankomst of, indien dat later is, na het verstrijken van de in de eerste alinea bedoelde uiterste termijn.

Een verklaring dat de aanvraag voor een verblijfsstatus is ingediend, wordt onmiddellijk afgegeven;

c)

de uiterste termijn voor de indiening van de onder b) bedoelde aanvraag wordt automatisch met 1 jaar verlengd wanneer de Unie het Verenigd Koninkrijk of het Verenigd Koninkrijk de Unie ervan in kennis heeft gesteld dat het gastland door technische problemen ervan wordt weerhouden de aanvraag te registreren of de verklaring dat de aanvraag is ingediend, als bedoeld onder b), af te geven. Het gastland publiceert die kennisgeving en verstrekt de betrokken personen tijdig passende openbare informatie;

d)

wanneer de betrokken personen de onder b) bedoelde uiterste termijn voor het indienen van de aanvraag niet in acht nemen, beoordelen de bevoegde autoriteiten alle omstandigheden waaronder en redenen waarom de uiterste termijn niet in acht is genomen en bieden zij deze personen een redelijke aanvullende termijn voor het indienen van een aanvraag, wanneer er voor het niet in acht nemen van de uiterste termijn redelijke gronden zijn;

e)

het gastland waarborgt dat alle administratieve procedures inzake aanvragen soepel, transparant en eenvoudig zijn en dat alle onnodige administratieve lasten worden vermeden;

f)

aanvraagformulieren zijn bondig, eenvoudig en gebruiksvriendelijk en aangepast aan de context van dit akkoord; door familieleden tegelijkertijd ingediende aanvragen worden tezamen behandeld;

g)

het document ter staving van de status wordt kosteloos verstrekt of tegen een bedrag dat niet hoger is dan het voor de afgifte van soortgelijke documenten van eigen burgers of onderdanen van het gastland verlangde bedrag;

h)

personen die voor het eind van de overgangsperiode in het bezit zijn van een krachtens Artikel 19 of Artikel 20 van Richtlijn 2004/38/EG afgegeven geldig permanent verblijfsdocument of van een geldig, nationaal immigratiedocument dat een permanent recht op verblijf in het gastland verleent, hebben het recht om dat document binnen de in dit lid, onder b), bedoelde periode in te wisselen voor een nieuw verblijfsdocument, nadat zij daartoe een aanvraag hebben ingediend en na controle van hun identiteit, een controle van hun strafrechtelijke antecedenten en een veiligheidscontrole overeenkomstig punt p) van dit lid, en een bevestiging van dat zij nog steeds verblijf houden; dergelijke nieuwe verblijfsdocumenten worden kosteloos verstrekt;

i)

de identiteit van de aanvragers wordt gecontroleerd door middel van de overlegging van een geldig paspoort of een geldige nationale identiteitskaart voor burgers van de Unie en onderdanen van het Verenigd Koninkrijk, en door middel van de overlegging van een geldig paspoort voor hun respectieve familieleden en andere personen die geen burger van de Unie of onderdaan van het Verenigd Koninkrijk zijn; aan de aanvaarding van dergelijke identiteitsdocumenten mogen geen andere voorwaarden worden gesteld dan de geldigheid van het document. Wanneer de bevoegde autoriteiten van het gastland het identiteitsdocument gedurende de aanvraagprocedure onder zich houden, geeft het gastland dat document op verzoek onverwijld terug voordat de beslissing over de aanvraag is genomen;

j)

van andere bewijsstukken dan identiteitsdocumenten, zoals documenten inzake de burgerlijke staat, mag een kopie worden overgelegd. Originelen van bewijsstukken kunnen alleen in specifieke gevallen worden verlangd, wanneer er redelijke twijfel bestaat over de authenticiteit van de overgelegde bewijsstukken;

k)

het gastland kan burgers van de Unie en onderdanen van het Verenigd Koninkrijk alleen ertoe verplichten om, naast de in dit lid, onder i), bedoelde identiteitsdocumenten, de volgende bewijsstukken, als bedoeld in Artikel 8, lid 3, van Richtlijn 2004/38/EG te overleggen:

i)

wanneer zij overeenkomstig Artikel 7, lid 1, onder a), van Richtlijn 2004/38/EG in het gastland verblijven als werknemer of zelfstandige: een verklaring van indienstneming of tewerkstelling, dan wel bewijs dat zij zelfstandige zijn;

ii)

wanneer zij overeenkomstig Artikel 7, lid 1, onder b), van Richtlijn 2004/38/EG als economisch niet actieve personen in het gastland verblijven: bewijs dat zij voor zichzelf en voor hun familieleden over voldoende bestaansmiddelen beschikken om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het socialebijstandsstelsel van het gastland, en over een verzekering beschikken die de ziektekosten in het gastland volledig dekt; of

iii)

wanneer zij overeenkomstig Artikel 7, lid 1, onder c), van Richtlijn 2004/38/EG als student in het gastland verblijven: bewijs dat zij zijn ingeschreven aan een instelling die door het gastland overeenkomstig de wetgeving of administratieve praktijk is erkend of wordt gefinancierd, bewijs van een verzekering die de ziektekosten volledig dekt en een verklaring of een gelijkwaardig bewijsmiddel dat de zekerheid verschaft dat zij over voldoende middelen beschikken om te voorkomen dat zij of hun familieleden tijdens hun verblijf ten laste komen van het socialebijstandsstelsel van het gastland. Het gastland mag niet verlangen dat dergelijke verklaringen een specifiek bedrag van bestaansmiddelen vermelden.

Ten aanzien van de voorwaarde inzake voldoende bestaansmiddelen is Artikel 8, lid 4, van Richtlijn 2004/38/EG van toepassing;

l)

het gastland mag familieleden op wie Artikel 10, lid 1, onder e), punt i), of Artikel 10, lid 2 of lid 3, van dit akkoord van toepassing is en die overeenkomstig Artikel 7, lid 1, onder d), of Artikel 7, lid 2, van Richtlijn 2004/38/EG, in het gastland verblijven, er alleen toe verplichten om, naast de in dit lid, onder i), bedoelde identiteitsdocumenten, de volgende bewijsstukken als bedoeld in Artikel 8, lid 5, of Artikel 10, lid 2, van Richtlijn 2004/38/EG te overleggen:

i)

een document waaruit de verwantschap of het bestaan van een geregistreerd partnerschap blijkt;

ii)

een verklaring van inschrijving of, indien een inschrijvingssysteem ontbreekt, een ander bewijs dat de burger van de Unie of de onderdaan van het Verenigd Koninkrijk bij wie zij verblijven, daadwerkelijk in het gastland verblijft;

iii)

voor rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn onder de leeftijd van 21 jaar of die te hunnen laste zijn en voor rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn die te hunnen laste zijn, alsmede voor die van de echtgenoot of geregistreerde partner, stukken ter staving dat aan de voorwaarden van Artikel 2, lid 2, onder c) of d), van Richtlijn 2004/38/EG is voldaan;

iv)

voor de personen als bedoeld in Artikel 10, lid 2 of lid 3, van dit akkoord: een door de desbetreffende autoriteit in het gastland overeenkomstig Artikel 3, lid 2, van Richtlijn 2004/38/EG afgegeven document.

Met betrekking tot de voorwaarde inzake toereikende middelen van bestaan, is ten aanzien van familieleden die zelf burger van de Unie of onderdaan van het Verenigd Koninkrijk zijn, Artikel 8, lid 4, van Richtlijn 2004/38/EG van toepassing;

m)

het gastland mag familieleden op wie Artikel 10, lid 1, onder e), punt ii), lid 2, of Artikel 10, lid 4, van dit akkoord toepassing is, er alleen toe verplichten om, naast de in dit lid, onder i), bedoelde identiteitsdocumenten, de volgende bewijsstukken als bedoeld in Artikel 8, lid 5, en Artikel 10, lid 2, van Richtlijn 2004/38/EG te overleggen:

i)

een document waaruit de verwantschap of het bestaan van een geregistreerd partnerschap blijkt;

ii)

een verklaring van inschrijving of, indien een inschrijvingssysteem ontbreekt, een ander bewijs van verblijf in het gastland, van de burger van de Unie of van de onderdaan van het Verenigd Koninkrijk bij wie zij zich in het gastland voegen;

iii)

voor echtgenoten of geregistreerde partners: een document waaruit de verwantschap of het bestaan van een geregistreerd partnerschap voor het eind van de overgangsperiode blijkt;

iv)

voor rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn onder de leeftijd van 21 jaar of die te hunnen laste zijn en voor rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn die te hunnen laste zijn, alsmede voor die van de echtgenoot of geregistreerde partner: stukken ter staving dat zij voor het eind van de overgangsperiode verwant waren met burgers van de Unie of onderdanen van het Verenigd Koninkrijk en aan de voorwaarden van Artikel 2, lid 2, onder c) of d), van Richtlijn 2004/38/EG inzake leeftijd of afhankelijkheid voldoen;

v)

voor de personen als bedoeld in Artikel 10, lid 4, van dit akkoord: bewijs dat voor het eind van de overgangsperiode een duurzame relatie met een burger van de Unie of een onderdaan van het Verenigd Koninkrijk bestond, die ook daarna voortduurt;

n)

voor andere gevallen dan die vermeld onder k), l) en m), verplicht het gastland aanvragers niet tot het overleggen van bewijsstukken die verder gaan dan wat strikt noodzakelijk en evenredig is om aan te tonen dat aan de voorwaarden inzake het recht van verblijf uit hoofde van deze titel is voldaan;

o)

de bevoegde autoriteiten van het gastland helpen de aanvragers om aan te tonen dat zij in aanmerking komen en om eventuele fouten of omissies in hun aanvragen te voorkomen; zij bieden de aanvragers de gelegenheid om aanvullend bewijs te overleggen en om eventuele tekortkomingen, fouten of omissies te verhelpen;

p)

aanvragers kunnen systematisch aan een controle van hun strafrechtelijke antecedenten en een veiligheidscontrole worden onderworpen met als enig doel na te gaan of de in Artikel 20 van dit akkoord vermelde beperkingen eventueel van toepassing zijn. Daartoe kunnen aanvragers ertoe worden verplicht strafrechtelijke veroordelingen te vermelden die ten tijde van de aanvraag overeenkomstig het recht van het land van veroordeling in hun strafblad zijn opgenomen. Wanneer het gastland dat van wezenlijk belang acht, kan het ten aanzien van de raadpleging van andere landen over eerdere strafrechtelijke gegevens de procedure toepassen van Artikel 27, lid 3, van Richtlijn 2004/38/EG;

q)

het nieuwe verblijfsdocument bevat een verklaring dat het overeenkomstig dit akkoord is afgegeven;

r)

de aanvrager heeft in het gastland toegang tot gerechtelijke en, in voorkomend geval, administratieve rechtsmiddelen om tegen een besluit waarbij hem de verblijfsstatus wordt geweigerd, beroep in te stellen. De rechtsmiddelen voorzien in de mogelijkheid van onderzoek van de wettigheid van het besluit, alsmede van de feiten en omstandigheden die het voorgenomen besluit rechtvaardigen. Dergelijke rechtsmiddelen garanderen dat het besluit niet onevenredig is.

2.   Tijdens de in lid 1, onder b), van dit Artikel bedoelde periode en de eventuele verlenging daarvan met één jaar uit hoofde van dat lid, onder c), worden alle rechten waarin dit deel voorziet, geacht van toepassing te zijn op burgers van de Unie of onderdanen van het Verenigd Koninkrijk, hun respectieve familieleden en andere personen die in het gastland verblijven, overeenkomstig de voorwaarden en behoudens de beperkingen als vermeld in Artikel 20.

3.   In afwachting van een eindbeslissing van de bevoegde autoriteiten over een aanvraag als bedoeld in lid 1, en in afwachting van een eindbeslissing ingeval een rechtsmiddel is ingesteld tegen een afwijzing van een dergelijke aanvraag door de bevoegde administratieve autoriteiten, worden alle rechten waarin dit deel voorziet, geacht op de aanvrager van toepassing te zijn, met inbegrip van Artikel 21 inzake waarborgen en het recht van beroep en onverminderd de voorwaarden als vermeld in Artikel 20, lid 4.

4.   Wanneer een gastland ervoor heeft gekozen om burgers van de Unie of onderdanen van het Verenigd Koninkrijk, hun familieleden, en andere personen die overeenkomstig de in deze titel vermelde voorwaarden op zijn grondgebied verblijven, niet ertoe te verplichten om als een voorwaarde voor legaal verblijf een nieuwe verblijfsstatus als bedoeld in lid 1 aan te vragen, hebben degenen die op grond van deze titel in aanmerking komen voor een verblijfsrecht, het recht om overeenkomstig de voorwaarden als vermeld in Richtlijn 2004/38/EG een verblijfsdocument te ontvangen, dat digitaal van vorm kan zijn en een verklaring bevat dat het in overeenstemming met dit akkoord is afgegeven.

Artikel 19

Afgifte van verblijfsdocumenten tijdens de overgangsperiode

1.   Tijdens de overgangsperiode kan een gastland toestaan dat aanvragen voor een verblijfsvergunning of een verblijfsdocument als bedoeld in Artikel 18, leden 1 en 4, met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit akkoord op basis van vrijwilligheid worden ingediend.

2.   Besluiten om dergelijke aanvragen te aanvaarden of te weigeren worden in overeenstemming met Artikel 18, leden 1 en 4, genomen. Besluiten uit hoofde van Artikel 18, lid 1, blijven tot na het eind van de overgangsperiode zonder gevolg.

3.   Wanneer een aanvraag uit hoofde van Artikel 18, lid 1, voor het eind van de overgangsperiode wordt aanvaard, mag het gastland het besluit waarbij de verblijfsstatus wordt verleend, niet voor het eind van de overgangsperiode intrekken op andere gronden dan die welke worden vermeld in hoofdstuk VI en Artikel 35 van Richtlijn 2004/38/EG.

4.   Wanneer een aanvraag voor het eind van de overgangsperiode wordt afgewezen, kan de aanvrager op eender welk moment voor het verstrijken van de in Artikel 18, lid 1, onder b), vermelde periode een nieuwe aanvraag indienen.

5.   Onverminderd lid 4 kunnen de rechtsmiddelen uit hoofde van Artikel 18, lid 1, onder r), worden ingesteld met ingang van de datum van een besluit tot weigering van een aanvraag als bedoeld in lid 2 van dit Artikel.

Artikel 20

Beperkingen van het recht van verblijf en het recht van binnenkomst

1.   Het gedrag van burgers van de Unie of van onderdanen van het Verenigd Koninkrijk, hun familieleden en andere personen die rechten uit hoofde van deze titel uitoefenen, wordt, wanneer dat gedrag zich voor het eind van de overgangsperiode voordeed, overeenkomstig hoofdstuk VI van Richtlijn 2004/38/EG in aanmerking genomen.

2.   Het gedrag van burgers van de Unie of van onderdanen van het Verenigd Koninkrijk, hun familieleden en andere personen die rechten uit hoofde van deze titel uitoefenen, kan, wanneer dat gedrag zich na het eind van de overgangsperiode voordeed, gronden opleveren voor een beperking van het recht van verblijf door het gastland of van het recht van binnenkomst in het land van beroepsactiviteit overeenkomstig nationaal recht.

3.   Het gastland of het land van beroepsactiviteit kan de noodzakelijke maatregelen vaststellen om een krachtens deze titel verleend recht te weigeren, beëindigen of in te trekken, in geval van misbruik van dat recht of fraude, als bedoeld in Artikel 35 van Richtlijn 2004/38/EG. Deze maatregelen zijn onderworpen aan de procedurele waarborgen van Artikel 21 van dit akkoord.

4.   Het gastland of het land van beroepsactiviteiten kan aanvragers die een aanvraag hebben ingediend waarbij sprake van fraude of misbruik is, van zijn grondgebied verwijderen onder de voorwaarden als vermeld in Richtlijn 2004/38/EG, met name de Artikelen 31 en 35, en dat nog voordat een eindbeslissing is gegeven ingeval een rechtsmiddel is ingesteld tegen een eventuele afwijzing van een dergelijke aanvraag.

Artikel 21

Waarborgen en recht van beroep

De in Artikel 15 en hoofdstuk VI van Richtlijn 2004/38/EG vermelde waarborgen zijn van toepassing op elk besluit van het gastland waarbij verblijfsrechten van de in Artikel 10 van dit akkoord vermelde personen worden beperkt.

Artikel 22

Bijbehorende rechten

In overeenstemming met Artikel 23 van Richtlijn 2004/38/EG hebben de familieleden van een burger van de Unie of een onderdaan van het Verenigd Koninkrijk die in het gastland of het land van beroepsactiviteit verblijfsrecht of duurzaam verblijfsrecht genieten, ongeacht hun nationaliteit, het recht daar een activiteit als werknemer of zelfstandige uit te oefenen.

Artikel 23

Gelijke behandeling

1.   In overeenstemming met Artikel 24 van Richtlijn 2004/38/EG en onverminderd de in deze titel en titel I en titel IV van dit deel opgenomen specifieke bepalingen, genieten alle burgers van de Unie of onderdanen van het Verenigd Koninkrijk die op basis van dit akkoord op het grondgebied van het gastland verblijven, binnen het toepassingsgebied van dit deel dezelfde behandeling als de onderdanen van dat land. De voordelen van dit recht gelden ook voor familieleden van burgers van de Unie of onderdanen van het Verenigd Koninkrijk die verblijfsrecht of duurzaam verblijfsrecht genieten.

2.   In afwijking van lid 1 is het gastland niet verplicht een recht op sociale bijstand toe te kennen gedurende perioden van verblijf op grond van Artikel 6 of Artikel 14, lid 4, onder b), van Richtlijn 2004/38/EG, en is het evenmin verplicht om voordat iemand het duurzaam verblijfsrecht overeenkomstig Artikel 15 van dit akkoord verwerft, steun voor levensonderhoud toe te kennen voor studies, inclusief beroepsopleiding, in de vorm van een studiebeurs of -lening, aan andere personen dan werknemers of zelfstandigen, dan wel personen die deze status hebben behouden, of hun familieleden.

Hoofdstuk 2

RECHTEN VAN WERKNEMERS EN ZELFSTANDIGEN

Artikel 24

Rechten van werknemers

1.   Onverminderd de beperkingen vermeld in Artikel 45, leden 3 en 4, VWEU, genieten werknemers in het gastland en grensarbeiders in het land of de landen van beroepsactiviteit de door Artikel 45 VWEU gewaarborgde rechten alsmede de rechten die worden verleend door Verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad (8). Daarbij gaat het onder meer om de volgende rechten:

a)

het recht om niet te worden gediscrimineerd op grond van nationaliteit wat betreft werkgelegenheid, beloning en overige arbeidsvoorwaarden;

b)

het recht op toegang tot werkzaamheden en de uitoefening daarvan overeenkomstig de regels die van toepassing zijn op de onderdanen van het gastland of het land van beroepsactiviteit;

c)

het recht op dezelfde bijstand als de arbeidsbureaus van het gastland of het land van beroepsactiviteit aan de eigen onderdanen van dat land verlenen;

d)

het recht op gelijke behandeling wat betreft de voorwaarden voor tewerkstelling en arbeid, met name op het gebied van beloning, ontslag, en, ingeval van werkloosheid, wederinschakeling in het beroep of wedertewerkstelling;

e)

het recht op sociale en fiscale voordelen;

f)

collectieve rechten;

g)

de rechten en voordelen die nationale werknemers op het gebied van huisvesting worden toegekend;

h)

het recht op toelating van hun kinderen tot het algemeen onderwijs, het leerlingstelsel en de beroepsopleiding, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van het gastland of het land van beroepsactiviteit, indien deze kinderen verblijven op het grondgebied waar de werknemer arbeid verricht.

2.   Wanneer een rechtstreekse bloedverwant in neergaande lijn van een werknemer die niet langer in het gastland verblijft, in dat land onderwijs of een opleiding volgt, heeft degene die het ouderlijk gezag over die bloedverwant uitoefent het recht om in dat land te verblijven totdat die bloedverwant meerderjarig wordt, en na het bereiken van de meerderjarigheid wanneer die bloedverwant de aanwezigheid en zorg van degene met het ouderlijk gezag nog nodig heeft om het onderwijs of de opleiding die hij krijgt voort te zetten en te voltooien.

3.   Grensarbeiders in loondienst hebben het recht om overeenkomstig Artikel 14 van dit akkoord het land van beroepsactiviteit binnen te komen en te verlaten en behouden de rechten die zij daar als werknemers genoten, mits zij in een van de in Artikel 7, lid 3, onder a), b), c) en d), van Richtlijn 2004/38/EG beschreven situaties verkeren, ook al vestigen zij zich niet in het land van beroepsactiviteit.

Artikel 25

Rechten van zelfstandigen

1.   Onverminderd de beperkingen als vermeld in de Artikelen 51 en 52 VWEU, genieten zelfstandigen in het gastland en zelfstandige grensarbeiders in het land of de landen van beroepsactiviteit de door de Artikelen 49 en 55 VWEU gewaarborgde rechten. Daarbij gaat het onder meer om de volgende rechten:

a)

het recht op toegang tot en uitoefening van werkzaamheden anders dan in loondienst alsmede de oprichting en het beheer van ondernemingen, overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgeving van het gastland voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld, als vermeld in Artikel 49 VWEU;

b)

de rechten als vermeld in Artikel 24, lid 1, onder c) tot en met h), van dit akkoord.

2.   Artikel 24, lid 2, is van toepassing op rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn van zelfstandigen.

3.   Artikel 24, lid 3, is van toepassing op zelfstandige grensarbeiders.

Artikel 26

Afgifte van een document tot vaststelling van de rechten van grensarbeiders

Het land van beroepsactiviteit kan burgers van de Unie en onderdanen van het Verenigd Koninkrijk die rechten als grensarbeider uit hoofde van deze titel genieten, ertoe verplichten een document aan te vragen waaruit formeel blijkt dat zij dergelijke rechten uit hoofde van deze titel genieten. Deze burgers van de Unie en onderdanen van het Verenigd Koninkrijk hebben er recht op dat hun een dergelijk document wordt verstrekt.

Hoofdstuk 3

BEROEPSKWALIFICATIES

Artikel 27

Erkende beroepskwalificaties

1.   De gevolgen van de erkenning, voor het eind van overgangsperiode, van beroepskwalificaties als gedefinieerd in Artikel 3, lid 1, onder b), van Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad (9), van burgers van de Unie of onderdanen van het Verenigd Koninkrijk, en hun familieleden, door hun gastland of land van beroepsactiviteit, blijven in het betreffende land gehandhaafd, met inbegrip van het recht hun beroepsactiviteit uit te oefenen onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van dat land, mits de erkenning plaatsvond overeenkomstig een van de volgende bepalingen:

a)

titel III van Richtlijn 2005/36/EG met betrekking tot de erkenning van beroepskwalificaties in het kader van de uitoefening van de vrijheid van vestiging, ongeacht of deze erkenning viel onder het algemene stelsel van erkenning van opleidingstitels, het stelsel van erkenning van beroepservaring of het stelsel van erkenning op basis van de coördinatie van de minimumopleidingseisen;

b)

Artikel 10, leden 1 en 3, van Richtlijn 98/5/EG, van het Europees Parlement en de Raad (10) met betrekking tot het verkrijgen van toegang tot het beroep van advocaat in het gastland of het land van beroepsactiviteit;

c)

Artikel 14, van Richtlijn 2006/43/EG, van het Europees Parlement en de Raad (11) met betrekking tot de toelating van wettelijke auditors uit andere lidstaten;

d)

Richtlijn 74/556/EEG van de Raad (12) wat betreft de aanvaarding van bewijs van de kennis en bekwaamheid die nodig zijn voor de toegang tot en de verrichting van werkzaamheden door anders dan in loondienst werkzame personen of door tussenpersonen, die zich bezighouden met de handel in en de distributie van giftige producten of met werkzaamheden die het beroepsmatig gebruik van giftige producten meebrengen.

2.   De erkenning van beroepskwalificaties voor de toepassing van lid 1, onder a), van dit Artikel omvat:

a)

de erkenning van beroepskwalificaties ten aanzien waarvan Artikel 3, lid 3, van Richtlijn 2005/36/EG is toegepast;

b)

besluiten waarbij overeenkomstig Artikel 4 septies van Richtlijn 2005/36/EG gedeeltelijke toegang tot een beroepsactiviteit wordt verleend;

c)

de uit hoofde van Artikel 4 quinquies van Richtlijn 2005/36/EG verleende erkenning van beroepskwalificaties met het oog op vestiging.

Artikel 28

Hangende procedures inzake de erkenning van beroepskwalificaties

Artikel 4, Artikel 4 quinquies met betrekking tot de erkenning van beroepskwalificaties voor vestigingsdoeleinden, Artikel 4 septies, en titel III van Richtlijn 2005/36/EG, Artikel 10, leden 1, 3 en 4, van Richtlijn 98/5/EG, Artikel 14 van Richtlijn 2006/43/EG en Richtlijn 74/556/EEG zijn van toepassing op het onderzoek door een bevoegde autoriteit van het gastland of het land van beroepsactiviteit van alle aanvragen voor de erkenning van beroepskwalificaties die voor het eind van de overgangsperiode door burgers van de Unie of onderdanen van het Verenigd Koninkrijk zijn ingediend en op de besluiten inzake deze aanvragen.

De Artikelen 4 bis, 4 ter en 4 sexies van Richtlijn 2005/36/EG zijn ook van toepassing voor zover zij relevant zijn voor de voltooiing van de procedures voor de erkenning van beroepskwalificaties voor vestigingsdoeleinden uit hoofde van Artikel 4 quinquies van die richtlijn.

Artikel 29

Administratieve samenwerking inzake de erkenning van beroepskwalificaties

1.   Met betrekking tot de aanhangige aanvragen als bedoeld in Artikel 28 werken het Verenigd Koninkrijk en de lidstaten samen teneinde de toepassing van Artikel 28 te vergemakkelijken. De samenwerking kan bestaan in de uitwisseling van informatie, waaronder informatie over disciplinaire maatregelen of opgelegde strafrechtelijke sancties of andere ernstige en specifieke omstandigheden die waarschijnlijk gevolgen hebben voor de uitoefening van de werkzaamheden waarop de in Artikel 28 bedoelde richtlijnen van toepassing zijn.

2.   In afwijking van Artikel 8 is het Verenigd Koninkrijk voor een periode van maximaal 9 maanden na het eind van de overgangsperiode gerechtigd om het Informatiesysteem interne markt te gebruiken voor alle in Artikel 28 bedoelde aanvragen, voor zover deze betrekking hebben op procedures voor de erkenning van beroepskwalificaties voor vestigingsdoeleinden uit hoofde van Artikel 4 quinquies van Richtlijn 2005/36/EG.

TITEL III

COÖRDINATIE VAN DE SOCIALEZEKERHEIDSSTELSELS

Artikel 30

Personele werkingssfeer

1.   Deze titel is van toepassing op de volgende personen:

a)

burgers van de Unie op wie aan het eind van de overgangsperiode de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk van toepassing is, alsmede hun familieleden en nabestaanden;

b)

onderdanen van het Verenigd Koninkrijk op wie aan het eind van de overgangsperiode de wetgeving van een lidstaat van toepassing is, alsmede hun familieleden en nabestaanden;

c)

burgers van de Unie die in het Verenigd Koninkrijk wonen en op wie aan het eind van de overgangsperiode de wetgeving van een lidstaat van toepassing is, alsmede hun familieleden en nabestaanden;

d)

onderdanen van het Verenigd Koninkrijk die in een lidstaat wonen en op wie aan het eind van de overgangsperiode de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk van toepassing is, alsmede hun familieleden en nabestaanden;

e)

personen die niet onder de punten a) tot en met d) vallen, maar:

i)

burgers van de Unie zijn die aan het eind van de overgangsperiode in het Verenigd Koninkrijk werkzaamheden in loondienst of als zelfstandige verrichten en op wie krachtens titel II van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad (13) de wetgeving van een lidstaat van toepassing is, alsmede hun familieleden en nabestaanden;

ii)

onderdanen van het Verenigd Koninkrijk zijn die aan het eind van de overgangsperiode in een of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst of als zelfstandige verrichten en op wie krachtens titel II van Verordening (EG) nr. 883/2004 de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk van toepassing is, alsmede hun familieleden en nabestaanden;

f)

staatlozen en vluchtelingen die in een lidstaat of in het Verenigd Koninkrijk wonen en die zich in een van de onder a) tot en met e) bedoelde situaties bevinden, alsmede hun familieleden en nabestaanden;

g)

onderdanen van derde landen, alsmede hun familieleden en nabestaanden, die zich in een van de onder a) tot en met e) bedoelde situaties bevinden, mits zij aan de voorwaarden van Verordening (EG) nr. 859/2003 van de Raad (14) voldoen.

2.   De in lid 1 bedoelde personen vallen binnen de werkingssfeer zo lang zij zich ononderbroken blijven bevinden in een van de in dat lid genoemde situaties waarbij tegelijkertijd zowel een lidstaat als het Verenigd Koninkrijk betrokken is.

3.   Deze titel is ook van toepassing op personen die niet, of niet langer, onder lid 1, onder a) tot en met e), van dit Artikel, maar onder Artikel 10 van dit akkoord vallen, alsmede hun familieleden en nabestaanden.

4.   De in lid 3 bedoelde personen vallen binnen de personele werkingssfeer zo lang zij een recht van verblijf in het gastland hebben krachtens Artikel 13 van dit akkoord of een recht om te werken in hun land van beroepsactiviteit krachtens Artikel 24 of 25 van dit akkoord.

5.   Wanneer dit Artikel verwijst naar familieleden en nabestaanden, is deze titel alleen op deze personen van toepassing voor zover zij in die hoedanigheid rechten en verplichtingen ontlenen aan Verordening (EG) nr. 883/2004.

Artikel 31

Regels inzake de coördinatie van socialezekerheidsstelsels

1.   De regels en doelstellingen van Artikel 48 VWEU, Verordening (EG) nr. 883/2004 en Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad (15) zijn van toepassing op de personen die onder deze titel vallen.

De Unie en het Verenigd Koninkrijk houden naar behoren rekening met de besluiten en aanbevelingen van de bij Verordening (EG) nr. 883/2004 bij de Europese Commissie ingestelde Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (hierna “Administratieve Commissie” genoemd), die worden vermeld in deel I van bijlage I bij dit akkoord.

2.   In afwijking van Artikel 9 van dit akkoord zijn voor de toepassing van deze titel de definities in Artikel 1 van Verordening (EG) nr. 883/2004 van toepassing.

3.   Met betrekking tot onderdanen van derde landen die voldoen aan de voorwaarden van Verordening (EC) nr. 859/2003, alsmede hun familieleden en nabestaanden die onder het toepassingsgebied van deze titel vallen, worden de verwijzingen naar Verordening (EG) nr. 883/2004 en Verordening (EG) nr. 987/2009 in deze titel begrepen als verwijzingen naar respectievelijk Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad (16) en Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad (17). Verwijzingen naar specifieke bepalingen van Verordening (EG) nr. 883/2004 en Verordening (EG) nr. 987/2009 worden begrepen als verwijzingen naar de corresponderende bepalingen van Verordening (EEG) nr. 1408/71 en Verordening (EEG) nr. 574/72.

Artikel 32

Bijzondere situaties

1.   De volgende regels zijn van toepassing op de hierna genoemde situaties, in de mate die is vastgesteld in dit Artikel, voor zover zij betrekking hebben op personen op wie Artikel 30 niet of niet langer van toepassing is:

a)

deze titel is van toepassing op de volgende personen waar het gaat om de aanspraak op en de samentelling van tijdvakken van verzekering, van werkzaamheid in loondienst of anders dan in loondienst, of van verblijf, met inbegrip van de rechten en verplichtingen die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 883/2004 uit dergelijke tijdvakken voortvloeien:

i)

burgers van de Unie alsmede staatlozen en vluchtelingen die in een lidstaat wonen en onderdanen van derde landen die aan de voorwaarden van Verordening (EG) nr. 859/2003 voldoen, op wie de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk voor het eind van de overgangsperiode van toepassing is geweest, alsmede hun familieleden en nabestaanden;

ii)

onderdanen van het Verenigd Koninkrijk alsmede staatlozen en vluchtelingen die in het Verenigd Koninkrijk wonen en onderdanen van derde landen die aan de voorwaarden van Verordening (EG) nr. 859/2003 voldoen, op wie de wetgeving van een lidstaat voor het eind van de overgangsperiode van toepassing is geweest, alsmede hun familieleden en nabestaanden;

voor de samentelling van tijdvakken wordt overeenkomstig Verordening (EG) nr. 883/2004 rekening gehouden met zowel de voor als na het eind van de overgangsperiode voltooide tijdvakken;

b)

de in de Artikelen 20 en 27 van Verordening (EG) nr. 883/2004 vervatte regels blijven op personen die voor het eind van de overgangsperiode uit hoofde van Verordening (EG) nr. 883/2004 om toestemming voor een reeks geplande behandelingen op het gebied van gezondheidszorg hadden verzocht, van toepassing totdat die behandeling is beëindigd. De daarmee samenhangende procedures voor vergoeding blijven ook na de beëindiging van de behandeling van toepassing. Deze personen en de personen die hen begeleiden, hebben het recht het land van behandeling binnen te komen en te verlaten in overeenstemming met Artikel 14 mutatis mutandis;

c)

de in de Artikelen 19 en 27 van Verordening (EG) nr. 883/2004 vervatte regels blijven van toepassing op personen die onder Verordening (EG) nr. 883/2004 vallen en die aan het eind van de overgangsperiode verblijf houden in een lidstaat of het Verenigd Koninkrijk, tot aan het eind van hun verblijf. De daarmee samenhangende procedures voor vergoeding blijven ook na de beëindiging van het verblijf of de behandeling van toepassing;

d)

zolang aan de voorwaarden wordt voldaan, blijven de in de Artikelen 67, 68 en 69 van Verordening (EG) nr. 883/2004 vervatte regels van toepassing op de toekenning van gezinsbijslagen waarop de volgende personen aan het eind van de overgangsperiode recht hebben:

i)

burgers van de Unie, staatlozen en vluchtelingen die in een lidstaat wonen alsmede onderdanen van derde landen die aan de voorwaarden van Verordening (EG) nr. 859/2003 voldoen en in een lidstaat wonen, welke onder de wetgeving van een lidstaat vallen en familieleden hebben die aan het eind van de overgangsperiode in het Verenigd Koninkrijk wonen;

ii)

onderdanen van het Verenigd Koninkrijk alsmede staatlozen en vluchtelingen die in het Verenigd Koninkrijk wonen en onderdanen van derde landen die aan de voorwaarden van Verordening (EG) nr. 859/2003 voldoen en in het Verenigd Koninkrijk wonen, op wie de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk van toepassing is en die familieleden hebben die aan het eind van de overgangsperiode in een lidstaat wonen;

e)

in de in dit lid, onder d), punten i) en ii), genoemde situaties blijven voor personen die aan het eind van de overgangsperiode als familielid rechten genieten uit hoofde van Verordening (EG) nr. 883/2004, zoals afgeleide rechten op verstrekkingen in geval van ziekte, voornoemde verordening en de overeenkomstige bepalingen van Verordening (EG) nr. 987/2009 van toepassing zolang de daarin gestelde voorwaarden worden vervuld.

2.   De bepalingen van titel III, hoofdstuk 1, van Verordening (EG) nr. 883/2004 met betrekking tot prestaties bij ziekte zijn van toepassing op personen die uit hoofde van lid 1, onder a), van dit Artikel prestaties ontvangen.

Dit lid is mutatis mutandis van toepassing op gezinsuitkeringen op grond van de Artikelen 67, 68 en 69 van Verordening (EG) nr. 883/2004.

Artikel 33

Onderdanen van IJsland, Liechtenstein, Noorwegen en Zwitserland

1.   De op de burgers van de Unie toepasselijke bepalingen van deze titel zijn van toepassing op onderdanen van IJsland, het Vorstendom Liechtenstein, het Koninkrijk Noorwegen en de Zwitserse Bondsstaat, mits:

a)

IJsland, het Vorstendom Liechtenstein, het Koninkrijk Noorwegen en de Zwitserse Bondsstaat, naargelang het geval, met het Verenigd Koninkrijk overeenkomstige, op de burgers van de Unie toepasselijke akkoorden hebben gesloten en deze toepassen; en

b)

IJsland, het Vorstendom Liechtenstein, het Koninkrijk Noorwegen en de Zwitserse Bondsstaat, naargelang het geval, met de Unie overeenkomstige, op de burgers van het Verenigd Koninkrijk toepasselijke akkoorden hebben gesloten en deze toepassen.

2.   Na de kennisgeving van het Verenigd Koninkrijk en van de Unie van de datum van inwerkingtreding van de in lid 1 van dit Artikel bedoelde akkoorden, bepaalt het bij Artikel 164 van dit akkoord opgerichte Gemengd Comité (hierna “Gemengd Comité” genoemd) vanaf welke datum de bepalingen van deze titel van toepassing zijn op de onderdanen van IJsland, het Vorstendom Liechtenstein, het Koninkrijk Noorwegen en de Zwitserse Bondsstaat, naargelang het geval.

Artikel 34

Administratieve samenwerking

1.   In afwijking van Artikel 7 en Artikel 128, lid 1, heeft het Verenigd Koninkrijk met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit akkoord de status van waarnemer in de Administratieve Commissie. Wanneer de onderwerpen op de agenda inzake deze titel betrekking hebben op het Verenigd Koninkrijk, kan het, wanneer dergelijke onderwerpen worden besproken, een vertegenwoordiger als adviseur laten deelnemen aan de vergaderingen van de Administratieve Commissie en de vergaderingen van de in de Artikelen 73 en 74 van Verordening (EG) nr. 883/2004 bedoelde organen.

2.   In afwijking van Artikel 8 neemt het Verenigd Koninkrijk deel aan het systeem voor de elektronische uitwisseling van gegevens betreffende sociale zekerheid (Electronic Exchange of Social Security Information – EESSI) en draagt het de daaraan verbonden kosten.

Artikel 35

Vergoeding, terug- en invordering en verrekening

De bepalingen van Verordeningen (EG) nr. 883/2004 en (EG) nr. 987/2009 inzake vergoeding, terug- en invordering en verrekening blijven van toepassing in verband met gebeurtenissen, voor zover deze betrekking hebben op personen op wie Artikel 30 niet van toepassing is, die:

a)

plaatsvonden voor het eind van de overgangsperiode; of

b)

plaatsvinden na het eind van de overgangsperiode en betrekking hebben op personen op wie de Artikelen 30 of 32 van toepassing waren toen de gebeurtenis plaatsvond.

Artikel 36

Ontwikkeling van recht en aanpassingen van handelingen van de Unie

1.   Wanneer de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 en (EG) nr. 987/2009 na het eind van de overgangsperiode worden gewijzigd of vervangen, worden verwijzingen naar deze verordeningen in dit akkoord begrepen als verwijzingen naar deze verordeningen zoals gewijzigd of vervangen, in overeenstemming met de in deel II van bijlage I bij dit akkoord genoemde handelingen.

Het Gemengd Comité herziet deel II van bijlage I bij dit akkoord en brengt dit in overeenstemming met iedere handeling tot wijziging of vervanging van de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 en (EG) nr. 987/2009, zodra een dergelijke handeling door de Unie is vastgesteld. De Unie geeft daartoe het Verenigd Koninkrijk in het Gemengd Comité zo spoedig mogelijk na de vaststelling kennis van alle handelingen waarbij deze verordeningen worden gewijzigd of vervangen.

2.   In afwijking van lid 1, tweede alinea, beoordeelt het Gemengd Comité de gevolgen van een handeling waarbij de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 en (EG) nr. 987/2009 worden gewijzigd of vervangen, wanneer die handeling:

a)

een wijziging of vervanging inhoudt van de materiële werkingssfeer van Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 883/2004; of

b)

een uitkering exporteerbaar maakt wanneer die uitkering aan het eind van de overgangsperiode op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004 niet-exporteerbaar was, dan wel een uitkering niet-exporteerbaar maakt wanneer die uitkering aan het eind van de overgangsperiode exporteerbaar was; of

c)

een uitkering voor een onbeperkte periode exporteerbaar maakt, terwijl die uitkering aan het eind van de overgangsperiode op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004 slechts voor een beperkte periode exporteerbaar was, dan wel een uitkering slechts voor een beperkte periode exporteerbaar maakt, terwijl die uitkering aan het eind van de overgangsperiode op grond van die verordening voor een onbeperkte periode exporteerbaar was.

Bij het maken van zijn beoordeling houdt het Gemengd Comité te goeder trouw rekening met de omvang van de wijzingen als bedoeld in de eerste alinea van dit lid, alsook met het feit dat het van belang is dat de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 en (EG) nr. 987/2009 tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk goed blijven functioneren en dat er een staat is die binnen de werkingssfeer van Verordening (EG) nr. 883/2004 met betrekking tot natuurlijke personen bevoegd is.

Wanneer het Gemengd Comité binnen 6 maanden na ontvangst van de informatie die de Unie ingevolge lid 1 heeft verstrekt daartoe besluit, wordt deel II van bijlage I bij dit akkoord niet met de in de eerste alinea van dit lid bedoelde handeling in overeenstemming gebracht.

In dit lid wordt verstaan onder:

a)

“exporteerbaar”: betaalbaar uit hoofde van Verordening (EG) nr. 883/2004 aan of met betrekking tot een persoon die in een lidstaat of in het Verenigd Koninkrijk verblijft indien de instelling die voor het verstrekken van de uitkering verantwoordelijk is, daar niet is gevestigd; en

b)

“exporteerbaar voor een onbeperkte periode”: exporteerbaar zolang aan de voorwaarden voor het recht op uitkering wordt voldaan.

3.   Voor de toepassing van dit akkoord worden de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 en (EG) nr. 987/2009 geacht de aanpassingen te bevatten die in deel III van bijlage I bij dit akkoord zijn vermeld. Zo spoedig mogelijk na de vaststelling van enige wijziging in nationale bepalingen die van belang zijn voor deel III van bijlage I bij dit akkoord, geeft het Verenigd Koninkrijk de Unie daarvan kennis in het Gemengd Comité.

4.   Voor de toepassing van dit akkoord worden de besluiten en aanbevelingen van de Administratieve Commissie geacht de in deel I van bijlage I vermelde besluiten en aanbevelingen te omvatten. Het Gemengd Comité wijzigt deel I van bijlage I zodat daarin alle nieuwe, door de Administratieve Commissie vastgestelde besluiten of aanbevelingen worden weergegeven. Daartoe geeft de Unie zo spoedig mogelijk na de vaststelling van besluiten en aanbevelingen van de Administratieve Commissie het Verenigd Koninkrijk daarvan kennis in het Gemengd Comité. Dergelijke wijzigingen worden, op voorstel van de Unie of het Verenigd Koninkrijk, aangebracht door het Gemengd Comité.

TITEL IV

OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 37

Publiciteit

De lidstaten en het Verenigd Koninkrijk verspreiden de informatie betreffende de rechten en plichten van de personen op wie dit deel van toepassing is, met name door middel van voorlichtingscampagnes via landelijke en plaatselijke media en andere communicatiemiddelen, al naargelang het geval.

Artikel 38

Gunstiger bepalingen

1.   Dit deel laat de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen onverlet die in een gastland of land van beroepsactiviteit van toepassing zijn en die voor de betrokken personen gunstiger zouden zijn. Dit lid is niet van toepassing op titel III.

2.   Artikel 12 en Artikel 23, lid 1, doen geen afbreuk aan de regelingen in het kader van het gemeenschappelijk reisgebied (Common Travel Area) tussen het Verenigd Koninkrijk en Ierland voor zover voor de betrokken personen uit deze regelingen een gunstiger behandeling kan voortvloeien.

Artikel 39

Levenslange bescherming

De personen op wie dit deel van toepassing is, genieten de in de relevante titels van dit deel verleende rechten levenslang, tenzij zij niet langer voldoen aan de in deze titels vermelde voorwaarden.

DEEL DRIE

SCHEIDINGSBEPALINGEN

TITEL I

IN DE HANDEL GEBRACHTE GOEDEREN

Artikel 40

Definities

Voor de toepassing van deze titel zijn de volgende definities van toepassing:

a)

“op de markt aanbieden”: het in het kader van een handelsactiviteit, al dan niet tegen betaling, verstrekken van een goed met het oog op distributie, consumptie of gebruik op de markt;

b)

“in de handel brengen”: het voor het eerst aanbieden van een goed op de markt in de Unie of het Verenigd Koninkrijk;

c)

“verstrekking van een goed voor distributie, consumptie of gebruik” houdt in dat een bestaand en individueel identificeerbaar goed, nadat de fase van vervaardiging is voltooid, het voorwerp is van een schriftelijke of mondelinge overeenkomst tussen twee of meer rechtspersonen of natuurlijke personen met het oog op de overdracht van de eigendom, enig ander eigendomsrecht of het bezit inzake het betreffende goed, dan wel het voorwerp vormt van een aanbod aan een of meer natuurlijke personen of rechtspersonen tot het sluiten van een dergelijke overeenkomst;

d)

“ingebruikneming”: het eerste gebruik van een goed binnen de Unie of het Verenigd Koninkrijk door de eindgebruiker voor het doel waarvoor het was bestemd dan wel, in geval van de uitrusting van zeeschepen, de installatie ervan aan boord;

e)

“markttoezicht”: de activiteiten en maatregelen van markttoezichtautoriteiten om te waarborgen dat goederen voldoen aan de toepasselijke eisen en geen gevaar opleveren voor de gezondheid en veiligheid of andere aspecten van de bescherming van het openbaar belang;

f)

“markttoezichtautoriteit”: de autoriteit van een lidstaat of van het Verenigd Koninkrijk die verantwoordelijk is voor het uitvoeren van markttoezicht op het eigen grondgebied;

g)

“voorwaarden voor het in de handel brengen van goederen”: de vereisten betreffende de kenmerken van goederen, zoals de vereisten betreffende kwaliteit, prestaties, veiligheid of afmetingen, met inbegrip van de samenstelling van de goederen of de terminologie, symbolen, tests en testmethoden, verpakking, het merken of etiketteren, en de overeenstemmingsbeoordelingsprocedures die met betrekking tot de betrokken goederen worden toegepast; de uitdrukking omvat ook vereisten inzake productiemethodes en procédés wanneer deze een effect hebben op de kenmerken van goederen;

h)

“conformiteitsbeoordelingsinstantie”: een instantie die conformiteitsbeoordelingsactiviteiten verricht, met inbegrip van ijken, testen, certificeren en inspecteren;

i)

“aangemelde instantie”: een conformiteitsbeoordelingsinstantie die bevoegd is om conformiteitsbeoordelingstaken voor derden te verrichten krachtens het recht van de Unie waarbij de voorwaarden voor het in de handel brengen van goederen worden geharmoniseerd;

j)

“dierlijke producten”: producten van dierlijke oorsprong, dierlijke bijproducten en afgeleide producten, als bedoeld in Artikel 4, punten 29), 30) respectievelijk 31), van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad (18), voeder van dierlijke oorsprong en voedsel en voeder die producten van dierlijke oorsprong bevatten.

Artikel 41

Voortgezet verkeer van in de handel gebrachte goederen

1.   Elk goed dat voor het eind van de overgangsperiode rechtmatig in de Unie of het Verenigd Koninkrijk in de handel werd gebracht, kan:

a)

verder op de markt van de Unie of van het Verenigd Koninkrijk worden aangeboden en tussen deze markten worden verhandeld tot het de eindgebruiker bereikt;

b)

in de Unie of in het Verenigd Koninkrijk in gebruik worden genomen wanneer de toepasselijke bepalingen van het recht van de Unie in deze ingebruikname voorzien.

2.   Op de in lid 1 bedoelde goederen zijn de vereisten van toepassing zoals vermeld in de Artikelen 34 en 35 VWEU en het op het in de handel brengen van goederen toepasselijke relevante recht van de Unie, met inbegrip van de op de betrokken goederen toepasselijke voorwaarden voor het in de handel brengen.

3.   Lid 1 is van toepassing op alle bestaande en individueel identificeerbare goederen in de zin van titel II van deel drie van het VWEU, met uitzondering van het verkeer tussen de markt van de Unie en die van het Verenigd Koninkrijk of andersom van:

a)

levende dieren en levende producten;

b)

dierlijke producten.

4.   Ten aanzien van het verkeer van levende dieren of van levende producten tussen een lidstaat en het Verenigd Koninkrijk of andersom, zijn de in bijlage II vermelde bepalingen van het recht van de Unie van toepassing, mits de datum van vertrek voor het eind van de overgangsperiode lag.

5.   Dit Artikel laat de mogelijkheid voor het Verenigd Koninkrijk, een lidstaat of de Unie onverlet om maatregelen te nemen die het op de eigen markt aanbieden van een goed als bedoeld in lid 1, of een categorie van dergelijke goederen, verbieden of beperken, indien en voor zover het recht van de Unie dit toestaat.

6.   De bepalingen van deze titel doen geen afbreuk aan eventuele toepasselijke regels inzake de wijzen van verkoop, intellectuele eigendom en douaneprocedures, -tarieven en -heffingen.

Artikel 42

Bewijs van het in de handel brengen

Wanneer een marktdeelnemer zich met betrekking tot een specifiek goed op Artikel 41, lid 1, beroept, is het aan hem om, op basis van eender welk relevant document, aan te tonen dat het goed voor het eind van de overgangsperiode in de Unie of het Verenigd Koninkrijk in de handel werd gebracht.

Artikel 43

Markttoezicht

1.   De marktoezichtautoriteiten van de lidstaten en de marktoezichtautoriteiten van het Verenigd Koninkrijk wisselen onverwijld alle relevante informatie met elkaar uit die met betrekking tot de in Artikel 41, lid 1, bedoelde goederen is verzameld in het kader van hun respectieve markttoezichtactiviteiten. Met name delen zij elkaar en de Europese Commissie alle informatie mee over die goederen die een ernstig gevaar inhouden alsook over alle maatregelen die ten aanzien van non-conforme goederen zijn genomen, waaronder relevante informatie die afkomstig is van netwerken, informatiesystemen en databanken die met betrekking tot deze goederen krachtens het recht van de Unie of van het Verenigd Koninkrijk zijn opgezet.

2.   De lidstaten en het Verenigd Koninkrijk zenden onverwijld ieder verzoek van de markttoezichtautoriteiten van respectievelijk het Verenigd Koninkrijk of een lidstaat naar een op hun grondgebied gevestigde conformiteitsbeoordelingsinstantie, wanneer dat verzoek een conformiteitsbeoordeling betreft die die instantie in haar hoedanigheid van aangemelde instantie voor het eind van de overgangsperiode heeft verricht. De lidstaten en het Verenigd Koninkrijk zorgen ervoor dat dergelijke verzoeken onverwijld door de conformiteitsbeoordelingsinstantie in behandeling worden genomen.

Artikel 44

Overdracht van dossiers en documenten met betrekking tot lopende procedures

Het Verenigd Koninkrijk draagt aan de bevoegde, in overeenstemming met de procedures waarin het toepasselijke recht van de Unie voorziet, aangewezen autoriteit van een lidstaat onverwijld alle relevante dossiers en documenten over met betrekking tot de beoordelingen, goedkeuringen en vergunningen die op de dag voor de inwerkingtreding van dit akkoord in behandeling zijn onder leiding van een overeenkomstig Verordening (EU) nr. 528/2012 (19), Verordening (EG) nr. 1107/2009 (20), Richtlijn 2001/83/EG (21) en Richtlijn 2001/82/EG (22) van het Europees Parlement en de Raad bevoegde autoriteit van het Verenigd Koninkrijk.

Artikel 45

Het beschikbaar maken van informatie met betrekking tot afgesloten vergunningsprocedures voor geneesmiddelen

1.   Het Verenigd Koninkrijk maakt, op gemotiveerd verzoek van een lidstaat of het Europees Geneesmiddelenbureau, onverwijld het dossier beschikbaar inzake de vergunning voor het in de handel brengen van een geneesmiddel waarvoor door een bevoegde autoriteit van het Verenigd Koninkrijk voor het eind van de overgangsperiode een vergunning is verleend, wanneer dat dossier noodzakelijk is voor de beoordeling van een aanvraag van een vergunning voor het in de handel brengen overeenkomstig de Artikelen 10 en 10 bis van Richtlijn 2001/83/EG of de Artikelen 13 en 13 bis van Richtlijn 2001/82/EG.

2.   Een lidstaat maakt, op gemotiveerd verzoek van het Verenigd Koninkrijk, onverwijld het dossier beschikbaar van de vergunning voor het in de handel brengen van een geneesmiddel waarvoor door een bevoegde autoriteit van die lidstaat voor het eind van de overgangsperiode een vergunning is verleend, wanneer dat dossier noodzakelijk is voor de beoordeling van een aanvraag van een vergunning voor het in de handel brengen in het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig de wettelijke vereisten van het Verenigd Koninkrijk, voor zover deze wettelijke vereisten uitgaan van dezelfde voorwaarden als de Artikelen 10 en 10 bis van Richtlijn 2001/83/EG of de Artikelen 13 en 13 bis van Richtlijn 2001/82/EG.

Artikel 46

Beschikbaarstelling van informatie die in het bezit is van aangemelde instanties die in het Verenigd Koninkrijk of in een lidstaat zijn gevestigd

1.   Het Verenigd Koninkrijk zorgt ervoor dat informatie waarover een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde conformiteitsbeoordelingsinstantie beschikt met betrekking tot haar activiteiten voor het eind van de overgangsperiode als aangemelde instantie uit hoofde van het recht van de Unie, op verzoek van de houder van het certificaat onverwijld ter beschikking wordt gesteld aan een door de houder van het certificaat aangewezen, in een lidstaat gevestigde aangemelde instantie.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat informatie waarover een in de betrokken lidstaat gevestigde aangemelde instantie beschikt met betrekking tot haar activiteiten voor het eind van de overgangsperiode, op verzoek van de houder van het certificaat onverwijld ter beschikking wordt gesteld aan een door de houder van het certificaat aangewezen, in het Verenigd Koninkrijk gevestigde conformiteitsbeoordelingsinstantie.

TITEL II

LOPENDE DOUANEPROCEDURES

Artikel 47

Uniestatus van goederen

1.   Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad (23) is van toepassing op de in Artikel 5, punt 23, van die verordening bedoelde Uniegoederen, wanneer dergelijke goederen worden overgebracht van het douanegebied van het Verenigd Koninkrijk naar het douanegebied van de Unie, of andersom, mits die overbrenging een aanvang nam voor het eind van de overgangsperiode en na die periode eindigde. Een overbrenging van goederen die een aanvang heeft genomen voor het eind van de overgangsperiode en na die periode eindigt, wordt beschouwd als een overbrenging binnen de Unie wat betreft de voorwaarden voor in- en uitvoervergunningen in het kader van het recht van de Unie.

2.   Voor de toepassing van lid 1 is het vermoeden van douanestatus van Uniegoederen als bedoeld in Artikel 153, lid 1, van Verordening (EU) nr. 952/2013 niet van toepassing. De douanestatus van deze goederen als Uniegoederen alsook het feit dat de in lid 1 bedoelde overbrenging een aanvang nam voor het eind van de overgangsperiode, moeten ten aanzien van elke overbrenging door de betrokken persoon worden bewezen aan de hand van een van de in Artikel 199 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie (24) bedoelde middelen. Het bewijs van de aanvang van de overbrenging wordt geleverd door middel van een vervoersdocument dat betrekking heeft op de goederen.

3.   Lid 2 is niet van toepassing op Uniegoederen die door de lucht worden vervoerd en die zijn geladen of overgeladen op een luchthaven in het douanegebied van het Verenigd Koninkrijk voor vervoer naar het douanegebied van de Unie, of die zijn geladen of overgeladen op een luchthaven in het douanegebied van de Unie voor vervoer naar het douanegebied van het Verenigd Koninkrijk, wanneer deze goederen worden vervoerd onder dekking van een enkel vervoersdocument dat in een van de beide betrokken douanegebieden is afgegeven, mits het vervoer door de lucht een aanvang nam voor het eind van de overgangsperiode en na die periode eindigde.

4.   Lid 2 is niet van toepassing op Uniegoederen die over zee zijn aangevoerd en met een lijndienst als bedoeld in Artikel 120 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie (25) zijn vervoerd tussen havens in het douanegebied van het Verenigd Koninkrijk en havens in het douanegebied van de Unie, mits:

a)

de reis die de havens in het douanegebied van het Verenigd Koninkrijk en die in het douanegebied van de Unie omvatte, een aanvang nam voor het eind van de overgangsperiode en na die periode eindigde; en

b)

het schip dat de lijndienst uitvoert voor het eind van de overgangsperiode een of meerdere havens heeft aangedaan in het douanegebied van het Verenigd Koninkrijk of in het douanegebied van de Unie.

5.   Wanneer tijdens de in lid 4, onder a), bedoelde reis het schip dat de lijndienst uitvoert na het eind van de overgangsperiode een of meerdere havens in het douanegebied van het Verenigd Koninkrijk aandoet, wordt:

a)

voor goederen die voor het eind van de overgangsperiode zijn geladen en in die havens zijn gelost, de douanestatus van Uniegoederen niet gewijzigd;

b)

voor goederen die zijn geladen in havens die na het eind van de overgangsperiode zijn aangedaan, de douanestatus van Uniegoederen niet gewijzigd, mits deze status in overeenstemming met lid 2 is bewezen.

Artikel 48

De summiere aangifte bij binnenbrengen en de aangifte vóór vertrek

1.   Verordening (EU) nr. 952/2013 is van toepassing op summiere aangiften bij binnenbrengen die voor het eind van de overgangsperiode overeenkomstig titel IV, hoofdstuk I, van die verordening werden ingediend bij een douanekantoor van eerste binnenkomst, en deze aangiften hebben na het eind van de overgangsperiode in het douanegebied van de Unie en het douanegebied van het Verenigd Koninkrijk dezelfde rechtsgevolgen.

2.   Verordening (EU) nr. 952/2013 is van toepassing op aangiften vóór vertrek die overeenkomstig titel VIII, hoofdstuk I, van die verordening werden ingediend voor het eind van de overgangsperiode, wanneer de goederen, in voorkomend geval, voor het eind van de overgangsperiode in overeenstemming met Artikel 194 van die verordening werden vrijgegeven. Deze aangiften hebben na het eind van de overgangsperiode in het douanegebied van de Unie en het douanegebied van het Verenigd Koninkrijk dezelfde rechtsgevolgen.

Artikel 49

Beëindiging van tijdelijke opslag of douaneregeling

1.   Verordening (EU) nr. 952/2013 is van toepassing op niet-Uniegoederen die zich aan het eind van de overgangsperiode in de in Artikel 5, punt 17, van die verordening bedoelde tijdelijke opslag bevonden en op goederen die aan het eind van de overgangsperiode onder een van de in Artikel 5, punt 16, van die verordening bedoelde douaneregelingen waren geplaatst, totdat de tijdelijke opslag is beëindigd, een van de speciale douaneregelingen is gezuiverd, de goederen in het vrije verkeer zijn gebracht of de goederen het gebied hebben verlaten, mits deze gebeurtenis zich voordoet na het einde van de overgangsperiode, maar binnen de in bijlage III bedoelde corresponderende termijn.

Artikel 148, lid 5, onder b) en c), en Artikel 219 van Verordening (EU) nr. 952/2013 zijn echter niet van toepassing op een overbrenging van goederen tussen het douanegebied van het Verenigd Koninkrijk en het douanegebied van de Unie die eindigt na het eind van de overgangsperiode.

2.   Verordening (EU) nr. 952/2013, Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad (26), Verordening (EU, Euratom) nr. 608/2014 van de Raad (27) en Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014 van de Raad (28) zijn van toepassing op alle douaneschulden die na het eind van de overgangsperiode ontstaan te rekenen vanaf de beëindiging van tijdelijke opslag of zuivering als bedoeld in lid 1.

3.   Titel II, hoofdstuk I, deel 1, van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 is van toepassing op aanvragen om in aanmerking te komen voor tariefcontingenten die door de douaneautoriteiten in het douanegebied van het Verenigd Koninkrijk zijn aanvaard en waarvoor de vereiste bewijsstukken overeenkomstig Artikel 50 van die verordening voor het eind van de overgangsperiode door de douaneautoriteiten in het douanegebied van het Verenigd Koninkrijk zijn verstrekt, en is van toepassing op de annulering van aanvragen en terugstortingen van ongebruikte toegewezen hoeveelheden in het kader van zulke aanvragen.

Artikel 50

Toegang tot relevante netwerken, informatiesystemen en databanken

In afwijking van Artikel 8 heeft het Verenigd Koninkrijk toegang tot de in bijlage IV vermelde netwerken, informatiesystemen en databanken, voor zover dat strikt noodzakelijk is om te voldoen aan zijn verplichtingen uit hoofde van deze titel. Het Verenigd Koninkrijk vergoedt de Unie de werkelijke kosten die de Unie draagt als gevolg van het faciliteren van die toegang. De Unie deelt het Verenigd Koninkrijk het bedrag van deze kosten uiterlijk op 31 maart van elk jaar mee tot het einde van de periode bedoeld in bijlage IV. In het geval dat de meegedeelde werkelijke kosten sterk afwijken van de beste ramingen die voor de ondertekening van dit akkoord door de Unie werden meegedeeld aan het Verenigd Koninkrijk, betaalt het Verenigd Koninkrijk onverwijld aan de Unie het bedrag van de beste ramingen en bepaalt het Gemengd Comité de wijze waarop het verschil tussen de werkelijke kosten en het bedrag van de beste ramingen moet worden afgewikkeld.

TITEL III

LOPENDE AANGELEGENHEDEN INZAKE BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE EN ACCIJNZEN

Artikel 51

Belasting over de toegevoegde waarde (btw)

1.   Richtlijn 2006/112/EG van de Raad (29) is van toepassing op goederen die vanaf het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk zijn verzonden of vervoerd naar het grondgebied van een lidstaat of andersom, mits de verzending of het vervoer een aanvang nam voor het eind van de overgangsperiode en na die periode eindigde.

2.   Richtlijn 2006/112/EG blijft tot vijf jaar na het eind van de overgangsperiode van toepassing op de rechten en plichten van de belastingplichtige met betrekking tot transacties met een grensoverschrijdend element tussen het Verenigd Koninkrijk en een lidstaat die plaatsvonden voor het eind van de overgangsperiode en met betrekking tot transacties waarop lid 1 van toepassing is.

3.   In afwijking van lid 2 en van Artikel 15 van Richtlijn 2008/9/EG van de Raad (30), worden verzoeken om teruggave met betrekking tot btw die door een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde belastingplichtige in een lidstaat werd betaald of door een in een lidstaat gevestigde belastingplichtige in het Verenigd Koninkrijk werd betaald, uiterlijk op 31 maart 2021 ingediend overeenkomstig de voorwaarden van die richtlijn.

4.   In afwijking van lid 2 en van Artikel 61, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad (31), worden wijzigingen in btw-aangiften die ofwel in het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot voor het eind van de overgangsperiode in lidstaten van verbruik verleende diensten ofwel in een lidstaat met betrekking tot voor het eind van de overgangsperiode in het Verenigd Koninkrijk verleende diensten, overeenkomstig Artikel 364 of Artikel 369 septies van Richtlijn 2006/112/EG werden ingediend, uiterlijk op 31 december 2021 ingediend.

Artikel 52

Accijnsgoederen

Richtlijn 2008/118/EG van de Raad (32) is van toepassing op de overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling en de overbrenging van accijnsgoederen na uitslag tot verbruik van het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk naar het grondgebied van een lidstaat of andersom, mits de overbrenging een aanvang nam voor het eind van de overgangsperiode en na die periode eindigde.

Artikel 53

Toegang tot relevante netwerken, informatiesystemen en databanken

In afwijking van Artikel 8 heeft het Verenigd Koninkrijk toegang tot de in bijlage IV vermelde netwerken, informatiesystemen en databanken, voor zover dat strikt noodzakelijk is om te voldoen aan zijn verplichtingen uit hoofde van deze titel. Het Verenigd Koninkrijk vergoedt de Unie de werkelijke kosten die de Unie draagt als gevolg van het faciliteren van die toegang. De Unie deelt het Verenigd Koninkrijk het bedrag van deze kosten uiterlijk op 31 maart van elk jaar mee tot het einde van de periode bedoeld in bijlage IV. In het geval dat de meegedeelde werkelijke kosten sterk afwijken van de beste ramingen die voor de ondertekening van dit akkoord door de Unie werden meegedeeld aan het Verenigd Koninkrijk, betaalt het Verenigd Koninkrijk onverwijld aan de Unie het bedrag van de beste ramingen en bepaalt het Gemengd Comité de wijze waarop het verschil tussen de werkelijke kosten en het bedrag van de beste ramingen moet worden afgewikkeld.

TITEL IV

INTELLECTUELE EIGENDOM

Artikel 54

Voortzetting van bescherming van ingeschreven of verleende rechten in het Verenigd Koninkrijk

1.   De houder van een van de volgende intellectuele-eigendomsrechten die voor het eind van de overgangsperiode zijn ingeschreven of verleend, wordt, zonder een nieuw onderzoek van deze rechten, houder van een vergelijkbaar intellectuele-eigendomsrecht dat in het Verenigd Koninkrijk krachtens het recht van het Verenigd Koninkrijk is ingeschreven en afdwingbaar is:

a)

de houder van een overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad (33) ingeschreven Uniemerk wordt de houder van een door hetzelfde teken gevormd merk in het Verenigd Koninkrijk, voor dezelfde goederen en diensten;

b)

de houder van een overeenkomstig Verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad (34) ingeschreven en, in voorkomend geval, na een opschorting van publicatie gepubliceerd Gemeenschapsmodel, wordt houder van een ingeschreven modelrecht in het Verenigd Koninkrijk voor hetzelfde model;

c)

de houder van een krachtens Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad (35) verleend communautair kwekersrecht wordt houder van een kwekersrecht in het Verenigd Koninkrijk voor hetzelfde plantenras.

2.   Wanneer een geografische aanduiding, oorsprongsbenaming of gegarandeerde traditionele specialiteit in de zin van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad (36), een geografische aanduiding, oorsprongsbenaming of traditionele aanduiding voor wijn in de zin van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad (37), een geografische aanduiding in de zin van Verordening (EG) nr. 110/2008 van het Europees Parlement en de Raad (38) of een geografische aanduiding in de zin van Verordening (EU) nr. 251/2014 van het Europees Parlement en de Raad (39) op de laatste dag van de overgangsperiode krachtens die verordeningen beschermd is in de Unie, hebben de personen die gerechtigd zijn om gebruik te maken van de betrokken geografische aanduiding, oorsprongsbenaming, gegarandeerde traditionele specialiteit of traditionele aanduiding voor wijn, het recht om zonder heronderzoek vanaf het eind van de overgangsperiode in het Verenigd Koninkrijk gebruik te maken van de betrokken geografische aanduiding, oorsprongsbenaming, gegarandeerde traditionele specialiteit of traditionele aanduiding voor wijn, waaraan in het recht van het Verenigd Koninkrijk ten minste hetzelfde beschermingsniveau dient te worden geboden als krachtens de volgende bepalingen van het recht van de Unie:

a)

Artikel 4, lid 1, onder i), j) en k), van Richtlijn (EU) 2015/2436 van het Europees Parlement en de Raad (40); en

b)

wat betreft de betrokken geografische aanduiding, oorsprongsbenaming, gegarandeerde traditionele specialiteit of traditionele aanduiding voor wijn, Artikel 13, Artikel 14, lid 1, Artikel 24, Artikel 36, lid 3, de Artikelen 38 en 44, en Artikel 45, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 1151/2012; Artikel 90, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad (41); Artikel 100, lid 3, Artikel 102, lid 1, de Artikelen 103 en 113, en Artikel 157, lid 1, onder c), punt x), van Verordening (EU) nr. 1308/2013; Artikel 62, leden 3 en 4, van Verordening (EG) nr. 607/2009 van de Commissie (42); Artikel 15, lid 3, eerste alinea, Artikel 16 en Artikel 23, lid 1, van Verordening (EG) nr. 110/2008 en, voor zover betrekking hebbend op de naleving van die bepalingen van die verordening, Artikel 24, lid 1, van die verordening; of Artikel 19, lid 1, en Artikel 20 van Verordening (EU) nr. 251/2014.

Wanneer een in de eerste alinea bedoelde geografische aanduiding, oorsprongsbenaming, gegarandeerde traditionele specialiteit of traditionele aanduiding voor wijn na het eind van de overgangsperiode niet langer beschermd is in de Unie, is de eerste alinea niet langer van toepassing met betrekking tot die geografische aanduiding, oorsprongsbenaming, gegarandeerde traditionele specialiteit of traditionele aanduiding voor wijn.

De eerste alinea is niet van toepassing wanneer bescherming in de Unie voortvloeit uit internationale overeenkomsten waarbij de Unie partij is.

Dit lid is van toepassing tenzij en totdat het overbodig wordt doordat een in Artikel 184 bedoeld akkoord in werking treedt of van toepassing wordt.

3.   In afwijking van lid 1 wordt, indien een in dat lid bedoeld intellectuele-eigendomsrecht of een communautair kwekersrecht nietig of vervallen wordt verklaard in de Unie als gevolg van een administratieve of gerechtelijke procedure die op de laatste dag van de overgangsperiode aanhangig was, het overeenkomstige recht in het Verenigd Koninkrijk eveneens nietig of vervallen verklaard. De vervallenverklaring of nietigverklaring heeft effect vanaf dezelfde datum in het Verenigd Koninkrijk als in de Unie.

In afwijking van de eerste alinea is het Verenigd Koninkrijk niet verplicht het corresponderende recht in het Verenigd Koninkrijk nietig of vervallen te verklaren wanneer de gronden voor nietigheid of verval van het Uniemerk of het ingeschreven gemeenschapsmodel in het Verenigd Koninkrijk niet van toepassing zijn.

4.   De datum van eerste vernieuwing van een merk of ingeschreven modelrecht dat in het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig lid 1, onder a) of b), ontstaat, is de datum van vernieuwing van het overeenkomstig het recht van de Unie ingeschreven corresponderende intellectuele-eigendomsrecht.

5.   Met betrekking tot de in lid 1, onder a), van dit Artikel bedoelde merken in het Verenigd Koninkrijk is het volgende van toepassing:

a)

voor het merk geldt de datum van indiening of voorrang van het Uniemerk en, in voorkomend geval, de anciënniteit van een merk van het Verenigd Koninkrijk waarop krachtens Artikel 39 of Artikel 40 van Verordening (EU) 2017/1001 een beroep wordt gedaan;

b)

het merk kan niet vervallen worden verklaard op de grond dat van het corresponderende Uniemerk voor het eind van de overgangsperiode op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk geen normaal gebruik is gemaakt;

c)

de eigenaar van een Uniemerk dat in de Unie bekendheid heeft verkregen, mag in het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot het corresponderende merk dezelfde rechten uitoefenen als die waarin wordt voorzien in Artikel 9, lid 2, onder c), van Verordening (EU) 2017/1001 en Artikel 5, lid 3, onder a), van Richtlijn (EU) 2015/2436, op basis van de bekendheid die het merk op het eind van de overgangsperiode in de Unie heeft verworven, terwijl daarna het voortduren van de bekendheid van dat merk wordt gebaseerd op het gebruik van het merk in het Verenigd Koninkrijk.

6.   Met betrekking tot de in lid 1, onder a) en b), bedoelde modelrechten en kwekersrechten in het Verenigd Koninkrijk, is het volgende van toepassing:

a)

de beschermingstermijn op grond van het recht van het Verenigd Koninkrijk is minstens gelijk aan de resterende beschermingstermijn op grond van het recht van de Unie van het corresponderende ingeschreven gemeenschapsmodel of communautair kwekersrecht;

b)

de datum van indiening of voorrang is dezelfde als die van het corresponderende ingeschreven gemeenschapsmodel of communautair kwekersrecht.

Artikel 55

Inschrijvingsprocedure

1.   De inschrijving, verlening of bescherming krachtens Artikel 54, leden 1 en 2, van dit akkoord wordt kosteloos door de relevante entiteiten in het Verenigd Koninkrijk verricht, met gebruikmaking van de gegevens die beschikbaar zijn in de registers van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie, het Communautair Bureau voor plantenrassen en de Europese Commissie. Bijlage III bij Verordening (EG) nr. 110/2008 wordt voor de toepassing van dit Artikel beschouwd als een register.

2.   Voor de toepassing van lid 1 zijn houders van de in Artikel 54, lid 1, bedoelde intellectuele-eigendomsrechten en personen die gerechtigd zijn een in Artikel 54, lid 2, bedoelde geografische aanduiding, oorsprongsbenaming, gegarandeerde traditionele specialiteit of traditionele aanduiding voor wijn te gebruiken, niet verplicht om een aanvraag in te dienen of een specifieke administratieve procedure te beginnen. Van houders van intellectuele-eigendomsrechten bedoeld in Artikel 54, lid 1, wordt niet verlangd dat zij een postadres hebben in het Verenigd Koninkrijk in de 3 jaar na het eind van de overgangsperiode.

3.   Het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie, het Communautair Bureau voor plantenrassen en de Europese Commissie verstrekken de relevante entiteiten in het Verenigd Koninkrijk de informatie die nodig is voor inschrijving, verlening of bescherming in het Verenigd Koninkrijk krachtens Artikel 54, lid 1 of lid 2.

4.   Dit Artikel doet geen afbreuk aan vernieuwingstaksen die van toepassing kunnen zijn op het moment dat de rechten worden vernieuwd, of aan de mogelijkheid van de betrokken houders om af te zien van hun intellectuele-eigendomsrechten in het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig de relevante procedure uit hoofde van de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk.

Artikel 56

Voortzetting van bescherming van internationale inschrijvingen met aanduiding van de Unie

Het Verenigd Koninkrijk neemt maatregelen om ervoor te zorgen dat natuurlijke personen of rechtspersonen die voor het eind van de overgangsperiode uit hoofde van de Schikking van Madrid betreffende de internationale inschrijving van merken of het systeem van Den Haag voor de internationale registratie van tekeningen en modellen van nijverheid bescherming hebben verkregen voor internationaal ingeschreven merken of modellen met aanduiding van de Unie, in het Verenigd Koninkrijk voor hun merken of tekeningen of modellen van nijverheid bescherming genieten wat die internationale inschrijvingen betreft.

Artikel 57

Voortzetting van bescherming in het Verenigd Koninkrijk van niet-ingeschreven Gemeenschapsmodellen

De houder van een recht met betrekking tot een niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel dat voor het eind van de overgangsperiode overeenkomstig Verordening (EG) nr. 6/2002 is ontstaan, wordt met betrekking tot dat niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel ipso iure in het Verenigd Koninkrijk de houder van een afdwingbaar intellectuele-eigendomsrecht krachtens het recht van het Verenigd Koninkrijk, dat hetzelfde beschermingsniveau biedt als Verordening (EG) nr. 6/2002. De beschermingstermijn van dat recht op grond van het recht van het Verenigd Koninkrijk is minstens gelijk aan de resterend beschermingstermijn van het corresponderende niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel krachtens Artikel 11, lid 1, van die verordening.

Artikel 58

Voorzetting van bescherming van databanken

1.   De houder van een voor het eind van de overgangsperiode ontstaan recht in de zin van Artikel 7 van Richtlijn 96/9/EG van het Europees Parlement en de Raad (43) ten aanzien van een databank met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk, behoudt met betrekking tot die databank een afdwingbaar intellectuele-eigendomsrecht in het Verenigd Koninkrijk, krachtens het recht van het Verenigd Koninkrijk, dat hetzelfde beschermingsniveau biedt als Richtlijn 96/9/EG, mits de houder van dat recht blijft voldoen aan de vereisten van Artikel 11 van die richtlijn. De beschermingstermijn van dat recht op grond van het recht van het Verenigd Koninkrijk is minstens gelijk aan de resterende beschermingstermijn krachtens Artikel 10 van Richtlijn 96/9/EG.

2.   De volgende personen en ondernemingen worden geacht aan de vereisten van Artikel 11 van Richtlijn 96/9/EG te voldoen:

a)

onderdanen van het Verenigd Koninkrijk;

b)

natuurlijke personen die hun gewone verblijfplaats in het Verenigd Koninkrijk hebben;

c)

in het Verenigd Koninkrijk gevestigde ondernemingen, op voorwaarde dat wanneer een dergelijke onderneming alleen een statutaire zetel in het Verenigd Koninkrijk heeft, haar werkzaamheden een daadwerkelijke en duurzame band hebben met de economie van het Verenigd Koninkrijk of van een lidstaat.

Artikel 59

Recht van voorrang met betrekking tot aanhangige aanvragen inzake Uniemerken, Gemeenschapsmodellen en communautaire kwekersrechten

1.   Wanneer een persoon voor het eind van de overgangsperiode overeenkomstig het recht van de Unie een aanvraag heeft ingediend voor een Uniemerk of een Gemeenschapsmodel en wanneer aan die aanvraag een datum van indiening is toegekend, heeft die persoon, voor hetzelfde merk ten aanzien van goederen of diensten die identiek zijn aan of vallen onder de goederen of diensten waarvoor de aanvraag in de Unie is ingediend, of voor hetzelfde model, het recht om binnen 9 maanden na het eind van de overgangsperiode in het Verenigd Koninkrijk een aanvraag in te dienen. Een aanvraag ingevolge dit Artikel wordt geacht dezelfde datum van indiening en van voorrang te hebben als de corresponderende aanvraag die in de Unie is ingediend en, in voorkomend geval, de anciënniteit te hebben van een merk van het Verenigd Koninkrijk waarop krachtens Artikel 39 of Artikel 40 van Verordening (EU) 2017/1001 een beroep wordt gedaan.

2.   Wanneer een persoon voor het eind van de overgangsperiode overeenkomstig het recht van de Unie een aanvraag heeft ingediend voor een communautair kwekersrecht, heeft die persoon ten behoeve van de indiening in het Verenigd Koninkrijk van een aanvraag voor hetzelfde kwekersrecht, in het Verenigd Koninkrijk een ad-hoc-recht van voorrang gedurende een periode van 6 maanden vanaf het eind van de overgangsperiode. Als gevolg van het recht van voorrang wordt met het oog op de vaststelling van de onderscheidbaarheid, de nieuwheid en de aanspraak op het recht, als datum van voorrang van de aanvraag voor het communautair kwekersrecht de datum van aanvraag voor een kwekersrecht in het Verenigd Koninkrijk beschouwd.

Artikel 60

Aanhangige aanvragen voor aanvullende beschermingscertificaten in het Verenigd Koninkrijk

1.   Verordeningen (EG) nr. 1610/96 (44) en (EG) nr. 469/2009 (45) van het Europees Parlement en de Raad zijn van toepassing op aanvragen voor aanvullende beschermingscertificaten voor gewasbeschermingsmiddelen respectievelijk geneesmiddelen alsook op aanvragen voor de verlenging van de duur van dergelijke certificaten, wanneer deze aanvragen voor het eind van de overgangsperiode werden ingediend bij een autoriteit in het Verenigd Koninkrijk, in gevallen waarin de administratieve procedure voor de verlening van het betrokken certificaat of van de verlenging van de duur ervan aan het eind van de overgangsperiode aanhangig was.

2.   Een uit hoofde van lid 1 afgegeven certificaat biedt hetzelfde beschermingsniveau als Verordening (EG) nr. 1610/96 of Verordening (EG) nr. 469/2009.

Artikel 61

Uitputting van rechten

Intellectuele-eigendomsrechten die voor het eind van de overgangsperiode overeenkomstig de voorwaarden waarin het recht van de Unie voorziet zowel in de Unie als in het Verenigd Koninkrijk waren uitgeput, blijven zowel in de Unie als in het Verenigd Koninkrijk uitgeput.

TITEL V

LOPENDE POLITIËLE EN JUSTITIËLE SAMENWERKING IN STRAFZAKEN

Artikel 62

Lopende justitiële samenwerking in strafzaken

1.   In het Verenigd Koninkrijk, alsook in de lidstaten in situaties waarbij het Verenigd Koninkrijk is betrokken, zijn de volgende handelingen als volgt van toepassing:

a)

de Overeenkomst, vastgesteld door de Raad overeenkomstig Artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (46) en het Protocol, vastgesteld door de Raad overeenkomstig Artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (47) zijn van toepassing met betrekking tot verzoeken om wederzijdse rechtshulp die voor het eind van de overgangsperiode uit hoofde van het betreffende instrument zijn ontvangen door de centrale autoriteit of rechterlijke autoriteit;

b)

Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad (48) is van toepassing op Europese aanhoudingsbevelen wanneer de gezochte persoon voor het eind van de overgangsperiode is aangehouden met het oog op de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, ongeacht of de uitvoerende rechterlijke autoriteit beslist dat de gezochte persoon in hechtenis moet blijven dan wel voorlopig in vrijheid moet worden gesteld.

c)

Kaderbesluit 2003/577/JBZ van de Raad (49) is van toepassing op beslissingen tot bevriezing die voor het eind van de overgangsperiode voor tenuitvoerlegging zijn ontvangen door de centrale autoriteit of de bevoegde rechterlijke autoriteit, of door een rechterlijke autoriteit in de tenuitvoerleggingsstaat die geen rechtsmacht heeft om een beslissing tot bevriezing te erkennen of ten uitvoer te leggen, maar de beslissing tot bevriezing ambtshalve voor tenuitvoerlegging doorzendt aan de bevoegde rechterlijke autoriteit;

d)

Kaderbesluit 2005/214/JBZ van de Raad (50) is van toepassing op beslissingen die voor het eind van de overgangsperiode zijn ontvangen door de centrale autoriteit of de bevoegde autoriteit in de tenuitvoerleggingsstaat, of door een autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat die geen rechtsmacht heeft om een beslissing te erkennen of ten uitvoer te leggen, maar de beslissing ambtshalve voor tenuitvoerlegging doorzendt aan de bevoegde autoriteit;

e)

Kaderbesluit 2006/783/JBZ van de Raad (51) is van toepassing op beslissingen tot confiscatie die voor het eind van de overgangsperiode zijn ontvangen door de centrale autoriteit of de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat, of door een autoriteit in de tenuitvoerleggingsstaat die geen rechtsmacht heeft om een beslissing tot confiscatie te erkennen of ten uitvoer te leggen, maar de beslissing tot confiscatie ambtshalve voor tenuitvoerlegging doorzendt aan de bevoegde autoriteit;

f)

Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad (52) is van toepassing:

i)

op vonnissen die voor het eind van de overgangsperiode zijn ontvangen door de centrale autoriteit of de bevoegde autoriteit in de tenuitvoerleggingsstaat, of door een autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat die geen rechtsmacht heeft om een vonnis te erkennen of ten uitvoer te leggen, maar het vonnis ambtshalve voor tenuitvoerlegging doorzendt aan de bevoegde autoriteit;

ii)

voor de toepassing van Artikel 4, lid 6, of Artikel 5, lid 3, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad, wanneer dat kaderbesluit van toepassing is krachtens punt b) van dit lid.

g)

Kaderbesluit 2008/675/JBZ van de Raad (53) is van toepassing op nieuwe strafrechtelijke procedures in de zin van Artikel 3 van dat kaderbesluit die voor het eind van de overgangsperiode zijn ingeleid;

h)

Kaderbesluit 2009/315/JBZ van de Raad (54) is van toepassing op verzoeken om gegevens over strafrechtelijke veroordelingen die voor het eind van de overgangsperiode door de centrale autoriteit zijn ontvangen; na het eind van de overgangsperiode worden antwoorden op dergelijke verzoeken echter niet verzonden via het Europees Strafregister Informatiesysteem dat is opgericht bij Besluit 2009/316/JBZ van de Raad (55);

i)

Kaderbesluit 2009/829/JBZ van de Raad (56) is van toepassing op beslissingen inzake toezichtmaatregelen die voor het eind van de overgangsperiode zijn ontvangen door de centrale autoriteit of de bevoegde autoriteit in de tenuitvoerleggingsstaat, of door een autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat die geen rechtsmacht heeft om een beslissing te erkennen, maar de beslissing ambtshalve voor tenuitvoerlegging doorzendt aan de bevoegde autoriteit;

j)

Artikel 10, lid 3, van Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad (57) is van toepassing op verzoeken om gegevens die voor het eind van de overgangsperiode door de centrale autoriteit zijn ontvangen; na het eind van de overgangsperiode worden antwoorden op dergelijke verzoeken echter niet verzonden via het Europees Strafregister Informatiesysteem dat is opgericht bij Besluit 2009/316/JBZ;

k)

Richtlijn 2011/99/EU van het Europees Parlement en de Raad (58) is van toepassing op Europese beschermingsbevelen die voor het eind van de overgangsperiode zijn ontvangen door de centrale autoriteit of de bevoegde autoriteit in de tenuitvoerleggingsstaat, of door een autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat die geen rechtsmacht heeft om een Europees beschermingsbevel te erkennen, maar het ambtshalve voor tenuitvoerlegging doorzendt aan de bevoegde autoriteit;

l)

Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad (59) is van toepassing op Europese onderzoeksbevelen in strafzaken die voor het eind van de overgangsperiode zijn ontvangen door de centrale autoriteit of de uitvoerende autoriteit, of door een autoriteit in de tenuitvoerleggingsstaat die geen rechtsmacht heeft om een Europees onderzoeksbevel in strafzaken te erkennen of ten uitvoer te leggen, maar het ambtshalve voor tenuitvoerlegging doorzendt aan de bevoegde autoriteit.

2.   De bevoegde autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk kunnen blijven deelnemen aan de gemeenschappelijke onderzoeksteams waaraan zij voor het eind van de overgangsperiode deelnamen, wanneer deze onderzoeksteams zijn opgezet, hetzij overeenkomstig Artikel 13 van de Overeenkomst, vastgesteld door de Raad overeenkomstig Artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie, hetzij overeenkomstig Kaderbesluit 2002/465/JBZ van de Raad (60).

In afwijking van Artikel 8 van dit akkoord is het Verenigd Koninkrijk gerechtigd om tot één jaar na het eind van de overgangsperiode gebruik te maken van de applicatie voor veilige informatie-uitwisseling (Secure Information Exchange Network Application – SIENA), voor zover dat strikt noodzakelijk is voor de uitwisseling van gegevens met de in de eerste alinea van dit lid bedoelde gemeenschappelijke onderzoeksteams. Het Verenigd Koninkrijk vergoedt de Unie de werkelijke kosten die de Unie draagt als gevolg van het faciliteren van het gebruik van SIENA door het Verenigd Koninkrijk. De Unie deelt het Verenigd Koninkrijk het bedrag van deze kosten uiterlijk op 31 maart 2021 mee. In het geval dat de meegedeelde werkelijke kosten sterk afwijken van de beste ramingen die voor de ondertekening van dit akkoord door de Unie zijn meegedeeld aan het Verenigd Koninkrijk, betaalt het Verenigd Koninkrijk onverwijld aan de Unie het bedrag van de beste ramingen en bepaalt het Gemengd Comité de wijze waarop het verschil tussen de werkelijke kosten en het bedrag van de beste ramingen moet worden afgewikkeld.

3.   Eurojust kan, op verzoek van het Verenigd Koninkrijk, mits wordt voldaan aan Artikel 26 bis, lid 7, onder a), en Artikel 27 van Besluit 2002/187/JBZ van de Raad (61), informatie, waaronder persoonsgegevens, verstrekken uit zijn casemanagementsysteem, indien zulks nodig is voor het afronden van de lopende procedures bedoeld in lid 1, onder a), b), c), e) en l), van dit Artikel of de activiteiten van de gemeenschappelijke onderzoeksteams bedoeld in lid 2 van dit Artikel. De bevoegde autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk kunnen, op verzoek, Eurojust voorzien van informatie waarover zij beschikken, indien zulks nodig is voor het afronden van de in lid 1, onder a), b), c), e) en l), van dit Artikel bedoelde lopende procedures of de activiteiten van de gemeenschappelijke onderzoeksteams als bedoeld in lid 2 van dit Artikel. Wanneer uit de toepassing van dit lid buitengewone uitgaven voortvloeien, bepaalt het Gemengd Comité de wijze waarop dergelijke uitgaven moeten worden afgewikkeld.

Artikel 63

Lopende procedures voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving, politiële samenwerking en uitwisseling van informatie

1.   In het Verenigd Koninkrijk, alsook in de lidstaten in situaties waarbij het Verenigd Koninkrijk is betrokken, zijn de volgende handelingen als volgt van toepassing:

a)

de Artikelen 39 en 40 van de Overeenkomst ter uitvoering van het op 14 juni 1985 te Schengen gesloten Akkoord (“Schengenuitvoeringsovereenkomst”) (62), juncto de Artikelen 42 en 43 daarvan, zijn van toepassing op:

i)

verzoeken overeenkomstig Artikel 39 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst die voor het eind van de overgangsperiode zijn ontvangen door het centrale orgaan dat in de overeenkomstsluitende partij belast is met internationale politiële samenwerking of door bevoegde autoriteiten van de aangezochte partij, of door aangezochte politiële autoriteiten die niet bevoegd zijn om het verzoek te behandelen, maar het verzoek aan de bevoegde autoriteiten doorzenden;

ii)

rechtshulpverzoeken overeenkomstig Artikel 40, lid 1, van de Schengenuitvoeringsovereenkomst die voor het eind van de overgangsperiode zijn ontvangen door een daartoe door een overeenkomstsluitende partij aangewezen autoriteit;

iii)

grensoverschrijdende observatie die wordt verricht zonder voorafgaande toestemming overeenkomstig Artikel 40, lid 2, van de Schengenuitvoeringsovereenkomst, wanneer die observatie voor het eind van de overgangsperiode aanving;

b)

de Overeenkomst, opgesteld op grond van Artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, inzake wederzijdse bijstand en samenwerking tussen de douaneadministraties (63) is van toepassing op:

i)

verzoeken om informatie die voor het eind van de overgangsperiode door de aangezochte autoriteit zijn ontvangen;

ii)

verzoeken om observatie die voor het eind van de overgangsperiode door de aangezochte autoriteit zijn ontvangen;

iii)

verzoeken om onderzoek die voor het eind van de overgangsperiode door de aangezochte autoriteit zijn ontvangen;

iv)

verzoeken om kennisgeving die voor het eind van de overgangsperiode door de aangezochte autoriteit zijn ontvangen;

v)

verzoeken om toestemming voor grensoverschrijdende observatie of tot overdracht van de observatie aan de ambtenaren van de lidstaat op wier grondgebied de observatie plaatsvindt, die voor het eind van de overgangsperiode zijn ontvangen door een daartoe door de aangezochte lidstaat aangewezen autoriteit, die bevoegd is op het verzoek te besluiten of dit door te zenden;

vi)

grensoverschrijdende observatie die wordt verricht zonder voorafgaande toestemming overeenkomstig Artikel 40, lid 2, van de Schengenuitvoeringsovereenkomst, wanneer die observatie voor het eind van de overgangsperiode aanving;

vii)

verzoeken tot uitvoering van een gecontroleerde aflevering die voor het eind van de overgangsperiode door de aangezochte autoriteit zijn ontvangen;

viii)

verzoeken om toestemming voor infiltratieoperaties die voor het eind van de overgangsperiode door de aangezochte autoriteit zijn ontvangen;

ix)

gemeenschappelijke bijzondere onderzoeksteams die voor het eind van de overgangsperiode zijn opgezet krachtens Artikel 24 van die overeenkomst;

c)

Besluit 2000/642/JBZ van de Raad (64) is van toepassing op verzoeken die voor het eind van de overgangsperiode door de aangezochte financiële inlichtingeneenheid zijn ontvangen;

d)

Kaderbesluit 2006/960/JBZ van de Raad (65) is van toepassing op verzoeken die voor het eind van de overgangsperiode door de aangezochte bevoegde rechtshandhavingsautoriteit zijn ontvangen;

e)

Besluit 2007/533/JBZ van de Raad (66) is van toepassing op de uitwisseling van aanvullende informatie als een in het Schengeninformatiesysteem opgenomen signalering voor het eind van de overgangsperiode een treffer oplevert, mits de bepalingen van dat besluit op de laatste dag van de overgangsperiode op het Verenigd Koninkrijk van toepassing zijn. In afwijking van Artikel 8 van dit akkoord is het Verenigd Koninkrijk gerechtigd om tot 3 maanden na het eind van de overgangsperiode gebruik te maken van de communicatie-infrastructuur bedoeld in Artikel 8, lid 1, van Besluit 2007/533/JBZ, voor zover dat strikt noodzakelijk is voor de uitwisseling van dergelijke aanvullende informatie. Het Verenigd Koninkrijk vergoedt de Unie de werkelijke kosten die de Unie draagt als gevolg van het faciliteren van het gebruik van de communicatie-infrastructuur door het Verenigd Koninkrijk. De Unie deelt het Verenigd Koninkrijk het bedrag van deze kosten uiterlijk op 31 maart 2021 mee. In het geval dat de meegedeelde werkelijke kosten sterk afwijken van de beste ramingen die voor de ondertekening van dit akkoord door de Unie zijn meegedeeld aan het Verenigd Koninkrijk, betaalt het Verenigd Koninkrijk onverwijld aan de Unie het bedrag van de beste ramingen en bepaalt het Gemengd Comité de wijze waarop het verschil tussen de werkelijke kosten en het bedrag van de beste ramingen moet worden afgewikkeld.

f)

Besluit 2007/845/JBZ (67) is van toepassing op verzoeken die voor het eind van de overgangsperiode door een bureau voor de ontneming van vermogensbestanddelen zijn ontvangen;

g)

Richtlijn (EU) 2016/681 van het Europees Parlement en de Raad (68) is van toepassing op verzoeken die voor het eind van de overgangsperiode door een passagiersinformatie-eenheid zijn ontvangen overeenkomstig de Artikelen 9 en 10 van die richtlijn.

2.   In afwijking van Artikel 8 is het Verenigd Koninkrijk gerechtigd om tot één jaar na het eind van de overgangsperiode gebruik te maken van de applicatie voor veilige informatie-uitwisseling (Secure Information Exchange Network Application – SIENA), voor zover dat strikt noodzakelijk is voor het afronden van de lopende procedures als bedoeld in lid 1, onder c), d), f) en g), van dit Artikel. Het Verenigd Koninkrijk vergoedt de Unie de werkelijke kosten die de Unie draagt als gevolg van het faciliteren van het gebruik van SIENA door het Verenigd Koninkrijk. De Unie deelt het Verenigd Koninkrijk het bedrag van deze kosten uiterlijk op 31 maart 2021 mee. In het geval dat de meegedeelde werkelijke kosten sterk afwijken van de beste ramingen die voor de ondertekening van dit akkoord door de Unie zijn meegedeeld aan het Verenigd Koninkrijk, betaalt het Verenigd Koninkrijk onverwijld aan de Unie het bedrag van de beste ramingen en bepaalt het Gemengd Comité de wijze waarop het verschil tussen de werkelijke kosten en het bedrag van de beste ramingen moet worden afgewikkeld.

Artikel 64

Bevestiging van ontvangst of aanhouding

1.   De bevoegde uitvaardigende of verzoekende autoriteit kan binnen 10 dagen na het eind van de overgangsperiode om een bevestiging verzoeken van de ontvangst van een rechterlijke beslissing of een rechterlijk verzoek als bedoeld in Artikel 62, lid 1, onder a), onder c) tot en met e), onder f), punt i), en onder h) tot en met l), en Artikel 63, lid 1, onder a), punten i) en ii), onder b), punten i) tot en met v) en vii), viii) en ix), en onder c), d), f) en g), wanneer zij twijfelt of een dergelijke rechterlijke beslissing of een dergelijk gerechtelijk verzoek door de uitvoerende of aangezochte autoriteit voor het eind van de overgangsperiode werd ontvangen.

2.   In de in Artikel 62, lid 1, onder b), bedoelde gevallen kan de bevoegde uitvaardigende rechterlijke autoriteit, wanneer zij twijfelt of de gezochte persoon op grond van Artikel 11 van Kaderbesluit 2002/584/JBZ voor het eind van de overgangsperiode werd aangehouden, de bevoegde uitvoerende rechterlijke autoriteit binnen 10 dagen na het eind van de overgangsperiode om een bevestiging van de aanhouding verzoeken.

3.   Tenzij reeds een bevestiging is verstrekt uit hoofde van de toepasselijke bepalingen van het recht van de Unie, antwoordt de in de leden 1 en 2 bedoelde uitvoerende of aangezochte autoriteit op een verzoek om een bevestiging van ontvangst of aanhouding binnen 10 dagen na ontvangst van dat verzoek.

Artikel 65

Andere toepasselijke handelingen van de Unie

Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad (69) en Richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad (70) zijn van toepassing op de in Artikel 62, lid 1, onder b), van dit akkoord bedoelde procedures.

TITEL VI

LOPENDE JUSTITIËLE SAMENWERKING IN BURGERLIJKE EN HANDELSZAKEN

Artikel 66

Het in contractuele en niet-contractuele aangelegenheden toepasselijke recht

In het Verenigd Koninkrijk zijn de volgende handelingen als volgt van toepassing:

a)

Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad (71) is van toepassing op overeenkomsten die voor het eind van de overgangsperiode zijn gesloten;

b)

Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad (72) is van toepassing op schadeveroorzakende gebeurtenissen die zich voor het eind van de overgangsperiode hebben voorgedaan.

Artikel 67

Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en daarmee verband houdende samenwerking tussen centrale autoriteiten

1.   In het Verenigd Koninkrijk, alsook in de lidstaten in situaties waarbij het Verenigd Koninkrijk is betrokken, zijn ten aanzien van gerechtelijke procedures die voor het eind van de overgangsperiode zijn ingeleid en ten aanzien van procedures of vorderingen die met dergelijke gerechtelijke procedures verband houden ingevolge de Artikelen 29, 30 en 31 van Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad (73), Artikel 19 van Verordening (EG) nr. 2201/2003 of de Artikelen 12 en 13 van Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad (74), de volgende handelingen of bepalingen van toepassing:

a)

de bepalingen inzake de rechterlijke bevoegdheid van Verordening (EU) nr. 1215/2012;

b)

de bepalingen inzake de rechterlijke bevoegdheid van Verordening (EU) 2017/1001, Verordening (EG) nr. 6/2002, Verordening (EG) nr. 2100/94 en Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad (75) en van Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad (76);

c)

de bepalingen inzake de rechterlijke bevoegdheid van Verordening (EU) nr. 2201/2003;

d)

de bepalingen inzake de rechterlijke bevoegdheid van Verordening (EU) nr. 4/2009.

2.   In het Verenigd Koninkrijk, alsook in de lidstaten in situaties waarbij het Verenigd Koninkrijk is betrokken, zijn ten aanzien van de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen, authentieke akten, en gerechtelijke schikkingen en overeenkomsten de volgende handelingen of bepalingen als volgt van toepassing:

a)

Verordening (EU) nr. 1215/2012 is van toepassing op de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen die zijn gegeven inzake gerechtelijke procedures die voor het eind van de overgangsperiode zijn ingesteld en op voor het eind van de overgangsperiode verleden of geregistreerde authentieke akten en goedgekeurde of getroffen gerechtelijke schikkingen;

b)

de bepalingen van Verordening (EU) nr. 2201/2003 betreffende erkenning en tenuitvoerlegging zijn van toepassing op beslissingen die zijn gegeven in gerechtelijke procedures die voor het eind van de overgangsperiode zijn ingesteld en op voor het eind van de overgangsperiode als authentieke akte verleden documenten en gesloten overeenkomsten;

c)

de bepalingen van Verordening (EU) nr. 4/2009 betreffende erkenning en tenuitvoerlegging zijn van toepassing op beslissingen die zijn gegeven in gerechtelijke procedures die voor het eind van de overgangsperiode zijn ingesteld en op voor het eind van de overgangsperiode goedgekeurde of getroffen gerechtelijke schikkingen en vastgestelde authentieke akten;

d)

Verordening (EG) nr. 805/2004 van het Europees Parlement en de Raad (77) is van toepassing op beslissingen die zijn gegeven in gerechtelijke procedures die voor het eind van de overgangsperiode zijn ingesteld en op voor het eind van de overgangsperiode goedgekeurde of getroffen gerechtelijke schikkingen en verleden authentieke akten, mits voor het eind van de overgangsperiode om de waarmerking als Europese executoriale titel werd verzocht.

3.   In het Verenigd Koninkrijk, alsook in de lidstaten in situaties waarbij het Verenigd Koninkrijk is betrokken, zijn de volgende bepalingen als volgt van toepassing:

a)

hoofdstuk IV van Verordening (EG) nr. 2201/2003 is van toepassing op verzoeken die door de centrale autoriteit of een andere bevoegde autoriteit van de aangezochte staat voor het eind van de overgangsperiode zijn ontvangen;

b)

hoofdstuk VII van Verordening (EG) nr. 4/2009 is van toepassing op verzoeken om erkenning of tenuitvoerlegging als bedoeld in lid, 2, onder c), van dit Artikel en op verzoeken die door de centrale autoriteit van de aangezochte staat voor het eind van de overgangsperiode zijn ontvangen;

c)

Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad (78) is van toepassing op de in Artikel 6, lid 1, van die verordening bedoelde insolventieprocedures en vorderingen, mits het hoofdgeding voor het eind van de overgangsperiode werd ingeleid;

d)

Verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad (79) is van toepassing op Europese betalingsbevelen waarom voor het eind van de overgangsperiode is verzocht; wanneer na een dergelijk verzoek de procedure overeenkomstig Artikel 17, lid 1, van die verordening overgaat, wordt deze geacht voor het eind van de overgangsperiode te zijn ingesteld;

e)

Verordening (EG) nr. 861/2007 van het Europees Parlement en de Raad (80) is van toepassing op procedures voor geringe vorderingen ten aanzien waarvan voor het eind van de overgangsperiode een verzoek werd gediend;

f)

Verordening (EG) nr. 606/2013 van het Europees Parlement en de Raad (81) is van toepassing op certificaten die voor het eind van de overgangsperiode zijn afgegeven.

Artikel 68

Lopende procedures voor justitiële samenwerking

In het Verenigd Koninkrijk, alsook in de lidstaten in situaties waarbij het Verenigd Koninkrijk is betrokken, zijn de volgende handelingen als volgt van toepassing:

a)

Verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad (82) is van toepassing op gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken die voor het eind van de overgangsperiode met het oog op betekening of kennisgeving werden ontvangen door:

i)

een ontvangende instantie;

ii)

een centrale instantie van de staat waar de betekening of kennisgeving moet plaatsvinden; of

iii)

diplomatieke of consulaire ambtenaren, postdiensten of deurwaarders, ambtenaren of andere bevoegde personen in de aangezochte lidstaat, als bedoeld in de Artikelen 13, 14 en 15 van die verordening;

b)

Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad (83) is van toepassing op verzoeken die voor het eind van de overgangsperiode zijn ontvangen door respectievelijk:

i)

een aangezocht gerecht;

ii)

een centraal orgaan van de staat waar de betekening of kennisgeving moet plaatsvinden; of

iii)

een centraal orgaan of bevoegde autoriteit als bedoeld in Artikel 17, lid 1, van die verordening;

c)

Beschikking 2001/470/EG van de Raad (84) is van toepassing op verzoeken die voor het eind van de overgangsperiode werden ontvangen; het verzoekende contactpunt kan binnen 7 dagen na het eind van de overgangsperiode om een ontvangstbevestiging verzoeken wanneer het twijfelt of het verzoek voor het eind van de overgangsperiode werd ontvangen.

Artikel 69

Andere toepasselijke bepalingen

1.   In het Verenigd Koninkrijk, alsook in de lidstaten in situaties waarbij het Verenigd Koninkrijk is betrokken, zijn de volgende handelingen als volgt van toepassing:

a)

Richtlijn 2003/8/EG van de Raad (85) is van toepassing op verzoeken om rechtsbijstand die voor het eind van de overgangsperiode door de ontvangende autoriteit werden ontvangen. De verzoekende autoriteit kan binnen 7 dagen na het eind van de overgangsperiode om een ontvangstbevestiging verzoeken wanneer zij twijfelt of het verzoek voor het eind van de overgangsperiode werd ontvangen;

b)

Richtlijn 2008/52/EG van het Europees Parlement en de Raad (86) is van toepassing wanneer voor het eind van de overgangsperiode:

i)

partijen nadat een geschil is ontstaan, zijn overeengekomen gebruik te maken van bemiddeling/mediation;

ii)

de rechter bemiddeling/mediation had bevolen; of

iii)

een rechter partijen heeft verzocht gebruik te maken van bemiddeling/mediation;

c)

Richtlijn 2004/80/EG van de Raad (87) is van toepassing op aanvragen die door de beslissende instantie voor het eind van de overgangsperiode werden ontvangen.

2.   Artikel 67, lid 1, onder a) en lid 2, onder a), van dit akkoord zijn ook van toepassing op de bepalingen van Verordening (EU) nr. 1215/2012 zoals deze van toepassing zijn krachtens de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Denemarken betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (88).

3.   Artikel 68, onder a), van dit akkoord is ook van toepassing op de bepalingen van Verordening (EU) nr. 1393/2007 zoals deze van toepassing zijn krachtens de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Denemarken betreffende de betekening en de kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (89).

TITEL VII

VOOR HET EIND VAN DE OVERGANGSPERIODE OF OP GROND VAN DIT AKKOORD VERWERKTE OF VERKREGEN GEGEVENS

Artikel 70

Definitie

Voor de toepassing van deze titel wordt onder “recht van de Unie inzake de bescherming van persoonsgegevens” verstaan:

a)

Verordening (EU) 2016/679, met uitzondering van hoofdstuk VII;

b)

Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad (90);

c)

Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad (91);

d)

alle overige bepalingen van het recht van de Unie die op de bescherming van persoonsgegevens van toepassing zijn.

Artikel 71

Bescherming van persoonsgegevens

1.   Het recht van de Unie inzake de bescherming van persoonsgegevens is in het Verenigd Koninkrijk van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens van betrokkenen buiten het Verenigd Koninkrijk, mits de persoonsgegevens:

a)

op grond van het recht van de Unie in het Verenigd Koninkrijk voor het eind van de overgangsperiode werden verwerkt; of

b)

na het eind van de overgangsperiode in het Verenigd Koninkrijk op grond van dit akkoord worden verwerkt.

2.   Lid 1 is niet van toepassing voor zover ten aanzien van de verwerking van de daarin bedoelde persoonsgegevens een adequaat beschermingsniveau wordt geboden zoals vastgesteld in toepasselijke besluiten uit hoofde van Artikel 45, lid 3, van Verordening (EU) 2016/679 of Artikel 36, lid 3, van Richtlijn (EU) 2016/680.

3.   Voor zover een in lid 2 bedoeld besluit niet langer van toepassing is, waarborgt het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens van betrokkenen als bedoeld in lid 1, een niveau van bescherming van persoonsgegevens dat in wezen gelijkwaardig is aan dat krachtens het recht van de Unie inzake de bescherming van persoonsgegevens.

Artikel 72

Vertrouwelijke behandeling en beperkt gebruik van gegevens en informatie in het Verenigd Koninkrijk

Onverminderd Artikel 71 zijn naast het recht van de Unie inzake de bescherming van persoonsgegevens de bepalingen van het recht van de Unie inzake vertrouwelijke behandeling, beperking van gebruik, opslagbeperking en het vereiste gegevens en informatie te wissen van toepassing op gegevens en informatie die zijn verkregen door autoriteiten of officiële instanties van of in het Verenigd Koninkrijk of door de in Artikel 4 van Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad (92) gedefinieerde aanbestedende instanties van of in het Verenigd Koninkrijk:

a)

voor het eind van de overgangsperiode; of

b)

op grond van dit akkoord.

Artikel 73

Behandeling van het Verenigd Koninkrijk verkregen gegevens en informatie

Gegevens en informatie die van het Verenigd Koninkrijk voor het eind van de overgangsperiode dan wel na het eind van de overgangsperiode op grond van dit akkoord zijn verkregen, worden niet enkel omdat het Verenigd Koninkrijk zich uit de Unie heeft teruggetrokken, door de Unie anders behandeld dan gegevens en informatie die van een lidstaat zijn verkregen.

Artikel 74

Informatiebeveiliging

1.   De bepalingen van het recht van de Unie inzake de bescherming van gerubriceerde informatie van de EU en gerubriceerde informatie van Euratom zijn van toepassing op gerubriceerde informatie die door het Verenigd Koninkrijk voor het eind van de overgangsperiode dan wel op grond van dit akkoord is verkregen of die van het Verenigd Koninkrijk door de Unie of een lidstaat voor het eind van de overgangsperiode dan wel op grond van dit akkoord is verkregen.

2.   De verplichtingen uit hoofde van het recht van de Unie inzake industriële beveiliging zijn op het Verenigd Koninkrijk van toepassing in gevallen waarin de inschrijvingsprocedure, gunningsprocedure of procedure voor toekenning van subsidies inzake het gerubriceerde contract, de gerubriceerde onderaanneming of de gerubriceerde subsidieovereenkomst voor het eind van de overgangsperiode werd begonnen.

3.   Het Verenigd Koninkrijk ziet erop toe dat encryptieproducten die gebruikmaken van onder toezicht van de autoriteit voor de goedkeuring van encryptieproducten (Crypto Approval Authority) van een lidstaat of van het Verenigd Koninkrijk ontwikkelde en door die autoriteit beoordeelde en goedgekeurde gerubriceerde encryptiealgoritmen welke aan het eind van de overgangsperiode door de Unie zijn goedgekeurd en zich in het Verenigd Koninkrijk bevinden, niet aan een derde land worden doorgegeven.

4.   Voor deze producten gelden de in de EU-goedkeuring van encryptieproducten vervatte vereisten, beperkingen en voorwaarden.

TITEL VIII

LOPENDE OVERHEIDSOPDRACHTEN EN OVEREENKOMSTIGE PROCEDURES

Artikel 75

Definitie

Voor de toepassing van deze titel worden onder “relevante regels” verstaan de op het plaatsen van overheidsopdrachten toepasselijke algemene beginselen van het recht van de Unie, de Richtlijnen 2009/81/EG (93), 2014/23/EU (94), 2014/24/EU (95) en 2014/25/EU (96) van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 2195/2002 (97) en (EG) nr. 1370/2007 (98) van het Europees Parlement en de Raad, Artikel 4 van Verordening (EEG) nr. 3577/92 van de Raad (99), de Artikelen 11 en 12 van Richtlijn 96/67/EG van de Raad (100), de Artikelen 16, 17 en 18 van Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad (101), de Artikelen 6 en 7 van Verordening (EU) nr. 2017/352 van het Parlement en de Raad (102), en alle andere specifieke bepalingen van het recht van de Unie die op procedures voor overheidsopdrachten van toepassing zijn.

Artikel 76

Regels van toepassing op lopende procedures

1.   De relevante regels zijn van toepassing:

a)

onverminderd punt b), op procedures die door de aanbestedende diensten of aanbestedende instanties van de lidstaten of het Verenigd Koninkrijk op grond van die regels voor het eind van de overgangsperiode zijn gestart en op de laatste dag van de overgangsperiode nog niet zijn voltooid, met inbegrip van procedures waarbij dynamische aankoopsystemen worden gebruikt, alsook procedures waarvoor de oproep tot mededinging plaatsvindt in de vorm van een vooraankondiging of een periodieke indicatieve aankondiging of een aankondiging inzake het bestaan van een erkenningsregeling; en

b)

op de in Artikel 29, leden 2, 3 en 4, van Richtlijn 2009/81/EG, Artikel 33, leden 2 tot en met 5, van Richtlijn 2014/24/EU en Artikel 51, lid 2, van Richtlijn 2014/25/EU bedoelde procedures, die betrekking hebben op de uitvoering van de volgende, door de aanbestedende diensten of aanbestedende instanties van de lidstaten of het Verenigd Koninkrijk gesloten raamovereenkomsten, met inbegrip van de gunning van opdrachten die op dergelijke raamovereenkomsten zijn gebaseerd:

i)

voor het eind van de overgangsperiode gesloten raamovereenkomsten die op de laatste dag van de overgangsperiode nog niet zijn verstreken of beëindigd; of

ii)

overeenkomsten die na het eind van de overgangsperiode zijn gesloten overeenkomstig een procedure die onder punt a) van dit lid valt.

2.   Onverminderd de toepassing van eventuele beperkingen overeenkomstig het recht van de Unie, nemen de aanbestedende diensten en aanbestedende entiteiten ten aanzien van inschrijvers of, in voorkomend geval, personen die anderszins het recht hebben om in te schrijven, uit de lidstaten en het Verenigd Koninkrijk, met betrekking tot de in lid 1 bedoelde procedures het non-discriminatiebeginsel in acht.

3.   Een in lid 1 bedoelde procedure wordt geacht te zijn ingesteld wanneer in overeenstemming met de relevante regels een oproep tot mededinging of een andere uitnodiging tot inschrijving heeft plaatsgevonden. Wanneer de relevante regels de toepassing toestaan van procedures die geen oproep tot mededinging of andere uitnodiging tot inschrijving vereisen, wordt de procedure geacht te zijn gestart op het moment waarop de aanbestedende dienst of aanbestedende entiteit met marktdeelnemers contact opnam in verband met de specifieke procedure.

4.   Een in lid 1 bedoelde procedure wordt geacht te zijn voltooid:

a)

bij de bekendmaking van een aankondiging van een gegunde opdracht overeenkomstig de relevante regels of, wanneer deze regels geen bekendmaking van een aankondiging van een gegunde opdracht vereisen, bij de sluiting van de desbetreffende overeenkomst; of

b)

bij de mededeling aan de inschrijvers of, al naargelang het geval, personen die anderszins het recht hebben om in te schrijven, van de redenen waarom de opdracht niet is gegund, indien de aanbestedende dienst of aanbestedende entiteit besloot een opdracht niet te gunnen.

5.   Dit Artikel doet geen afbreuk aan de regels van de Unie of het Verenigd Koninkrijk op het gebied van douane, goederenverkeer, verrichting van diensten, erkenning van beroepskwalificaties of intellectuele eigendom.

Artikel 77

Beroepsprocedures

De Richtlijnen 89/665/EEG (103) en 92/13/EEG (104) van de Raad zijn van toepassing op de in Artikel 76 van dit akkoord bedoelde procedures voor overheidsopdrachten die binnen het toepassingsgebied van deze richtlijnen vallen.

Artikel 78

Samenwerking

In afwijking van Artikel 8 van dit akkoord is Artikel 61, lid 2, van Richtlijn 2014/24/EU voor een periode van maximaal 9 maanden, te rekenen vanaf het eind van de overgangsperiode, van toepassing op procedures uit hoofde van die richtlijn die door de aanbestedende diensten van het Verenigd Koninkrijk voor het eind van de overgangsperiode werden ingesteld en op de laatste dag van de overgangsperiode nog niet waren voltooid.

TITEL IX

AANGELEGENHEDEN IN VERBAND MET EURATOM

Artikel 79

Definities

Voor de toepassing van deze titel zijn de volgende definities van toepassing:

a)

“Gemeenschap”: de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie;

b)

“veiligheidscontrole”: activiteiten om te controleren of kernmateriaal en -uitrusting niet voor andere doeleinden worden aangewend dan waarvoor de gebruikers verklaard hebben ze te bestemmen en activiteiten om te controleren of internationale verplichtingen tot vreedzaam gebruik van kernmateriaal en nucleaire uitrusting in acht worden genomen;

c)

“bijzondere splijtstoffen”: bijzondere splijtstoffen als gedefinieerd in Artikel 197, punt 1, van het Euratom-Verdrag;

d)

“ertsen”: ertsen als gedefinieerd in Artikel 197, punt 4, van het Euratom-Verdrag;

e)

“grondstoffen”: grondstoffen als gedefinieerd in Artikel 197, punt 3, van het Euratom-Verdrag;

f)

“kernmateriaal”: ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen;

g)

“verbruikte splijtstof” en “radioactief afval”: verbruikte splijtstof en radioactief afval als gedefinieerd in Artikel 3, punten 7 en 11, van Richtlijn 2011/70/Euratom van de Raad (105).

Artikel 80

Eind van de verantwoordelijkheid van de Gemeenschap voor aangelegenheden met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk

1.   Het is uitsluitend de verantwoordelijkheid van het Verenigd Koninkrijk ervoor te zorgen dat alle ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen waarop het Euratom-Verdrag van toepassing is en die zich aan het eind van de overgangsperiode op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk bevinden, worden behandeld overeenkomstig de relevante, toepasselijke internationale verdragen en overeenkomsten, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, internationale verdragen en overeenkomsten inzake nucleaire veiligheid, veiligheidscontroles, non-proliferatie en de fysieke beveiliging van kernmateriaal, en internationale verdragen en overeenkomsten inzake de veiligheid van het beheer van verbruikte splijtstof en inzake de veiligheid van het beheer van radioactief afval.

2.   Het is uitsluitend de verantwoordelijkheid van het Verenigd Koninkrijk ervoor te zorgen dat het zijn internationale verplichtingen nakomt die voortvloeien uit zijn lidmaatschap van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie of uit het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens of andere relevante internationale verdragen of overeenkomsten waarbij het Verenigd Koninkrijk partij is.

Artikel 81

Veiligheidscontrole

Het Verenigd Koninkrijk legt een regeling inzake veiligheidscontrole ten uitvoer. In het kader van deze regeling inzake veiligheidscontrole wordt een systeem toegepast met eenzelfde doeltreffendheid en dekking als die welke de Gemeenschap op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk biedt overeenkomstig de Overeenkomst tussen het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Internationale Organisatie voor Atoomenergie betreffende de toepassing van de veiligheidscontrole in het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland in verband met het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens [INFCIRC/263], als gewijzigd.

Artikel 82

Specifieke verplichtingen uit hoofde van internationale overeenkomsten

Het Verenigd Koninkrijk waarborgt dat alle specifieke verplichtingen uit hoofde van overeenkomsten die de Gemeenschap met derde landen of internationale organisaties heeft gesloten met betrekking tot kernuitrusting, kernmateriaal of andere nucleaire producten die aan het eind van de overgangsperiode op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk aanwezig zijn, worden nagekomen, of identificeert anders in overleg met het betrokken derde land of de betrokken internationale organisatie, passende regelingen.

Artikel 83

Eigendom en rechten tot gebruik en verbruik van bijzondere splijtstoffen in het Verenigd Koninkrijk

1.   Bijzondere splijtstoffen die zich op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk bevinden en ten aanzien waarvan tot het eind van de overgangsperiode Artikel 86 van het Euratom-Verdrag van toepassing was, zijn aan het eind van de overgangsperiode niet langer het eigendom van de Gemeenschap.

2.   De in lid 1 bedoelde bijzondere splijtstoffen worden het eigendom van de personen of ondernemingen die aan het eind van de overgangsperiode overeenkomstig Artikel 87 van het Euratom-Verdrag een onbeperkt recht tot gebruik en verbruik van deze stoffen hadden.

3.   Wanneer het in lid 2 bedoelde recht op gebruik en verbruik van bijzondere splijtstoffen (hierna “betrokken stoffen” genoemd) bij een lidstaat of bij op het grondgebied van een lidstaat gevestigde personen of ondernemingen berust, is ter bescherming van de integriteit van het uit hoofde van titel II, hoofdstuk 6, van het Euratom Verdrag vastgestelde gemeenschappelijk voorzieningsbeleid en van de uit hoofde van hoofdstuk 9 van genoemde titel opgerichte gemeenschappelijke markt op het gebied van de kernenergie, ook met betrekking tot het niveau van de op de betrokken stoffen toepasselijke veiligheidscontroles het volgende van toepassing:

a)

gelet op Artikel 5 van dit akkoord heeft de Gemeenschap het recht voor te schrijven dat de betrokken stoffen worden opgeslagen bij het op grond van Artikel 52, lid 2, onder b), van het Euratom-Verdrag opgerichte agentschap dan wel in andere bewaarplaatsen die door de Europese Commissie worden of kunnen worden gecontroleerd;

b)

de Gemeenschap heeft het recht om overeenkomstig Artikel 52, lid 2, van het Euratom-Verdrag contracten te sluiten voor de levering van de betrokken stoffen aan op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk of in een derde land gevestigde personen of ondernemingen;

c)

met betrekking tot de betrokken stoffen is Artikel 20 van Verordening (Euratom) nr. 302/2005 van de Commissie (106), met uitzondering van lid 1, onder b) en c), van toepassing;

d)

voor de uitvoer van de betrokken stoffen naar een derde land moet toestemming worden gegeven overeenkomstig Artikel 9, lid 2, van Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad (107) door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de persoon of onderneming die het recht heeft de betrokken stoffen te gebruiken en te verbruiken, is gevestigd;

e)

met betrekking tot de betrokken stoffen kan de Gemeenschap alle andere rechten uitoefenen die krachtens het Euratomverdrag voortvloeien uit de eigendom uit hoofde van Artikel 86 van dat Verdrag.

4.   Lidstaten, personen of ondernemingen die aan het eind van de overgangsperiode ten aanzien van op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk aanwezige bijzondere splijtstoffen het onbeperkt recht tot gebruik en verbruik hebben, behouden dat recht.

Artikel 84

Uitrusting en andere goederen met betrekking tot de uitvoering van veiligheidscontroles

1.   Uitrusting van de Gemeenschap en andere goederen voor de uitvoering van veiligheidscontroles uit hoofde van het Euratomverdrag, als vermeld in bijlage V, die zich aan het eind van de overgangsperiode in het Verenigd Koninkrijk bevinden, worden eigendom van het Verenigd Koninkrijk. Het Verenigd Koninkrijk vergoedt de Unie de waarde van die uitrusting en andere goederen, waarbij de berekening van die waarde wordt gebaseerd op de waarde die in de geconsolideerde rekeningen voor het jaar 2020 aan die uitrusting en andere goederen is toegekend.

2.   Het Verenigd Koninkrijk aanvaardt alle rechten, aansprakelijkheden en verplichtingen van de Gemeenschap in verband met de in lid 1 bedoelde uitrusting en andere goederen.

Artikel 85

Verbruikte splijtstof en radioactief afval

Artikel 4, leden 1 en 2, en lid 4, eerste alinea, van Richtlijn 2011/70/Euratom is van toepassing op de eindverantwoordelijkheid van het Verenigd Koninkrijk voor de verbruikte splijtstof en het radioactief afval die in het Verenigd Koninkrijk werden gegenereerd en zich aan het eind van de overgangsperiode op het grondgebied van een lidstaat bevinden.

TITEL X

GERECHTELIJKE EN ADMINISTRATIEVE PROCEDURES VAN DE UNIE

Hoofdstuk 1

GERECHTELIJKE PROCEDURES

Artikel 86

Bij het Hof van Justitie van de Europese Unie aanhangige zaken

1.   Het Hof van Justitie van de Europese Unie blijft bevoegd uitspraak te doen in alle procedures die voor het eind van de overgangsperiode door of tegen het Verenigd Koninkrijk zijn ingesteld. Deze bevoegdheid is van toepassing op alle procedurele fasen, met inbegrip van beroepsprocedures bij het Hof van Justitie en procedures bij het Gerecht, indien de zaak naar het Gerecht wordt terugverwezen.

2.   Het Hof van Justitie van de Europese Unie blijft bevoegd bij wijze van prejudiciële beslissing een uitspraak te doen naar aanleiding van verzoeken van rechterlijke instanties van het Verenigd Koninkrijk die voor het eind van de overgangsperiode zijn ingediend.

3.   Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden procedures geacht bij het Hof van Justitie van de Europese Unie te zijn ingesteld en worden verzoeken om een prejudiciële beslissing geacht te zijn ingediend op het tijdstip dat de indiening van de procesinleiding is geregistreerd ter griffie van het Hof van Justitie of het Gerecht, naargelang het geval.

Artikel 87

Nieuwe zaken voor het Hof van Justitie

1.   Indien de Europese Commissie van mening is dat het Verenigd Koninkrijk voor het eind van de overgangsperiode een verplichting krachtens de Verdragen of deel vier van dit akkoord niet is nagekomen, kan de Europese Commissie de zaak binnen vier jaar na het eind van de overgangsperiode aanhangig maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie overeenkomstig de voorschriften die zijn vastgesteld in Artikel 258 VWEU of Artikel 108, lid 2, tweede alinea, VWEU, naargelang het geval. Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd voor dergelijke zaken.

2.   Als het Verenigd Koninkrijk een in Artikel 95, lid 1, van dit akkoord bedoeld besluit niet naleeft of in de rechtsorde van het Verenigd Koninkrijk geen rechtsgevolg geeft aan een besluit als bedoeld in die bepaling, dat gericht was tot een in het Verenigd Koninkrijk verblijvende of daar gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon, kan de Europese Commissie de zaak binnen vier jaar na de datum van het betrokken besluit voor het Hof van Justitie van de Europese Unie brengen overeenkomstig de vereisten die zijn vastgesteld in Artikel 258 VWEU of Artikel 108, lid 2, tweede alinea, VWEU, naargelang het geval. Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd voor dergelijke zaken.

3.   Bij de besluitvorming om zaken overeenkomstig dit Artikel aanhangig te maken, past de Commissie met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk dezelfde beginselen toe als ten aanzien van een lidstaat.

Artikel 88

Procedurevoorschriften

De bepalingen van het recht van de Unie inzake de procedure voor het Hof van de Europese Unie zijn van toepassing op de in deze titel bedoelde procedures en verzoeken om een prejudiciële beslissing.

Artikel 89

Bindende werking en uitvoerbaarheid van arresten en beschikkingen

1.   Arresten en beschikkingen van het Hof van Justitie van de Europese Unie die voor het eind van de overgangsperiode zijn vastgesteld, alsook arresten en beschikkingen die na het eind van de overgangsperiode zijn vastgesteld in procedures bedoeld in de Artikelen 86 en 87, zijn in al hun onderdelen verbindend voor en in het Verenigd Koninkrijk.

2.   Indien het Hof van Justitie van de Europese Unie in een in lid 1 bedoeld arrest vaststelt dat het Verenigd Koninkrijk een verplichting krachtens de Verdragen of dit akkoord niet is nagekomen, neemt het Verenigd Koninkrijk de maatregelen die nodig zijn om gevolg te geven aan dat arrest.

3.   De Artikelen 280 en 299 VWEU zijn van toepassing in het Verenigd Koninkrijk ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de in lid 1 van dit Artikel bedoelde arresten en beschikkingen van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Artikel 90

Recht op tussenkomst in en deelname aan de procedure

Totdat de arresten en beschikkingen van het Hof van Justitie van de Europese Unie ten aanzien van alle procedures en verzoeken om een prejudiciële beslissing bedoeld in Artikel 86 definitief zijn geworden, kan het Verenigd Koninkrijk op dezelfde wijze als een lidstaat tussenkomen, of, in de zaken die aanhangig zijn gemaakt bij het Hof van Justitie van de Europese Unie overeenkomstig Artikel 267 VWEU, op dezelfde wijze als een lidstaat deelnemen aan de procedure voor het Hof van Justitie van de Europese Unie. Gedurende die periode stelt de griffier van het Hof van Justitie van de Europese Unie het Verenigd Koninkrijk op hetzelfde moment en op dezelfde wijze als de lidstaten in kennis van elke zaak die voor een prejudiciële beslissing aan het Hof van Justitie van de Europese Unie is voorgelegd door een rechterlijke instantie van een lidstaat.

Het Verenigd Koninkrijk kan ook op dezelfde wijze als een lidstaat tussenkomen in of deelnemen aan de procedure voor het Hof van Justitie van de Europese Unie:

a)

in verband met zaken die betrekking hebben op niet-nakoming van verplichtingen krachtens de Verdragen, wanneer voor het Verenigd Koninkrijk dezelfde verplichtingen golden vóór het eind van de overgangsperiode en wanneer dergelijke zaken aanhangig zijn gemaakt bij het Hof van Justitie van de Europese Unie overeenkomstig Artikel 258 VWEU voor het eind van de in Artikel 87, lid 1, bedoelde periode, of, naargelang het geval, tot het tijdstip, na het eind van die periode, waarop het laatste arrest of de laatste beschikking van het Hof van Justitie van de Europese Unie op basis van Artikel 87, lid 1, definitief is geworden;

b)

in verband met zaken die betrekking hebben op handelingen of bepalingen van het recht van de Unie die voor het eind van de overgangsperiode van toepassing waren op en in het Verenigd Koninkrijk en die aanhangig zijn gemaakt bij het Hof van Justitie van de Europese Unie overeenkomstig Artikel 267 VWEU voor het eind van periode bedoeld in Artikel 87, lid 1, of, naargelang het geval, tot het tijdstip, na het eind van die periode, waarop het laatste arrest of de laatste beschikking van het Hof van Justitie van de Europese Unie op basis van Artikel 87, lid 1, definitief is geworden;

c)

in verband met de zaken bedoeld in Artikel 95, lid 3.

Artikel 91

Vertegenwoordiging voor het Hof

1.   Onverminderd Artikel 88, kan, wanneer een advocaat die bevoegd is op te treden voor de rechterlijke instanties van het Verenigd Koninkrijk en, voor het eind van de overgangsperiode, een partij vertegenwoordigde of bijstond bij een procedure voor het Hof van Justitie van de Europese Unie of in verband met verzoeken om prejudiciële beslissingen die voor het eind van de overgangsperiode werden ingediend, die advocaat de partij bij die procedure of in verband met die verzoeken blijven vertegenwoordigen of bijstaan. Dit recht is van toepassing op alle procedurele fasen, met inbegrip van beroepsprocedures bij het Hof van Justitie en van procedures bij het Gerecht nadat een zaak is verwezen.

2.   Onverminderd Artikel 88, kunnen advocaten die bevoegd zijn op te treden voor de rechterlijke instanties van het Verenigd Koninkrijk, een partij bij het Hof van Justitie van de Europese Unie vertegenwoordigen of bijstaan in de zaken bedoeld in Artikel 87 en Artikel 95, lid 3. Advocaten die bevoegd zijn op te treden voor de rechterlijke instanties van het Verenigd Koninkrijk kunnen ook het Verenigd Koninkrijk vertegenwoordigen of bijstaan in de onder Artikel 90 vallende procedures waarin het Verenigd Koninkrijk heeft besloten tussen te komen of waaraan het Verenigd Koninkrijk heeft besloten deel te nemen.

3.   Bij het vertegenwoordigen of bijstaan van een partij bij het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaken bedoeld in de leden 1 en 2 worden advocaten die bevoegd zijn om op te treden voor de rechterlijke instanties van het Verenigd Koninkrijk in elk opzicht behandeld als advocaten die bevoegd zijn om op te treden voor de rechterlijke instanties van lidstaten en die een partij vertegenwoordigen of bijstaan voor het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Hoofdstuk 2

ADMINISTRATIEVE PROCEDURES

Artikel 92

Lopende administratieve procedures

1.   De instellingen, organen en instanties van de Unie blijven bevoegd voor administratieve procedures die voor het eind van de overgangsperiode werden ingeleid met betrekking tot:

a)

naleving van het recht van de Unie door het Verenigd Koninkrijk, of door natuurlijke personen of rechtspersonen die in het Verenigd Koninkrijk verblijven of gevestigd zijn; of

b)

naleving van het recht van de Unie in verband met mededinging in het Verenigd Koninkrijk.

2.   Onverminderd lid 3 wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk een administratieve procedure geacht te zijn ingesteld op het tijdstip waarop deze formeel bij de instelling, het orgaan of de instantie van de Unie is geregistreerd.

3.   Voor de toepassing van dit hoofdstuk:

a)

wordt een onder Verordening (EU) 2015/1589 (108) vallende administratieve procedure inzake staatssteun geacht te zijn ingeleid op het tijdstip waarop de procedure is ingeschreven onder een zaaknummer;

b)

worden procedures die voor de toepassing van Artikel 101 of 102 VWEU door de Europese Commissie ten uitvoer worden gelegd krachtens Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad (109), geacht te zijn ingeleid op het tijdstip dat de Europese Commissie heeft besloten om de procedure in te leiden overeenkomstig Artikel 2, lid 1, van Verordening (EG) nr. 773/2004 van de Commissie (110);

c)

procedures in verband met de controle op concentraties van ondernemingen geregeld bij Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (111) worden geacht te zijn ingeleid op het tijdstip waarop:

i)

een concentratie van Uniedimensie is aangemeld bij de Europese Commissie overeenkomstig de Artikelen 1, 3 en 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004;

ii)

de termijn van 15 werkdagen bedoeld in Artikel 4, lid 5, van Verordening (EG) nr. 139/2004 is verstreken en geen enkele krachtens zijn nationale mededingingswetgeving tot toetsing bevoegde lidstaat te kennen heeft gegeven het niet eens te zijn met de het verzoek om de zaak naar de Europese Commissie te verwijzen; of

iii)

de Europese Commissie heeft besloten, of wordt geacht te hebben besloten, de concentratie te onderzoeken overeenkomstig Artikel 22, lid 3, van Verordening (EG) nr. 139/2004;

d)

een onderzoek door de Europese Autoriteit voor effecten en markten van een vermeende inbreuk als bedoeld in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad (112) of bijlage I bij Verordening (EU) nr. 684/2012 van het Europees Parlement en de Raad (113) wordt geacht te zijn ingeleid op het tijdstip waarop die autoriteit een onafhankelijke onderzoeksfunctionaris heeft aangewezen overeenkomstig Artikel 23 sexies, punt 1, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 of Artikel 64, lid 1, van Verordening (EU) nr. 648/2012.

4.   De Unie bezorgt het Verenigd Koninkrijk binnen 3 maanden na het eind van de overgangsperiode een lijst van alle afzonderlijke lopende administratieve procedures die binnen het toepassingsgebied van lid 1 vallen. In afwijking van de eerste zin bezorgt de Unie het Verenigd Koninkrijk in het geval van individuele lopende administratieve procedures van de Europese Bankautoriteit, de Europese Autoriteit voor effecten en markten, en de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen binnen een maand na het eind van de overgangsperiode een lijst van dergelijke lopende administratieve procedures.

5.   In een onder Verordening (EU) 2015/1589 vallende administratieve procedure inzake staatssteun is de Europese Commissie ten aanzien van het Verenigd Koninkrijk gebonden door de toepasselijke rechtspraak en beste praktijken, als ware het Verenigd Koninkrijk nog een lidstaat. Met name neemt de Europese Commissie binnen een redelijke termijn een van de volgende besluiten:

a)

een besluit waarbij wordt vastgesteld dat de aangemelde maatregel geen steun vormt, op grond van Artikel 4, lid 2, van Verordening (EU) 2015/1589;

b)

een besluit om geen bezwaar te maken, overeenkomstig Artikel 4, lid 3, van Verordening (EU) 2015/1589;

c)

een besluit om een formele onderzoeksprocedure in te leiden, overeenkomstig Artikel 4, lid 4, van Verordening (EU) 2015/1589.

Artikel 93

Nieuwe procedures inzake staatssteun en nieuwe procedures van het Europees Bureau voor fraudebestrijding

1.   Ten aanzien van voor het eind van de overgangsperiode verleende staatssteun is de Europese Commissie gedurende een periode van vier jaar na het eind van de overgangsperiode bevoegd ten aanzien van het Verenigd Koninkrijk nieuwe administratieve procedures in te leiden inzake staatsteun die onder Verordening (EU) 2015/1589 valt.

De Europese Commissie blijft na het eind van de periode van vier jaar bevoegd voor procedures die voor het eind van die periode zijn ingeleid.

Artikel 92, lid 5, van dit akkoord is van overeenkomstige toepassing.

De Europese Commissie stelt het Verenigd Koninkrijk binnen 3 maanden nadat een nieuwe administratieve staatssteunprocedure is ingeleid krachtens de eerste alinea van dit lid, in kennis van deze procedure.

2.   Onverminderd de Artikelen 136 en 138 van dit akkoord is het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) gedurende een periode van vier jaar na het eind van de overgangsperiode bevoegd om nieuwe onderzoeken waarvoor Verordening (EU) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad (114) geldt, te ondernemen met betrekking tot:

a)

feiten die plaatsvonden voor het eind van de overgangsperiode; of

b)

alle douaneschulden die na het eind van de overgangsperiode ontstaan, te rekenen vanaf de zuivering als bedoeld in Artikel 49, lid 1, van dit akkoord.

OLAF blijft na het eind van de periode van vier jaar bevoegd voor procedures die voor het eind van die periode zijn ingeleid.

OLAF stelt het Verenigd Koninkrijk binnen 3 maanden nadat een nieuw onderzoek is ingeleid krachtens de eerste alinea van dit lid, in kennis van dit onderzoek.

Artikel 94

Procedurevoorschriften

1.   De bepalingen van het recht van de Unie inzake de verschillende soorten administratieve procedures waarop dit hoofdstuk van toepassing is, zijn van toepassing op de procedures bedoeld in de Artikelen 92, 93 en 96.

2.   Bij het vertegenwoordigen of bijstaan van een partij bij de administratieve procedures bedoeld in de leden 92 en 93 worden de advocaten die bevoegd zijn om op te treden voor de rechterlijke instanties van het Verenigd Koninkrijk in elk opzicht behandeld als advocaten die bevoegd zijn om op te treden voor de rechterlijke instanties van lidstaten en die een partij bij dergelijke administratieve procedures vertegenwoordigen of bijstaan.

3.   Artikel 128, lid 5, is na het eind van de overgangsperiode van toepassing voor zover nodig voor de procedures bedoeld in de Artikelen 92 en 93.

Artikel 95

Bindende werking en uitvoerbaarheid van besluiten

1.   Besluiten die voor het eind van de overgangsperiode zijn vastgesteld door instellingen, organen en instanties van de Unie of na het eind van de overgangsperiode zijn vastgesteld middels de in de in de Artikelen 92 en 93 bedoelde procedures, en die zijn gericht tot het Verenigd Koninkrijk of tot in het Verenigd Koninkrijk verblijvende of gevestigde natuurlijke personen of rechtspersonen, zijn bindend voor en in het Verenigd Koninkrijk.

2.   Tenzij de Europese Commissie en de aangewezen nationale mededingingsautoriteit van het Verenigd Koninkrijk anders overeenkomen, blijft de Europese Commissie bevoegd tot het monitoren en handhaven van de verbintenissen gedaan of de maatregelen opgelegd in of met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk in verband met de procedures voor de toepassing van de Artikelen 101 en 102 VWEU die de Europese Commissie ten uitvoer legt krachtens Verordening (EG) nr. 1/2003 of procedures die de Europese Commissie ten uitvoer legt krachtens Verordening (EG) nr. 139/2004 in verband met de controle op concentraties van ondernemingen. Indien de Europese Commissie en de aangewezen nationale mededingingsautoriteit van het Verenigd Koninkrijk zulks overeenkomen, draagt de Europese Commissie de monitoring en handhaving van dergelijke verbintenissen of maatregelen in het Verenigd Koninkrijk over aan de aangewezen nationale mededingingsautoriteit van het Verenigd Koninkrijk.

3.   De wettigheid van een in lid 1 van dit Artikel bedoeld besluit wordt uitsluitend getoetst door het Hof van Justitie van de Europese Unie overeenkomstig Artikel 263 VWEU.

4.   Artikel 299 VWEU is van toepassing in het Verenigd Koninkrijk op de handhaving van in lid 1 van dit Artikel bedoelde besluiten waarbij geldelijke verplichtingen worden opgelegd aan in het Verenigd Koninkrijk verblijvende of gevestigde natuurlijke personen of rechtspersonen.

Artikel 96

Overige lopende procedures en verslagleggingsverplichtingen

1.   Door onderzoeksbureaus van het Verenigd Koninkrijk in samenwerking met het Communautair Bureau voor plantenrassen verrichte technische onderzoeken krachtens Verordening (EG) nr. 2100/94 die op de dag voor de inwerkingtreding van dit akkoord lopende waren, worden voortgezet en afgerond overeenkomstig die verordening.

2.   Artikel 12, leden 2 bis en 3, en de Artikelen 14, 15 en 16 van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (115) zijn van toepassing op en in het Verenigd Koninkrijk ten aanzien van broeikasgassen die zijn uitgestoten gedurende het laatste jaar van de overgangsperiode.

3.   Artikel 19 van Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad (116) en de Artikelen 26 en 27 van Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad (117) zijn van toepassing op en in het Verenigd Koninkrijk ten aanzien van de gegevensrapportage in verband met het laatste jaar van de overgangsperiode.

4.   Artikel 8, leden 1, 2, 3 en 7, van Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad (118) en bijlage II bij die verordening en Artikel 8, leden 1, 2, 3, 8 en 10, van Verordening (EU) nr. 510/2011 van het Europees Parlement en de Raad (119), alsmede bijlage II bij die verordening, alsmede de Artikelen 2 tot en met 5, Artikel 7 en Artikel 8, leden 2 en 3, van Verordening (EU) nr. 1014/2010 van de Commissie en de Artikelen 3 tot en met 6, Artikel 8 en Artikel 9, leden 2 en 3, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 293/2012 van de Commissie (120) zijn van toepassing op en in het Verenigd Koninkrijk ten aanzien van de monitoring en rapportering van relevante koolstofdioxide-emissies van voertuigen gedurende het laatste jaar van de overgangsperiode.

5.   De Artikelen 5, 7, 9 en 10, Artikel 11, lid 3, Artikel 17, lid 1, onder a) en d), en de Artikelen 19, 22 en 23 van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad (121) en de Artikelen 3, 7 en 11 van Besluit nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad (122) zijn van toepassing op het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot de in 2019 en 2020 uitgestoten broeikasgassen en Artikel 5 van Verordening (EU) nr. 389/2013 van de Commissie (123) is op het Verenigd Koninkrijk van toepassing tot de afsluiting van de tweede verbintenisperiode in het kader van het Protocol van Kyoto.

6.   In afwijking van Artikel 8 van dit akkoord:

a)

hebben het Verenigd Koninkrijk en exploitanten in het Verenigd Koninkrijk, voor zover nodig om te voldoen aan de leden 2, 4 en 5 van dit Artikel, toegang tot:

i)

het EU-register en het “Protocol van Kyoto”-register van het Verenigd Koninkrijk als ingesteld bij Verordening (EU) nr. 389/2013; en

ii)

het centrale gegevensarchief van het Europees Milieuagentschap waarin is voorzien bij Verordening (EU) nr. 1014/2010, Uitvoeringsverordening (EU) nr. 293/2012 en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 749/2014 van de Commissie (124);

b)

hebben ondernemingen in het Verenigd Koninkrijk, voor zover nodig om te voldoen aan lid 3 van dit Artikel, toegang tot:

i)

het rapportagesysteem in de in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1191/2014 van de Commissie (125) vastgestelde vorm voor het beheren van en rapporteren over gefluoreerde broeikasgassen;

ii)

het centrale gegevensarchief dat door ondernemingen wordt gebruikt voor rapportage uit hoofde van Artikel 27 van Verordening (EG) nr. 1005/2009.

Op verzoek van het Verenigd Koninkrijk bezorgt de Unie het Verenigd Koninkrijk gedurende het jaar na het eind van de overgangsperiode de informatie die het nodig heeft om:

a)

te voldoen aan zijn rapportageverplichtingen uit hoofde van Artikel 7 van het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken; en

b)

sancties op te leggen overeenkomstig Artikel 25 van Verordening (EU) nr. 517/2014 en Artikel 29 van Verordening (EG) nr. 1005/2009.

Artikel 97

Vertegenwoordiging in lopende procedures bij het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie

Wanneer voor het eind van de overgangsperiode een persoon die gemachtigd is om een natuurlijk persoon of rechtspersoon te vertegenwoordigen bij het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie overeenkomstig het recht van de Unie, een partij vertegenwoordigde in een procedure die bij dat bureau aanhangig werd gemaakt, kan die vertegenwoordiger die partij in die procedure blijven vertegenwoordigen. Dit geldt voor alle fasen van de procedure bij dat bureau.

Wanneer een persoon een partij vertegenwoordigt bij het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie in de in de eerste alinea bedoelde procedure, wordt die vertegenwoordiger in elk opzicht behandeld als een professionele vertegenwoordiger die gemachtigd is een natuurlijke persoon of rechtspersoon bij het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie te vertegenwoordigen overeenkomstig het recht van de Unie.

TITLE XI

PROCEDURES VOOR ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING TUSSEN DE LIDSTATEN EN HET VERENIGD KONINKRIJK

Artikel 98

Administratieve samenwerking in douaneaangelegenheden

1.   In bijlage VI vermelde administratieve samenwerkingsprocedures tussen een lidstaat en het Verenigd Koninkrijk die voor het eind van de overgangsperiode werden ingesteld overeenkomstig het recht van de Unie, worden door die lidstaat en het Verenigd Koninkrijk afgerond overeenkomstig de relevante bepalingen van het recht van de Unie.

2.   In bijlage VI vermelde administratieve samenwerkingsprocedures tussen een lidstaat en het Verenigd Koninkrijk die binnen een periode van 3 jaar na het eind van de overgangsperiode worden ingesteld, maar betrekking hebben op feiten die plaatsvonden voor het eind van de overgangsperiode, worden door die lidstaat en het Verenigd Koninkrijk afgerond overeenkomstig de relevante bepalingen van het recht van de Unie.

Artikel 99

Administratieve samenwerking in aangelegenheden op het gebied van indirecte belastingen

1.   Verordening (EU) nr. 904/2010 van de Raad (126) is tot 4 jaar na het eind van de overgangsperiode van toepassing op de samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de toepassing van de btw-wetgeving in de lidstaten en het Verenigd Koninkrijk, met betrekking tot transacties die voor het eind van de overgangsperiode plaatsvonden en met betrekking tot transacties waarop Artikel 51, lid 1, van dit akkoord van toepassing is.

2.   Verordening (EU) nr. 389/2012 van de Raad (127) is tot 4 jaar na het eind van de overgangsperiode van toepassing op de samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de toepassing van de wetgeving inzake accijnzen in de lidstaten en het Verenigd Koninkrijk, met betrekking tot de overbrenging van accijnsgoederen die voor het eind van de overgangsperiode plaatsvond en met betrekking tot de overbrenging van accijnsgoederen waarop Artikel 52 van dit akkoord van toepassing is.

3.   In afwijking van Artikel 8 heeft het Verenigd Koninkrijk toegang tot de in bijlage IV vermelde netwerken, informatiesystemen en databanken, voor zover dat strikt noodzakelijk is om zijn rechten uit te oefenen en te voldoen aan zijn verplichtingen uit hoofde van dit Artikel. Het Verenigd Koninkrijk vergoedt de Unie de werkelijke kosten die de Unie draagt als gevolg van het faciliteren van die toegang. De Unie deelt het Verenigd Koninkrijk het bedrag van deze kosten uiterlijk op 31 maart van elk jaar mee tot het einde van de periode bedoeld in bijlage IV. In het geval dat de meegedeelde werkelijke kosten sterk afwijken van de beste ramingen die voor de ondertekening van dit akkoord door de Unie werden meegedeeld aan het Verenigd Koninkrijk, betaalt het Verenigd Koninkrijk onverwijld aan de Unie het bedrag van de beste ramingen en bepaalt het Gemengd Comité de wijze waarop het verschil tussen de werkelijke kosten en het bedrag van de beste ramingen moet worden afgewikkeld.

Artikel 100

Wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen, rechten en andere maatregelen

1.   Richtlijn 2010/24/EU van de Raad (128) is tot 5 jaar na het eind van de overgangsperiode van toepassing tussen de lidstaten en het Verenigd Koninkrijk ten aanzien van vorderingen die betrekking hebben op bedragen die voor het eind van de overgangsperiode opeisbaar werden, vorderingen die betrekking hebben op transacties die voor het eind van de overgangsperiode plaatsvonden maar waarvan de bedragen na die periode opeisbaar werden, en vorderingen die betrekking hebben op transacties waarop Artikel 51, lid 1, van dit akkoord van toepassing is of op de overbrenging van accijnsgoederen waarop Artikel 52 van dit akkoord van toepassing is.

2.   In afwijking van Artikel 8 heeft het Verenigd Koninkrijk toegang tot de in bijlage IV vermelde netwerken, informatiesystemen en databanken, voor zover dat strikt noodzakelijk is om zijn rechten uit te oefenen en te voldoen aan zijn verplichtingen uit hoofde van dit Artikel. Het Verenigd Koninkrijk vergoedt de Unie de werkelijke kosten die de Unie draagt als gevolg van het faciliteren van die toegang. De Unie deelt het Verenigd Koninkrijk het bedrag van deze kosten uiterlijk op 31 maart van elk jaar mee tot het einde van de periode bedoeld in bijlage IV. In het geval dat de meegedeelde werkelijke kosten sterk afwijken van de beste ramingen die voor de ondertekening van dit akkoord door de Unie werden meegedeeld aan het Verenigd Koninkrijk, betaalt het Verenigd Koninkrijk onverwijld aan de Unie het bedrag van de beste ramingen en bepaalt het Gemengd Comité de wijze waarop het verschil tussen de werkelijke kosten en het bedrag van de beste ramingen moet worden afgewikkeld.

TITEL XII

VOORRECHTEN EN IMMUNITEITEN

Artikel 101

Definities

1.   Voor de toepassing van deze titel worden onder “leden van de instellingen” verstaan, ongeacht hun nationaliteit: de voorzitter van de Europese Raad, de leden van de Europese Commissie, de rechters, advocaten-generaal, griffiers en de toegevoegde rapporteurs van het Hof van Justitie van de Europese Unie, de leden van de Rekenkamer, de leden van de organen van de Europese Centrale Bank, de leden van de organen van de Europese Investeringsbank, alsook alle andere personen die voor de toepassing van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie (“Protocol inzake de voorrechten en immuniteiten”) krachtens het recht van de Unie met een van deze categorieën gelijk worden gesteld. De term “leden van de instellingen” omvat niet de leden van het Europees Parlement.

2.   Verordening (Euratom, EGKS, EEG) nr. 549/69 van de Raad (129) is van toepassing voor de bepaling van de categorieën ambtenaren en overige personeelsleden waarop de Artikelen 110 tot en met 113 van dit akkoord van toepassing zijn.

Hoofdstuk 1

EIGENDOMMEN, FONDSEN, BEZITTINGEN EN VERRICHTINGEN VAN DE UNIE

Artikel 102

Onschendbaarheid

Artikel 1 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten is van toepassing op de terreinen, gebouwen, eigendommen en bezittingen van de Unie in het Verenigd Koninkrijk die voor het eind van de overgangsperiode door de Unie worden gebruikt, totdat zij niet langer officieel in gebruik zijn of uit het Verenigd Koninkrijk zijn verwijderd. De Unie stelt er het Verenigd Koninkrijk van in kennis wanneer haar terreinen, gebouwen, eigendommen of bezittingen niet langer in voormelde zin worden gebruikt of uit het Verenigd Koninkrijk zijn verwijderd.

Artikel 103

Archieven

Artikel 2 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten is van toepassing op alle archieven van de Unie die zich aan het eind van de overgangsperiode in het Verenigd Koninkrijk bevinden, totdat zij uit het Verenigd Koninkrijk zijn verwijderd. De Unie stelt het Verenigd Koninkrijk in kennis van de verwijdering van elk van haar archieven uit het Verenigd Koninkrijk.

Artikel 104

Belastingen

Artikel 3 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten is van toepassing op bezittingen, inkomsten en andere eigendommen die de Unie aan het eind van de overgangsperiode in het Verenigd Koninkrijk heeft, totdat deze niet langer officieel worden gebruikt of uit het Verenigd Koninkrijk zijn verwijderd.

Hoofdstuk 2

MEDEDELINGEN

Artikel 105

Mededelingen

Artikel 5 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten is in het Verenigd Koninkrijk van toepassing op alle officiële mededelingen, officiële correspondentie en de overbrenging van documenten met betrekking tot de activiteiten van de Unie uit hoofde van dit akkoord.

Hoofdstuk 3

LEDEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT

Artikel 106

Immuniteit van de leden van het Europees Parlement

Artikel 8 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten is in het Verenigd Koninkrijk van toepassing ten aanzien van de mening of de stem die de leden van het Europees Parlement, met inbegrip van voormalige leden en ongeacht hun nationaliteit, voor het eind van de overgangsperiode in de uitoefening van hun ambt hebben geuit respectievelijk uitgebracht.

Artikel 107

Sociale zekerheid

Voormalige leden van het Europees Parlement die in die hoedanigheid een pensioen genieten, alsook personen die als nabestaanden van voormalige leden recht op een overlevingspensioen hebben, worden, ongeacht hun nationaliteit, vrijgesteld van de verplichting om bij nationale socialezekerheidsstelsels in het Verenigd Koninkrijk aangesloten te zijn en daaraan bij te dragen, onder dezelfde voorwaarden als die welke op de laatste dag van de overgangsperiode van toepassing waren, mits de voormalige leden van het Europees Parlement voor het eind van de overgangsperiode lid van het Europees Parlement waren.

Artikel 108

Voorkomen van dubbele belasting op pensioenen en overbruggingstoelagen

De Artikelen 12, 13 en 14 van Besluit 2005/684/EG, Euratom, van het Europees Parlement (130) zijn in het Verenigd Koninkrijk van toepassing op pensioenen en overbruggingstoelagen die worden uitgekeerd aan voormalige leden van het Europees Parlement, ongeacht hun nationaliteit, en Artikel 17 van dat besluit is van toepassing op personen die als nabestaanden van voormalige leden recht op een overlevingspensioen hebben, ongeacht hun nationaliteit, voor zover het recht op een pensioen of overbruggingstoelage voor het eind van de overgangsperiode werd verkregen.

Hoofdstuk 4

VERTEGENWOORDIGERS VAN LIDSTATEN EN VAN HET VERENIGD KONINKRIJK DIE DEELNEMEN AAN DE WERKZAAMHEDEN VAN DE INSTELLINGEN VAN DE UNIE

Artikel 109

Voorrechten, immuniteiten en faciliteiten

1.   Artikel 10 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten is in het Verenigd Koninkrijk van toepassing op vertegenwoordigers van lidstaten en van het Verenigd Koninkrijk die deelnemen aan de werkzaamheden van de instellingen, organen en instanties van de Unie, alsook op hun raadslieden en technisch deskundigen, en op leden van de adviesorganen van de Unie, ongeacht hun nationaliteit, in verband met hun deelname aan dergelijke werkzaamheden:

a)

die voor het eind van de overgangsperiode plaatsvonden;

b)

die na het eind van de overgangsperiode plaatvinden in verband met activiteiten van de Unie uit hoofde van dit akkoord.

2.   Artikel 10 van het van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten is in de Unie van toepassing op vertegenwoordigers van het Verenigd Koninkrijk die deelnemen aan de werkzaamheden van de instellingen, organen en instanties van de Unie, alsook op hun raadslieden en technisch deskundigen, in verband met hun deelname aan werkzaamheden:

a)

die voor het eind van de overgangsperiode plaatsvonden;

b)

die na het eind van de overgangsperiode plaatvinden in verband met activiteiten van de Unie uit hoofde van dit akkoord.

Hoofdstuk 5

LEDEN VAN DE INSTELLINGEN, AMBTENAREN EN ANDERE PERSONEELSLEDEN

Artikel 110

Voorrechten en immuniteiten

1.   Artikel 11, onder a), van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten is in het Verenigd Koninkrijk van toepassing op hetgeen leden van de instellingen, ambtenaren en andere personeelsleden van de Unie, daaronder begrepen voormalige leden, voormalige ambtenaren en voormalige andere personeelsleden, ongeacht hun nationaliteit, in hun officiële hoedanigheid hebben gedaan, gezegd of geschreven:

a)

voor het eind van de overgangsperiode; of

b)

na het eind van de overgangsperiode in verband met activiteiten van de Unie krachtens dit akkoord.

2.   Artikel 3, eerste, tweede en derde alinea, van Protocol (nr. 3) betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie is in het Verenigd Koninkrijk op de rechters van het Hof van Justitie van de Europese Unie en de advocaten-generaal van toepassing tot de uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie in alle procedures en verzoeken om een prejudiciële beslissing bedoeld in de Artikelen 86 en 87 van dit akkoord definitief zijn geworden, en is daarna van toepassing, ook op voormalige rechters en voormalige advocaten-generaal, ten aanzien van hetgeen zij voor het eind van de overgangsperiode of met betrekking tot de in de Artikelen 86 en 87 bedoelde procedures in hun officiële hoedanigheid hebben gedaan, gezegd of geschreven.

3.   Artikel 11, onder b) tot en met e), van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten is van toepassing in het Verenigd Koninkrijk op de ambtenaren en andere personeelsleden van de Unie, ongeacht hun nationaliteit, alsook op hun echtgenoten en de ten hunnen lasten zijnde verwanten, ongeacht hun nationaliteit, indien deze ambtenaren of andere personeelsleden voor het eind van de overgangsperiode in dienst van de Unie zijn getreden, totdat deze personen hun verhuizing naar de Unie hebben voltooid.

Artikel 111

Belastingen

Artikel 12 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten is van toepassing in het Verenigd Koninkrijk op leden van de instellingen, de ambtenaren en andere personeelsleden van de Unie, ongeacht hun nationaliteit, alsook op voormalige leden, voormalige ambtenaren en voormalige andere personeelsleden, indien deze leden, ambtenaren of andere personeelsleden voor het eind van de overgangsperiode in dienst van de Unie zijn getreden, mits de betrokkenen onderworpen zijn aan een belasting ten bate van de Unie op de door haar aan hen betaalde salarissen, lonen, emolumenten en pensioenen.

Artikel 112

Fiscale woonplaats

1.   Artikel 13 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten is van toepassing op de leden van de instellingen, ambtenaren en andere personeelsleden van de Unie, ongeacht hun nationaliteit, die voor het eind van de overgangsperiode in dienst van de Unie zijn getreden, alsook op hun echtgenoten, ongeacht hun nationaliteit, voor zover deze geen eigen beroepsbezigheden uitoefenen, alsmede op de kinderen die ten laste zijn en onder toezicht staan van deze leden, ambtenaren en andere personeelsleden.

2.   Lid 1 is alleen van toepassing op personen die zich uitsluitend uit hoofde van de uitoefening van hun ambt in dienst van de Unie in een lidstaat hebben gevestigd en die op het ogenblik van hun indiensttreding bij de Unie hun fiscale woonplaats in het Verenigd Koninkrijk hadden, en op personen die zich uitsluitend uit hoofde van de uitoefening van hun ambt in dienst van de Unie in het Verenigd Koninkrijk hebben gevestigd en die op het ogenblik van hun indiensttreding bij de Unie hun fiscale woonplaats in een lidstaat hadden.

Artikel 113

Sociale bijdragen

Leden van de instellingen, ambtenaren en andere personeelsleden van de Unie, ongeacht hun nationaliteit, daaronder begrepen voormalige leden van de instellingen, voormalige ambtenaren en voormalige andere personeelsleden, die voor het eind van de overgangsperiode in dienst van de Unie zijn getreden en in het Verenigd Koninkrijk wonen, alsook hun echtgenoten, ongeacht hun nationaliteit, voor zover deze geen eigen beroepsbezigheden uitoefenen alsmede de kinderen die ten laste zijn en onder toezicht staan van deze leden, ambtenaren en andere personeelsleden, zijn vrijgesteld van de verplichte aansluiting bij en betaling aan nationale socialezekerheidsstelsels in het Verenigd Koninkrijk, onder dezelfde voorwaarden als die welke van toepassing waren op de laatste dag van de overgangsperiode, mits de betrokkenen zijn aangesloten bij het socialezekerheidsstelsel van de Unie.

Artikel 114

Overdracht van pensioenrechten

Ten aanzien van ambtenaren en andere personeelsleden van de Unie, ongeacht hun nationaliteit, daaronder begrepen voormalige ambtenaren en voormalige andere personeelsleden, die voor het eind van de overgangsperiode in dienst van de Unie zijn getreden en die pensioenrechten willen overdragen van of naar het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig Artikel 11, leden 1, 2 of 3, en Artikel 12 van bijlage VIII van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (131) of de Artikelen 39, 109 en 135 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie, heeft het Verenigd Koninkrijk dezelfde verplichtingen als voor het eind van de overgangsperiode.

Artikel 115

Werkloosheidsverzekering

De Artikelen 28 bis, 96 en 136 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie zijn van toepassing op de andere personeelsleden van de Unie, ongeacht hun nationaliteit, daaronder begrepen voormalige andere personeelsleden, die voor het eind van de overgangsperiode hebben bijgedragen aan het werkloosheidsstelsel van de Unie als zij na het eind van de overgangsperiode in het Verenigd Koninkrijk wonen en bij de diensten voor arbeidsbemiddeling van het Verenigd Koninkrijk geregistreerd staan.

Hoofdstuk 6

OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 116

Opheffing van immuniteit en samenwerking

1.   De Artikelen 17 en 18 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten zijn van toepassing op de voorrechten, immuniteiten en faciliteiten verleend uit hoofde van deze titel.

2.   Wanneer de Unie op verzoek van de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk een besluit neemt krachtens Artikel 17 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten over het opheffen van de immuniteit, gaat zij even zorgvuldig te werk als bij verzoeken van de autoriteiten van de lidstaten in vergelijkbare omstandigheden.

3.   Op verzoek van de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk stelt de Unie diezelfde autoriteiten in kennis van de status van een persoon indien die status van belang is om in aanmerking te komen voor een voorrecht of immuniteit krachtens deze titel.

Artikel 117

Europese Centrale Bank

1.   Deze titel is van toepassing op de Europese Centrale Bank (“ECB”), de leden van haar organen, haar personeel en de vertegenwoordigers van de nationale centrale banken in het Europees Stelsel van centrale banken (“ESCB”) die deelnemen aan de activiteiten van de ECB.

2.   Artikel 22, tweede alinea, van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten is van toepassing op de ECB, de leden van haar organen, haar personeel, de vertegenwoordigers van de nationale centrale banken in het ESCB die deelnemen aan de activiteiten van de ECB, en alle vermogenswaarden en operaties van de ECB in het Verenigd Koninkrijk die worden aangehouden, beheerd dan wel uitgevoerd krachtens Protocol (nr. 4) betreffende de Statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank.

3.   Lid 2 is van toepassing op:

a)

de vermogenswaarden van de ECB die aan het eind van de overgangsperiode worden aangehouden in het Verenigd Koninkrijk; en

b)

operaties van de ECB in het Verenigd Koninkrijk of met partners in het Verenigd Koninkrijk, en daarmee samenhangende nevenactiviteiten, die gaande waren aan het eind van de overgangsperiode, of die worden begonnen na het eind van de overgangsperiode als onderdeel van haar activiteiten om operaties die gaande waren aan het eind van de overgangsperiode te ondersteunen tot hun eindvervaldag, afstoting of voltooiing.

Artikel 118

Europese Investeringsbank

1.   Deze titel is van toepassing op de Europese Investeringsbank (EIB), de leden van haar organen, haar personeel en de vertegenwoordigers van de lidstaten die deelnemen aan haar activiteiten, alsook op de filialen en andere lichamen die voor het eind van de overgangsperiode door de EIB zijn opgericht overeenkomstig Artikel 28, lid 1, van Protocol (nr. 5) betreffende het Statuut van de Europese Investeringsbank, en met name het Europees Investeringsfonds.

2.   Artikel 21, tweede alinea, van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten is van toepassing op de EIB, de leden van haar organen, haar personeel en de vertegenwoordigers van de lidstaten die deelnemen aan haar activiteiten, alsook op de filialen en andere lichamen die voor het eind van de overgangsperiode door de EIB zijn opgericht overeenkomstig Artikel 28, lid 1, van Protocol (nr. 5) betreffende het Statuut van de Europese Investeringsbank, en met name het Europees Investeringsfonds.

3.   Lid 2 is van toepassing op:

a)

de vermogenswaarden van de EIB of van de filialen en andere lichamen die voor het eind van de overgangsperiode door de EIB zijn opgericht overeenkomstig Artikel 28, lid 1, van Protocol (nr. 5) betreffende het Statuut van de Europese Investeringsbank, en met name het Europees Investeringsfonds, die aan het eind van de overgangsperiode worden aangehouden in het Verenigd Koninkrijk; en

b)

operaties in verband met opgenomen leningen, financiering, garanties, investeringen, kasverrichtingen en technische bijstand van de EIB of van de filialen en andere lichamen die voor het eind van de overgangsperiode door de EIB zijn opgericht overeenkomstig Artikel 28, lid 1, van Protocol (nr. 5) betreffende het Statuut van de Europese Investeringsbank, en met name het Europees Investeringsfonds, in het Verenigd Koninkrijk of met partners in het Verenigd Koninkrijk, en daarmee samenhangende nevenactiviteiten, die gaande waren aan het eind van de overgangsperiode, of die worden begonnen na het eind van de overgangsperiode, als onderdeel van hun activiteiten om operaties die gaande waren aan het eind van de overgangsperiode te ondersteunen tot hun eindverval, afstoting of voltooiing.

Artikel 119

Gastlandovereenkomsten

De zetelovereenkomst tussen het Verenigd Koninkrijk en de Europese Bankautoriteit van 8 mei 2012, de briefwisseling betreffende de toepassing in het Verenigd Koninkrijk van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen op het Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling van 24 juni 1996 en de gastlandovereenkomst betreffende het Galileo-centrum voor beveiligingscontrole van 17 juli 2013 zijn respectievelijk van toepassing op de Europese Bankenautoriteit, het Europees Geneesmiddelenbureau en het Galileo-centrum voor beveiligingscontrole, totdat hun verhuizing naar een lidstaat is voltooid. De datum waarop de Unie er kennis van geeft dat de verhuizing is voltooid, geldt als de datum waarop deze gastlandovereenkomsten een einde nemen.

TITEL XIII

OVERIGE KWESTIES IN VERBAND MET DE WERKING VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE UNIE

Artikel 120

Geheimhoudingsplicht

Artikel 339 VWEU en andere bepalingen van het recht van de Unie waarbij een geheimhoudingsplicht wordt opgelegd aan bepaalde natuurlijke personen en instellingen, organen en instanties van de Unie, zijn van toepassing in het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot alle onder de geheimhoudingsplicht vallende informatie die ofwel voor het eind van de overgangsperiode is verkregen ofwel na het eind van de overgangsperiode is verkregen in verband met activiteiten van de Unie krachtens dit akkoord. Het Verenigd Koninkrijk eerbiedigt dergelijke plichten van natuurlijke personen en instellingen, organen en instanties en waarborgt dat deze op zijn grondgebied worden nagekomen.

Artikel 121

Beroepsgeheim

Artikel 19 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en andere bepalingen van het recht van de Unie waarbij een beroepsgeheim wordt opgelegd aan bepaalde natuurlijke personen, zijn van toepassing in het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot alle informatie die ofwel voor het eind van de overgangsperiode is verkregen ofwel na het eind van de overgangsperiode is verkregen in verband met activiteiten van de Unie krachtens dit akkoord. Het Verenigd Koninkrijk eerbiedigt dergelijke plichten van natuurlijke personen en waarborgt dat deze op zijn grondgebied worden nagekomen.

Artikel 122

Toegang tot documenten

1.   Voor de toepassing van de bepalingen van het recht van de Unie inzake de toegang tot documenten van de instellingen, organen en instanties van de Unie worden alle verwijzingen naar de lidstaten en hun autoriteiten zodanig begrepen dat deze ook betrekking hebben op het Verenigd Koninkrijk en zijn autoriteiten waar het gaat om documenten die zijn opgesteld of verkregen door de instellingen, organen en instanties van de Unie:

a)

voor het eind van de overgangsperiode; of

b)

na het eind van de overgangsperiode in verband met activiteiten van de Unie krachtens dit akkoord.

2.   Artikel 5 en Artikel 9, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad (132) en Artikel 5 van Besluit ECB/2004/3 van de Europese Centrale Bank (133) zijn van toepassing in het Verenigd Koninkrijk ten aanzien van alle binnen het toepassingsgebied van die bepalingen vallende documenten die het Verenigd Koninkrijk heeft verkregen:

a)

voor het eind van de overgangsperiode; of

b)

na het eind van de overgangsperiode in verband met activiteiten van de Unie krachtens dit akkoord.

Artikel 123

Europese Centrale Bank

1.   De Artikelen 9.1, 17, 35.1, 35.2 en 35.4 van Protocol (nr. 4) betreffende de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank zijn van toepassing op de ECB, de leden van haar organen, haar personeel, de vertegenwoordigers van de nationale centrale banken in het ESCB die deelnemen aan de activiteiten van de ECB, en alle vermogenswaarden en operaties van de ECB in het Verenigd Koninkrijk die worden aangehouden, beheerd dan wel uitgevoerd krachtens dat protocol. De ECB wordt vrijgesteld van de vereisten zich in het Verenigd Koninkrijk te laten registreren of enige vorm van vergunning, machtiging of toestemming van het Verenigd Koninkrijk te verkrijgen om haar operaties uit te voeren.

2.   Lid 1 is van toepassing op:

a)

de vermogenswaarden van de ECB die aan het eind van de overgangsperiode worden aangehouden in het Verenigd Koninkrijk; en

b)

operaties van de ECB in het Verenigd Koninkrijk of met partners in het Verenigd Koninkrijk, en daarmee samenhangende nevenactiviteiten, die gaande waren aan het eind van de overgangsperiode, of die worden begonnen na het eind van de overgangsperiode als onderdeel van haar activiteiten om operaties die gaande waren aan het eind van de overgangsperiode te ondersteunen tot hun eindvervaldag, afstoting of voltooiing.

Artikel 124

Europese Investeringsbank

1.   Artikel 13, Artikel 20, lid 2, Artikel 23, leden 1 en 4, Artikel 26 en Artikel 27, eerste alinea, van Protocol (nr. 5) betreffende de statuten van de Europese Investeringsbank zijn van toepassing op de EIB, de leden van haar organen, haar personeel en de vertegenwoordigers van de lidstaten die deelnemen aan haar activiteiten, alsook op de filialen en andere lichamen die voor het eind van de overgangsperiode door de EIB zijn opgericht overeenkomstig Artikel 28, lid 1, van dat protocol, en met name het Europees Investeringsfonds. De EIB en het Europees Investeringsfonds worden vrijgesteld van de vereisten zich in het Verenigd Koninkrijk te laten registreren of enige vorm van vergunning, machtiging of toestemming van het Verenigd Koninkrijk te verkrijgen om hun verrichtingen uit te voeren. De deviezen van het Verenigd Koninkrijk blijven convertibel en vrij verhandelbaar, onverminderd Artikel 23, lid 2, van Protocol (nr. 5) betreffende de statuten van de Europese Investeringsbank wat betreft het omzetten van deviezen van het Verenigd Koninkrijk in deviezen van derde landen, voor de doeleinden van dergelijke verrichtingen.

2.   Lid 1 is van toepassing op:

a)

de vermogenswaarden van de EIB of van de filialen en andere lichamen die voor het eind van de overgangsperiode door de EIB zijn opgericht overeenkomstig Artikel 28, lid 1, van Protocol (nr. 5) betreffende het Statuut van de Europese Investeringsbank, en met name het Europees Investeringsfonds, die aan het eind van de overgangsperiode worden aangehouden in het Verenigd Koninkrijk; en

b)

operaties in verband met opgenomen leningen, financiering, garanties, investeringen, kasverrichtingen en technische bijstand van de EIB of van de filialen en andere lichamen die voor het eind van de overgangsperiode door de EIB zijn opgericht overeenkomstig Artikel 28, lid 1, van Protocol (nr. 5) betreffende het Statuut van de Europese Investeringsbank, en met name het Europees Investeringsfonds, in het Verenigd Koninkrijk of met partners in het Verenigd Koninkrijk, en daarmee samenhangende nevenactiviteiten, die gaande waren aan het eind van de overgangsperiode, of die worden begonnen na het eind van de overgangsperiode, als onderdeel van hun activiteiten om operaties die gaande waren aan het eind van de overgangsperiode te ondersteunen tot hun eindverval, afstoting of voltooiing.

Artikel 125

Europese Scholen

1.   Het Verenigd Koninkrijk is tot het eind van het aan het eind van de overgangsperiode lopende schooljaar gebonden aan het Verdrag houdende het statuut van de Europese Scholen (134), alsook aan het reglement voor geaccrediteerde Europese scholen dat is vastgesteld door de raad van bestuur van de Europese scholen.

2.   Het Verenigd Koninkrijk waarborgt dat leerlingen die voor 31 augustus 2021 een Europees baccalaureaat hebben verworven en leerlingen die voor 31 augustus 2021 ingeschreven staan in het middelbaar onderwijs bij een Europese school en nadien een Europees baccalaureaat verwerven, de rechten genieten van Artikel 5, lid 2, van het Verdrag houdende het statuut van de Europese Scholen.

DEEL VIER

OVERGANG

Artikel 126

Overgangsperiode

Op de datum van inwerkingtreding van dit akkoord begint een overgangs- of uitvoeringsperiode, die eindigt op 31 december 2020.

Artikel 127

Omvang van de overgang

1.   Tenzij in dit akkoord anders is bepaald, is tijdens de overgangsperiode het recht van de Unie van toepassing op en in het Verenigd Koninkrijk.

De volgende bepalingen van de Verdragen en door de instellingen, organen en instanties van de Unie vastgestelde handelingen zijn echter tijdens de overgangsperiode niet van toepassing op en in het Verenigd Koninkrijk:

a)

bepalingen van de Verdragen en handelingen die, krachtens Protocol (nr. 15) betreffende enkele bepalingen met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Protocol (nr. 19) betreffende het in het kader van de Europese Unie geïntegreerde Schengenacquis of Protocol (nr. 21) betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, of krachtens de bepalingen van de Verdragen inzake nauwere samenwerking, vóór de datum van inwerkingtreding van dit akkoord niet bindend waren voor en in het Verenigd Koninkrijk, alsook handelingen tot wijziging van die handelingen;

b)

Artikel 11, lid 4, VEU, Artikel 20, lid 2, onder b), Artikel 22 en Artikel 24, eerste alinea, VWEU, de Artikelen 39 en 40 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en de op basis van die bepalingen vastgestelde handelingen.

2.   Ingeval de Unie en het Verenigd Koninkrijk een akkoord over hun toekomstige betrekkingen op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en dat van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid bereiken dat tijdens de overgangsperiode van toepassing wordt, zijn hoofdstuk 2 van titel V van het VWEU en de op basis van die bepalingen vastgestelde handelingen niet meer van toepassing op het Verenigd Koninkrijk vanaf de datum waarop dat akkoord van toepassing wordt.

3.   Tijdens de overgangsperiode heeft het krachtens lid 1 toepasselijke recht van de Unie ten aanzien van en in het Verenigd Koninkrijk dezelfde rechtsgevolgen als in de Unie en haar lidstaten en wordt dit recht overeenkomstig dezelfde methoden en algemene beginselen uitgelegd en toegepast als die welke in de Unie toepasselijk zijn.

4.   Het Verenigd Koninkrijk neemt niet deel aan nauwere samenwerking:

a)

waarvoor toestemming werd verleend na de datum van inwerkingtreding van dit akkoord; of

b)

in het kader waarvan geen handelingen werden vastgesteld voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van dit akkoord.

5.   Met betrekking tot maatregelen die strekken tot wijziging, verdere ontwikkeling of vervanging van een bestaande maatregel die is vastgesteld krachtens titel V van het derde deel van het VWEU en waaraan het Verenigd Koninkrijk voor de datum van inwerkingtreding van dit akkoord is gebonden, blijven tijdens de overgangsperiode Artikel 5 van Protocol (nr. 19) betreffende het in het kader van de Europese Unie geïntegreerde Schengenacquis en Artikel 4 bis van Protocol (nr. 21) betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht mutatis mutandis van toepassing. Het Verenigd Koninkrijk heeft echter niet het recht te kennen te geven dat het wenst deel te nemen aan de toepassing van andere nieuwe maatregelen krachtens titel V van het derde deel van het VWEU dan de maatregelen bedoeld in Artikel 4 bis van Protocol nr. 21.

Ter ondersteuning van de verdere samenwerking tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk, volgens de in de desbetreffende maatregelen vervatte voorwaarden voor samenwerking met derde landen, kan de Unie het Verenigd Koninkrijk uitnodigen om samen te werken in verband met nieuwe maatregelen die worden vastgesteld uit hoofde van titel V van het derde deel van het VWEU.

6.   Tenzij anders is bepaald in dit akkoord, worden verwijzingen naar de lidstaten in het krachtens lid 1 toepasselijke recht van de Unie, met inbegrip van de wijze waarop het door de lidstaten ten uitvoer wordt gelegd en toegepast, tijdens de overgangsperiode zodanig begrepen dat deze het Verenigd Koninkrijk omvatten.

7.   In afwijking van lid 6:

a)

worden voor de doeleinden van Artikel 42, lid 6, en Artikel 46 VEU en van Protocol (nr. 10) betreffende de permanente gestructureerde samenwerking, ingesteld bij Artikel 42 VEU, verwijzingen naar de lidstaten zodanig begrepen dat deze het Verenigd Koninkrijk niet omvatten. Dit sluit de mogelijkheid niet uit dat het Verenigd Koninkrijk wordt verzocht om als derde land deel te nemen aan individuele projecten onder de in Besluit (GBVB) 2017/2315 van de Raad (135) beschreven voorwaarden, bij wijze van uitzondering, of aan andere vormen van samenwerking, voor zover toegestaan en onder de voorwaarden vervat in toekomstige handelingen van de Unie die zijn vastgesteld op basis van Artikel 42, lid 6, en Artikel 46 VEU;

b)

worden, als handelingen van de Unie voorzien in de deelname van de lidstaten, onderdanen van de lidstaten of in een lidstaat verblijvende of daar gevestigde natuurlijke personen of rechtspersonen aan een informatie-uitwisseling, procedure of programma waarmee na het einde van de overgangsperiode wordt verdergegaan of begonnen en als een dergelijke deelname toegang zou verlenen tot gevoelige informatie met betrekking tot de veiligheid waarvan alleen de lidstaten, onderdanen van de lidstaten of in een lidstaat verblijvende of daar gevestigde natuurlijke personen of rechtspersonen kennis dienen te hebben, gezien de uitzonderlijkheid van deze omstandigheden, de verwijzingen naar de lidstaten in dergelijke handelingen van de Unie zodanig begrepen dat deze het Verenigd Koninkrijk niet omvatten. De Unie stelt het Verenigd Koninkrijk ervan in kennis wanneer deze afwijking wordt toegepast;

c)

worden, voor de doeleinden van de aanwerving van ambtenaren en andere personeelsleden van de instellingen, organen en instanties van de Unie, alle verwijzingen naar de lidstaten in Artikel 27 en Artikel 28, onder a), van het Statuut en in Artikel 1 van bijlage X daarbij, en in de Artikelen 12, 82 en 128 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie, of in de desbetreffende bepalingen van andere personeelsregelingen die van toepassing zijn op die instellingen, organen en instanties, zodanig begrepen dat deze het Verenigd Koninkrijk niet omvatten.

Artikel 128

Institutionele regelingen

1.   In afwijking van Artikel 127 is tijdens de overgangsperiode Artikel 7 van toepassing.

2.   Voor de doeleinden van de Verdragen wordt het parlement van het Verenigd Koninkrijk tijdens de overgangsperiode niet beschouwd als een nationaal parlement van een lidstaat, behalve waar het gaat om Artikel 1 van Protocol (nr. 1) betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie en, wat betreft voorstellen die tot het publieke domein behoren, Artikel 2 van dat protocol.

3.   Tijdens de overgangsperiode worden bepalingen van de Verdragen waarbij aan de lidstaten institutionele rechten worden verleend op grond waarvan zij voorstellen, initiatieven of verzoeken aan de instellingen kunnen voorleggen, zodanig begrepen dat deze het Verenigd Koninkrijk niet omvatten (136).

4.   Voor de deelname aan de institutionele regelingen omschreven in de Artikelen 282 en 283 VWEU en in Protocol (nr. 4) betreffende de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, met uitzondering van Artikel 21, lid 2, van dat protocol, wordt de Bank of England tijdens de overgangsperiode niet beschouwd als een nationale centrale bank van een lidstaat.

5.   In afwijking van lid 1 van dit Artikel en van Artikel 7 kunnen vertegenwoordigers of deskundigen van het Verenigd Koninkrijk, of door het Verenigd Koninkrijk aangewezen deskundigen, op uitnodiging bij wijze van uitzondering tijdens de overgangsperiode vergaderingen of delen van vergaderingen van de in Artikel 3, lid 2, van Verordening (EU) nr. 182/2011 bedoeld comités, vergaderingen of delen van vergaderingen van deskundigengroepen van de Commissie, vergaderingen of delen van vergaderingen van vergelijkbare entiteiten en vergaderingen of delen van vergaderingen van organen of instanties bijwonen, ingeval vertegenwoordigers of deskundigen van de lidstaten of door de lidstaten aangewezen deskundigen deelnemen, mits aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

het debat heeft betrekking op afzonderlijke handelingen die tijdens de overgangsperiode moeten worden gericht tot het Verenigd Koninkrijk of tot natuurlijke personen of rechtspersonen die in het Verenigd Koninkrijk verblijven of gevestigd zijn;

b)

de aanwezigheid van het Verenigd Koninkrijk is noodzakelijk en in het belang van de Unie, met name voor een doeltreffende tenuitvoerlegging van het recht van de Unie tijdens de overgangsperiode.

Tijdens dergelijke vergaderingen of delen van vergaderingen hebben de vertegenwoordigers of deskundigen van het Verenigd Koninkrijk of door het Verenigd Koninkrijk aangestelde deskundigen geen stemrecht en blijft hun aanwezigheid beperkt tot de specifieke agendapunten die voldoen aan de onder a) of b) vermelde voorwaarden.

6.   Gedurende de overgangsperiode treedt het Verenigd Koninkrijk niet op als leidende autoriteit voor risicobeoordelingen, onderzoeken, goedkeuringen of vergunningen op het niveau van de Unie of op het niveau van gezamenlijk optredende lidstaten, als bedoeld in de in bijlage VII vermelde handelingen en bepalingen.

7.   Wanneer tijdens de overgangsperiode in de ontwerpen van handelingen van de Unie specifieke autoriteiten, procedures of documenten van een lidstaat genoemd worden of daarnaar rechtstreeks wordt verwezen, wordt het Verenigd Koninkrijk door de Unie over die ontwerpen geraadpleegd om een passende uitvoering en toepassing van die handelingen door en in het Verenigd Koninkrijk te waarborgen.

Artikel 129

Specifieke regelingen met betrekking tot het externe optreden van de Unie

1.   Onverminderd Artikel 127, lid 2, is het Verenigd Koninkrijk tijdens de overgangsperiode gebonden door de verplichtingen die voortvloeien uit de internationale overeenkomsten die zijn gesloten door de Unie, door lidstaten die namens de Unie optreden, of door de Unie en haar lidstaten samen, als bedoeld in Artikel 2, onder a), punt iv) (137).

2.   Tijdens de overgangsperiode nemen vertegenwoordigers van het Verenigd Koninkrijk geen deel aan het werk van organen die zijn ingesteld bij internationale overeenkomsten die zijn gesloten door de Unie, door lidstaten die namens haar optreden, of door de Unie en haar lidstaten samen, tenzij:

a)

het Verenigd Koninkrijk op eigen titel deelneemt; of

b)

de Unie het Verenigd Koninkrijk bij uitzondering verzoekt om, als onderdeel van de delegatie van de Unie, vergaderingen of delen van vergaderingen van dergelijke organen bij te wonen, wanneer de Unie van oordeel is dat de aanwezigheid van het Verenigd Koninkrijk, met name voor een doeltreffende tenuitvoerlegging van die overeenkomsten tijdens de overgangsperiode, noodzakelijk en in het belang van de Unie is; dergelijke aanwezigheid wordt enkel toegestaan wanneer het de lidstaten overeenkomstig de toepasselijke overeenkomsten is toegestaan deel te nemen.

3.   Overeenkomstig het beginsel van loyale samenwerking onthoudt het Verenigd Koninkrijk zich tijdens de overgangsperiode van acties en initiatieven die de belangen van de Unie zouden kunnen schaden, met name in het kader van internationale organisaties, agentschappen, conferenties of fora waarbij het Verenigd Koninkrijk op eigen titel partij is.

4.   In afwijking van lid 3 kan het Verenigd Koninkrijk tijdens de overgangsperiode over internationale overeenkomsten die het in eigen hoedanigheid heeft gesloten op bevoegdheidsgebieden die onder het recht van de Unie vallen, onderhandelen en deze ondertekenen en bekrachtigen, mits deze overeenkomsten niet in werking treden of van toepassing zijn tijdens de overgangsperiode, tenzij de Unie daartoe machtiging geeft.

5.   Onverminderd Artikel 127, lid 2, kan het Verenigd Koninkrijk, telkens wanneer coördinatie geboden is, per geval worden geraadpleegd.

6.   Na een besluit van de Raad dat onder titel V, hoofdstuk 2, VEU valt, kan het Verenigd Koninkrijk in een formele verklaring aan de hoge vertegenwoordiger van de Europese Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid meedelen dat het om vitale, nader genoemde redenen van nationaal beleid het besluit in de desbetreffende uitzonderlijke gevallen niet zal toepassen. In een geest van wederzijdse solidariteit onthoudt het Verenigd Koninkrijk zich van ieder optreden dat het optreden van de Unie krachtens genoemd besluit zou kunnen doorkruisen of belemmeren, en eerbiedigen de lidstaten het standpunt van het Verenigd Koninkrijk.

7.   Tijdens de overgangsperiode levert het Verenigd Koninkrijk geen commandanten van civiele operaties, missiehoofden, operationele commandanten of troepencommandanten voor missies of operaties die worden uitgevoerd krachtens de Artikelen 42, 43 en 44 VEU, voorziet het niet in het operationele hoofdkwartier voor dergelijke missies of operaties en fungeert het evenmin als kadernatie voor gevechtsgroepen van de Unie. Tijdens de overgangsperiode mag het Verenigd Koninkrijk geen hoofd leveren voor operationele acties krachtens Artikel 28 VEU.

Artikel 130

Specifieke regelingen inzake vangstmogelijkheden

1.   Ten aanzien van de vaststelling van de vangstmogelijkheden in de zin van Artikel 43, lid 3, VWEU voor een periode die binnen de overgangsperiode valt, wordt het Verenigd Koninkrijk geraadpleegd in verband met de vangstmogelijkheden die het Verenigd Koninkrijk betreffen, onder meer in het kader van de voorbereiding van relevante internationale raadplegingen en onderhandelingen.

2.   Voor de toepassing van lid 1 biedt de Unie het Verenigd Koninkrijk de gelegenheid opmerkingen te maken over de jaarlijkse mededeling van de Europese Commissie over vangstmogelijkheden, het wetenschappelijk advies van de relevante wetenschappelijke instanties en de voorstellen van de Europese Commissie voor vangstmogelijkheden voor binnen de overgangsperiode vallende perioden.

3.   Om het Verenigd Koninkrijk in staat te stellen zijn toekomstige lidmaatschap van relevante internationale fora voor te bereiden, kan de Unie, in afwijking van Artikel 129, lid 2, onder b), het Verenigd Koninkrijk bij wijze van uitzondering verzoeken om in het kader van de delegatie van de Unie de in lid 1 van dit Artikel bedoelde internationale raadplegingen en onderhandelingen bij te wonen, voor zover lidstaten deze mogelijkheid hebben en het specifieke forum dit toestaat.

4.   Onverminderd Artikel 127, lid 1, worden de sleutels voor relatieve stabiliteit bij de verdeling van de in lid 1 van dit Artikel bedoelde vangstmogelijkheden over de lidstaten gehandhaafd.

Artikel 131

Toezicht en handhaving

Tijdens de overgangsperiode hebben de instellingen, organen en instanties van de Unie met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk en de in het Verenigd Koninkrijk verblijvende of gevestigde natuurlijke personen of rechtspersonen de bevoegdheden die het recht van de Unie hun verleent. In het bijzonder is het Hof van Justitie van de Europese Unie bevoegd zoals geregeld in de Verdragen.

De eerste alinea is tijdens de overgangsperiode ook van toepassing met betrekking tot de uitlegging en de toepassing van dit akkoord.

Artikel 132

Verlenging van de overgangsperiode

1.   In afwijking van Artikel 126, kan het Gemengd Comité vóór 1 juli 2020 eenmalig een besluit vaststellen tot verlenging van de overgangsperiode met 1 of 2 jaar ten hoogste. (138)

2.   In het geval dat het Gemengd Comité een besluit vaststelt overeenkomstig lid 1 is het volgende van toepassing:

a)

in afwijking van Artikel 127, lid 6, wordt het Verenigd Koninkrijk beschouwd als een derde land met het oog op de tenuitvoerlegging van de activiteiten en programma's van de Unie die zijn vastgelegd in het meerjarig financieel kader dat van toepassing is vanaf het jaar 2021;

b)

in afwijking van Artikel 127, lid 1, en onverminderd deel vijf van dit akkoord, is het toepasselijke recht van de Unie betreffende de eigen middelen van de Unie voor de door de verlenging van de overgangsperiode bestreken begrotingsjaren niet van toepassing op het Verenigd Koninkrijk na 31 december 2020;

c)

in afwijking van Artikel 127, lid 1, van dit akkoord, zijn de Artikelen 107, 108 en 109 VWEU niet van toepassing op maatregelen, met inbegrip van maatregelen betreffende plattelandsontwikkeling, die de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk ter ondersteuning van de productie van en de handel in landbouwproducten in het Verenigd Koninkrijk nemen, ten belope van een jaarlijks steunniveau dat niet hoger mag zijn dan het totale bedrag van de uit hoofde van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in 2019 in het Verenigd Koninkrijk gedane uitgaven en op voorwaarde dat een minimumpercentage van die vrijgestelde steun voldoet aan de bepalingen van bijlage 2 bij de landbouwovereenkomst van de WTO. Een dergelijk minimumpercentage zal worden vastgesteld op basis van het jongst beschikbare percentage van de totale uitgaven uit hoofde van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in de Unie dat voldeed aan de bepalingen van bijlage 2 bij de landbouwovereenkomst van de WTO. In het geval dat de termijn waarmee de overgangsperiode wordt verlengd geen veelvoud van 12 maanden is, wordt het maximale jaarlijkse niveau van de vrijgestelde steun in het jaar waarin de verlengde overgangsperiode geen 12 maanden telt naar evenredigheid verminderd;

d)

voor de periode van 1 januari 2021 tot het eind van de overgangsperiode draagt het Verenigd Koninkrijk bij aan de begroting van de Unie, als vastgesteld overeenkomstig lid 3;

e)

onder voorbehoud van het bepaalde in lid 3, onder d), wordt deel vijf van dit akkoord onverlet gelaten.

3.   Bij een besluit van het Gemengd Comité overeenkomstig lid 1:

a)

worden het juiste bedrag van de bijdrage van het Verenigd Koninkrijk aan de begroting van de Unie voor de periode van 1 januari 2021 tot het eind van de overgangsperiode, rekening houdende met de status van het Verenigd Koninkrijk tijdens die periode, alsmede de wijze van betaling van dat bedrag vastgesteld;

b)

worden het maximale niveau van de vrijgestelde steun, alsmede het in lid 2, onder c), bedoelde minimumpercentage daarvan dat moet voldoen aan de bepalingen van bijlage 2 bij de landbouwovereenkomst van de WTO vastgesteld;

c)

worden andere maatregelen die noodzakelijk zijn voor de tenuitvoerlegging van lid 2 vastgesteld;

d)

worden de data of perioden bedoeld in de Artikelen 51, 62, 63, 84, 96, 125, 141, 156 en 157, en in de bijlagen IV en V aangepast in verband met de verlenging van de overgangsperiode.

DEEL VIJF

FINANCIËLE BEPALINGEN

Hoofdstuk 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 133

De tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk te gebruiken valuta

Onverminderd het recht van de Unie dat toepasselijk is op de eigen middelen van de Unie, worden alle in dit deel bedoelde bedragen, passiva, berekeningen, rekeningen en betalingen opgesteld en ten uitvoer gelegd in euro.

Artikel 134

Aan de auditors aangeboden voorziening in verband met de financiële bepalingen

Het Verenigd Koninkrijk stelt de Unie in kennis van de entiteiten die het heeft belast met de uitvoering van de controleactiviteiten inzake de tenuitvoerlegging van de door dit deel bestreken financiële bepalingen.

Op verzoek van het Verenigd Koninkrijk voorziet de Unie deze met de uitvoering belaste entiteiten van alle informatie die redelijkerwijs kan worden verlangd in verband met de rechten en verplichtingen van het Verenigd Koninkrijk uit hoofde van dit deel en biedt zij hun passende bijstand, opdat zij hun taak kunnen vervullen. Bij het verstrekken van informatie en bijstand op grond van dit Artikel handelt de Unie overeenkomstig het toepasselijke recht van de Unie, met name de regels van de Unie inzake gegevensbescherming.

De autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk en van de Unie kunnen passende administratieve regelingen overeenkomen om de toepassing van de eerste en de tweede alinea te vereenvoudigen.

Hoofdstuk 2

BIJDRAGE EN DEELNAME VAN HET VERENIGD KONINKRIJK AAN DE BEGROTING VAN DE UNIE

Artikel 135

Bijdrage van het Verenigd Koninkrijk aan de begrotingen van de Unie voor de jaren 2019 en 2020 en zijn deelname aan de uitvoering daarvan

1.   Voor de jaren 2019 en 2020 draagt het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig deel vier bij aan de begrotingen van de Unie en neemt zij deel aan de uitvoering daarvan.

2.   In afwijking van deel vier zijn wijzigingen van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad (139) of Besluit 2014/335/EU, Euratom die op of na de datum van inwerkingtreding van dit akkoord worden vastgesteld, niet van toepassing op het Verenigd Koninkrijk, voor zover deze wijzigingen gevolgen hebben voor de financiële verplichtingen van het Verenigd Koninkrijk.

Artikel 136

Na 31 december 2020 toepasselijke bepalingen met betrekking tot de eigen middelen

1.   Het toepasselijke recht van de Unie inzake de eigen middelen van de Unie voor de begrotingsjaren tot en met 2020 blijft na 31 december 2020 van toepassing op het Verenigd Koninkrijk, ook als de betrokken eigen middelen na die datum beschikbaar gesteld, gecorrigeerd of aangepast moeten worden.

2.   Onverminderd Artikel 135, lid 2, omvat het in lid 1 van dit Artikel bedoelde recht van de Unie met name de volgende handelingen en bepalingen, met inbegrip van wijzigingen daarin, ongeacht de datum van vaststelling, inwerkingtreding of toepassing van de wijziging:

a)

Besluit 2014/335/EG, Euratom;

b)

Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014, en met name Artikel 12 in verband met vertragingsrente en Artikel 11 in verband met de opt-out;

c)

Verordening (EU, Euratom) nr. 608/2014 en met name Artikel 1 in verband met de berekening van het saldo en de Artikelen 2 tot en met 8 in verband met maatregelen voor de tenuitvoerlegging van het stelsel van eigen middelen;

d)

Verordening (EEG, Euratom) nr. 1553/89 van de Raad (140);

e)

Verordening (EG, Euratom) nr. 1287/2003 van de Raad (141);

f)

Uitvoeringsbesluit (EU, Euratom) 2018/195 van de Commissie (142);

g)

Uitvoeringsbesluit (EU, Euratom) 2018/194 van de Commissie (143);

h)

Verordening (EU, Euratom) 2018/104 van het Europees Parlement en de Raad (144) (het Financieel Reglement);

i)

Artikel 287 VWEU betreffende de rol van de Rekenkamer en andere regels inzake die instelling;

j)

Artikel 325 VWEU betreffende de bestrijding van fraude en daarmee samenhangende handelingen, met name Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad (145) en Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad (146);

k)

de jaarlijkse begrotingen voor de begrotingsjaren tot en met 2020 of, ingeval de jaarlijkse begroting niet is vastgesteld, de regels die overeenkomstig Artikel 315 VWEU van toepassing zijn.

3.   In afwijking van de leden 1 en 2 zijn na 31 december 2020 de volgende regels van toepassing op het Verenigd Koninkrijk:

a)

alle bedragen die met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk voortvloeien uit aanpassingen van de eigen middelen opgenomen in de begroting en uit aanpassingen die samenhangen met het overschot of tekort, in verband met de financiering van de begrotingen van de Unie tot en met 2020 overeenkomstig het in de leden 1 en 2 bedoelde recht van de Unie, is het Verenigd Koninkrijk verschuldigd of zijn aan het Verenigd Koninkrijk verschuldigd;

b)

wanneer, overeenkomstig het toepasselijke recht van de Unie betreffende de eigen middelen van de Unie de datum waarop de eigen middelen ter beschikking moeten worden gesteld, later is dan 28 februari 2021, wordt de betaling verricht op de vroegste datum bedoeld in Artikel 148, lid 1, na de datum waarop de eigen middelen beschikbaar moeten worden gesteld;

c)

voor de betaling door het Verenigd Koninkrijk van traditionele eigen middelen na 28 februari 2021 wordt het overeenkomstig Artikel 2 van Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014 vastgestelde bedrag van de rechten na aftrek van de inningskosten overeenkomstig Artikel 2, lid 3, en lid 10, lid 3, van Besluit 2014/335/EU, Euratom, verlaagd met het aandeel van het Verenigd Koninkrijk in dit bedrag;

d)

in afwijking van Artikel 7 van dit akkoord kunnen de vertegenwoordigers of deskundigen van het Verenigd Koninkrijk, of de door het Verenigd Koninkrijk aangewezen deskundigen, op uitnodiging, bij wijze van uitzondering en zonder stemrecht, de vergaderingen bijwonen van de comités die zijn ingesteld bij het toepasselijke recht van de Unie bedoeld in de leden 1 en 2 van dit Artikel, zoals de vergaderingen van het Raadgevend Comité voor de eigen middelen, dat is ingesteld bij Artikel 7 van Verordening (EU, Euratom) nr. 608/2014 of het BNI-comité, dat is ingesteld bij Artikel 4 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1287/2003, voor zover het werk van die comités betrekking heeft op de begrotingsjaren tot en met 2020;

e)

in de eigen middelen uit de belasting over de btw en uit het bruto nationaal inkomen worden uitsluitend correcties of aanpassingen aangebracht, als tot de relevante maatregelen krachtens de in de leden 1 en 2 bedoelde bepalingen uiterlijk op 31 december 2028 is besloten;

f)

de in Artikel 6, lid 3, tweede alinea, van Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014 bedoelde specifieke rekening voor traditionele eigen middelen wordt uiterlijk op 31 december 2025 volledig geliquideerd. Een deel van de bedragen die op 31 december 2025 nog op die rekening staan en waarover voor die datum geen controlebevindingen van de Europese Commissie zijn meegedeeld krachtens de wetgeving inzake de eigen middelen, wordt vóór 20 februari 2026 ter beschikking gesteld van de begroting van de Unie, zulks overeenkomstig het ter beschikking van de Unie gestelde aandeel in de bedragen die tijdens de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020 door het Verenigd Koninkrijk aan de Europese Commissie zijn gerapporteerd in het kader van de in Artikel 13 van Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014 vastgestelde procedure.

Artikel 137

De deelname van het Verenigd Koninkrijk aan de uitvoering van de programma's en activiteiten van de Unie in 2019 en 2020

1.   Overeenkomstig deel vier worden de programma's en de activiteiten van de Unie die zijn vastgelegd in het kader van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (MFK 2014‐2020) of eerdere financiële vooruitzichten, in 2019 en 2020 ten aanzien van het Verenigd Koninkrijk ten uitvoer gelegd op basis van het toepasselijke recht van de Unie.

Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad (147), zoals van toepassing in het jaar 2020, is voor het aanvraagjaar 2020 niet van toepassing in het Verenigd Koninkrijk. Artikel 13 van die verordening is echter van toepassing op de regeling inzake rechtstreekse betalingen van het Verenigd Koninkrijk voor het aanvraagjaar 2020, mits een dergelijke regeling gelijkwaardig is aan de regeling van Verordening (EU) nr. 1307/2013, zoals van toepassing in het jaar 2020.

2.   In afwijking van deel vier komen het Verenigd Koninkrijk en projecten in het Verenigd Koninkrijk alleen in aanmerking voor financiële verrichtingen die worden uitgevoerd in het kader van financiële instrumenten die direct of indirect worden beheerd krachtens titel X van het Financieel Reglement of voor financiële verrichtingen die door de begroting van de Unie worden gegarandeerd uit hoofde van het bij Verordening (EU) 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad (148) opgezette Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) en het bij Verordening (EU) nr. 2017/1601 van het Europees Parlement en de Raad (149) ingestelde Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling (EFDO), mits deze financiële verrichtingen werden goedgekeurd door de entiteiten en organen, waaronder de EIB en het Europees Investeringsfonds (EIF), of door personen die al voor de datum van inwerkingtreding van dit akkoord met de uitvoering van een deel van die acties waren belast, ook al vond de ondertekening van die financiële verrichtingen na die datum plaats. Met betrekking tot de financiële verrichtingen die na de datum van inwerkingtreding van dit akkoord worden goedgekeurd, worden in het Verenigd Koninkrijk gevestigde entiteiten behandeld als buiten de Unie gevestigde entiteiten.

Artikel 138

Recht van de Unie van toepassing na 31 december 2020 in verband met de deelname van het Verenigd Koninkrijk aan de tenuitvoerlegging van de programma's en activiteiten van de Unie die zijn vastgelegd in het kader van het MFK 2014-2020 of eerdere financiële vooruitzichten

1.   Met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de programma's en activiteiten van de Unie die zijn vastgelegd in het kader van het MFK 2014-2020 of eerdere financiële vooruitzichten, blijft het toepasselijke recht van de Unie, waaronder de regels inzake financiële correcties en inzake de goedkeuring van de rekeningen, na 31 december 2020 van toepassing op het Verenigd Koninkrijk tot de afsluiting van die programma's en activiteiten van de Unie.

2.   Het in lid 1 bedoelde toepasselijke recht van de Unie omvat met name de volgende bepalingen, met inbegrip van eventuele wijzigingen van die bepalingen, ongeacht de datum van vaststelling, inwerkingtreding of toepassing van de wijziging:

a)

het Financieel Reglement;

b)

de basishandelingen, in de zin van Artikel 2, punt 4), van het Financieel Reglement, tot vaststelling van programma's of activiteiten van de Unie als vermeld in de begrotingstoelichtingen bij de titels, hoofdstukken, Artikelen of posten waaronder de kredieten zijn vastgelegd;

c)

Artikel 299 VWEU betreffende de executoriale titel van geldelijke verplichtingen;

d)

Artikel 287 VWEU betreffende de rol van de Rekenkamer en andere regels inzake die instelling;

e)

Artikel 325 VWEU betreffende fraude en daarmee samenhangende handelingen, met name Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95.

3.   In afwijking van Artikel 7 kunnen de vertegenwoordigers of deskundigen van het Verenigd Koninkrijk, of de door het Verenigd Koninkrijk aangewezen deskundigen, op uitnodiging, bij wijze van uitzondering en zonder stemrecht, de vergaderingen bijwonen van de comités die de Europese Commissie bijstaan bij de tenuitvoerlegging en het beheer van de programma's die zijn ingesteld bij het in lid 1 bedoelde recht van de Unie of die door de Europese Commissie zijn ingesteld in verband met de tenuitvoerlegging van dat recht, voor zover hun werk betrekking heeft op de begrotingsjaren tot en met 2020.

4.   In afwijking van Artikel 8 heeft het Verenigd Koninkrijk, voor zover dat strikt noodzakelijk is voor de tenuitvoerlegging van de in lid 2, onder b), bedoelde programma's en activiteiten, toegang tot de netwerken, informatiesystemen en de databanken die zijn ingesteld uit hoofde van de relevante basishandelingen of de daarmee verband houdende uitvoeringsregels die van die basishandelingen zijn afgeleid.

5.   Op voorstel van het in Artikel 165, lid 1, onder f), bedoelde Comité Financiële bepalingen kan het Gemengd Comité overeenkomstig de regels van Artikel 166 technische maatregelen vaststellen om het gemakkelijker te maken de programma's en activiteiten bedoeld in lid 1 van dit Artikel af te sluiten of om het Verenigd Koninkrijk vrij te stellen van verplichtingen om tijdens of na de afsluiting van deze programma's en activiteiten maatregelen te nemen die niet relevant zijn voor een voormalige lidstaat, mits dergelijke technische maatregelen in overeenstemming zijn met het beginsel van gezond financieel beheer en het Verenigd Koninkrijk of begunstigden in het Verenigd Koninkrijk geen voordeel opleveren ten opzichte van lidstaten of derde landen die aan dezelfde uit de begroting van de Unie gefinancierde programma's en activiteiten deelnemen.

Artikel 139

Aandeel van het Verenigd Koninkrijk

Het in Artikel 136, lid 3, onder a) en c), en de Artikelen 140 tot en met 147 bedoelde aandeel van het Verenigd Koninkrijk is een percentage dat wordt berekend als de verhouding tussen de eigen middelen die het Verenigd Koninkrijk in de jaren 2014 tot en met 2020 ter beschikking heeft gesteld en de eigen middelen die alle lidstaten en het Verenigd Koninkrijk in diezelfde periode ter beschikking hebben gesteld, zoals aangepast met het bedrag dat de lidstaten voor 1 februari 2022 is meegedeeld overeenkomstig Artikel 10 ter, lid 5, van Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014.

Artikel 140

Nog betaalbaar te stellen vastleggingen

1.   Tenzij in dit akkoord anders wordt bepaald, is het Verenigd Koninkrijk de Unie zijn aandeel verschuldigd in het op 31 december 2020 nog betaalbaar te stellen deel van de vastleggingen in de begroting van de Unie en in de begrotingen van de gedecentraliseerde agentschappen van de Unie, alsook zijn aandeel in de vastleggingen verricht in 2021 in verband met de overdrachten van vastleggingskredieten uit de begroting voor 2020.

De eerste alinea is niet van toepassing op de volgende vastleggingen die op 31 december 2020 nog betaalbaar te stellen zijn:

a)

vastleggingen in verband met de programma's en organen waarop Artikel 11 van Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014 van toepassing is met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk;

b)

vastleggingen gefinancierd met bestemmingsontvangsten in de begroting van de Unie.

Ten aanzien van de gedecentraliseerde agentschappen van de Unie wordt het in de eerste alinea bedoelde bedrag van hun vastleggingen alleen in aanmerking genomen naar rato van het aandeel van de bijdragen uit de begroting van de Unie in hun totale ontvangsten voor de periode 2014-2020.

2.   De Unie berekent op 31 december 2020 het bedrag van de in lid 1 bedoelde vastleggingen. Zij deelt dit bedrag uiterlijk op 31 maart 2021 aan het Verenigd Koninkrijk mee en voegt daaraan een lijst toe met de referentiesleutel van elke vastlegging, de daarmee samenhangende begrotingsonderdelen en het bedrag voor elk van die begrotingsonderdelen.

3.   Met betrekking tot de in lid 1 bedoelde vastleggingen deelt de Unie het Verenigd Koninkrijk vanaf 2022 jaarlijks uiterlijk op 31 maart het volgende mee:

a)

informatie over het bedrag van de op 31 december van het voorgaande jaar nog betaalbaar te stellen vastleggingen en over de betalingen en de vrijmakingen verricht in het voorgaande jaar, met inbegrip van een actualisering van de in lid 2 bedoelde lijst;

b)

een op het niveau van de betalingskredieten in de begroting gebaseerde raming van de verwachte betalingen in het lopende jaar;

c)

een raming van de verwachte bijdrage van het Verenigd Koninkrijk in de onder b) bedoelde betalingen; en

d)

andere informatie, zoals een betalingsprognose voor de middellange termijn.

4.   Het jaarlijks te betalen bedrag wordt berekend als het aandeel van het Verenigd Koninkrijk in de in lid 3, onder b), bedoelde raming, gecorrigeerd voor het verschil tussen de in het voorgaande jaar door het Verenigd Koninkrijk verrichte betalingen en het aandeel van het Verenigd Koninkrijk in de betalingen die de Unie het voorgaande jaar heeft verricht in verband met nog betaalbaar te stellen vastleggingen bedoeld in lid 1, verminderd met het bedrag van de netto financiële correcties in verband met de in het kader van het MFK 2014-2020 of eerdere financiële vooruitzichten gefinancierde programma's en activiteiten en verminderd met de opbrengsten van eventuele inbreukprocedures tegen lidstaten wegens het niet ter beschikking stellen van eigen middelen met betrekking tot begrotingsjaren tot en met 2020, op voorwaarde dat die bedragen het voorgaande jaar door de begroting zijn ontvangen en definitief zijn. Het jaarlijks door het Verenigd Koninkrijk te betalen bedrag wordt niet aangepast in het betrokken jaar.

In 2021 wordt het jaarlijks door het Verenigd Koninkrijk te betalen bedrag verminderd met het aandeel van het Verenigd Koninkrijk in de financiering van de begroting voor 2020 van het bedrag aan betalingskredieten dat overeenkomstig de Artikelen 12 en 13 van het Financieel Reglement van 2020 naar 2021 wordt overgedragen en met het aandeel van het Verenigd Koninkrijk in het totale bedrag aan traditionele eigen middelen dat in januari en februari 2020 ter beschikking van de Unie wordt gesteld en ten aanzien waarvan de rechten van de Unie overeenkomstig Artikel 2 van Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014 in november en december 2020 zijn vastgesteld. Ook vergoedt de Unie het Verenigd Koninkrijk zijn aandeel in het totale bedrag van de traditionele eigen middelen die na 31 december 2020 door de lidstaten beschikbaar worden gesteld voor in het vrije verkeer gebrachte goederen met betrekking tot de beëindiging van de tijdelijke opslag of de aanzuivering van de in Artikel 49, lid 2, bedoelde douaneregelingen die voor of op deze datum zijn begonnen.

5.   Op een door het Verenigd Koninkrijk ten vroegste na 31 december 2028 in te dienen verzoek maakt de Unie een raming van de nog krachtens dit Artikel door het Verenigd Koninkrijk te betalen bedragen, zulks op basis van een regel die rekening houdt met de aan het einde van het jaar nog betaalbaar te stellen vastleggingen en een raming van de vrijmakingen in verband met die nog betaalbaar te stellen vastleggingen, financiële correcties en opbrengsten van de inbreukprocedures na het einde van het jaar. Wanneer het Verenigd Koninkrijk heeft bevestigd dat het akkoord gaat met het voorstel aan het in Artikel 165, lid 1, onder f), bedoelde Comité Financiële bepalingen en het Gemengd Comité, betaalt het Verenigd Koninkrijk het geraamde bedrag, zoals aangepast overeenkomstig lid 4 van dit Artikel, in verband met de betalingen die het Verenigd Koninkrijk in het voorgaande jaar heeft verricht. De betaling van de in dit lid bedoelde bedragen doet de resterende verplichtingen van het Verenigd Koninkrijk of de Unie krachtens dit Artikel tenietgaan.

Artikel 141

Voor of op 31 december 2020 vastgestelde geldboeten

1.   Met betrekking tot een vóór of op 31 december 2020 door de Unie vastgestelde geldboete die definitief is geworden en geen bestemmingsontvangst vormt, vergoedt de Unie het Verenigd Koninkrijk zijn aandeel in het bedrag van de door de Unie geïnde boete, tenzij dat bedrag al voor of op 31 december 2020 als ontvangst voor de begroting van de Unie is geboekt.

2.   Met betrekking tot een geldboete die na 31 december 2020 door de Unie in het kader van een in Artikel 92, lid 1, bedoelde procedure is vastgesteld, vergoedt de Unie het Verenigd Koninkrijk zijn aandeel in het bedrag van de door de Unie geïnde geldboete, wanneer die geldboete eenmaal definitief is geworden.

Artikel 142

Verplichtingen van de Unie aan het eind van 2020

1.   Het Verenigd Koninkrijk is tegenover de Unie aansprakelijk voor zijn aandeel in de financiering van de verplichtingen die de Unie tot en met 31 december 2020 is aangegaan, met uitzondering van:

a)

verplichtingen met de overeenkomstige activa, zoals: financiële bijstandsleningen van de Unie en de daar tegenover staande balansverplichtingen, materiële vaste activa en voorzieningen in verband met de ontmanteling van kerninstallaties van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek, en alle huurgerelateerde verplichtingen, immateriële activa en voorraden, activa en passiva in verband met het beheer van valutarisico, overlopende posten en alle voorzieningen die geen betrekking hebben op verplichtingen in verband met boeten, juridische procedures en financiële garanties; en

b)

activa en passiva die verband houden met de uitvoering van de begroting en het beheer van eigen middelen, waaronder uitstaande voorschotten in het kader van voorfinanciering, vorderingen, contanten, schulden en te betalen lasten, daaronder begrepen die welke verband houden met het Europees Landbouwgarantiefonds of reeds zijn opgenomen in de nog betaalbaar te stellen vastleggingen (RAL).

2.   Met name is het Verenigd Koninkrijk verantwoordelijk voor zijn aandeel in de verplichtingen van de Unie inzake de op of voor 31 december 2020 opgebouwde pensioenrechten en rechten op andere aan arbeid gerelateerde voordelen. Betalingen in verband met deze verplichtingen worden verricht overeenkomstig de leden 5 en 6.

3.   Met ingang van 2022 stelt de Unie het Verenigd Koninkrijk jaarlijks uiterlijk op 31 maart in kennis van de betalingen die het jaar ervoor zijn verricht in verband met de op 31 december 2020 uitstaande verplichtingen en van de bijdrage van het Verenigd Koninkrijk aan die betalingen.

4.   Met ingang van 2022 doet de Unie het Verenigd Koninkrijk jaarlijks uiterlijk op 31 maart een specifiek document over pensioenen toekomen dat betrekking heeft op de situatie op 31 december van het voorgaande jaar in verband met de in lid 2 bedoelde verplichtingen en waarin het volgende wordt vermeld:

a)

de nog te betalen resterende bedragen in verband met de in lid 5 beschreven verplichtingen;

b)

de berekeningen die zijn gemaakt en de gegevens en aannames die zijn gebruikt om het bedrag vast te stellen dat het Verenigd Koninkrijk uiterlijk op 30 juni van het lopende jaar moet betalen in verband met de uitkering van de personeelspensioenen en de bijdragen uit de begroting van de Unie aan het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering (GSZV) van het voorgaande jaar overeenkomstig lid 6, alsook een raming van die bedragen voor het lopende jaar;

c)

inzake de populatie per 31 december 2020: informatie over het aantal daadwerkelijke begunstigden en het geraamde aantal toekomstige begunstigden van de pensioenregeling en de ziektekostenverzekering van het personeel aan het eind van het voorgaande jaar en hun totale rechten na uitdiensttreding op dat moment;

d)

de uitstaande verplichtingen van het Verenigd Koninkrijk zoals berekend op basis van actuariële waarderingen opgesteld overeenkomstig de relevante internationale standaarden voor overheidsboekhouding (International Public Sector Accounting Standards – IPSAS) alsmede een uitleg van de evolutie van deze verplichting ten opzichte van het voorgaande jaar.

Dat document kan uiterlijk op 30 september van hetzelfde jaar worden bijgewerkt in het licht van de definitieve cijfers voor het voorgaande jaar.

5.   Waar het gaat om de in lid 2 bedoelde verantwoordelijkheid van het Verenigd Koninkrijk voor de pensioenrechten en de andere aan arbeid gerelateerde voordelen in verband met de pensioenen van de leden en de hoge ambtsdragers van de EU die vallen onder Verordening nr. 422/67/EEG, nr. 5/67/Euratom van de Raad (150), Besluit 2005/684/EG, Euratom van het Europees Parlement (151) en Verordening (EU) 2016/300 van de Raad (152), draagt het Verenigd Koninkrijk bij in de passiva zoals opgenomen in de geconsolideerde rekeningen van de Unie voor het begrotingsjaar 2020, in 10 tranches, te beginnen op 31 oktober 2021.

6.   Met betrekking tot de verantwoordelijkheid van het Verenigd Koninkrijk voor de in lid 2 bedoelde pensioenrechten en andere aan arbeid gerelateerde voordelen in verband met de pensioenen van ambtenaren van de Unie die zijn vastgesteld overeenkomstig de Artikelen 77 tot en met 84 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en in verband met de pensioenen van tijdelijke functionarissen, arbeidscontractanten en parlementaire medewerkers die zijn vastgesteld overeenkomstig de Artikelen 33 tot en met 40, 101 tot en met 114 en Artikel 135, respectievelijk, van de Regeling welke van toepassing is op de ander personeelsleden van de Europese Unie, draagt het Verenigd Koninkrijk jaarlijks bij in de netto betalingen uit de begroting van de Unie aan elke begunstigde en in de daarmee samenhangende bijdrage uit de begroting van de Unie aan het GSZV voor elke begunstigde of persoon die via een begunstigde is begunstigd. De betalingen van die bijdrage beginnen op 30 juni 2022.

Voor de in de eerste alinea bedoelde pensioenen bedraagt de betaling door het Verenigd Koninkrijk het totaal van de nettobetalingen uit de EU-begroting in het voorgaande jaar voor elke begunstigde, vermenigvuldigd met het aandeel van het Verenigd Koninkrijk en met een percentage dat specifiek is voor elke begunstigde (“specifiek percentage”). Dit specifieke percentage is als volgt:

a)

het specifieke percentage bedraagt 100 % voor een begunstigde die op 1 januari 2021 pensioen ontvangt;

b)

het specifieke percentage wordt voor iedere andere begunstigde van een pensioen berekend als de verhouding tussen de overeenkomstig het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en met name bijlage VIII daarbij op of voor 31 december 2020 verworven pensioenrechten, met inbegrip van de op die datum overgedragen pensioenrechten, en de rechten die zijn verworven op de datum van pensionering of van overlijden, indien dat eerder plaatsvindt, of op de datum waarop de betrokkene uit de regeling stapt;

c)

voor de bijdrage uit de begroting aan het GSZV wordt het specifieke percentage berekend als de verhouding tussen het aantal jaren dat de begunstigde tot en met 31 december 2020 aan de pensioenregeling heeft bijgedragen en het totale aantal jaren dat de begunstigde of de onder het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie vallende persoon op wie de rechten krachtens het GSZV worden gebaseerd, bij pensionering aan de pensioenregeling heeft bijgedragen.

Voor een begunstigde van een overeenkomstig het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie vastgesteld overlevingspensioen of wezenpensioen berust de berekening op de loopbaan van de persoon die onder het Statuut valt en waarop het overlevingspensioen of het wezenpensioen is gebaseerd.

Zo lang de verplichting in verband met dit lid niet is tenietgedaan, kan het Verenigd Koninkrijk de Unie in om het even welk jaar (“jaar n”) voor 1 maart van jaar n een verzoek doen toekomen om de uitstaande verplichtingen op 31 december van jaar n te betalen. De Unie stelt het bedrag van de uitstaande verplichting in verband met de aan het pensioen en het GSZV gerelateerde voordelen na uitdiensttreding vast volgens de in lid 4, onder d), gebruikte methode. Als het Verenigd Koninkrijk ermee instemt, betaalt het dat bedrag in vijf tranches, waarbij de eerste betaling plaatsvindt in het jaar n+1. Het Verenigd Koninkrijk dekt zijn verplichting voor jaar n ook door middel van de in dit lid uiteengezette procedure. Nadat die betaling is voltooid, vervallen, mits de in lid 5 bedoelde betalingen zijn voltooid, de resterende verplichtingen uit hoofde van dit Artikel. Het in Artikel 165, lid 1, onder f), bedoelde Comité Financiële bepalingen en het Gemengd Comité worden in kennis gesteld van deze situatie.

Artikel 143

Voorwaardelijke financiële verplichtingen in verband met leningen voor financiële bijstand, het EFSI, het EFDO en het externe leningsmandaat

1.   Het Verenigd Koninkrijk is tegenover de Unie aansprakelijk voor zijn aandeel in de voorwaardelijke financiële verplichtingen van de Unie die voortvloeien uit financiële verrichtingen:

a)

waartoe voor de datum van inwerkingtreding van dit akkoord door het Europees Parlement en de Raad of door de Commissie is besloten, indien dergelijke financiële verrichtingen verband houden met leningen voor financiële bijstand waartoe is besloten overeenkomstig Verordening (EU) nr. 407/2010 van de Raad (153), Verordening (EG) nr. 332/2002 van de Raad (154), of de besluiten van het Europees Parlement en de Raad tot toekenning van macrofinanciële bijstand aan verschillende landen op basis van voorzieningen overeenkomstig Verordening (EG, Euratom) nr. 480/2009 van de Raad (155) of Verordening (EG, Euratom) nr. 2728/94 van de Raad (156);

b)

die voor de datum van inwerkingtreding van dit akkoord zijn goedgekeurd door de organen, entiteiten of personen die rechtstreeks zijn belast met de uitvoering van de financiële verrichtingen met betrekking tot begrotingsgaranties die ofwel ten gunste van de EIB zijn verleend via het EFSI overeenkomstig Verordening (EU) nr. 2015/1017 of via het externe leningsmandaat overeenkomstig Verordening (EU) nr. 480/2009 of Verordening (EG, Euratom) nr. 2728/94 en Besluit nr. 466/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad (157) of Besluit nr. 1080/2011/EU van het Europees Parlement en de Raad (158), ofwel ten gunste van in aanmerking komende tegenpartijen zijn verleend (EFDO).

Op 31 juli 2019 bezorgt de Unie het Verenigd Koninkrijk een specifiek verslag over deze financiële verrichtingen, met daarin voor elk type instrument informatie over:

a)

de financiële verplichtingen die voortvloeien uit deze financiële verrichtingen op de datum van inwerkingtreding van dit akkoord;

b)

in voorkomend geval, de voorzieningen die op de dag van inwerkingtreding van dit akkoord in de respectieve garantiefondsen of op de respectieve trustrekeningen worden aangehouden ter dekking van de onder a) bedoelde financiële verplichtingen en de respectieve voorzieningen die vastgelegd en nog niet betaald zijn.

In de geconsolideerde rekeningen van de Unie voor de jaren 2019 en 2020 worden de betalingen uit de voorzieningen bedoeld in de tweede alinea, onder b), vanaf de datum van inwerkingtreding van dit akkoord tot en met 31 december 2019, respectievelijk 31 december 2020 openbaar gemaakt voor dezelfde financiële verrichtingen als de verrichtingen die in dit lid worden bedoeld, maar waartoe op of na de datum van inwerkingtreding van dit akkoord wordt besloten.

De verplichting van het Verenigd Koninkrijk ten aanzien van de Unie met betrekking tot de in dit lid bedoelde financiële verrichtingen wordt onverlet gelaten door eventuele herstructureringen van deze financiële verrichtingen. In het bijzonder mag de financiële blootstelling van het Verenigd Koninkrijk niet toenemen, in nominale termen, ten opzichte van de situatie onmiddellijk voorafgaand aan de herstructurering.

2.   Voor de in lid 1 bedoelde financiële verrichtingen is de Unie tegenover het Verenigd Koninkrijk aansprakelijk voor zijn aandeel in:

a)

de bedragen die de Unie van in gebreke gebleven debiteuren of in verband met onverschuldigde betalingen terugvordert; en

b)

netto-inkomsten die uit het verschil tussen de financiële en operationele ontvangsten en de financiële en operationele uitgaven voortvloeien en die als algemene ontvangsten of bestemmingsontvangsten in de begroting van de Unie zijn opgenomen.

Voor de inkomsten uit het beheer van activa van de voorziening getroffen voor instrumenten met een voorziening berekent de Unie een percentage van de ontvangsten als de verhouding tussen de netto-inkomsten uit het beheer van de activa van het voorgaande jaar en de totale voorziening aan het eind van het voorgaande jaar. Het bedrag van de verplichting ten aanzien van het Verenigd Koninkrijk voor de ontvangsten uit het beheer van de activa van de voorziening is het bedrag dat wordt verkregen door de actuele voorziening van het Verenigd Koninkrijk, als bedoeld in lid 5, te vermenigvuldigen met dat ontvangstenpercentage.

3.   Uiterlijk op 31 maart 2021 deelt de Unie het Verenigd Koninkrijk voor elk in lid 1 bedoeld instrument dat voorziet in een voorziening uit begroting van de Unie de volgende gegevens mee aan het Verenigd Koninkrijk:

a)

zijn initiële voorziening, berekend als het aandeel van het Verenigd Koninkrijk in de som van:

i)

de voorzieningen die per 31 december 2020 zijn getroffen in het overeenkomstige garantiefonds;

ii)

het bedrag van de vastgelegde en nog niet betaalde voorzieningen per 31 december 2020;

iii)

de betalingen die vanaf de inwerkingtreding van dit akkoord tot en met 31 december 2020 zijn verricht in verband met financiële verrichtingen waartoe op of na de datum van inwerkingtreding van dit akkoord is besloten; en

b)

zijn standaard voorzieningspercentage, berekend als de verhouding tussen de initiële voorziening van het Verenigd Koninkrijk voor dat instrument en het in lid 1 bedoelde bedrag van de financiële verrichtingen per 31 december 2020 waartoe is besloten vóór de datum van inwerkingtreding van dit akkoord.

4.   Met ingang van 2021 verstrekt de Unie het Verenigd Koninkrijk jaarlijks op 31 maart informatie over de in lid 1 bedoelde financiële verrichtingen, tot deze financiële verrichtingen zijn afgelost, vervallen of beëindigd. De informatie bevat voor elk type instrument:

a)

de op 31 december van het voorgaande jaar uitstaande voorwaardelijke verplichtingen;

b)

de betalingen die de Unie in het voorgaande jaar heeft verricht in verband met die financiële verrichtingen en de na 31 december 2020 gecumuleerde bedragen van deze betalingen;

c)

de actuele voorziening van het Verenigd Koninkrijk en zijn actuele voorzieningspercentage als bedoeld in lid 5;

d)

de vergoedingen die overeenkomstig lid 6, onder a), in het voorgaande jaar aan het Verenigd Koninkrijk zijn betaald en de na 31 december 2020 gecumuleerde bedragen van deze vergoedingen;

e)

de in lid 2 bedoelde teruggevorderde bedragen en in de begroting van de Unie opgenomen netto-ontvangsten voor het voorgaande jaar;

f)

zo nodig, andere nuttige informatie over de financiële verrichtingen in het voorgaande jaar.

5.   Voor elk in lid 1 bedoeld instrument moet de Unie, voor zover de basishandeling een voorziening uit de begroting van de Unie vaststelt, uiterlijk op 31 maart van elk jaar:

a)

de actuele voorziening van het Verenigd Koninkrijk berekenen, uitgedrukt als het bedrag van de initiële voorziening van het Verenigd Koninkrijk verminderd met:

i)

het aandeel van het Verenigd Koninkrijk in de in lid 4, onder b), bedoelde gecumuleerde betalingen uit de begroting van de Unie na 31 december 2020 in verhouding tot de financiële verrichtingen waartoe voor de datum van inwerkingtreding van dit akkoord is besloten;

ii)

het aandeel van het Verenigd Koninkrijk in het bedrag van de vrijmakingen in voorgaande jaren in verband met de nog betaalbaar te stellen vastleggingen bedoeld in lid 3, onder a), punt ii), van dit Artikel, zoals meegedeeld overeenkomstig Artikel 140, lid 3;

iii)

de som van de per 1 januari 2021 aan het Verenigd Koninkrijk betaalde vergoedingen, als bedoeld in lid 4, onder d);

b)

het Verenigd Koninkrijk het actuele voorzieningspercentage meedelen, vastgesteld als de verhouding tussen de actuele voorziening van het Verenigd Koninkrijk en het bedrag van de in lid 4, onder a), bedoelde financiële verrichtingen.

6.   Jaarlijks vanaf 2022:

a)

als het actuele voorzieningspercentage van het Verenigd Koninkrijk voor een instrument hoger is dan zijn standaardvoorzieningspercentage voor dat instrument, is de Unie tegenover het Verenigd Koninkrijk aansprakelijk voor dat instrument voor het bedrag dat wordt verkregen door het bedrag van de in lid 4, onder a), bedoelde financiële verplichtingen te vermenigvuldigen met het verschil tussen het actuele voorzieningspercentage en het standaardpercentage. De verplichtingen van de Unie mogen niet meer bedragen dan de actuele voorziening van het Verenigd Koninkrijk als berekend volgens lid 5;

b)

als het actuele voorzieningspercentage van het Verenigd Koninkrijk voor een instrument in een bepaald jaar negatief wordt, is het Verenigd Koninkrijk tegenover de Unie voor dat instrument aansprakelijk voor het bedrag van de negatieve actuele voorziening. In de volgende jaren is het Verenigd Koninkrijk tegenover de Unie voor dat instrument aansprakelijk voor zijn aandeel in de verrichte betalingen zoals meegedeeld overeenkomstig lid 4, onder b), van dit Artikel, alsmede voor het aandeel van het Verenigd Koninkrijk in het bedrag van de vrijmakingen in het voorgaande jaar in verband met de nog betaalbaar te stellen vastleggingen bedoeld in lid 3, onder a), punt ii), van dit Artikel, zoals meegedeeld overeenkomstig Artikel 140, lid 3.

7.   Als de actuele voorziening van het Verenigd Koninkrijk positief is, nadat de financiële verrichtingen van de Unie in verband met een in lid 1 bedoeld instrument zijn tenietgedaan, is de Unie tegenover het Verenigd Koninkrijk aansprakelijk voor het bedrag van de actuele voorziening van het Verenigd Koninkrijk zoals berekend overeenkomstig lid 5.

8.   Als er na 31 december 2020 betalingen worden verricht uit de begroting van de Unie voor de in lid 1 bedoelde financiële verrichtingen met betrekking tot een instrument waarvoor in de basishandeling geen voorziening is vastgesteld, is het Verenigd Koninkrijk tegenover de Unie voor dat instrument aansprakelijk voor zijn aandeel in de verrichte betalingen, zoals meegedeeld overeenkomstig lid 4, onder b).

9.   Wanneer financiële verplichtingen, betalingen, terugvorderingen of andere bedragen betrekking hebben op financiële verrichtingen bedoeld in lid 1, maar niet onmiddellijk kan worden bepaald of zij voortvloeien uit een specifieke financiële verrichting als gevolg van de toepassing van mechanismen voor onderlinge risicowaarborging of achterstelling, worden voor de toepassing van dit Artikel de betrokken financiële verplichtingen, betalingen, terugvorderingen of andere bedragen die moeten worden vastgesteld voor de toepassing van dit Artikel, pro rata berekend op basis van de verhouding tussen enerzijds het bedrag van de financiële verrichtingen waartoe is besloten of die zijn goedgekeurd voor de datum van inwerkingtreding van dit akkoord op 31 december van het jaar voordat de berekening wordt gemaakt en anderzijds het totaalbedrag van de financiële verrichtingen op laatstgenoemde datum.

10.   Wanneer de in lid 1 bedoelde financiële verrichtingen niet worden afgelost, worden deze na 10 jaar geacht afgelost te zijn naar rato van de aflossing van de resterende aflossingsverrichtingen.

Artikel 144

Financiële instrumenten in directe of indirecte uitvoering gefinancierd door de programma's van het MFK 2014-2020 of in het kader van eerdere financiële vooruitzichten

1.   Vanaf de datum van inwerkingtreding van dit akkoord tot de volledige aflossing van de in deze alinea, onder a), bedoelde financiële verrichtingen stelt de Unie de financiële verrichtingen vast:

a)

waartoe voor de datum van inwerkingtreding van dit akkoord is besloten door de Europese Commissie en die zo nodig zijn goedgekeurd door de financiële instellingen die door de Europese Commissie zijn belast met de uitvoering van een financieel instrument in het kader van een programma van het MFK 2014-2020 of in het kader van eerdere financiële vooruitzichten in directe of indirecte uitvoering; en

b)

waartoe is besloten en die zo nodig zijn goedgekeurd op of na de datum van inwerkingtreding van dit akkoord.

De Unie verstrekt op 31 juli 2019 in het in Artikel 143, lid 1, tweede alinea, bedoelde verslag de volgende informatie over de financiële instrumenten, in directe of indirecte uitvoering, gefinancierd door de programma's van het MFK 2014-2020 of gefinancierd in het kader van eerdere financiële vooruitzichten:

a)

de financiële verplichtingen die voorvloeien uit de verrichtingen waartoe voor de datum van inwerkingtreding van dit akkoord is besloten door de Europese Commissie of de door de Europese Commissie met de uitvoering van het financiële instrument belaste entiteit; en

b)

de door de Europese Commissie verrichte betalingen voor de financiële instrumenten en de voor de financiële instrumenten vastgelegde bedragen die tot op die datum nog niet zijn betaald.

De aansprakelijkheid van de Unie ten aanzien van het Verenigd Koninkrijk in verband met de in dit lid bedoelde financiële verrichtingen wordt niet beïnvloed door een eventuele herstructurering van deze financiële verrichtingen, voor zover een dergelijke herstructurering de financiële blootstelling op de tegenpartij niet vergroot, in nominale termen, ten opzichte van de situatie onmiddellijk voor de herstructurering.

2.   Met ingang van 2021 verstrekt de Unie het Verenigd Koninkrijk jaarlijks op 31 maart over elk van de in lid 1 bedoelde financiële instrumenten, tot deze zijn afgelost, vervallen of beëindigd, de beschikbare informatie over de in lid 1 bedoelde financiële verrichtingen waartoe is besloten of die zijn goedgekeurd voor de datum van inwerkingtreding van dit akkoord en de financiële verrichtingen waartoe is besloten of die zijn goedgekeurd op of na die datum. Voor elk instrument vermeldt de informatie:

a)

de financiële verplichtingen per 31 december van het voorgaande jaar die voortvloeien uit de financiële verrichtingen waartoe is besloten door de Europese Commissie, of die zijn goedgekeurd door de entiteit die door de Europese Commissie is belast met de uitvoering van het financieel instrument, voor de datum van inwerkingtreding van dit akkoord;

b)

de totale financiële verplichtingen per 31 december van het voorgaande jaar die voortvloeien uit de financiële verrichtingen waartoe is besloten door de Europese Commissie of door de entiteit die door de Europese Commissie is belast met de uitvoering van het financieel instrument;

c)

de verhouding tussen de onder a) en b) bedoelde bedragen;

d)

de betalingen verricht uit het voorzieningsfonds of uit trustrekeningen bij de met het beheer ervan belaste entiteiten, voor zover dergelijke betalingen verband houden met financiële verrichtingen waartoe is besloten door de Europese Commissie of die zijn goedgekeurd door de entiteit die door de Europese Commissie is belast met de uitvoering van het financieel instrument, na de datum van inwerkingtreding van dit akkoord;

e)

het deel van de overeenkomstig Artikel 209, lid 3, van het Financieel Reglement aan de Unie terugbetaalde bedragen, anders dan de in dit lid, onder f), bedoelde rendementen, in verband met financiële verrichtingen waartoe is besloten of die zijn goedgekeurd voor de datum van inwerkingtreding van dit akkoord;

f)

rendementen op middelen van het financieel instrument in het voorzieningsfonds of op trustrekeningen;

g)

het deel van het bedrag van het voorzieningsfonds of trustrekeningen dat niet is uitbetaald en dat door de Europese Commissie is teruggevorderd;

h)

zo nodig, andere nuttige informatie over de financiële verrichtingen in het voorgaande jaar.

3.   De Unie is aansprakelijk tegenover het Verenigd Koninkrijk voor het aandeel van het Verenigd Koninkrijk in elk bedrag bedoeld in lid 2, onder d) tot en met g).

4.   Wanneer financiële verplichtingen, betalingen, terugvorderingen of andere bedragen betrekking hebben op financiële verrichtingen bedoeld in lid 1, maar niet onmiddellijk kan worden bepaald of zij voortvloeien uit een specifieke financiële verrichting als gevolg van de toepassing van mechanismen voor onderlinge risicowaarborging of achterstelling, worden voor de toepassing van dit Artikel de betrokken financiële verplichtingen, betalingen, terugvorderingen of andere bedragen die voor de toepassing van dit Artikel moeten worden vastgesteld, pro rata berekend op basis van de verhouding bedoeld in lid 2, onder c).

Artikel 145

De Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal

De Unie is tegenover het Verenigd Koninkrijk aansprakelijk voor zijn aandeel in de netto activa van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal in liquidatie op 31 december 2020.

De Unie betaalt het Verenigd Koninkrijk het betrokken bedrag terug in vijf gelijke jaarlijkse tranches op 30 juni van elk jaar, te beginnen op 30 juni 2021.

Artikel 146

Investering van de Unie in het EIF

De Unie is tegenover het Verenigd Koninkrijk aansprakelijk voor zijn aandeel in de investering van de Unie in het gestorte kapitaal van het EIF op 31 december 2020.

De Unie betaalt het Verenigd Koninkrijk het betrokken bedrag terug in vijf gelijke jaarlijkse tranches op 30 juni van elk jaar, te beginnen op 30 juni 2021.

Artikel 147

Voorwaardelijke verplichtingen in verband met rechtszaken

1.   Het Verenigd Koninkrijk is aansprakelijk voor zijn aandeel in de betalingen die nodig zijn voor de vereffening van de voorwaardelijke verplichtingen van de Unie die opeisbaar worden in verband met rechtszaken betreffende financiële belangen van de Unie die betrekking hebben op de begroting en, in het bijzonder, in verband met Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 of in verband met rechtszaken die voortvloeien uit de uitvoering van programma's en beleidsmaatregelen van de Unie, mits de feiten die het onderwerp van die zaken uitmaken, zich niet later dan 31 december 2020 voordeden.

De Unie is tegenover het Verenigd Koninkrijk aansprakelijk voor zijn aandeel in elk bedrag van latere terugvorderingen in verband met de in de eerste alinea bedoelde betalingen.

2.   De Unie deelt het Verenigd Koninkrijk de in lid 1 bedoelde bedragen jaarlijks uiterlijk op 31 maart mee.

Artikel 148

Betalingen na 2020

1.   De referentiedata voor na 31 december 2020 door het Verenigd Koninkrijk aan de Unie of door de Unie aan het Verenigd Koninkrijk verrichte betalingen zijn 30 juni en 31 oktober van elk jaar voor de bedragen:

a)

bedoeld in 49, lid 2, de Artikelen 50 en 53, Artikel 62, lid 2, Artikel 63, lid 1, onder e), en Artikel 63, lid 2, Artikel 99, lid 3, en Artikel 100, lid 2;

b)

bedoeld in Artikel 84, lid 1;

c)

bedoeld in Artikel 136, lid 3, onder a), b), c), e) en f), uiterlijk te voldoen op de eerstvolgende referentiedatum na de datum van aanpassing of correctie;

d)

die voortvloeien uit corrigerende maatregelen die het Verenigd Koninkrijk moet nemen met betrekking tot de eigen middelen die verschuldigd zijn voor de begrotingsjaren tot en met 2020 als gevolg van controles verricht krachtens Verordening (EU, Euratom) nr. 608/2014 of Verordening (EEG, Euratom) nr. 1553/89 of om enige andere reden, uiterlijk te voldoen op de eerstvolgende referentiedatum na de datum van de corrigerende maatregel;

e)

bedoeld in Artikel 140, lid 4, te voldoen in twee tranches op de referentiedata voor betalingen, waarbij de eerste tranche de helft bedraagt van de tweede;

f)

bedoeld in Artikel 140, lid 5, te voldoen op 30 juni na de bevestiging door het Verenigd Koninkrijk dat het voorstel van de Unie aan het in Artikel 165, lid 1, onder f), bedoelde Comité Financiële bepalingen en het Gemengd Comité is aanvaard;

g)

bedoeld in Artikel 141, uiterlijk te voldoen op de eerstvolgende referentiedatum volgend op de aanpassing van de eigen middelen voor de lidstaten als gevolg van de definitieve opname van de geldboete in begroting van de Unie;

h)

bedoeld in Artikel 142, lid 1, uiterlijk te voldoen op de eerstvolgende referentiedatum na de datum van de in lid 3 bedoelde mededeling;

i)

bedoeld in Artikel 142, lid 5, en Artikel 142, lid 6, vierde alinea, te voldoen op 31 oktober van elk jaar;

j)

bedoeld in Artikel 142, lid 6, eerste alinea, te voldoen op 30 juni van elk jaar;

k)

bedoeld in de Artikelen 143 en 144, uiterlijk te voldoen op de eerstvolgende referentiedatum na de datum van de in de Artikelen 143, lid 4, en Artikel 144, lid 2, bedoelde mededeling;

l)

bedoeld in de Artikelen 145 en 146;

m)

bedoeld in Artikel 147, lid 2, uiterlijk te voldoen op de eerstvolgende referentiedatum na de datum van de daarin bedoelde mededeling;

n)

bedoeld in lid 3 als mogelijke rente hierover.

De betalingen worden verricht in vier gelijke maandelijkse tranches voor betalingen met als referentiedatum 30 juni en in acht gelijke maandelijkse tranches voor betalingen met als referentiedatum 31 oktober. Alle betalingen worden uiterlijk verricht op de laatste werkdag van elke maand, te beginnen op de referentiedatum of, wanneer de referentiedatum geen werkdag is, op de laatste werkdag voor de referentiedatum.

2.   Zo lang er nog betalingen moeten worden verricht door de Unie aan het Verenigd Koninkrijk of door het Verenigd Koninkrijk aan de Unie, verstrekt de Unie het Verenigd Koninkrijk op 16 april en 16 september van elk jaar een document met daarin de relevante bedragen die moeten worden betaald, uitgedrukt in euro en in Britse ponden, op basis van de op de eerste werkdag van de maand door de Europese Centrale Bank toegepaste wisselkoers. De Unie en het Verenigd Koninkrijk betalen de nettobedragen uiterlijk op de in lid 1 bedoelde data.

3.   Voor elke vertraging bij de betalingen door het Verenigd Koninkrijk aan de Unie of door de Unie aan het Verenigd Koninkrijk is rente verschuldigd overeenkomstig Artikel 12 van Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014.

Hoofdstuk 3

EUROPESE CENTRALE BANK

Artikel 149

Terugbetaling van het gestorte kapitaal

De Europese Centrale Bank betaalt, namens de Unie, de Bank of England het gestorte kapitaal terug dat door de Bank of England ter beschikking is gesteld. De datum van de terugbetaling en andere praktische regelingen worden vastgesteld overeenkomstig Protocol (nr. 4) betreffende de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank.

Hoofdstuk 4

EUROPESE INVESTERINGSBANK

Artikel 150

Blijvende aansprakelijkheid van het Verenigd Koninkrijk en terugbetaling van gestort kapitaal

1.   Het Verenigd Koninkrijk blijft aansprakelijk, zoals bepaald in dit Artikel, voor de financiële verrichtingen die door de EIB zijn goedgekeurd vóór de datum van inwerkingtreding van dit akkoord, zoals nader bepaald in lid 2 (“financiële verrichtingen van de EIB”), ook als de daaruit voortvloeiende financiële positie op of na de datum van inwerkingtreding van dit akkoord wordt ingenomen, en blijft aansprakelijk voor andere risico's die de EIB op zich neemt, als vermeld in de tweede alinea.

De aansprakelijkheid van het Verenigd Koninkrijk geldt ook voor de financiële verrichtingen van de EIB en de risico's inzake het activa-passivabeheer en operationele risico's die het gevolg zijn van financiële verrichtingen van de EIB, overeenkomstig lid 6. Voor andere risico's van dit type, die niet samenhangen met specifieke financiële verrichtingen en niet het gevolg zijn van de reeks financiële verrichtingen die dateert van na de inwerkingtreding van dit akkoord, is het bedrag waarvoor het Verenigd Koninkrijk aansprakelijk is, evenredig met de verhouding tussen de resterende blootstelling in verband met financiële verrichtingen van de EIB en het totale bedrag aan financiële verrichtingen op het moment dat het Verenigd Koninkrijk aansprakelijk wordt gesteld overeenkomstig lid 6.

De tenuitvoerlegging door de EIB van een groeistrategie voor na de terugtrekking valt niet onder dit Artikel.

2.   Onder financiële verrichtingen van de EIB worden verstaan leningen, garanties, kapitaalinvesteringen, investeringen in eigen vermogen, obligaties en andere leningsubstituten, alsmede overige financieringsverrichtingen, met tegenpartijen of inzake projecten op of buiten het grondgebied van de lidstaten, met inbegrip van verrichtingen die worden gegarandeerd door derden, zoals de lidstaten of de Unie.

Het Verenigd Koninkrijk is aansprakelijk voor de financiële verrichtingen van de EIB ingeval de financiële blootstelling van de EIB:

a)

is gebaseerd op een goedkeuring van de raad van bestuur van de EIB die voor de datum van inwerkingtreding van dit akkoord is verleend of op een besluit dat is vastgesteld op grond van een delegatie van de raad van bestuur die voor de datum van inwerkingtreding van dit akkoord is verleend;

b)

voortvloeit uit de herstructurering van een financiële verrichting van de EIB, voor zover een dergelijke herstructurering de financiële blootstelling op de tegenpartij niet vergroot, in nominale termen, ten opzichte van de situatie onmiddellijk voor de herstructurering;

c)

voortvloeit uit een verandering van een financiële verrichting van de EIB, wanneer die verandering op of na de datum van inwerkingtreding van dit akkoord is goedgekeurd door de raad van bestuur van de EIB en voor zover een dergelijke verandering de financiële blootstelling op de tegenpartij niet vergroot ten opzichte van de situatie onmiddellijk voor de verandering; of

d)

voortvloeit uit de institutionele deelname van de EIB in het kapitaal van het EIF en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling onmiddellijk voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van dit akkoord.

Voor het begrenzen van de aansprakelijkheid van het Verenigd Koninkrijk krachtens de leden 3 en 5, wordt de blootstelling van de EIB in verband met financiële verrichtingen van de EIB die vanwege hun aard niet worden afgelost, zoals met name investeringen van het type eigen vermogen, revolverende mandaten verleend aan het EIF en de deelname in het kapitaal van het EIF en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling, geacht als volgt te zijn afgelost: gedurende een periode van 10 jaar na de inwerkingtreding van dit akkoord, wordt het bedrag van de aflossingsvrije positie in verband met de financiële verrichting van de EIB geacht gelijk te blijven aan het voor de inwerkingtreding van dit akkoord door de EIB goedgekeurde bedrag, verminderd met elke eventuele vervreemding die de EIB na de datum van inwerkingtreding heeft verricht. Na deze periode wordt het bedrag geacht af te nemen naar rato van de aflossing van het resterende aflossingsbedrag uit hoofde van financiële verrichtingen van de EIB.

3.   Voor de toepassing van lid 1 is het Verenigd Koninkrijk aansprakelijk voor zijn aandeel in het niet-volgestorte geplaatste kapitaal van de EIB onmiddellijk voor de datum van inwerkingtreding van dit akkoord. Het Verenigd Koninkrijk verricht betalingen aan de EIB tot het bedrag waarvoor het krachtens dit lid aansprakelijk is, ingeval het overeenkomstig lid 6 aansprakelijk wordt gesteld.

De totale verplichtingen krachtens dit lid bedragen nimmer meer dan het bedrag van het aandeel van het Verenigd Koninkrijk in het niet-volgestorte geplaatste kapitaal van de EIB onmiddellijk voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van dit akkoord.

Wanneer het in lid 1 bedoelde bedrag van de resterende blootstelling van de EIB in verband met de financiële verrichtingen van de EIB lager is dan het totale geplaatste kapitaal van de EIB onmiddellijk voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van dit akkoord, blijft de aansprakelijkheid van het Verenigd Koninkrijk krachtens dit lid te allen tijde beperkt tot het bedrag dat wordt verkregen door de verhouding tussen het aandeel van het Verenigd Koninkrijk in het geplaatste kapitaal van de EIB en het totale geplaatste kapitaal van de EIB op de datum onmiddellijk voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van dit akkoord (“het aandeel van het Verenigd Koninkrijk in het geplaatste kapitaal”) toe te passen op het verschil tussen het bedrag van die resterende blootstelling op dat moment, en het totale gestorte geplaatste kapitaal van de EIB onmiddellijk voor de datum van inwerkingtreding van dit akkoord.

4.   De EIB betaalt het Verenigd Koninkrijk namens de Unie een bedrag dat gelijk is aan het aandeel van het Verenigd Koninkrijk in het gestorte geplaatste kapitaal van de EIB onmiddellijk voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van dit akkoord. Deze betaling geschiedt overeenkomstig Protocol (nr. 5) betreffende de statuten van de Europese Investeringsbank. De betaling vindt plaats in 12 jaarlijkse tranches. De eerste 11 tranches, van elk 300 000 000 EUR, zijn verschuldigd op 15 december van elk jaar, te beginnen in 2019. De saldobetaling van 195 903 950 EUR is verschuldigd op 15 december 2030. De overeenkomstig dit lid verrichte betalingen ontslaan het Verenigd Koninkrijk niet van zijn verplichting krachtens lid 5.

5.   Naast zijn verplichting uit hoofde van lid 3 is het Verenigd Koninkrijk voor de toepassing van lid 1 aansprakelijk voor zijn gestorte geplaatste kapitaal van de EIB onmiddellijk voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van dit akkoord. Het Verenigd Koninkrijk verricht betalingen aan de EIB tot het bedrag waarvoor het overeenkomstig dit lid aansprakelijk is, ingeval het krachtens lid 6 aansprakelijk wordt gesteld.

De totale verplichtingen krachtens dit lid bedragen nimmer meer dan het bedrag van het gestorte geplaatste kapitaal van het Verenigd Koninkrijk in de EIB onmiddellijk voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van dit akkoord.

Als de resterende blootstelling van de EIB in verband met de financiële verrichtingen van de EIB bedoeld in lid 1 geringer is dan het totale gestorte geplaatste kapitaal van de EIB onmiddellijk voor de datum van inwerkingtreding van dit akkoord, blijft de verplichting van het Verenigd Koninkrijk krachtens dit lid te allen tijde beperkt tot een bedrag dat wordt verkregen door de verhouding tussen het aandeel van het Verenigd Koninkrijk en het geplaatste kapitaal toe te passen op het bedrag van die resterende blootstelling op dat moment.

6.   Het Verenigd Koninkrijk wordt overeenkomstig dit Artikel aansprakelijk gesteld op pari passu-basis met de lidstaten, ingeval de EIB verlangt dat de lidstaten betalingen verrichten in verband met hun niet-volgestorte geplaatste kapitaal of wanneer het gestorte geplaatste kapitaal van de lidstaten wordt gebruikt.

Wanneer het Verenigd Koninkrijk krachtens lid 3 aansprakelijk wordt gesteld, betaalt het Verenigd Koninkrijk het verschuldigde bedrag aan de EIB onder dezelfde voorwaarden als die welke voor de lidstaten gelden (met inbegrip van het tijdschema en de voorwaarden van de betaling) en die te zijner tijd door de raad van bestuur van de EIB worden vastgesteld. Het besluit van de EIB waarbij van de lidstaten wordt verlangd om betalingen te verrichten in verband met hun niet-volgestorte geplaatste kapitaal kan met name samenhangen met de aard van de achterliggende risicogebeurtenissen en de financiële positie van de EIB in het licht van haar betalingsverplichtingen, de stand van haar activa en passiva, haar positie op de kapitaalmarkten en de bepalingen van haar nood- en herstelplannen zoals op dat moment toepassing.

Wanneer het Verenigd Koninkrijk krachtens lid 5 van kracht aansprakelijk wordt gesteld, betaalt het Verenigd Koninkrijk het verschuldigde bedrag aan de EIB, in euro, binnen 30 dagen na het eerste verzoek van de EIB en onder voorbehoud van de vierde alinea van dit lid.

De aansprakelijkheidsstelling van het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig lid 5 wordt gedekt uit het aandeel van het Verenigd Koninkrijk in het gestorte geplaatste kapitaal van de EIB op de datum onmiddellijk voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van dit akkoord tot het bedrag dat nog niet aan het Verenigd Koninkrijk is uitbetaald overeenkomstig lid 4. Het bedrag van de jaarlijkse tranches genoemd in lid 4 wordt dienovereenkomstig verminderd. Als de verplichting van het Verenigd Koninkrijk niet volledig op deze manier kan worden nagekomen, betaalt het Verenigd Koninkrijk de EIB de rest van het verschuldigde bedrag.

De EIB zal namens de Unie per geval de toeschrijving van de gebeurtenissen die ten grondslag liggen aan de aansprakelijkheidsstelling van het Verenigd Koninkrijk voor de relevante financiële verrichtingen of risico's, alsook het bedrag dat het Verenigd Koninkrijk aan de EIB verschuldigd is, als volgt vaststellen:

a)

voor zover de onderliggende gebeurtenissen het gevolg zijn van financiële verrichtingen van de EIB, dan wel toe te schrijven zijn aan risico's inzake het activa-passivabeheer of operationele risico's, betaalt het Verenigd Koninkrijk de EIB respectievelijk een met het aandeel van het Verenigd Koninkrijk in het geplaatste kapitaal overeenstemmend bedrag van de totale som die de lidstaten moeten betalen, dan wel een met het aandeel van het Verenigd Koninkrijk in het geplaatste kapitaal overeenstemmend bedrag van de totale som waarvoor het gestorte geplaatste kapitaal van de lidstaten wordt gebruikt;

b)

voor zover de onderliggende gebeurtenissen aan andere risico's kunnen worden toegeschreven en niet kunnen worden toegeschreven aan een specifieke financiële verrichting of aan de stand van de financiële verrichtingen na de datum van inwerkingtreding van dit akkoord, betaalt het Verenigd Koninkrijk de EIB het bedrag dat voortvloeit uit punt a), vermenigvuldigd met de verhouding tussen de resterende blootstelling in verband met financiële verrichtingen van de EIB en het totale bedrag aan financiële verrichtingen op het moment dat het Verenigd Koninkrijk aansprakelijk wordt gesteld.

7.   Met uitzondering van de in lid 4 bedoelde betalingen, is de EIB niet verplicht tot andere betalingen, terugbetalingen of vergoedingen wegens de beëindiging van het EIB-lidmaatschap van het Verenigd Koninkrijk of omdat het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig dit Artikel een verplichting houdt.

8.   Op 31 juli 2019 deelt de EIB het Verenigd Koninkrijk de blootstelling van het Verenigd Koninkrijk in verband met de financiële verrichtingen van de EIB mee, alsmede de grenzen van de aansprakelijkheid van het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig de leden 3 en 5, rekening houdend met de financiële positie van de EIB en de verplichtingen van het Verenigd Koninkrijk op de dag van inwerkingtreding van dit akkoord.

Op 31 maart van elk jaar, te beginnen in 2020, tot het tenietgaan van de aansprakelijkheid van het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig dit Artikel, deelt de EIB het Verenigd Koninkrijk de resterende blootstelling van het Verenigd Koninkrijk in verband met de financiële verrichtingen van de EIB mee, alsmede de grenzen van de aansprakelijkheid van het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig de leden 3 en 5, rekening houdend met de financiële positie van de EIB en de verplichtingen van het Verenigd Koninkrijk op 31 december van het voorgaande jaar. In het verslag worden ook de materiële veranderingen vermeld die naar het oordeel van de EIB materiële gevolgen hebben voor de verplichtingen van het Verenigd Koninkrijk. De EIB verstrekt ook tijdige informatie als dergelijke wijzigingen zich in de loop van het jaar voordoen.

De EIB verstrekt het Verenigd Koninkrijk tijdige informatie over aanstaande aansprakelijkstellingen van het Verenigd Koninkrijk krachtens dit Artikel, overeenkomstig de aan de lidstaten verstrekte informatie. Deze informatie omvat gegevens over de aard van de gebeurtenis die aanleiding geeft tot de aansprakelijkstelling alsook de berekening van de te betalen bedragen. Het Verenigd Koninkrijk behandelt deze informatie als strikt vertrouwelijk tot de EIB de vertrouwelijkheid opheft of het Verenigd Koninkrijk aansprakelijk wordt gesteld, naargelang welk van de twee gevallen zich het eerst voordoet.

Artikel 151

Deelname van het Verenigd Koninkrijk aan de EIB-groep na de datum van terugtrekking

Vanaf de datum van inwerkingtreding van dit akkoord komen noch het Verenigd Koninkrijk noch de in het Verenigd Koninkrijk gevestigde projecten in aanmerking voor nieuwe financiële verrichtingen van de EIB-groep die zijn voorbehouden aan lidstaten, met inbegrip van verrichtingen die onder mandaten van de Unie vallen. In het Verenigd Koninkrijk gevestigde entiteiten worden behandeld als buiten de Unie gevestigde entiteiten.

De ondertekening van financiële verrichtingen in verband met het Verenigd Koninkrijk, entiteiten van het Verenigd Koninkrijk of voor de datum van inwerkingtreding van dit akkoord door de EIB-groep goedgekeurde projecten van het Verenigd Koninkrijk, kan na die datum plaatsvinden op dezelfde basis als die waarop zij aanvankelijk werden goedgekeurd.

Hoofdstuk 5

EUROPEES ONTWIKKELINGSFONDS EN DE GARANTIE VAN HET VERENIGD KONINKRIJK KRACHTENS DE INTERNE AKKOORDEN VAN HET EOF

Artikel 152

Deelname aan het Europees ontwikkelingsfonds

1.   Het Verenigd Koninkrijk blijft partij bij het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) tot de afsluiting van het 11e EOF en alle voorgaande EOF's die nog niet zijn afgesloten, het neemt daarbij dezelfde verplichtingen in acht als de lidstaten uit hoofde van het interne akkoord waarbij het fonds is opgezet (“intern akkoord van het 11e EOF”) (159) en het neemt de verplichtingen in acht die voortvloeien uit de voorgaande EOF's tot de afsluiting daarvan, met inbegrip van verplichtingen krachtens de Verordeningen (EU) 2015/322 (160) en (EU) 2015/323 (161) van de Raad, onder de in dit akkoord vastgestelde voorwaarden. Het Verenigd Koninkrijk is gebonden aan de besluiten van de Raad waarbij de jaarlijkse bijdragen van de lidstaten worden vastgesteld overeenkomstig Artikel 21 van Verordening (EU) 2015/323. Begunstigden in het Verenigd Koninkrijk komen na de datum van inwerkingtreding van dit akkoord onder dezelfde voorwaarden als daarvoor in aanmerking voor deelname aan projecten in het kader van het 11e EOF en eerdere EOF's.

2.   In afwijking van Artikel 7 van dit akkoord kan het Verenigd Koninkrijk als waarnemer zonder stemrecht deelnemen aan het overeenkomstig Artikel 8 van het intern akkoord van het 11e EOF ingestelde EOF-comité en aan het overeenkomstig Artikel 9 van het intern akkoord van het 11e EOF ingestelde Comité van de Investeringsfaciliteit.

3.   De in Artikel 3, lid 1, onder e), bedoelde landen en gebieden overzee komen in aanmerking voor steun uit het 11e EOF tot de afsluiting ervan en voor steun uit eerdere EOF's tot de afsluiting ervan.

4.   Het aandeel van het Verenigd Koninkrijk in de Investeringsfaciliteit van het EOF uit de achtereenvolgende EOF-perioden wordt terugbetaald aan het Verenigd Koninkrijk op het tijdstip dat de investering het einde van haar looptijd bereikt. De wijze waarop deze terugbetaling plaatsvindt, is gelijk aan de in Artikel 144 beschreven wijze. Tenzij anders wordt overeengekomen, wordt het aandeel van het Verenigd Koninkrijk in het kapitaal niet opnieuw vastgelegd na het einde van de vastleggingsperiode van het 11e EOF noch overgedragen naar de daaropvolgende perioden.

Artikel 153

Hergebruik van de vrijmakingen

Ingeval de bedragen van projecten in het kader van het 10e EOF of bedragen uit eerdere EOF's niet zijn vastgelegd overeenkomstig Artikel 1, lid 3, van het Intern Akkoord betreffende het 11e EOF, of zijn vrijgemaakt overeenkomstig Artikel 1, lid 4, van het Intern Akkoord betreffende het 11e EOF op de datum van inwerkingtreding van dit akkoord, wordt het aandeel van het Verenigd Koninkrijk in die bedragen niet hergebruikt.

De eerste alinea is van toepassing op het aandeel van het Verenigd Koninkrijk in de middelen die na 31 december 2020 niet zijn vastgelegd of zijn vrijgemaakt in het kader van het 11e EOF.

Artikel 154

De garantie van het Verenigd Koninkrijk in het kader van de opeenvolgende interne akkoorden betreffende het EOF

Het Verenigd Koninkrijk blijft aansprakelijk ten aanzien van zijn garanties krachtens Artikel 9 van het Intern Akkoord betreffende het 4e EOF (162), Artikel 8 van de Interne Akkoorden betreffende respectievelijk het 5e (163), 6e (164), 7e (165) en 8e (166) EOF, Artikel 6 van het Intern Akkoord betreffende het 9e (167) EOF en Artikel 4 van de Interne Akkoorden betreffende respectievelijk het 10e (168) en 11e EOF.

Het Verenigd Koninkrijk blijft recht hebben op zijn aandeel in de bedragen die zijn teruggevorderd krachtens de voorwaarden van de garanties van de lidstaten en op het saldo van zijn “call account”. Het in deze alinea bedoelde aandeel van het Verenigd Koninkrijk is evenredig aan zijn respectieve deelneming in elke garantieovereenkomst.

Hoofdstuk 6

TRUSTFONDSEN EN FACILITEIT VOOR VLUCHTELINGEN IN TURKIJE

Artikel 155

Vastleggingen voor de trustfondsen en de Faciliteit voor vluchtelingen in Turkije

1.   Het Verenigd Koninkrijk komt de toezeggingen na die het voor de datum van inwerkingtreding van dit akkoord heeft gedaan ten aanzien van het Noodtrustfonds van de Europese Unie voor stabiliteit en de aanpak van de diepere oorzaken van irreguliere migratie en ontheemding in Afrika, opgericht bij besluit van de Commissie van 20 oktober 2015 (169), ten aanzien van enig trustfonds van de Europese Unie dat vóór de datum van inwerkingtreding van dit akkoord is opgericht, en ten aanzien van de bij besluit van de Commissie van 24 november 2015 (170) opgerichte Faciliteit voor vluchtelingen in Turkije en eventuele wijzigingen daarvan die voor de datum van inwerkingtreding van dit akkoord worden vastgesteld.

2.   Het Verenigd Koninkrijk kan deelnemen aan de desbetreffende organen die verband houden met de Faciliteit voor vluchtelingen in Turkije, volgens de regels die overeenkomstig Artikel 234, lid 4, van het Financieel Reglement zijn opgesteld voor donoren.

Hoofdstuk 7

AGENTSCHAPPEN VAN DE RAAD EN OPERATIES OP HET GEBIED VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK VEILIGHEIDS- EN DEFENSIEBELEID

Artikel 156

De verplichtingen van het Verenigd Koninkrijk vanaf de datum van inwerkingtreding van dit akkoord

Tot en met 31 december 2020 draagt het Verenigd Koninkrijk bij aan de financiering van het Europees Defensieagentschap, het Instituut voor veiligheidsstudies van de Europese Unie en het Satellietcentrum van de Europese Unie, alsmede in de kosten van operaties op het gebied van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, op basis van de verdeelsleutels van Artikel 14, lid 9, onder a), van Besluit (EU) 2016/1353 van de Raad (171), Artikel 10, lid 3, van Besluit 2014/75/GBVB van de Raad (172), Artikel 10, lid 3, van Besluit 2014/401/GBVB (173), en Artikel 41, lid 2, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, respectievelijk, en overeenkomstig Artikel 5 van dit akkoord.

Artikel 157

Verplichtingen van het Verenigd Koninkrijk na 31 december 2020

1.   Voor zover de voorzieningen voor de betrokken verplichtingen op 31 december 2020 niet zijn getroffen, betaalt het Verenigd Koninkrijk op basis van de rekeningen van de agentschappen zijn aandeel in de volgende verplichtingen overeenkomstig zijn verdeelsleutel voor de bijdrage aan elk van die agentschappen op basis van hun gecontroleerde rekeningen op 31 december 2020:

a)

de pensioenverplichtingen voor het personeel van het Europees Defensieagentschap, het Europees Instituut voor veiligheidsstudies en het Satellietcentrum van de Europese Unie;

b)

de verplichtingen die voortvloeien uit de liquidatie van de West-Europese Unie.

2.   De betaling in verband met de in lid 1 bedoelde verplichtingen worden uiterlijk op 30 juni 2021 verricht.

DEEL ZES

INSTITUTIONELE EN SLOTBEPALINGEN

TITEL I

SAMENHANGENDE UITLEGGING EN TOEPASSING

Artikel 158

Verwijzingen naar het Hof van Justitie van de Europese Unie in verband met deel twee

1.   Als in een zaak die in eerste aanleg minder dan 8 jaar na het eind van de overgangsperiode is aangevangen voor een rechterlijke instantie in het Verenigd Koninkrijk, een vraag aan de orde komt over de uitlegging van deel twee van dit akkoord, en indien die rechterlijke instantie voor het wijzen van haar vonnis een beslissing op dit punt noodzakelijk acht, dan kan die rechterlijke instantie het Hof van Justitie van de Europese Unie verzoeken om een prejudiciële beslissing over die vraag.

Als de zaak die aanhangig is voor de rechterlijke instantie in het Verenigd Koninkrijk echter betrekking heeft op een beslissing inzake een aanvraag krachtens Artikel 18, lid 1 of lid 4, of krachtens Artikel 19, dan kan uitsluitend om een prejudiciële beslissing worden verzocht als de zaak in eerste aanleg binnen een periode van 8 jaar nadat Artikel 19 van toepassing is geworden, is aangevangen.

2.   Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd om bij wijze van prejudiciële beslissing een uitspraak te doen over verzoeken krachtens lid 1. Dergelijke prejudiciële beslissingen hebben in het Verenigd Koninkrijk dezelfde rechtsgevolgen als prejudiciële beslissingen uit hoofde van Artikel 267 VWEU in de Unie en haar lidstaten.

3.   In het geval dat het Gemengd Comité een besluit vaststelt op grond van Artikel 132, lid 1, wordt de in de tweede alinea van lid 1 bedoelde periode van 8 jaar automatisch met het aantal maanden overeenkomend met de verlenging van de overgangsperiode verlengd.

Artikel 159

Toezicht op de uitvoering en toepassing van deel twee

1.   In het Verenigd Koninkrijk wordt op de uitvoering en toepassing van deel twee toezicht gehouden door een onafhankelijke autoriteit (hierna “de Autoriteit” genoemd) die bevoegdheden heeft die gelijkwaardig zijn aan de bevoegdheden van de Europese Commissie op grond van de Verdragen om op eigen initiatief onderzoek in te stellen inzake vermeende inbreuken op deel twee door de bestuurlijke instanties van het Verenigd Koninkrijk en om klachten van burgers van de Unie en hun familieleden te ontvangen met het oog op de uitvoering van dergelijke onderzoeken. De Autoriteit heeft ook het recht om, naar aanleiding van dergelijke klachten, een passende gerechtelijke procedure aan te spannen bij een bevoegde rechterlijke instantie in het Verenigd Koninkrijk om tot een doeltreffende voorziening in rechte te komen.

2.   De Europese Commissie en de Autoriteit informeren elk het in Artikel 165, lid 1, onder a), bedoelde gespecialiseerd Comité Burgerrechten jaarlijks over de uitvoering en de toepassing van deel twee in de Unie respectievelijk het Verenigd Koninkrijk. De verstrekte informatie betreft in het bijzonder de maatregelen die zijn genomen om uitvoering te geven of te voldoen aan deel twee alsmede het aantal en de soort van de ontvangen klachten.

3.   Het Gemengd Comité beoordeelt, op zijn vroegst 8 jaar na het einde van de overgangsperiode, het functioneren van de Autoriteit. Na een dergelijke beoordeling kan zij te goeder trouw uit hoofde van Artikel 164, lid 4, onder f), en Artikel 166 besluiten dat het Verenigd Koninkrijk de Autoriteit mag afschaffen.

Artikel 160

Bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Unie betreffende een aantal bepalingen van deel vijf

Onverminderd Artikel 87 van dit akkoord, zijn de Artikelen 258, 260 en 267 VWEU van toepassing op de uitlegging en toepassing van het toepasselijke recht van de Unie bedoeld in Artikel 136 en Artikel 138, lid 1 of lid 2, van dit akkoord. Derhalve wordt elke verwijzing in de Artikelen 258, 260 en 267 VWEU zodanig begrepen dat deze het Verenigd Koninkrijk omvatten.

Artikel 161

Procedures voor het Hof van Justitie van de Europese Unie

1.   Als een rechterlijke instantie van een lidstaat een prejudiciële vraag over de uitlegging van dit akkoord voorlegt aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, wordt van de beslissing van de nationale rechterlijke instantie waarin een dergelijke vraag is gesteld, kennis gegeven aan het Verenigd Koninkrijk.

2.   De bepalingen van het recht van de Unie inzake de procedures die overeenkomstig Artikel 267 VWEU worden ingesteld voor het Hof van Justitie van de Europese Unie, zijn mutatis mutandis van toepassing op verzoeken om een beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie die op grond van Artikel 158 van dit akkoord worden ingediend.

De bepalingen van het recht van de Unie inzake de procedure voor het Hof van de Europese Unie zijn van toepassing op de procedures voor het Hof van Justitie van de Europese Unie en verzoeken om een prejudiciële beslissing die op grond van Artikel 160 van dit akkoord worden ingediend.

3.   In de zaken die aanhangig zijn gemaakt bij het Hof van Justitie van de Europese Unie overeenkomstig lid 1, en de Artikelen 158 en 160 van dit akkoord, en Artikel 12 van het protocol inzake de zones van Cyprus die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk vallen:

a)

kan het Verenigd Koninkrijk op dezelfde wijze als een lidstaat deelnemen aan de procedures bij het Hof van Justitie van de Europese Unie;

b)

zijn advocaten die bevoegd zijn op te treden voor de rechterlijke instanties van het Verenigd Koninkrijk, gerechtigd elke partij bij dergelijke procedures voor het Hof van Justitie van de Europese Unie te vertegenwoordigen of bij te staan; in dergelijke zaken worden deze advocaten in elk opzicht behandeld als advocaten die bevoegd zijn om op te treden voor de rechterlijke instanties van lidstaten en die een partij vertegenwoordigen of bijstaan voor het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Artikel 162

Deelname van de Europese Commissie in zaken die aanhangig zijn in het Verenigd Koninkrijk

Ingeval de samenhangende uitlegging en toepassing van dit akkoord zulks vereist, kan de Europese Commissie schriftelijke opmerkingen indienen bij de rechterlijke instanties van het Verenigd Koninkrijk in aanhangige zaken waarbij de uitlegging van het akkoord een rol speelt. De Europese Commissie kan, met toestemming van de betrokken rechterlijke instantie, ook mondelinge opmerkingen maken. Alvorens haar opmerkingen formeel in te dienen, stelt de Europese Commissie het Verenigd Koninkrijk in kennis van haar voornemen dergelijke opmerkingen te maken.

Artikel 163

Regelmatige dialoog en uitwisseling van informatie

Teneinde de samenhangende uitlegging van dit akkoord te vereenvoudigen en met volledige eerbiediging van de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties, onderhouden het Hof van Justitie van de Europese Unie en de hoogste rechterlijke instanties van het Verenigd Koninkrijk een regelmatige dialoog, naar analogie met de dialoog die het Hof van Justitie van de Europese Unie voert met de hoogste rechterlijke instanties van de lidstaten.

TITEL II

INSTITUTIONELE BEPALINGEN

Artikel 164

Gemengd Comité

1.   Een Gemengd Comité met vertegenwoordigers van de Unie en het Verenigd Koninkrijk wordt hierbij ingesteld. Het Gemengd Comité wordt gezamenlijk voorgezeten door de Unie en het Verenigd Koninkrijk.

2.   Het Gemengd Comité komt bijeen op verzoek van de Unie of het Verenigd Koninkrijk en komt in elk geval ten minste eenmaal per jaar bijeen. Het Gemengd Comité stelt zijn vergaderrooster en -agenda vast in onderlinge overeenstemming. Op het werk van het Gemengd Comité is het in bijlage VIII bij dit akkoord vastgestelde reglement van orde van toepassing.

3.   Het Gemengd Comité is verantwoordelijk voor de uitvoering en de toepassing van dit akkoord. De Unie en het Verenigd Koninkrijk kunnen elk vraagstuk in verband met de uitvoering, toepassing en uitlegging van dit akkoord aan het Gemengd Comité voorleggen.

4.   Het Gemengd Comité heeft de volgende taken:

a)

toezicht houden op en vergemakkelijken van de uitvoering en toepassing van dit akkoord;

b)

besluiten over de taken van de gespecialiseerde comités en toezicht houden op hun werkzaamheden;

c)

passende werkwijzen en methoden vinden om problemen te voorkomen die zich kunnen voordoen op de door dit akkoord bestreken gebieden of om geschillen op te lossen die zich kunnen voordoen in verband met de uitlegging en toepassing van dit akkoord;

d)

zich buigen over alle andere aangelegenheden die van belang zijn met betrekking tot de door dit akkoord bestreken gebieden;

e)

besluiten nemen en aanbevelingen doen als bedoeld in Artikel 166;

f)

wijzigingen van dit akkoord vaststellen in de gevallen waarin dit akkoord daarin voorziet.

5.   Het Gemengd Comité kan:

a)

verantwoordelijkheden aan gespecialiseerde comités delegeren, uitgezonderd de verantwoordelijkheden bedoeld in lid 4, onder b), e) en f);

b)

andere gespecialiseerde comités dan de bij Artikel 165 ingestelde comités instellen, ter ondersteuning van het Gemengd Comité bij de uitvoering van haar taken;

c)

de aan gespecialiseerde comités toevertrouwde taken veranderen en deze comités ontbinden;

d)

behalve in verband met de delen een, vier en zes, tot het eind van het vierde jaar na het eind van de overgangsperiode besluiten vaststellen tot wijziging van dit akkoord, mits dergelijke wijzigingen nodig zijn om fouten te corrigeren, omissies of andere tekortkomingen te verhelpen, of op te treden in verband met situaties die niet waren voorzien toen dit akkoord werd ondertekend, en mits dergelijke besluiten geen wijzigingen inhouden van de essentiële elementen van dit akkoord;

e)

wijzigingen vaststellen in het in bijlage VIII opgenomen reglement van orde;

f)

bij de uitoefening van zijn functies andere acties ondernemen waartoe door de Unie en het Verenigd Koninkrijk is besloten.

6.   Het Gemengd Comité brengt een jaarlijks verslag uit over de werking van dit akkoord.

Artikel 165

Gespecialiseerde comités

1.   De volgende gespecialiseerde comités worden hierbij ingesteld:

a)

het Comité voor de rechten van de burgers;

b)

het Comité voor de overige scheidingsbepalingen;

c)

het Comité voor vraagstukken betreffende de uitvoering van het protocol inzake Ierland/Noord-Ierland;

d)

het Comité voor vraagstukken betreffende de uitvoering van het protocol inzake de zones van Cyprus die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk vallen;

e)

het Comité voor vraagstukken betreffende de uitvoering van het protocol inzake Gibraltar;

f)

het Comité voor de financiële bepalingen.

Deze gespecialiseerde comités bestaan uit vertegenwoordigers van de Unie en van het Verenigd Koninkrijk.

2.   Op de werkzaamheden van de gespecialiseerde comités is het in bijlage VIII bij dit akkoord vastgestelde reglement van orde van toepassing.

Tenzij in dit akkoord anders is bepaald, of tenzij de medevoorzitters anders besluiten, komen de gespecialiseerde comités ten minste eenmaal per jaar bijeen. Aanvullende bijeenkomsten kunnen op verzoek van de Unie, het Verenigd Koninkrijk of het Gemengd Comité worden gehouden. De bijeenkomsten worden gezamenlijk voorgezeten door vertegenwoordigers van de Unie en van het Verenigd Koninkrijk. De gespecialiseerde comités stellen hun vergaderrooster en -agenda vast in onderlinge overeenstemming. De gespecialiseerde comités kunnen ontwerpen van besluiten en van aanbevelingen opstellen en deze ter goedkeuring voorleggen aan het Gemengd Comité.

3.   De Unie en het Verenigd Koninkrijk zorgen ervoor dat hun respectieve vertegenwoordigers in de gespecialiseerde comités over de juiste deskundigheid beschikken met betrekking tot de vraagstukken die worden besproken.

4.   De gespecialiseerde comités stellen het Gemengd Comité ruim voor hun bijeenkomsten in kennis van hun vergaderroosters en -agenda en zij melden de resultaten en conclusies van elke vergadering aan het Gemengd Comité. De oprichting of het bestaan van een gespecialiseerd comité betekent niet dat de Unie of het Verenigd Koninkrijk een aangelegenheid niet rechtstreeks aan het Gemengd Comité kunnen voorleggen.

Artikel 166

Besluiten en aanbevelingen

1.   Het Gemengd Comité is voor de toepassing van dit akkoord bevoegd om besluiten te nemen inzake alle aangelegenheden ten aanzien waarvan daarin bij dit akkoord wordt voorzien en om de Unie en het Verenigd Koninkrijk passende aanbevelingen te doen.

2.   De besluiten van het Gemengd Comité zijn bindend voor de Unie en het Verenigd Koninkrijk en de Unie en het Verenigd Koninkrijk voeren deze besluiten uit. Zij hebben hetzelfde rechtsgevolg als dit akkoord.

3.   Het Gemengd Comité stelt zijn besluiten en aanbevelingen in onderlinge overeenstemming vast.

TITEL III

GESCHILLENBESLECHTING

Artikel 167

Samenwerking

De Unie en het Verenigd Koninkrijk streven er te allen tijde naar overeenstemming te bereiken over de uitlegging en de toepassing van dit akkoord en zij stellen alles in het werk om door middel van samenwerking en overleg een wederzijds aanvaardbare oplossing te vinden voor alle kwesties die gevolgen kunnen hebben voor de werking van dit akkoord.

Artikel 168

Exclusiviteit

Bij geschillen tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk over aangelegenheden die zich in het kader van dit akkoord voordoen, maken de Unie en het Verenigd Koninkrijk enkel gebruik van de procedures waarin dit akkoord voorziet.

Artikel 169

Overleg en mededelingen binnen het Gemengd Comité

1.   De Unie en het Verenigd Koninkrijk streven ernaar elk geschil over de uitlegging en toepassing van de bepalingen van dit akkoord op te lossen door binnen het Gemengd Comité te goeder trouw overleg te voeren, teneinde een onderling overeengekomen oplossing te vinden. Een partij die overleg wil voeren, stelt het Gemengd Comité daarvan schriftelijk in kennis.

2.   Elke mededeling of melding tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk waarin deze titel voorziet, vindt plaats binnen het Gemengd Comité.

Artikel 170

Inleiding van de arbitrageprocedure

1.   Onverminderd Artikel 160, kan de Unie of het Verenigd Koninkrijk om de instelling van een arbitragepanel verzoeken, indien er geen onderling overeengekomen oplossing is gevonden binnen 3 maanden nadat het Gemengd Comité schriftelijk in kennis is gesteld overeenkomstig Artikel 169, lid 1. Een dergelijk verzoek wordt schriftelijk gericht tot de andere partij en tot het Internationaal Bureau van het Permanent Hof van Arbitrage. Het verzoek vermeldt het onderwerp van het aan het arbitragepanel voor te leggen geschil en biedt een samenvatting van de juridische argumenten ter ondersteuning van het verzoek.

2.   De Unie en het Verenigd Koninkrijk kunnen overeenkomen dat om de instelling van een arbitragepanel kan worden verzocht voor het verstrijken van de in lid 1 vastgestelde termijn.

Artikel 171

Instelling van het arbitragepanel

1.   Het Gemengd Comité stelt uiterlijk aan het eind van de overgangsperiode een lijst vast van 25 personen die bereid en in staat zijn om als lid van een arbitragepanel op te treden. De Unie en het Verenigd Koninkrijk stellen daartoe elk tien personen voor. Ook stellen de Unie en het Verenigd Koninkrijk gezamenlijk vijf personen voor die het voorzitterschap van het arbitragepanel kunnen bekleden. Het Gemengd Comité waarborgt dat de lijst te allen tijde aan deze vereisten voldoet.

2.   De krachtens lid 1 opgestelde lijst omvat enkel personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden en aan alle gestelde eisen voldoen om in hun onderscheiden landen de hoogste rechterlijke ambten te bekleden, of die bekendstaan als kundige rechtsgeleerden, en die beschikken over gespecialiseerde kennis van of ervaring met het recht van de Unie of internationaal publiekrecht. De lijst omvat geen leden, ambtenaren of andere personeelsleden van de instellingen van de Unie of van de overheid van een lidstaat of van de overheid van het Verenigd Koninkrijk.

3.   Een arbitragepanel bestaat uit vijf leden.

4.   Binnen 15 dagen na de datum van een verzoek overeenkomstig Artikel 170 wordt het panel ingesteld overeenkomstig de leden 5 en 6.

5.   De Unie en het Verenigd Koninkrijk benoemen ieder twee leden uit de personen op de krachtens lid 1 opgestelde lijst. De voorzitter wordt bij consensus door de leden van het panel gekozen uit de personen die gezamenlijk door de Unie en het Verenigd Koninkrijk zijn genomineerd om het voorzitterschap te bekleden.

Indien de leden van het panel geen overeenstemming kunnen bereiken over de keuze van de voorzitter binnen de in lid 4 gestelde termijn, kunnen de Unie of het Verenigd Koninkrijk de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage verzoeken om de voorzitter door loting te kiezen uit de personen die gezamenlijk door de Unie en het Verenigd Koninkrijk zijn voorgesteld voor het voorzitterschap.

6.   De secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage maakt de in de tweede alinea van lid 5 bedoelde keuze binnen 5 dagen na het in lid 5 bedoelde verzoek. Vertegenwoordigers van de Unie en van het Verenigd Koninkrijk zijn gerechtigd bij de verkiezing aanwezig te zijn.

7.   De datum van instelling van het arbitragepanel is die waarop de verkiezingsprocedure is voltooid.

8.   Ingeval de in lid 1 bedoelde lijst niet is opgesteld bij het verstrijken van de in lid 4 gestelde termijn, benoemen de Unie en het Verenigd Koninkrijk elk binnen 5 dagen twee personen tot lid van het panel. Indien personen zijn voorgesteld krachtens lid 1, wordt voor de benoemingen uit deze personen gekozen. Vervolgens wordt de voorzitter aangesteld overeenkomstig de procedure van lid 5. Ingeval de Unie en het Verenigd Koninkrijk nog eens 5 dagen later niet ten minste één persoon gezamenlijk hebben voorgesteld voor het voorzitterschap, stelt de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage binnen 5 dagen, na overleg met de Unie en het Verenigd Koninkrijk, een voorzitter voor die voldoet aan de eisen van lid 2. Tenzij de Unie of het Verenigd Koninkrijk binnen 5 dagen bezwaar aantekent tegen dat voorstel, wordt de door de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage voorgestelde persoon aangesteld.

9.   Ingeval geen arbitragepanel is ingesteld binnen 3 maanden te rekenen vanaf de datum waarop het verzoek overeenkomstig Artikel 170 is gedaan, wijst de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage, op verzoek van de Unie of het Verenigd Koninkrijk, binnen 15 dagen na een dergelijk verzoek, na overleg met de Unie en het Verenigd Koninkrijk, personen aan die voldoen aan de vereisten van lid 2 van dit Artikel, teneinde het arbitragepanel te vormen.

Artikel 172

Procedureregels

Op de in deze titel vermelde procedures voor geschillenbeslechting zijn de procedureregels van deel A van bijlage IX (“Procedureregels”) van toepassing; het Gemengd Comité houdt voortdurend toezicht op de werking van deze procedures voor geschillenbeslechting en kan de procedureregels wijzigen.

Artikel 173

Tijdskader van de procedure voor het arbitragepanel

1.   Het arbitragepanel deelt zijn uitspraak binnen 12 maanden na de instelling van het arbitragepanel mee aan de Unie, het Verenigd Koninkrijk en het Gemengd Comité. Wanneer het arbitragepanel van oordeel is dat het deze termijn niet in acht kan nemen, stelt zijn voorzitter de Unie en het Verenigd Koninkrijk daarvan schriftelijk in kennis, met vermelding van de redenen voor de vertraging en de datum waarop het panel voornemens is zijn werkzaamheden af te ronden.

2.   Binnen 10 dagen na de instelling van het arbitragepanel kan de Unie of het Verenigd Koninkrijk een met redenen omkleed verzoek indienen om kenbaar te maken dat de zaak spoedeisend is. In voorkomend geval doet het arbitragepanel binnen 15 dagen na de ontvangst van een dergelijk verzoek uitspraak over de spoedeisendheid van de zaak. Indien het arbitragepanel heeft bepaald dat de zaak spoedeisend is, stelt het alles in het werk om zijn uitspraak binnen 6 maanden, gerekend vanaf de datum van zijn instelling, mee te delen aan de Unie en het Verenigd Koninkrijk.

Artikel 174

Geschillen die vragen opwerpen over het recht van de Unie

1.   Wanneer een overeenkomstig deze titel ter arbitrage voorgelegd geschil leidt tot een vraag over de uitlegging van een begrip in het recht van de Unie, een vraag over de uitlegging van een bepaling van het recht van de Unie bedoeld in dit akkoord of een vraag of het Verenigd Koninkrijk heeft voldaan aan zijn verplichtingen krachtens Artikel 89, lid 2, neemt het arbitragepanel geen besluit over die vraag. In een dergelijk geval verzoekt het arbitragepanel het Hof van Justitie van de Europese Unie om zich over die vraag uit te spreken. Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd om daarover een uitspraak te doen die bindend is voor het arbitragepanel.

Het arbitragepanel doet het in de eerste alinea bedoelde verzoek na de partijen te hebben gehoord.

2.   Onverminderd de eerste zin van de eerste alinea van lid 1, kan de Unie of het Verenigd Koninkrijk, als de Unie of het Verenigd Koninkrijk van oordeel is dat een in lid 1 bedoeld verzoek moet worden gedaan, daartoe opmerkingen indienen bij het arbitragepanel. In een dergelijk geval dient het arbitragepanel het verzoek overeenkomstig lid 1 in, tenzij de opgeworpen vraag geen betrekking heeft op de uitlegging van een begrip in het recht van de Unie, de uitlegging van een bepaling van het recht van de Unie bedoeld in dit akkoord, of het feit of het Verenigd Koninkrijk aan zijn verplichtingen krachtens Artikel 89, lid 2, heeft voldaan. Het arbitragepanel motiveert zijn beoordeling. Binnen 10 dagen na de beoordeling kan elk van de partijen het arbitragepanel verzoeken om zijn beoordeling te herzien en wordt binnen 15 dagen na het verzoek een hoorzitting georganiseerd waarop de partijen kunnen worden gehoord. Het arbitragepanel motiveert zijn beoordeling.

3.   In de in de leden 1 en 2 bedoelde gevallen worden de in Artikel 173 vastgestelde termijnen opgeschort totdat het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak heeft gedaan. Het arbitragepanel is niet verplicht uitspraak te doen binnen 60 dagen, gerekend vanaf de datum waarop het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak heeft gedaan.

4.   Artikel 161, lid 2, eerste alinea, en Artikel 161, lid 3, zijn mutatis mutandis van toepassing op de procedures die overeenkomstig dit Artikel bij het Hof van Justitie van de Europese Unie aanhangig zijn gemaakt.

Artikel 175

Naleving van uitspraak van arbitragepanel

De uitspraak van het arbitragepanel is bindend voor de Unie en het Verenigd Koninkrijk. De Unie en het Verenigd Koninkrijk nemen alle maatregelen die nodig zijn om de uitspraak van het arbitragepanel te goeder trouw na te leven en streven ernaar overeenstemming te bereiken over de termijn waarbinnen de uitspraak wordt nageleefd overeenkomstig de procedure van Artikel 176.

Artikel 176

Redelijke termijn voor naleving

1.   Uiterlijk 30 dagen na de kennisgeving van de uitspraak van het arbitragepanel aan de Unie en het Verenigd Koninkrijk stelt de verwerende partij, indien het panel zich ten gunste van de klagende partij heeft uitgesproken, de klagende partij in kennis van de termijn die zij denkt nodig te hebben voor naleving (hierna “redelijke termijn” genoemd).

2.   Indien de partijen geen overeenstemming bereiken over de redelijke termijn voor naleving van de uitspraak van het arbitragepanel, verzoekt de klagende partij het oorspronkelijke arbitragepanel binnen een termijn van 40 dagen na de kennisgeving van de verwerende partij krachtens lid 1 schriftelijk de lengte van de redelijke termijn vast te stellen. Dit verzoek wordt tegelijkertijd aan de verwerende partij meegedeeld. Het arbitragepanel stelt de Unie en het Verenigd Koninkrijk binnen 40 dagen na de indiening van het verzoek in kennis van zijn besluit inzake de termijn voor naleving.

3.   Ingeval het oorspronkelijke arbitragepanel, of een aantal leden daarvan, niet opnieuw bijeen kan komen om een verzoek krachtens Artikel 2 te beoordelen, wordt een nieuw arbitragepanel ingesteld overeenkomstig Artikel 171. De termijn voor de kennisgeving van het besluit bedraagt 60 dagen, gerekend vanaf de datum waarop het nieuwe arbitragepanel is ingesteld.

4.   De verwerende partij stelt de klagende partij ten minste een maand voor het verstrijken van de redelijke termijn schriftelijk in kennis van de vorderingen die zij maakt bij de naleving van de in Artikel 173 bedoelde uitspraak van het arbitragepanel.

5.   De redelijke termijn kan met wederzijdse instemming van de Unie en het Verenigd Koninkrijk worden verlengd.

Artikel 177

Onderzoek van maatregelen tot naleving van de uitspraak van het arbitragepanel

1.   De verwerende partij stelt de klagende partij voor het eind van de redelijke termijn in kennis van alle maatregelen die zij heeft getroffen om de uitspraak van het arbitragepanel na te leven.

2.   Indien de klagende partij aan het eind van de redelijke termijn van oordeel is dat de verwerende partij de in Artikel 173 bedoelde uitspraak van het arbitragepanel niet heeft nageleefd, kan de klagende partij het oorspronkelijke arbitragepanel schriftelijk verzoeken om hierover uitspraak te doen. Het arbitragepanel stelt de Unie en het Verenigd Koninkrijk binnen 90 dagen na de indiening van het verzoek in kennis van zijn uitspraak hierover.

3.   Ingeval het oorspronkelijke arbitragepanel, of een aantal leden daarvan, niet opnieuw bijeen kan komen om een verzoek krachtens Artikel 2 te beoordelen, wordt een nieuw arbitragepanel ingesteld overeenkomstig Artikel 171. De termijn voor de kennisgeving van de uitspraak bedraagt 60 dagen, gerekend vanaf de datum waarop het nieuwe arbitragepanel is ingesteld.

4.   Wanneer een krachtens lid 2 aan het arbitragepanel voorgelegd geval leidt tot een vraag over de uitlegging van een begrip in het recht van de Unie of een vraag over de uitlegging van een bepaling van het recht van de Unie bedoeld in dit akkoord, is Artikel 174 mutatis mutandis van toepassing.

Artikel 178

Tijdelijke maatregelen bij niet-naleving

1.   Indien het arbitragepanel overeenkomstig Artikel 177, lid 2, oordeelt dat de verwerende partij de in Artikel 173 bedoelde uitspraak van het arbitragepanel niet heeft nageleefd, kan het op verzoek van de klagende partij bepalen dat aan de klagende partij een forfaitaire som of een dwangsom dient te worden betaald. Bij de vaststelling van de forfaitaire som of de dwangsom houdt het arbitragepanel rekening met de ernst en de duur van de niet-naleving en de onderliggende niet-nakoming van een verplichting.

2.   Indien de verwerende partij 1 maand na de in lid 1 bedoelde uitspraak van het arbitragepanel een forfaitaire som of een dwangsom die hem is opgelegd, niet heeft betaald of indien de verwerende partij 6 maanden na de in Artikel 177, lid 2, bedoelde uitspraak van het arbitragepanel volhardt in de niet-naleving van de in Artikel 173 bedoelde uitspraak van het arbitragepanel, is de klagende partij gerechtigd, na kennisgeving aan de verwerende partij, verplichtingen op te schorten die voortvloeien uit:

a)

enige bepaling van dit akkoord anders dan die in deel twee; of

b)

delen van een enig ander akkoord tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk onder de in dat akkoord vervatte voorwaarden.

In de kennisgeving worden de bepalingen vermeld die de klagende partij voornemens is op te schorten. Voordat de klagende partij besluit delen van een onder b) bedoeld akkoord op te schorten, overweegt de klagende partij eerst of de opschorting van de bepaling van dit akkoord overeenkomstig punt a) een passende reactie is op de niet-nakoming. De opschorting moet in verhouding staan tot de niet-nakoming van de betrokken verplichting, rekening houdende met de ernst van de niet-nakoming en de betrokken rechten en, wanneer de opschorting is gebaseerd op het feit dat de verwerende partij volhardt in de niet-naleving van de in Artikel 173 bedoelde uitspraak van het arbitragepanel, met het feit of aan de verwerende partij een dwangsom is opgelegd en deze door laatstgenoemde is of nog wordt betaald.

De klagende partij kan de opschorting op elk moment ten uitvoer leggen, maar niet eerder dan 10 dagen na de datum van de kennisgeving, tenzij de verwerende partij om arbitrage heeft verzocht krachtens lid 3.

3.   Indien de verwerende partij van mening is dat de omvang van de schorsing als vermeld in de in lid 2 bedoelde kennisgeving disproportioneel is, kan zij het oorspronkelijke arbitragepanel schriftelijk verzoeken om hierover uitspraak te doen. Van een dergelijk verzoek wordt aan de klagende partij kennis gegeven voor het verstrijken van de in lid 2 bedoelde termijn van 10 dagen. Het arbitragepanel stelt de Unie en het Verenigd Koninkrijk binnen 60 dagen na de indiening van het verzoek in kennis van zijn uitspraak hierover. De verplichtingen worden niet opgeschort voordat het arbitragepanel zijn uitspraak heeft medegedeeld en de opschorting moet in overeenstemming zijn met de uitspraak van het arbitragepanel.

4.   Ingeval het oorspronkelijke arbitragepanel, of een aantal leden daarvan, niet opnieuw bijeen kan komen om een verzoek krachtens lid 2 te beoordelen, wordt een nieuw arbitragepanel ingesteld overeenkomstig Artikel 171. In deze gevallen bedraagt de termijn voor de kennisgeving van de uitspraak 90 dagen, gerekend vanaf de datum waarop het nieuwe arbitragepanel is ingesteld.

5.   De opschorting van verplichtingen is van tijdelijke aard en wordt slechts toegepast totdat elke maatregel waarvan werd vastgesteld dat deze niet in overeenstemming is met de bepalingen van dit akkoord, is ingetrokken of gewijzigd, teneinde overeenstemming te bereiken met de bepalingen van dit akkoord, of totdat de Unie en het Verenigd Koninkrijk zijn overeengekomen het geschil op een andere wijze bij te leggen.

Artikel 179

Onderzoek van maatregelen genomen na tijdelijke maatregelen

1.   Wanneer de klagende partij verplichtingen heeft opgeschort overeenkomstig Artikel 178 of wanneer het arbitragepanel aan de klagende partij een dwangsom heeft opgelegd overeenkomstig Artikel 178, lid 1, stelt de verwerende partij de klagende partij in kennis van elke maatregel die zij heeft getroffen om de uitspraak van het arbitragepanel na te leven alsook van haar verzoek tot beëindiging van de door de klagende partij toegepaste opschorting van de verplichtingen dan wel van de dwangsom.

2.   Indien de Unie en het Verenigd Koninkrijk over de vraag of de verwerende partij zich door de maatregel waarvan kennis is gegeven, heeft geconformeerd aan de bepalingen van dit akkoord, geen overeenstemming bereiken binnen 45 dagen gerekend vanaf de datum waarop de kennisgeving is ingediend, kan elk van de partijen het oorspronkelijke arbitragepanel schriftelijk verzoeken hierover uitspraak te doen. Dit verzoek wordt tegelijkertijd aan de andere partij meegedeeld. Het arbitragepanel maakt zijn uitspraak binnen 75 dagen na de datum van indiening van het verzoek bekend aan de Unie, het Verenigd Koninkrijk en het Gemengd Comité.

Indien het arbitragepanel oordeelt dat verwerende partij zich heeft geconformeerd aan dit akkoord, of indien de klagende partij niet binnen 45 dagen na de indiening van de in lid 1 bedoelde kennisgeving het oorspronkelijke arbitragepanel verzoekt hierover uitspraak te doen:

a)

wordt de opschorting van verplichtingen binnen 15 dagen na hetzij de uitspraak van het arbitragepanel hetzij het eind van de periode van 45 dagen beëindigd;

b)

is de dwangsom niet langer verschuldigd vanaf de dag na de uitspraak van het arbitragepanel dan wel na het eind van de periode van 45 dagen.

3.   Ingeval het oorspronkelijke arbitragepanel, of een aantal leden daarvan, niet opnieuw bijeen kan komen om een verzoek krachtens lid 2 te beoordelen, wordt een nieuw arbitragepanel ingesteld overeenkomstig Artikel 171. De termijn voor de kennisgeving van de uitspraak bedraagt in dat geval 90 dagen, gerekend vanaf de datum waarop het nieuwe arbitragepanel is ingesteld.

4.   Wanneer een krachtens lid 2 aan het arbitragepanel voorgelegd geval leidt tot een vraag over de uitlegging van een begrip in het recht van de Unie of een vraag over de uitlegging van een bepaling van het recht van de Unie bedoeld in dit akkoord, is Artikel 174 mutatis mutandis van toepassing.

Artikel 180

Besluiten en uitspraken van het arbitragepanel

1.   Het arbitragepanel stelt alles in het werk om besluiten bij consensus te nemen. Wanneer het evenwel niet mogelijk is bij consensus tot een besluit te komen, wordt bij meerderheid van stemmen over de aangelegenheid besloten. In geen geval worden echter afwijkende meningen van leden van het arbitragepanel gepubliceerd.

2.   Uitspraken van het arbitragepanel zijn bindend voor de Unie en het Verenigd Koninkrijk. De uitspraak vermeldt de vastgestelde feiten, de toepasselijkheid van de relevante bepalingen van dit akkoord en de motivering van alle bevindingen en conclusies. De Unie en het Verenigd Koninkrijk maken de volledige uitspraken en besluiten van het arbitragepanel openbaar, mits de bescherming van vertrouwelijke gegevens wordt gewaarborgd.

Artikel 181

Leden van een arbitragepanel

1.   De leden van een arbitragepanel zijn onafhankelijk, treden op persoonlijke titel op, nemen geen instructies aan van enige organisatie of regering en houden zich aan de in deel B van bijlage IX bij dit akkoord vermelde gedragscode. Het Gemengd Comité kan die gedragscode wijzigen.

2.   De leden van een arbitragepanel genieten vanaf de instelling van het panel vrijstelling van rechtsvervolging in de Unie en in het Verenigd Koninkrijk voor alle handelingen die zij hebben verricht in het kader van de uitoefening van hun functies in het arbitragepanel.

TITEL IV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 182

Protocollen en bijlagen

Het protocol inzake Ierland/Noord-Ierland, het protocol inzake de zones van Cyprus die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk vallen, het protocol inzake Gibraltar en de bijlagen I tot en met IX maken integrerend deel uit van dit akkoord.

Artikel 183

Authentieke teksten en depositaris

Deze overeenkomst wordt opgesteld in een enkel exemplaar in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Ierse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, waarbij alle teksten gelijkelijk authentiek zijn.

De secretaris-generaal van de Raad is de depositaris van dit akkoord.

Artikel 184

Onderhandelingen over de toekomstige betrekkingen

De Unie en het Verenigd Koninkrijk stellen, te goeder trouw en met volledige eerbiediging van hun respectieve rechtsordes, alles in het werk om de nodige stappen te nemen om via onderhandelingen spoedig tot de in de Politieke Verklaring van 17 oktober 2019 genoemde akkoorden inzake hun toekomstige betrekkingen te komen en de relevante procedures voor de bekrachtiging of sluiting van die akkoorden te volgen, teneinde te waarborgen dat die akkoorden voor zover mogelijk vanaf het eind van de overgangsperiode van toepassing zijn.

Artikel 185

Inwerkingtreding en toepassing

Dit akkoord treedt in werking op een van de volgende data, al naargelang welke datum eerder valt:

(a)

de dag na afloop van de in Artikel 50, lid 3, VEU bedoelde termijn, zoals verlengd door de Europese Raad in overeenstemming met het Verenigd Koninkrijk, op voorwaarde dat de depositaris van dit akkoord vóór die datum de schriftelijke kennisgevingen van de Unie en het Verenigd Koninkrijk over de voltooiing van de noodzakelijke interne procedures heeft ontvangen;

(b)

de eerste dag van de maand volgende op de ontvangst door de depositaris van dit akkoord van de laatste van de onder a) bedoelde schriftelijke kennisgevingen.

In het geval dat de depositaris van dit akkoord de onder a) bedoelde schriftelijke kennisgevingen niet heeft ontvangen vóór het einde van de in Artikel 50, lid 3, VEU bedoelde termijn, zoals verlengd door de Europese Raad in overeenstemming met het Verenigd Koninkrijk, treedt dit akkoord niet in werking.

Bij het doen van de in de eerste alinea bedoelde schriftelijke kennisgeving kan de Unie ten aanzien van een lidstaat die redenen heeft aangevoerd in verband met de fundamentele beginselen van het nationale recht van die lidstaat, verklaren dat gedurende de overgangsperiode, naast de gronden voor weigering van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel bedoeld in Kaderbesluit 2002/584/JBZ, de uitvoerende gerechtelijke autoriteiten van die lidstaat kunnen weigeren eigen onderdanen op grond van een Europees aanhoudingsbevel over te leveren aan het Verenigd Koninkrijk. In voorkomend geval kan het Verenigd Koninkrijk tot een maand na de ontvangst van de verklaring van de Unie verklaren dat zijn uitvoerende gerechtelijke autoriteiten kunnen weigeren om eigen onderdanen aan die lidstaat over te leveren.

Delen twee en drie, met uitzondering van Artikel 19, Artikel 34, lid 1, Artikel 44 en Artikel 96, lid 1, alsook titel I van deel zes en de Artikelen 169 tot en met 181 zijn van toepassing vanaf het eind van de overgangsperiode.

Het Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland is van toepassing vanaf het eind van de overgangsperiode, met uitzondering van de volgende bepalingen van dat protocol, die van toepassing zijn vanaf de inwerkingtreding van dit akkoord:

Artikel 1;

Artikel 5, lid 2, derde, vierde en zesde alinea;

Artikel 5, lid 3, tweede zin;

Artikel 10, lid 2, laatste zin;

Artikel 12, lid 3;

Artikel 13, lid 8;

Artikel 14;

Artikel 15, leden 1 tot en met 4, en lid 6;

Artikel 19;

bijlage 6, eerste alinea.

Het Protocol betreffende de zones van Cyprus die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland vallen, uitgezonderd Artikel 11 daarvan, is van toepassing vanaf het eind van de overgangsperiode.

Het protocol inzake Gibraltar, uitgezonderd Artikel 1 daarvan, is aan het eind van de overgangsperiode niet langer van kracht.

Gedaan op ....

 


(1)  PB C 23 van 28.1.1983, blz. 1.

(2)  PB C 306 van 17.12.2007, blz. 270.

(3)  Anguilla, Bermuda, Brits Antarctica, Brits gebied in de Indische Oceaan, Britse Maagdeneilanden, Kaaimaneilanden, Falklandeilanden, Montserrat, Pitcairneilanden, Sint‐Helena, Ascension en Tristan da Cunha, Zuid-Georgia en de Zuidelijke Sandwicheilanden, en de Turks- en Caicoseilanden.

(4)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(5)  Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77).

(6)  Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB L 338 van 23.12.2003, blz. 1).

(7)  Het begrip gezagsrecht moet worden uitgelegd overeenkomstig Artikel 2, punt 9), van Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad. Het omvat derhalve gezagsrecht dat is verkregen ingevolge een beslissing, van rechtswege of bij een rechtsgeldige overeenkomst.

(8)  Verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie (PB L 141 van 27.5.2011, blz. 1).

(9)  Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PB L 255 van 30.9.2005, blz. 22).

(10)  Richtlijn 98/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 ter vergemakkelijking van de permanente uitoefening van het beroep van advocaat in een andere lidstaat dan die waar de beroepskwalificatie is verworven (PB L 77 van 14.3.1998, blz. 36).

(11)  Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen, tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 84/253/EEG van de Raad (PB L 157 van 9.6.2006, blz. 87).

(12)  Richtlijn 74/556/EEG van de Raad van 4 juni 1974 betreffende de overgangsmaatregelen op het gebied van de werkzaamheden welke ressorteren onder de handel in en de distributie van giftige producten en de werkzaamheden die het beroepsmatig gebruik van die producten meebrengen met inbegrip van de werkzaamheden van tussenpersonen (PB L 307 van 18.11.1974, blz. 1).

(13)  Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 166 van 30.4.2004, blz. 1).

(14)  Verordening (EG) nr. 859/2003 van de Raad van 14 mei 2003 tot uitbreiding van de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 1408/71 en Verordening (EEG) nr. 574/72 tot de onderdanen van derde landen die enkel door hun nationaliteit nog niet onder deze bepalingen vallen (PB L 124 van 20.5.2003, blz. 1).

(15)  Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 284 van 30.10.2009, blz. 1).

(16)  Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149 van 5.7.1971, blz. 2).

(17)  Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71, betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 74 van 27.3.1972, blz.1).

(18)  Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid ("diergezondheidswetgeving") (PB L 84 van 31.3.2016, blz. 1).

(19)  Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1).

(20)  Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1).

(21)  Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67).

(22)  Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 1).

(23)  Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1).

(24)  Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 558).

(25)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 1).

(26)  Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie (PB L 168 van 7.6.2014, blz. 105).

(27)  Verordening (EU, Euratom) nr. 608/2014 van de Raad van 26 mei 2014 tot vaststelling van uitvoeringsmaatregelen voor het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie (PB L 168 van 7.6.2014, blz. 29).

(28)  Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014 van de Raad van 26 mei 2014 betreffende de regels en procedures voor de terbeschikkingstelling van de traditionele eigen middelen, de btw- en de bni-middelen, en betreffende de maatregelen om in de behoefte aan kasmiddelen te voorzien (PB L 168 van 7.6.2014, blz. 39).

(29)  Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1).

(30)  Richtlijn 2008/9/EG van de Raad van 12 februari 2008 tot vaststelling van nadere voorschriften voor de in Richtlijn 2006/112/EG vastgestelde teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen die niet in de lidstaat van teruggaaf maar in een andere lidstaat gevestigd zijn (PB L 44 van 20.2.2008, blz. 23).

(31)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15 maart 2011 houdende vaststelling van maatregelen ter uitvoering van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 77 van 23.3.2011, blz. 1).

(32)  Richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van Richtlijn 92/12/EEG (PB L 9 van 14.1.2009, blz. 12).

(33)  Verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB L 154 van 16.6.2017, blz. 1).

(34)  Verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende Gemeenschapsmodellen (PB L 3 van 5.1.2002, blz. 1).

(35)  Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht (PB L 227 van 1.9.1994, blz. 1).

(36)  Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1).

(37)  Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671).

(38)  Verordening (EG) nr. 110/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 betreffende de definitie, de aanduiding, de presentatie, de etikettering en de bescherming van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1576/89 van de Raad (PB L 39 van 13.2.2008, blz. 16).

(39)  Verordening (EU) nr. 251/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 inzake de definitie, de aanduiding, de aanbiedingsvorm, de etikettering en de bescherming van geografische aanduidingen van gearomatiseerde wijnbouwproducten en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 1601/91 van de Raad (PB L 84 van 20.3.2014, blz. 14).

(40)  Richtlijn (EU) 2015/2436 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB L 336 van 23.12.2015, blz. 1).

(41)  Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549).

(42)  Verordening (EG) nr. 607/2009 van de Commissie van 14 juli 2009 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 479/2008 van de Raad wat betreft beschermde oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen, traditionele aanduidingen, etikettering en presentatie van bepaalde wijnbouwproducten (PB L 193 van 24.7.2009, blz. 60).

(43)  Richtlijn 96/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken (PB L 77 van 27.3.1996, blz. 20).

(44)  Verordening (EG) nr. 1610/96 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 1996 betreffende de invoering van een aanvullend beschermingscertificaat voor gewasbeschermingsmiddelen (PB L 198 van 8.8.1996, blz. 30).

(45)  Verordening (EG) nr. 469/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende het aanvullende beschermingscertificaat voor geneesmiddelen (PB L 152 van 16.6.2009, blz. 1).

(46)  PB C 197 van 12.7.2000, blz. 3.

(47)  PB C 326 van 21.11.2001, blz. 2.

(48)  Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB L 190, van 18.7.2002, blz. 1).

(49)  Kaderbesluit 2003/577/JBZ van de Raad van 22 juli 2003 inzake de tenuitvoerlegging in de Europese Unie van beslissingen tot bevriezing van voorwerpen of bewijsstukken (PB L 196 van 2.8.2003, blz. 45).

(50)  Kaderbesluit 2005/214/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties (PB L 76 van 22.3.2005, blz. 16).

(51)  Kaderbesluit 2006/783/JBZ van de Raad van 7 oktober 2006 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen tot confiscatie (PB L 328 van 24.11.2006, blz. 54).

(52)  Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (PB L 327 van 5.12.2008, blz. 27).

(53)  Kaderbesluit 2008/675/JBZ van de Raad van 24 juli 2008 betreffende de wijze waarop bij een nieuwe strafrechtelijke procedure rekening wordt gehouden met veroordelingen in andere lidstaten van de Europese Unie (PB L 220 van 15.8.2008, blz. 32).

(54)  Kaderbesluit 2009/315/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 betreffende de organisatie en de inhoud van uitwisseling van gegevens uit het strafregister tussen de lidstaten (PB L 93 van 7.4.2009, blz. 23).

(55)  Besluit 2009/316/JBZ van de Raad van 6 april 2009 betreffende de oprichting van het Europees Strafregister Informatiesysteem (ECRIS) overeenkomstig Artikel 11 van Kaderbesluit 2009/315/JBZ (PB L 93 van 7.4.2009, blz. 33).

(56)  Kaderbesluit 2009/829/JBZ van de Raad van 23 oktober 2009 inzake de toepassing, tussen de lidstaten van de Europese Unie, van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen inzake toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis (PB L 294 van 11.11.2009, blz. 20).

(57)  Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad (PB L 335 van 17.12.2011, blz. 1).

(58)  Richtlijn 2011/99/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende het Europees beschermingsbevel (PB L 338 van 21.12.2011, blz. 2).

(59)  Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (PB L 130 van 1.5.2014, blz. 1).

(60)  Kaderbesluit 2002/465/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 inzake gemeenschappelijke onderzoeksteams (PB L 162 van 20.6.2002, blz. 1).

(61)  Besluit 2002/187/JBZ van de Raad van 28 februari 2002 betreffende de oprichting van Eurojust teneinde de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit te versterken (PB L 63 van 6.3.2002, blz. 1).

(62)  Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (PB L 239 van 22.9.2000, blz. 19).

(63)  PB C 24 van 23.1.1998, blz. 2.

(64)  Besluit 2000/642/JBZ van de Raad van 17 oktober 2000 inzake een regeling voor samenwerking tussen de financiële inlichtingeneenheden van de lidstaten bij de uitwisseling van gegevens (PB L 271 van 24.10.2000, blz. 4).

(65)  Kaderbesluit 2006/960/JBZ van de Raad van 18 december 2006 betreffende de vereenvoudiging van de uitwisseling van informatie en inlichtingen tussen de rechtshandhavingsautoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie (PB L 386 van 29.12.2006, blz. 89).

(66)  Besluit 2007/533/JBZ van de Raad van 12 juni 2007 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) (PB L 205 van 7.8.2007, blz. 63).

(67)  Besluit 2007/845/JBZ van de Raad van 6 december 2007 betreffende de samenwerking tussen de nationale bureaus voor de ontneming van vermogensbestanddelen op het gebied van de opsporing en de identificatie van opbrengsten van misdrijven of andere vermogensbestanddelen die hun oorsprong vinden in misdrijven (PB L 332 van 18.12.2007, blz. 103).

(68)  Richtlijn (EU) 2016/681 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 over het gebruik van persoonsgegevens van passagiers (PNR-gegevens) voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken en vervolgen van terroristische misdrijven en ernstige criminaliteit (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 132).

(69)  Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op tolk- en vertaaldiensten in strafprocedures (PB L 280 van 26.10.2010, blz. 1).

(70)  Richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures (PB L 142 van 1.6.2012, blz. 1).

(71)  Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) (PB L 177 van 4.7.2008, blz. 6).

(72)  Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 inzake het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II), PB L 199 van 31.7.2007, blz. 40.

(73)  Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB L 351 van 20.12.2012, blz. 1).

(74)  Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (PB L 7 van 10.1.2009, blz. 1).

(75)  Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).

(76)  Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (PB L 18 van 21.1.1997, blz. 1).

(77)  Verordening (EG) nr. 805/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen (PB L 143 van 30.4.2004, blz. 15).

(78)  Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 19).

(79)  Verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure (PB L 399 van 30.12.2006, blz. 1).

(80)  Verordening (EG) nr. 861/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen (PB L 199 van 31.7.2007, blz. 1).

(81)  Verordening (EU) nr. 606/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de wederzijdse erkenning van beschermingsmaatregelen in burgerlijke zaken (PB L 181 van 29.6.2013, blz. 4).

(82)  Verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (de betekening en kennisgeving van stukken), en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad (PB L 324 van 10.12.2007, blz. 79).

(83)  Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken (PB L 174 van 27.6.2001, blz. 1).

(84)  Beschikking 2001/470/EG van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de oprichting van een Europese justitiële netwerk in burgerlijke en handelszaken (PB L 174 van 27.6.2001, blz. 25).

(85)  Richtlijn 2003/8/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot verbetering van de toegang tot de rechter bij grensoverschrijdende geschillen, door middel van gemeenschappelijke minimumvoorschriften betreffende rechtsbijstand bij die geschillen (PB L 26 van 31.1.2003, blz. 41).

(86)  Richtlijn 2008/52/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende bepaalde aspecten van bemiddeling/mediation in burgerlijke en handelszaken (PB L 136 van 24.5.2008, blz. 3-8).

(87)  Richtlijn 2004/80/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de schadeloosstelling van slachtoffers van misdrijven (PB L 261 van 6.8.2004, blz. 15).

(88)  PB L 299 van 16.11.2005, blz. 62.

(89)  PB L 300 van 17.11.2005, blz. 55.

(90)  Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89).

(91)  Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37).

(92)  Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243).

(93)  Richtlijn 2009/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen door aanbestedende diensten van bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied, en tot wijziging van Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG (PB L 216 van 20.8.2009, blz. 76).

(94)  Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 1).

(95)  Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 inzake het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65).

(96)  Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243).

(97)  Verordening (EG) nr. 2195/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende de gemeenschappelijke woordenlijst overheidsopdrachten (CPV) (PB L 340 van 16.12.2002, blz. 1).

(98)  Verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad en Verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad (PB L 315 van 3.12.2007, blz. 1).

(99)  Verordening (EEG) nr. 3577/92 van de Raad van 7 december 1992 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer binnen de lidstaten (cabotage in het zeevervoer) (PB L 364 van 12.12.1992, blz. 7).

(100)  Richtlijn 96/67/EG van de Raad van 15 oktober 1996 betreffende de toegang tot de grondafhandelingsmarkt op de luchthavens van de Gemeenschap (PB L 272 van 25.10.1996, blz. 36).

(101)  Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap (PB L 293 van 31.10.2008, blz. 3).

(102)  Verordening (EU) 2017/352 van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2017 tot vaststelling van een kader voor het verrichten van havendiensten en gemeenschappelijke regels inzake de financiële transparantie van havens (PB L 57 van 3.3.2017, blz. 1).

(103)  Richtlijn 89/665/EEG van de Raad van 21 december 1989 houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken (PB L 395 van 30.12.1989, blz. 33).

(104)  Richtlijn 92/13/EEG van de Raad van 25 februari 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de communautaire voorschriften inzake de procedures voor het plaatsen van opdrachten door diensten die werkzaam zijn in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie (PB L 76 van 23.3.1992, blz. 14).

(105)  Richtlijn 2011/70/Euratom van de Raad van 19 juli 2011 tot vaststelling van een communautair kader voor een verantwoord en veilig beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval (PB L 199 van 2.8.2011, blz. 48).

(106)  Verordening (Euratom) nr. 302/2005 van de Commissie van 8 februari 2005 betreffende de toepassing van de veiligheidscontrole van Euratom (PB L 54 van 28.2.2005, blz. 1).

(107)  Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik (PB L 134 van 29.5.2009, blz. 1).

(108)  Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB L 248 van 24.9.2015, blz. 9).

(109)  Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de Artikelen 81 en 82 van het Verdrag, PB L 1 van 4.1.2003, blz. 1.

(110)  Verordening (EG) nr. 773/2004 van de Commissie van 7 april 2004 betreffende procedures van de Commissie op grond van de Artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB L 123 van 27.4.2004, blz. 18).

(111)  Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1).

(112)  Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake ratingbureaus (PB L 302 van 17.11.2009, blz. 1).

(113)  Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1).

(114)  Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).

(115)  Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Unie en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32).

(116)  Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006 (PB L 150 van 20.5.2014, blz. 195).

(117)  Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen (PB L 286 van 31.10.2009, blz. 1).

(118)  Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot vaststelling van emissienormen voor nieuwe personenauto's, in het kader van de communautaire geïntegreerde benadering om de CO2-emissies van lichte voertuigen te beperken (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 1).

(119)  Verordening (EU) nr. 510/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2011 tot vaststelling van emissienormen voor nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen in het kader van de geïntegreerde benadering van de Unie om de CO2-emissies van lichte voertuigen te beperken (PB L 145 van 31.5.2011, blz. 1).

(120)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 293/2012 van de Commissie van 3 april 2012 inzake de monitoring en rapportering van registratiegegevens van nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 510/2011 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 98 van 4.4.2012, blz. 1).

(121)  Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de Unie met betrekking tot klimaatverandering, en tot intrekking van Beschikking nr. 280/2004/EG (PB L 165 van 18.6.2013, blz. 13).

(122)  Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de inspanningen van de lidstaten om hun broeikasgasemissies te verminderen om aan de verbintenissen van de Gemeenschap op het gebied van het verminderen van broeikasgassen tot 2020 te voldoen (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 136).

(123)  Verordening (EU) nr. 389/2013 van de Commissie van 2 mei 2013 tot instelling van een EU‐register overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad, Beschikkingen nr. 280/2004/EG en nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Verordeningen (EU) nr. 920/2010 en (EU) nr. 1193/2011 van de Commissie (PB L 122 van 3.5.2013, blz. 1).

(124)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 749/2014 van de Commissie van 30 juni 2014 betreffende de structuur, de indeling, de indieningsprocedure en de beoordeling van de informatie die door de lidstaten is verstrekt op grond van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 203 van 11.7.2014, blz. 23).

(125)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1191/2014 van de Commissie van 30 oktober 2014 tot vaststelling van de vorm en indieningswijze van het verslag bedoeld in Artikel 19 van Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad betreffende gefluoreerde broeikasgassen (PB L 318 van 5.11.2014, blz. 5).

(126)  Verordening (EU) nr. 904/2010 van de Raad van 7 oktober 2010 betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (PB L 268 van 12.10.2010, blz. 1).

(127)  Verordening (EU) nr. 389/2012 van de Raad van 2 mei 2012 betreffende administratieve samenwerking op het gebied van de accijnzen en houdende intrekking van Verordening (EG) nr. 2073/2004 (PB L 121 van 8.5.2012, blz. 1).

(128)  Richtlijn 2010/24/EU van de Raad van 16 maart 2010 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen, rechten en andere maatregelen (PB L 84 van 31.3.2010, blz. 1).

(129)  Verordening (Euratom, EGKS, EEG) nr. 549/69 van de Raad van 25 maart 1969 ter bepaling van de categorieën van ambtenaren en overige personeelsleden van de Europese Gemeenschappen waarop de bepalingen van de Artikelen 12, 13, tweede alinea, en 14 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Gemeenschappen van toepassing zijn (PB L 74 van 27.3.1969, blz. 1).

(130)  Besluit 2005/684/EG, Euratom van het Europees Parlement van 28 september 2005 houdende aanneming van het Statuut van de leden van het Europees Parlement (PB L 262 van 7.10.2005, blz. 1).

(131)  Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad van 29 februari 1968 tot vaststelling van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, alsmede van bijzondere maatregelen welke tijdelijk op de ambtenaren van de Commissie van toepassing zijn (PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1).

(132)  Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43).

(133)  Besluit van de Europese Centrale Bank van 4 maart 2004 inzake de toegang van het publiek tot documenten van de Europese Centrale Bank (ECB/2004/3) (2004/258/EC) (PB L 80 van 18.3.2004, blz. 42).

(134)  PB L 212 van 17.8.1994, blz. 3.

(135)  Besluit (GBVB) 2017/2315 van de Raad van 11 december 2017 tot instelling van de permanente gestructureerde samenwerking (PESCO) en tot opstelling van de lijst van deelnemende lidstaten (PB L 331 van 14.12.2017, blz. 57).

(136)  Daarbij gaat het met name om Artikel 7, Artikel 30, Artikel 42, lid 4, Artikel 48, leden 2 tot en met 6, en Artikel 49 VEU en Artikel 25, Artikel 76, onder b), Artikel 82, lid 3, Artikel 83, lid 3, Artikel 86, lid 1, Artikel 87, lid 3, Artikel 135, Artikel 218, lid 8, Artikel 223, lid 1, en de Artikelen 262, 311 en 341 VWEU.

(137)  De Unie zal de andere partijen bij deze overeenkomsten ervan in kennis stellen dat het Verenigd Koninkrijk tijdens de overgangsperiode voor de toepassing van deze overeenkomsten als lidstaat dient te worden behandeld.

(138)  Ingeval van een verlenging stelt de Unie andere partijen bij internationale overeenkomsten daarvan in kennis.

(139)  Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884).

(140)  Verordening (EEG, Euratom) nr. 1553/89 van de Raad van 29 mei 1989 betreffende de definitieve uniforme regeling voor de inning van de eigen middelen uit de belasting over de toegevoegde waarde (PB L 155 van 7.6.1989, blz. 9).

(141)  Verordening (EG, Euratom) nr. 1287/2003 van de Raad van 15 juli 2003 betreffende de harmonisatie van het bruto nationaal inkomen tegen marktprijzen (BNI-verordening) (PB L 181 van 19.7.2003, blz. 1).

(142)  Uitvoeringsbesluit (EU, Euratom) 2018/195 van de Commissie van 8 februari 2018 tot vaststelling van formulieren voor de melding van fraude en onregelmatigheden die van invloed zijn op rechten op traditionele eigen middelen en voor de rapportage over controles betreffende traditionele eigen middelen overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 608/2014 van de Raad (PB L 36 van 9.2.2018, blz. 33).

(143)  Uitvoeringsbesluit (EU, Euratom) 2018/194 van de Commissie van 8 februari 2018 tot vaststelling van modellen voor overzichten van de boekhouding betreffende de rechten op eigen middelen en een formulier voor verslagen over de oninbare bedragen van de rechten op eigen middelen overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014 van de Raad (PB L 36 van 9.2.2018, blz. 20).

(144)  Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).

(145)  Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).

(146)  Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1).

(147)  Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 608).

(148)  Verordening (EU) 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2015 betreffende het Europees Fonds voor strategische investeringen, de Europese investeringsadvieshub en het Europese investeringsprojectenportaal en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1291/2013 en (EU) nr. 1316/2013 - het Europees Fonds voor strategische investeringen (PB L 169 van 1.7.2015, blz. 1).

(149)  Verordening (EU) 2017/1601 van het Europees Parlement en de Raad van 26 september 2017 tot instelling van het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling (EFDO), de EFDO-garantie en het EFDO-garantiefonds (PB L 249 van 27.9.2017, blz. 1).

(150)  Verordening nr. 422/67/EEG, nr. 5/67/Euratom van de Raad van 25 juli 1967 tot vaststelling van de geldelijke regeling voor de Voorzitter en de leden van de Commissie, de President, de rechters en de griffier van, alsmede de advocaten-generaal bij het Hof van Justitie (PB P 187 van 8.8.1967, blz. 1).

(151)  Besluit 2005/684/EG, Euratom van het Europees Parlement van 28 september 2005 houdende aanneming van het Statuut van de leden van het Europees Parlement (PB L 262 van 7.10.2005, blz. 1).

(152)  Verordening (EU) 2016/300 van de Raad van 29 februari 2016 tot vaststelling van de geldelijke regeling voor hoge ambtsdragers van de EU (PB L 58 van 4.3.2016, blz. 1).

(153)  Verordening (EU) nr. 407/2010 van de Raad van 11 mei 2010 houdende instelling van een Europees financieel stabilisatiemechanisme (PB L 118 van 12.5.2010, blz. 1).

(154)  Verordening (EG) nr. 332/2002 van de Raad van 18 februari 2002 houdende instelling van een mechanisme voor financiële ondersteuning op middellange termijn van de betalingsbalansen van de lidstaten (PB L 53 van 23.2.2002, blz. 1).

(155)  Verordening (EG, Euratom) nr. 480/2009 van de Raad van 25 mei 2009 tot instelling van een Garantiefonds (PB L 145 van 10.6.2009, blz. 10).

(156)  Verordening (EG, Euratom) nr. 2728/94 van de Raad van 31 oktober 1994 tot instelling van een Garantiefonds (PB L 293 van 12.11.1994, blz. 1).

(157)  Besluit nr. 466/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot verlening van een EU-garantie voor verliezen van de Europese Investeringsbank op financieringsverrichtingen ter ondersteuning van investeringsprojecten buiten de Unie (PB L 135 van 8.5.2014, blz. 1).

(158)  Besluit nr. 1080/2011/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 tot verlening van een EU-garantie voor verliezen van de Europese Investeringsbank op leningen en leninggaranties voor projecten buiten de Unie en houdende intrekking van Besluit nr. 633/2009/EG (PB L 280 van 27.10.2011, blz. 1).

(159)  Intern Akkoord tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Europese Unie binnen het meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020, overeenkomstig de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst, en betreffende de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn (PB L 210 van 6.8.2013, blz. 1).

(160)  Verordening (EU) 2015/322 van de Raad van 2 maart 2015 inzake de uitvoering van het 11e Europees Ontwikkelingsfonds (PB L 58 van 3.3.2015, blz. 1).

(161)  Verordening (EU) 2015/323 van de Raad van 2 maart 2015 inzake het financieel reglement van toepassing op het 11e Europees Ontwikkelingsfonds (PB L 58 van 3.3.2015, blz. 17).

(162)  PB L 25 van 30.1.1976, blz. 168.

(163)  PB L 347 van 22.12.1980, blz. 210.

(164)  PB L 86 van 31.3.1986, blz. 210.

(165)  PB L 229 van 17.8.1991, blz. 288.

(166)  PB L 156 van 29.5.1998, blz. 108.

(167)  PB L 317 van 15.12.2000, blz. 355.

(168)  PB L 247 van 9.9.2006, blz. 32.

(169)  Besluit van de Commissie van 20 oktober 2015 tot oprichting van een EU-noodtrustfonds voor stabiliteit en de aanpak van de diepere oorzaken van irreguliere migratie en ontheemding in Afrika (C(2015) 7293).

(170)  Besluit van de Commissie van 24 november 2015 inzake een mechanisme voor de coördinatie van het optreden van de Unie en de lidstaten – de Vluchtelingenfaciliteit voor Turkije (PB C 407 van 8.12.2015, blz. 8).

(171)  Besluit (EU) 2016/1353 van de Raad van 4 augustus 2016 betreffende het financieel reglement van het Europees Defensieagentschap en tot intrekking van Besluit 2007/643/GBVB (PB L 219 van 12.8.2016, blz. 98).

(172)  Besluit 2014/75/GBVB van de Raad van 10 februari 2014 betreffende het Instituut voor veiligheidsstudies van de Europese Unie (PB L 41 van 12.2.2014, blz. 13).

(173)  Besluit 2014/401/GBVB van de Raad van 26 juni 2014 betreffende het satellietcentrum van de Europese Unie en tot intrekking van Gemeenschappelijk Optreden 2001/555/GBVB betreffende de oprichting van een satellietcentrum van de Europese Unie (PB L 188 van 27.6.2014, blz. 73).


PROTOCOLLEN


 


PROTOCOL INZAKE IERLAND/NOORD-IERLAND

De Unie en het Verenigd Koninkrijk,

GELET op de historische banden en het duurzame karakter van de bilaterale betrekkingen tussen Ierland en het Verenigd Koninkrijk,

ERAAN HERINNEREND dat de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie een belangrijke en unieke uitdaging voor het eiland Ierland inhoudt en andermaal bevestigend dat de resultaten, voordelen en afspraken in het kader van het vredesproces van het grootste belang zullen blijven voor de vrede, stabiliteit en verzoening aldaar,

ERKENNEND dat het nodig is om voor de unieke omstandigheden op het eiland Ierland een unieke oplossing te vinden, teneinde voor een ordelijke terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie te zorgen,

BEVESTIGEND dat alle onderdelen dienen te worden beschermd van het Goedevrijdag- of Belfastakkoord van 10 april 1998 tussen de regering van het Verenigd Koninkrijk, de regering van Ierland en de andere deelnemers aan de multilaterale onderhandelingen (hierna het “Akkoord van 1998” genoemd), dat aan het Brits-Ierse Akkoord van diezelfde datum is gehecht (hierna het “Brits-Ierse Akkoord” genoemd), met inbegrip van de daarop aansluitende uitvoeringsovereenkomsten en -regelingen,

ERKENNEND dat samenwerking tussen Noord-Ierland en Ierland een centraal onderdeel van het Akkoord van 1998 vormt en cruciaal is voor het bereiken van verzoening en de normalisering van de betrekkingen op het eiland Ierland en herinnerend aan de rol, functies en waarborgen van de Noord-Ierse Executive, de Noord-Ierse Assemblee en de Noord-Zuid-ministerraad (met inbegrip van de gemeenschapsoverschrijdende bepalingen), zoals vermeld in het Akkoord van 1998,

EROP WIJZEND dat het recht van de Unie een ondersteunend kader heeft geboden voor de bepalingen inzake rechten, waarborgen en gelijke kansen van het Akkoord van 1998,

ERKENNEND dat Ierse burgers in Noord-Ierland, krachtens hun burgerschap van de Unie, rechten, kansen en voordelen zullen blijven genieten en uitoefenen, dat zij blijvend toegang zullen hebben tot die rechten, kansen en voordelen en dat dit protocol de rechten, kansen en identiteit dient te eerbiedigen en onverlet dient te laten waarmee het burgerschap van de Unie gepaard gaat voor de bevolking van Noord-Ierland die ervoor kiest zijn recht op het Iers burgerschap uit te oefenen, als gedefinieerd in bijlage 2 bij het Brits-Ierse akkoord met het opschrift “Declaration on the Provisions of Paragraph (vi) of Article 1 in Relation to Citizenship”,

BENADRUKKEND dat er, om de democratische legitimiteit te waarborgen, een proces moet zijn om de democratische instemming van Noord-Ierland met de toepassing van het recht van de Unie in het kader van dit protocol te waarborgen,

HERINNEREND AAN de toezegging van het Verenigd Koninkrijk om de Noord-Zuid-samenwerking te beschermen en aan zijn verzekering een harde grens, met inbegrip van enige fysieke infrastructuur of daarmee samenhangende verificaties en controles, te zullen voorkomen,

EROP WIJZEND dat niets in dit Protocol het Verenigd Koninkrijk belet onbelemmerde markttoegang te garanderen voor goederen die van Noord-Ierland worden vervoerd naar de rest van de interne markt van het Verenigd Koninkrijk,

MET NADRUK op het gemeenschappelijk doel van de Unie en het Verenigd Koninkrijk om controles in de havens en op de luchthavens van Noord-Ierland te voorkomen, voor zover mogelijk in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving en rekening houdend met hun respectieve regelgevingen alsook met de tenuitvoerlegging daarvan,

HERINNEREND AAN de toezeggingen van de Unie en het Verenigd Koninkrijk die zijn opgenomen in het gezamenlijk verslag van 8 december 2017 van de onderhandelaars van de Europese Unie en de regering van het Verenigd Koninkrijk over de vooruitgang tijdens fase 1 van de onderhandelingen op grond van artikel 50 VEU inzake de ordelijke terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie,

ERAAN HERINNEREND dat de Unie en het Verenigd Koninkrijk een inventarisatie hebben uitgevoerd, waaruit blijkt dat Noord‐Zuid-samenwerking in belangrijke mate afhankelijk is van een gemeenschappelijk juridisch en beleidskader van de Unie,

EROP WIJZEND dat de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie derhalve aanzienlijke uitdagingen met zich zal brengen voor de instandhouding en ontwikkeling van de Noord-Zuid-samenwerking,

ERAAN HERINNEREND dat het Verenigd Koninkrijk zich blijft inzetten voor de bescherming en ondersteuning van de verdere Noord-Zuid- en Oost-West-samenwerking binnen elke mogelijke context en elk mogelijk samenwerkingskader op het gebied van politiek, economie, veiligheid, maatschappij en landbouw, met inbegrip van de voortzetting van het functioneren van de Noord-Zuid-uitvoeringsorganen,

ONDERKENNEND dat het noodzakelijk is dit protocol zo uit te voeren dat de noodzakelijke voorwaarden voor de verdere Noord-Zuid-samenwerking in stand blijven, met inbegrip van eventuele nieuwe regelingen in overeenstemming met het Akkoord van 1998,

HERINNEREND aan de toezeggingen van de Unie en het Verenigd Koninkrijk aan de Noord-Zuid-financieringsprogramma's Peace en Interreg in het kader van het huidig meerjarig financieel kader en inzake de handhaving van de huidige financieringsomvang voor het toekomstig programma,

BEVESTIGEND dat het Verenigd Koninkrijk heeft toegezegd de doeltreffende en tijdige doorvoer over zijn grondgebied te faciliteren van goederen die worden vervoerd van Ierland naar een andere lidstaat of naar een derde land, en vice versa,

VASTBESLOTEN dat de toepassing van dit protocol zo min mogelijk gevolgen dient te hebben voor het dagelijks leven van de gemeenschappen in zowel Ierland als Noord-Ierland,

MET NADRUK op hun vaste voornemen dat er geen verificaties of controles op het gebied van douane en regelgeving alsmede daarmee samenhangende fysieke infrastructuur aan de grens tussen Ierland en Noord-Ierland plaatsvinden,

ERAAN HERINNEREND dat Noord-Ierland deel uitmaakt van het douanegebied van het Verenigd Koninkrijk en zal genieten van deelname aan het onafhankelijke handelsbeleid van het Verenigd Koninkrijk,

GEZIEN het belang van het behoud van de integrerende plaats van Noord-Ierland in de interne markt van het Verenigd Koninkrijk,

IN HET BEWUSTZIJN dat de rechten en plichten van Ierland uit hoofde van de regels inzake de interne markt van de Unie en de douane-unie volledig moeten worden geëerbiedigd,

HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT over de volgende bepalingen, die zullen worden gehecht aan het terugtrekkingsakkoord:

Artikel 1

Doelstellingen

1.   Dit protocol doet geen afbreuk aan de bepalingen van het Akkoord van 1998 met betrekking tot de constitutionele status van Noord-Ierland en het beginsel van instemming, dat bepaalt dat iedere wijziging in die status alleen kan plaatsvinden met instemming van de meerderheid van zijn bevolking.

2.   Dit protocol eerbiedigt de essentiële staatsfuncties en de territoriale integriteit van het Verenigd Koninkrijk.

3.   Dit protocol bevat regelingen die noodzakelijk zijn om de unieke omstandigheden op het eiland Ierland recht te doen, om de noodzakelijke voorwaarden voor voortzetting van de Noord-Zuid-samenwerking te handhaven, om een harde grens te vermijden en om het Akkoord van 1998 in al zijn dimensies te beschermen.

Artikel 2

Rechten van natuurlijke personen

1.   Het Verenigd Koninkrijk zorgt ervoor dat zijn terugtrekking uit de Unie niet leidt tot verslechtering van rechten, waarborgen of gelijke kansen als vermeld in het deel van het Akkoord van 1998 met het opschrift “Rights, Safeguards and Equality of Opportunity results”, ook niet op het gebied van de bescherming tegen discriminatie als neergelegd in de in bijlage 1 bij dit protocol vermelde bepalingen van het recht van de Unie, en geeft door middel van specifieke mechanismen uitvoering aan dit lid.

2.   Het Verenigd Koninkrijk blijft de desbetreffende werkzaamheden op het gebied van de eerbiediging van mensenrechten en normen inzake gelijkheid bevorderen van de uit hoofde van het Akkoord van 1998 opgerichte instellingen en instanties, met inbegrip van de Northern Ireland Human Rights Commission, de Equality Commission for Northern Ireland en het Joint Committee of representatives of the Human Rights Commissions of Northern Ireland and Ireland.

Artikel 3

Gemeenschappelijk reisgebied

1.   Het Verenigd Koninkrijk en Ierland kunnen onderling regelingen blijven sluiten inzake het verkeer van personen tussen hun grondgebieden (het “gemeenschappelijk reisgebied”), met volledige eerbiediging van de door het recht van de Unie verleende rechten van natuurlijke personen.

2.   Het Verenigd Koninkrijk waarborgt dat het gemeenschappelijk reisgebied en de daarmee samenhangende rechten en privileges van toepassing kunnen blijven zonder afbreuk te doen aan de verplichtingen van Ierland uit hoofde van het recht van de Unie, met name ten aanzien van het vrij verkeer naar, vanuit en binnen Ierland, van burgers van de Unie en hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit.

Artikel 4

Douanegebied van het Verenigd Koninkrijk

Noord-Ierland maakt deel uit van het douanegebied van het Verenigd Koninkrijk.

Dienovereenkomstig weerhoudt niets in dit protocol het Verenigd Koninkrijk ervan Noord-Ierland op te nemen in de territoriale werkingssfeer van welke overeenkomst dan ook die het Verenigd Koninkrijk sluit met derde landen, op voorwaarde dat dergelijke overeenkomsten geen afbreuk doen aan de toepassing van dit protocol.

In het bijzonder weerhoudt niets in dit protocol het Verenigd Koninkrijk ervan met een derde land overeenkomsten te sluiten die in Noord-Ierland geproduceerde goederen preferentiële toegang verlenen tot de markt van dat land onder dezelfde voorwaarden als in andere delen van het Verenigd Koninkrijk geproduceerde goederen.

Niets in dit protocol weerhoudt het Verenigd Koninkrijk ervan Noord-Ierland op te nemen in de territoriale werkingssfeer van zijn aan de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel van 1994 gehechte lijsten van concessies.

Artikel 5

Douane, verkeer van goederen

1.   Er worden geen douanerechten betaald voor goederen die in Noord-Ierland worden binnengebracht uit een ander deel van het Verenigd Koninkrijk via rechtstreeks vervoer, onverminderd lid 3, tenzij het risico bestaat dat die goederen vervolgens naar de Unie worden gebracht, hetzij op zichzelf, hetzij als onderdeel van andere goederen na bewerking.

De douanerechten ten aanzien van goederen die via rechtstreeks vervoer naar Noord-Ierland worden gebracht, behalve uit de Unie of uit een ander deel van het Verenigd Koninkrijk, zijn de in het Verenigd Koninkrijk toepasselijke rechten, onverminderd lid 3, tenzij het risico bestaat dat die goederen vervolgens naar de Unie worden gebracht, hetzij op zichzelf, hetzij als onderdeel van andere goederen na bewerking.

Voor persoonlijke goederen, als gedefinieerd in artikel 2, lid 1, onder c), van Verordening (EG) 1186/2009 van de Raad (1), die ingezetenen van het Verenigd Koninkrijk naar Noord-Ierland of een ander deel van het Verenigd Koninkrijk brengen, betalen zij geen rechten, aangezien zij daarvan zijn vrijgesteld.

2.   Voor de toepassing van lid 1, eerste en tweede alinea, wordt ervan uitgegaan dat voor goederen die van buiten de Unie naar Noord-Ierland worden gebracht het risico bestaat dat deze vervolgens naar de Unie worden gebracht, tenzij wordt vastgesteld dat deze goederen:

a)

in Noord-Ierland niet aan commerciële bewerking worden onderworpen; en

b)

voldoen aan de door het Gemengd Comité overeenkomstig de vierde alinea van dit lid vastgestelde criteria.

Voor de toepassing van dit lid betekent “bewerken” wijziging van goederen, omzetting van goederen op welke wijze dan ook, of het onderwerpen van goederen aan andere acties dan die welke dienen voor het behouden van de goede staat ervan of voor het toevoegen of aanbrengen van markeringen, etiketten, zegels of andere documentatie teneinde de naleving van specifieke vereisten te waarborgen.

Voor het einde van de overgangsperiode stelt het Gemengd Comité bij besluit vast onder welke voorwaarden bewerking wordt geacht niet onder punt a) van de eerste alinea te vallen, in het bijzonder rekening houdend met de aard, de omvang en het resultaat van de bewerking.

Voor het einde van de overgangsperiode stelt het Gemengd Comité bij besluit de criteria vast op basis waarvan ervan wordt uitgegaan dat er voor goederen die van buiten de Unie naar Noord-Ierland worden gebracht geen risico bestaat dat deze vervolgens naar de Unie worden gebracht. Het Gemengd Comité houdt daarbij onder meer rekening met:

(a)

de eindbestemming en het gebruik van de goederen;

(b)

de aard en de waarde van de goederen;

(c)

de aard van het verkeer van de goederen; en

(d)

de prikkel voor niet-opgegeven verdergaand verkeer naar de Unie, met name prikkels die het resultaat zijn van overeenkomstig lid 1 te betalen rechten.

Het Gemengd Comité kan zijn overeenkomstig dit lid vastgestelde besluiten te allen tijde wijzigen.

Bij elk besluit dat het Gemengd Comité overeenkomstig dit lid vaststelt, houdt het rekening met de specifieke omstandigheden in Noord-Ierland.

3.   De wetgeving als gedefinieerd in artikel 5, punt 2), van Verordening (EU) nr. 952/2013 is van toepassing op en in het Verenigd met betrekking tot Noord-Ierland (exclusief de territoriale wateren van het Verenigd Koninkrijk). Het Gemengd Comité stelt echter, onder meer in kwantitatieve termen, de voorwaarden vast waaronder bepaalde visserij- en aquacultuurproducten, als vastgesteld in bijlage I bij Verordening (EU) 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad (2), die het douanegebied van de Unie als gedefinieerd in artikel 4 van Verordening (EU) nr. 952/2013 zijn binnengebracht door vaartuigen die onder de vlag van het Verenigd Koninkrijk varen en in een haven van Noord-Ierland zijn geregistreerd, van invoerrechten zijn vrijgesteld.

4.   De in bijlage 2 bij dit protocol vermelde bepalingen van het recht van de Unie zijn, onder de in die bijlage vermelde voorwaarden, ook van toepassing op en in het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland.

5.   De artikelen 30 en 110 VWEU zijn op en in het Verenigd Koninkrijk van toepassing met betrekking tot Noord-Ierland. Tussen de Unie en Noord-Ierland zijn kwantitatieve beperkingen op uit- en invoer verboden.

6.   Door het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig lid 3 geheven douanerechten worden niet aan de Unie overgemaakt.

Onverminderd artikel 10 kan het Verenigd Koninkrijk in het bijzonder:

(a)

overeenkomstig het recht van de Unie geheven rechten in toepassing van lid 3 ten aanzien van naar Noord-Ierland gebrachte goederen terugbetalen;

(b)

voorzien in omstandigheden waarin vrijstelling voor een ontstane douaneschuld wordt verleend ten aanzien van naar Noord-Ierland gebracht goederen;

(c)

voorzien in omstandigheden waarin douanerechten moeten worden terugbetaald ten aanzien van goederen waarvan kan worden aangetoond dat deze niet de Unie zijn binnengekomen; en

(d)

ondernemingen compenseren om de gevolgen van de toepassing van lid 3 op te vangen.

Bij het vaststellen van besluiten overeenkomstig artikel 10 houdt de Europese Commissie in voorkomend geval rekening met de omstandigheden in Noord-Ierland.

7.   Er hoeven geen rechten te worden betaald voor zendingen met een te verwaarlozen waarde, voor zendingen van het ene individu naar het andere of voor goederen in de persoonlijke bagage van reizigers, onder de omstandigheden die zijn vastgesteld in de in lid 3 genoemde wetgeving.

Artikel 6

Bescherming van de interne markt van het Verenigd Koninkrijk

1.   Niets in dit protocol belet het Verenigd Koninkrijk de onbelemmerde markttoegang te waarborgen voor goederen die van Noord-Ierland worden vervoerd naar andere delen van de interne markt van het Verenigd Koninkrijk. Bepalingen van het recht van de Unie die krachtens dit protocol van toepassing zijn geworden en die de uitvoer van goederen verbieden of beperken, worden op de handel tussen Noord-Ierland en andere delen van het Verenigd Koninkrijk alleen toegepast voor zover dat door een internationale verplichting van de Unie strikt wordt vereist. Het Verenigd Koninkrijk waarborgt dat internationale voorschriften en verplichtingen die relevant zijn voor de verboden en beperkingen inzake de uitvoer van goederen van de Unie naar derde landen, als vermeld in het recht van de Unie, volledig in acht worden genomen.

2.   Gelet op het feit dat Noord-Ierland integrerend deel uitmaakt van de interne markt van het Verenigd Koninkrijk, stellen de Unie en het Verenigd Koninkrijk alles in het werk om de handel tussen Noord-Ierland en andere delen van het Verenigd Koninkrijk te faciliteren, in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving en met inachtneming van hun respectieve regelgeving alsook de uitvoering daarvan. Het Gemengd Comité houdt voortdurend toezicht op de toepassing van dit lid en stelt passende aanbevelingen vast teneinde controles in de havens en op de luchthavens van Noord-Ierland voor zover mogelijk te vermijden.

3.   Niets in dit protocol belet dat een product van oorsprong uit Noord-Ierland wordt aangeboden als van oorsprong uit het Verenigd Koninkrijk wanneer het in Groot-Brittannië in de handel wordt gebracht.

4.   Niets in dit protocol doet afbreuk aan het recht van het Verenigd Koninkrijk dat het in de handel brengen in andere delen van het Verenigd Koninkrijk regelt van goederen uit Noord-Ierland die voldoen aan of profijt hebben van technische voorschriften, beoordelingen, registraties, certificaten, goedkeuringen of vergunningen waarop de in bijlage 5 bij dit protocol bedoelde bepalingen van het recht van de Unie van toepassing zijn.

Artikel 7

Technische voorschriften, beoordelingen, registraties, certificaten, goedkeuringen en vergunningen

1.   Onverminderd de bepalingen van het recht van de Unie waarnaar in bijlage 2 bij dit protocol wordt verwezen, wordt de rechtmatigheid van het in de handel brengen van goederen op de markt in Noord-Ierland beheerst door het recht van het Verenigd Koninkrijk, alsook, waar het uit de Unie ingevoerde goederen betreft, door de artikelen 34 en 36 VWEU.

2.   Wanneer bepalingen van het recht van de Unie die krachtens dit protocol van toepassing zijn geworden, voorzien in de vermelding, onder meer in afgekorte vorm, van een lidstaat op een merkteken, etiket, label of anderszins, zal het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland worden aangeduid als “UK(NI)” of “United Kingdom (Northern Ireland)”. Wanneer bepalingen van het recht van de Unie die krachtens dit protocol van toepassing zijn geworden, voorzien in een vermelding in de vorm van een numerieke code, wordt het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland aangeduid met een te onderscheiden numerieke code.

3.   In afwijking van artikel 13, lid 1, van dit protocol en van artikel 7 van het terugtrekkingsakkoord worden met betrekking tot de erkenning in een lidstaat van door de autoriteiten van een andere lidstaat of door een in een andere lidstaat gevestigde instantie afgegeven of uitgevoerde technische voorschriften, beoordelingen, registraties, certificaten, goedkeuringen en vergunningen, verwijzingen naar lidstaten in bepalingen van het recht van de Unie die krachtens dit protocol van toepassing zijn geworden niet zodanig gelezen dat ten aanzien van door de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk of door een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde instantie afgegeven of uitgevoerde technische voorschriften, beoordelingen, registraties, certificaten, goedkeuringen en vergunningen, het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland daaronder valt.

De eerste alinea is niet van toepassing op registraties, certificaten, goedkeuringen en vergunningen inzake sites, installaties of terreinen in Noord-Ierland die zijn afgegeven of uitgevoerd door de bevoegde autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk, wanneer de registratie, het certificaat, de goedkeuring of de vergunning een inspectie van de sites, installaties of terreinen kan vereisen.

De eerste alinea is niet van toepassing op veterinaire certificaten of officiële etiketten voor teeltmateriaal die op grond van de krachtens dit protocol toepasselijke bepalingen van het recht van de Unie zijn vereist.

De eerste alinea doet geen afbreuk aan de geldigheid in Noord-Ierland van beoordelingen, registraties, certificaten, goedkeuringen en vergunningen die op grond van de bepalingen van het recht van de Unie die krachtens dit protocol toepasselijk zijn geworden, zijn afgegeven of uitgevoerd door de bevoegde autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk of door in het Verenigd Koninkrijk gevestigde instanties. Alle conformiteitsmarkeringen en logo's of soortgelijke identificaties die op grond van de bepalingen van het recht van de Unie die krachtens dit protocol van toepassing zijn geworden, zijn vereist en door marktdeelnemers zijn aangebracht op basis van een door bevoegde autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk of door in het Verenigd Koninkrijk gevestigde instanties afgegeven beoordeling, registratie, certificaat, goedkeuring of vergunning, gaan vergezeld van de vermelding “UK(NI)”.

Het Verenigd Koninkrijk mag met betrekking tot Noord-Ierland geen bezwaar-, vrijwarings- of arbitrageprocedure inleiden waarin bepalingen van het recht van de Unie die krachtens dit protocol van toepassing zijn geworden, voorzien, voor zover die procedures betrekking hebben op de technische voorschriften, normen, beoordelingen, registraties, certificaten, goedkeuringen en vergunningen die zijn afgegeven of uitgevoerd door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten of in lidstaten gevestigde instanties.

De eerste alinea vormt geen beletsel voor het testen en vrijgeven door een gekwalificeerd persoon in Noord-Ierland van een fabricagepartij van een geneesmiddel dat in Noord-Ierland is ingevoerd of vervaardigd.

Artikel 8

Btw en accijnzen

De in bijlage 3 van dit protocol vermelde bepalingen van het recht van de Unie betreffende goederen zijn op en in het Verenigd Koninkrijk van toepassing met betrekking tot Noord-Ierland.

Ten aanzien van Noord-Ierland zijn de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk verantwoordelijk voor de toepassing en de uitvoering van de bepalingen van bijlage 3 bij dit protocol, met inbegrip van de inning van de btw en accijnsrechten. Onder de in die bepalingen vastgestelde voorwaarden worden ontvangsten uit in Noord-Ierland belastbare transacties niet aan de Unie overgemaakt.

In afwijking van de eerste alinea kan het Verenigd Koninkrijk op in Noord-Ierland belastbare leveringen van goederen btw-vrijstellingen en verlaagde tarieven toepassen die in Ierland van toepassing zijn in overeenstemming met de bepalingen van bijlage 3 bij dit protocol.

Het Gemengd Comité bespreekt regelmatig de uitvoering van dit artikel, onder meer met betrekking tot de verlagingen en vrijstellingen die zijn opgenomen in de in de eerste alinea bedoelde bepalingen en neemt, in voorkomend geval en naargelang de noodzaak ervan, maatregelen voor de juiste toepassing ervan.

Het Gemengd Comité kan de toepassing van dit artikel evalueren, rekening houdend met de integrerende plaats van Noord-Ierland in de interne markt van het Verenigd Koninkrijk, en in voorkomend gevallen passende maatregelen vaststellen.

Artikel 9

Interne markt voor elektriciteit

De in bijlage 4 bij dit protocol vermelde bepalingen van het recht van de Unie die van toepassing zijn op de groothandelsmarkten voor elektriciteit, zijn onder de in die bijlage vermelde voorwaarden, van toepassing op en in het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland.

Artikel 10

Staatssteun

1.   De in bijlage 5 bij dit protocol vermelde bepalingen van het recht van de Unie zijn op het Verenigd Koninkrijk van toepassing, onder meer waar het gaat om maatregelen ter ondersteuning van de productie van en handel in landbouwproducten in Noord-Ierland, ten aanzien van maatregelen die van invloed zijn op de handel tussen Noord-Ierland en de Unie waarop dit protocol van toepassing is.

2.   In afwijking van lid 1 zijn de in dat lid bedoelde bepalingen van het recht van de Unie niet van toepassing op door de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk genomen maatregelen ter ondersteuning van de productie van en handel in landbouwproducten in Noord-Ierland tot aan een bepaald maximaal totaal jaarlijks niveau van steun, mits een bepaald minimumpercentage van die vrijgestelde steun voldoet aan de bepalingen van bijlage 2 bij de landbouwovereenkomst van de WTO. Op de vaststelling van het maximaal totaal jaarlijks niveau van de vrijgestelde steun en van het minimumpercentage zijn de in bijlage 6 vermelde procedures van toepassing.

3.   Wanneer de Europese Commissie informatie onderzoekt over een maatregel van de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk die onrechtmatige steun kan vormen waarop lid 1 van toepassing is, zorgt zij ervoor dat het Verenigd Koninkrijk volledig en regelmatig op de hoogte wordt gehouden van de vooruitgang en de resultaten van het onderzoek van die maatregel.

Artikel 11

Andere gebieden van Noord-Zuid-samenwerking

1.   Dit protocol wordt conform de in de artikelen 5 tot en met 10 vastgestelde regelingen en met volledige inachtneming van het recht van de Unie, zodanig uitgevoerd en toegepast dat de nodige voorwaarden worden gehandhaafd voor voortzetting van de Noord-Zuid-samenwerking, onder meer op het gebied van milieu, volksgezondheid, landbouw, vervoer, onderwijs en toerisme, alsook op het gebied van energie, telecommunicatie, omroep, binnenvisserij, justitie en veiligheid, hoger onderwijs en sport.

Met volledige inachtneming van het recht van de Unie kunnen het Verenigd Koninkrijk en Ierland nieuwe regelingen blijven sluiten die voortbouwen op de bepalingen van het Akkoord van 1998 op andere gebieden van Noord-Zuid-samenwerking op het eiland Ierland.

2.   Het Gemengd Comité houdt voortdurend toezicht op de mate waarin bij de uitvoering en de toepassing van dit protocol de nodige voorwaarden voor Noord-Zuid-samenwerking worden gehandhaafd. Het Gemengd Comité kan, onder meer op aanbeveling van het gespecialiseerd comité, aan de Unie en het Verenigd Koninkrijk op dit punt passende aanbevelingen doen.

Artikel 12

Uitvoering, toepassing, toezicht en handhaving

1.   Onverminderd lid 4 zijn de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk verantwoordelijk voor de uitvoering en toepassing van de bepalingen van het recht van de Unie die krachtens dit protocol op en in het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland van toepassing zijn geworden.

2.   Onverminderd lid 4 van dit artikel hebben vertegenwoordigers van de Unie het recht aanwezig te zijn tijdens alle activiteiten van de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot de uitvoering en toepassing van bepalingen van het recht van de Unie die krachtens dit protocol van toepassing zijn geworden, alsmede tijdens activiteiten in verband met de uitvoering en toepassing van artikel 5, en verstrekt het Verenigd Koninkrijk, op verzoek, alle relevante informatie met betrekking tot dergelijke activiteiten. Het Verenigd Koninkrijk faciliteert dergelijke aanwezigheid van vertegenwoordigers van de Unie en verstrekt hen de gevraagde informatie. Wanneer de vertegenwoordiger van de Unie de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk, op naar behoren gemotiveerde gronden, verzoekt om in individuele gevallen controlemaatregelen uit te voeren, voeren de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk deze controlemaatregelen uit.

De Unie en het Verenigd Koninkrijk wisselen elke maand informatie uit over de toepassing van artikel 5, leden 1 en 2.

3.   De praktische werkafspraken inzake de uitoefening van de in lid 2 bedoelde rechten van vertegenwoordigers van de Unie worden, op voorstel van het gespecialiseerd comité, vastgesteld door het Gemengd Comité.

4.   Met betrekking tot lid 2, tweede alinea, van dit artikel, artikel 5 en de artikelen 7 tot en met 10 hebben de instellingen, organen en instanties van de Unie met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk en natuurlijke en rechtspersonen die op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk verblijven of gevestigd zijn, de bevoegdheden die hen door het recht van de Unie zijn verleend. In het bijzonder is het Hof van Justitie van de Europese Unie in dit opzicht bevoegd zoals voorzien in de Verdragen. Artikel 267, tweede en derde alinea, VWEU is in dit opzicht van toepassing op en in het Verenigd Koninkrijk.

5.   In overeenstemming met lid 4 vastgestelde handelingen van de instellingen, organen en instanties van de Unie hebben ten aanzien van en in het Verenigd Koninkrijk dezelfde rechtsgevolgen als in de Unie en haar lidstaten.

6.   Bij het vertegenwoordigen of bijstaan van een partij bij de administratieve procedures die voortvloeien uit de uitoefening van de bevoegdheden van de instellingen, organen en instanties van de Unie als bedoeld in lid 4, worden de advocaten die bevoegd zijn om op te treden voor de rechterlijke instanties van het Verenigd Koninkrijk in elk opzicht behandeld als advocaten die bevoegd zijn om op te treden voor de rechterlijke instanties van de lidstaten en een partij bij dergelijke administratieve procedures vertegenwoordigen of bijstaan.

7.   In krachtens lid 4 bij het Hof van Justitie van de Europese Unie aanhangig gemaakte zaken:

a)

kan het Verenigd Koninkrijk op dezelfde wijze als een lidstaat deelnemen aan de procedures bij het Hof van Justitie van de Europese Unie;

b)

kunnen advocaten die bevoegd zijn om op te treden voor de rechterlijke instanties van het Verenigd Koninkrijk een partij bij het Hof van Justitie van de Europese Unie vertegenwoordigen of bijstaan en worden zij in elk opzicht behandeld als advocaten die bevoegd zijn om op te treden voor de rechterlijke instanties van de lidstaten en een partij voor het Hof van Justitie van de Europese Unie vertegenwoordigen of bijstaan.

Artikel 13

Algemene bepalingen

1.   Voor de toepassing van dit protocol wordt elke verwijzing naar het Verenigd Koninkrijk in de toepasselijke bepalingen van het terugtrekkingsakkoord gelezen als een verwijzing naar het Verenigd Koninkrijk of naar het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland, al naargelang het geval.

In afwijking van andere bepalingen van dit protocol wordt elke verwijzing naar het in artikel 4 van Verordening (EU) nr. 952/2013 gedefinieerde grondgebied in de toepasselijke bepalingen van het terugtrekkingsakkoord en van dit protocol, alsook in de bepalingen van het recht van de Unie die krachtens dit protocol op en in het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland van toepassing zijn geworden, zodanig gelezen dat het deel van het grondgebied van de Verenigd Koninkrijk waarop krachtens artikel 5, lid 3, van dit protocol Verordening (EU) nr. 952/2013 van toepassing is, daaronder valt.

De titels I en III van deel drie, en deel zes van het terugtrekkingsakkoord zijn van toepassing onverminderd de bepalingen van dit protocol.

2.   In afwijking van artikel 4, leden 4 en 5, van het terugtrekkingsakkoord worden de bepalingen van dit protocol die verwijzen naar het recht van de Unie of naar begrippen of bepalingen daarvan, wat de tenuitvoerlegging en de toepassing ervan betreft, uitgelegd overeenkomstig de relevante rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

3.   In afwijking van artikel 6, lid 1, van het terugtrekkingsakkoord en wanneer niet anders is bepaald, wordt, waar in dit protocol wordt verwezen naar een handeling van de Unie, die verwijzing gelezen als een verwijzing naar die handeling van de Unie zoals deze is gewijzigd of vervangen.

4.   Wanneer de Unie een nieuwe handeling vaststelt die binnen de werkingssfeer van dit protocol valt, maar die geen handeling van de Unie wijzigt of vervangt die in de bijlagen bij dit protocol is vermeld, stelt de Unie het Verenigd Koninkrijk van de vaststelling van die handeling in kennis in het Gemengd Comité. Op verzoek van de Unie of het Verenigd Koninkrijk houdt het Gemengd Comité binnen 6 weken na het verzoek een gedachtewisseling over de gevolgen van de vastgestelde nieuwe handeling voor de goede werking van dit protocol.

Zo snel als redelijkerwijs haalbaar nadat de Unie het Verenigd Koninkrijk in het Gemengd Comité in kennis heeft gesteld:

a)

stelt het Gemengd Comité een besluit vast waarbij de vastgestelde nieuwe handeling aan de desbetreffende bijlage bij dit protocol wordt toegevoegd; of

b)

onderzoekt het, wanneer geen overeenstemming over de toevoeging van de vastgestelde nieuwe handeling aan de desbetreffende bijlage bij dit protocol kan worden bereikt, alle overige mogelijkheden om de goede werking van dit protocol in stand te houden en neemt het elk daartoe noodzakelijk besluit.

Wanneer het Gemengd comité niet binnen redelijke tijd een besluit als bedoeld in de tweede alinea heeft genomen, heeft de Unie het recht om, na kennisgeving aan het Verenigd Koninkrijk, passende corrigerende maatregelen te nemen. Dergelijke maatregelen worden op zijn vroegst 6 maanden nadat de Unie het Verenigd Koninkrijk in overeenstemming met de eerste alinea in kennis heeft gesteld van kracht, maar in geen geval worden dergelijke maatregelen eerder van kracht dan de datum waarop de vastgestelde nieuwe handeling in de Unie ten uitvoer is gelegd.

5.   In afwijking van lid 1 van dit artikel en van artikel 7 van het terugtrekkingsakkoord is, tenzij de Unie van mening is dat volledige of gedeeltelijke toegang door het Verenigd Koninkrijk of, naargelang het geval, het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland, strikt noodzakelijk is om het Verenigd Koninkrijk in staat stellen te voldoen aan zijn verplichtingen uit hoofde van dit protocol, onder meer indien dergelijke toegang noodzakelijk is omdat toegang tot de relevante informatie niet door de in artikel 17 van dit protocol bedoelde werkgroep of op een andere praktische wijze kan worden gefaciliteerd, worden met betrekking tot de toegang tot netwerken, informatiesystemen of databanken die op grond van het recht van de Unie zijn opgericht, verwijzingen naar lidstaten en bevoegde autoriteiten van lidstaten in bepalingen van het recht van de Unie die krachtens dit protocol van toepassing zijn geworden, zo gelezen dat deze geen betrekking hebben op het Verenigd Koninkrijk of het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland, al naargelang het geval.

6.   Autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk treden niet op als leidende autoriteit voor procedures inzake risicobeoordelingen, onderzoeken, goedkeuringen of vergunningen waarin het recht van de Unie dat door dit protocol van kracht is geworden, voorziet.

7.   De artikelen 346 en 347 VWEU zijn van toepassing op dit protocol ten aanzien van maatregelen die een lidstaat of het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland heeft genomen.

8.   Elk akkoord van latere datum tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk vermeldt welke delen van dit protocol het vervangt. Wanneer er na de inwerkingtreding van het terugtrekkingsakkoord eenmaal een akkoord van latere datum tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk van toepassing wordt, dan is dit protocol, met ingang van de datum van toepassing van dat akkoord van latere datum en in overeenstemming met de bepalingen ervan waarbij de gevolgen van dat akkoord voor dit protocol worden vastgesteld, geheel of gedeeltelijk, niet of niet langer van toepassing, al naargelang het geval.

Artikel 14

Gespecialiseerd comité

Het bij artikel 165 van het terugtrekkingsakkoord opgerichte Comité voor vraagstukken betreffende de uitvoering van het protocol inzake Ierland/Noord-Ierland (hierna het “gespecialiseerd comité” genoemd):

a)

faciliteert de tenuitvoerlegging en de toepassing van dit protocol;

b)

onderzoekt voorstellen betreffende de uitvoering en toepassing van dit protocol van de uit hoofde van het Akkoord van 1998 opgerichte Noord-Zuid-ministerraad en Noord-Zuid-uitvoeringsorganen;

c)

overweegt elke aangelegenheid die voor artikel 2 van dit protocol van belang is en onder zijn aandacht is gebracht door de Northern Ireland Human Rights Commission, de Equality Commission for Northern Ireland, en het Joint Committee of representatives of the Human Rights Commissions of Northern Ireland and Ireland;

d)

bespreekt de door de Unie of het Verenigd Koninkrijk aan de orde gestelde punten die van belang zijn voor dit protocol en tot een probleem leiden; en

e)

doet aanbevelingen inzake de werking van dit protocol aan het Gemengd Comité.

Artikel 15

Gemengde raadgevende werkgroep

1.   Er wordt een gemengde raadgevende werkgroep inzake de uitvoering van dit protocol (hierna “de werkgroep” genoemd) ingesteld. Zij dient als forum voor de uitwisseling van informatie en onderlinge raadpleging.

2.   De werkgroep is samengesteld uit vertegenwoordigers van de Unie en het Verenigd Koninkrijk en voert haar taken uit onder toezicht van het gespecialiseerd comité, waaraan zij verslag uitbrengt. De werkgroep is niet bevoegd om andere bindende besluiten dan het in lid 6 bedoelde besluit tot vaststelling van zijn eigen reglement van orde te nemen.

3.   Binnen de werkgroep:

a)

wisselen de Unie en het Verenigd Koninkrijk tijdig informatie uit over geplande, lopende en vastgestelde relevante uitvoeringsmaatregelen met betrekking tot de in de bijlagen bij dit protocol vermelde handelingen van de Unie;

b)

informeert de Unie het Verenigd Koninkrijk over geplande handelingen van de Unie die binnen de werkingssfeer van dit protocol vallen, waaronder handelingen van de Unie die de in de bijlagen bij dit protocol vermelde handelingen van de Unie wijzigingen of vervangen;

c)

verstrekt de Unie het Verenigd Koninkrijk alle informatie die de Unie relevant acht om het Verenigd Koninkrijk in staat te stellen volledig aan zijn verplichtingen uit hoofde van het protocol te voldoen; en

d)

verstrekt het Verenigd Koninkrijk de Unie alle informatie die lidstaten elkaar of de instellingen, organen en instanties van de Unie moeten verstrekken ingevolge de in de bijlagen bij dit protocol vermelde handelingen.

4.   De werkgroep wordt gezamenlijk voorgezeten door de Unie en het Verenigd Koninkrijk.

5.   De werkgroep komt ten minste een keer per maand bijeen, tenzij door de Unie en het Verenigd Koninkrijk met wederzijdse instemming anders wordt besloten. Indien nodig kunnen de Unie en het Verenigd Koninkrijk de in lid 3, onder c) en d), bedoelde informatie in de periode tussen bijeenkomsten uitwisselen.

6.   De werkgroep stelt met wederzijdse instemming haar eigen reglement van orde vast.

7.   De Unie ziet erop toe dat alle door het Verenigd Koninkrijk in de werkgroep naar voren gebrachte standpunten en alle door het Verenigd Koninkrijk verstrekte informatie, met inbegrip van technische en wetenschappelijke gegevens, onverwijld aan de relevante instellingen, organen en instanties van de Unie ter kennis wordt gebracht.

Artikel 16

Vrijwaring

1.   Wanneer de toepassing van dit protocol leidt tot ernstige economische, maatschappelijke of milieuproblemen die mogelijk aanhouden, of tot verlegging van het handelsverkeer, kan de Unie of het Verenigd Koninkrijk unilateraal passende vrijwaringsmaatregelen nemen. Dergelijke vrijwaringsmaatregelen zijn wat hun draagwijdte en duur betreft, beperkt tot hetgeen strikt noodzakelijk is om de situatie te verhelpen. Maatregelen die de werking van dit protocol het minst verstoren, krijgen voorrang.

2.   Wanneer een door de Unie of het Verenigd Koninkrijk, al naargelang het geval, in overeenstemming met lid 1 genomen vrijwaringsmaatregel het evenwicht tussen de rechten en plichten uit hoofde van dit protocol verstoort, kan de Unie of het Verenigd Koninkrijk, al naargelang het geval, de evenredige maatregelen nemen die strikt noodzakelijk zijn om het evenwicht te herstellen. Maatregelen die de werking van dit protocol het minst verstoren, krijgen voorrang.

3.   Op in overeenstemming met de leden 1 en 2 genomen vrijwaringsmaatregelen en maatregelen om het evenwicht te herstellen, zijn de in bijlage 7 bij dit protocol vermelde procedures van toepassing.

Artikel 17

Bescherming van financiële belangen

De Unie en het Verenigd Koninkrijk bestrijden fraude en alle andere onwettige activiteiten die de financiële belangen van de Unie of de financiële belangen van het Verenigd Koninkrijk schaden.

Artikel 18

Democratische instemming in Noord-Ierland

1.   Binnen 2 maanden voorafgaand aan het einde van zowel de initiële periode als elke daaropvolgende periode biedt het Verenigd Koninkrijk de mogelijkheid voor democratische instemming in Noord-Ierland met de voortgezette toepassing van de artikelen 5 tot en met 10.

2.   Voor de toepassing van lid 1 vraagt het Verenigd Koninkrijk om democratische instemming in Noord-Ierland op een wijze die in overeenstemming is met het Akkoord van 1998. Een besluit dat blijk geeft van democratische instemming wordt volledig in overeenstemming met de op 17 oktober 2019 door het Verenigd Koninkrijk afgelegde unilaterale verklaring betreffende de werking van de bepaling over “Democratische instemming in Noord-Ierland” van het protocol inzake Ierland/Noord-Ierland tot stand gebracht, onder meer met betrekking tot de rollen die de Noord-Ierse Executive en de Noord-Ierse Assemblee spelen.

3.   Het Verenigd Koninkrijk stelt de Unie voor het einde van de in lid 5 bedoelde relevante periode in kennis van de uitkomst van het in lid 1 bedoelde proces.

4.   Wanneer het in lid 1 bedoelde proces is ondernomen en er een besluit in overeenstemming met lid 2 tot stand is gebracht, en het Verenigd Koninkrijk de Unie ervan in kennis stelt dat de uitkomst van het in lid 1 bedoelde proces niet een besluit is dat de in dat lid genoemde artikelen van dit protocol van toepassing moeten blijven in Noord-Ierland, dan zijn die artikelen en andere bepalingen van dit protocol, voor zover die bepalingen voor de toepassing ervan afhankelijk zijn van die artikelen, 2 jaar na het einde van de in lid 5 bedoelde relevante periode niet meer van toepassing. In een dergelijk geval doet het Gemengd Comité aanbevelingen over de nodige maatregelen aan de Unie en aan het Verenigd Koninkrijk, rekening houdend met de verplichtingen van de partijen bij het Akkoord van 1998. Voorafgaand daaraan kan het Gemengd Comité advies inwinnen bij instellingen die bij het Akkoord van 1998 zijn ingesteld.

5.   Voor de toepassing van dit artikel is de initiële periode de periode die 4 jaar na het einde van de overgangsperiode afloopt. Wanneer het besluit in een gegeven periode tot stand is gekomen op basis van een meerderheid van de aanwezige en aan de stemming deelnemende leden van de Noord-Ierse Assemblee, is de daaropvolgende periode de periode van 4 jaar die daarna volgt, zo lang de artikelen 5 tot en met 10 van toepassing blijven. Wanneer er voor het in een gegeven periode tot stand gebrachte besluit gemeenschapsoverschrijdende steun was, is de daaropvolgende periode de periode van 8 jaar die daarna volgt, zo lang de artikelen 5 tot en met 10 van toepassing blijven.

6.   Voor de toepassing van lid 5 wordt onder “gemeenschapsoverschrijdende steun” verstaan:

a)

een meerderheid van de aanwezige en aan de stemming deelnemende leden van de wetgevende vergadering, met inbegrip van een meerderheid van de aanwezige en aan de stemming deelnemende unionistische en nationalistische groeperingen; of

b)

een gewogen meerderheid (60 %) van de aanwezige en aan de stemming deelnemende leden van de wetgevende vergadering, met inbegrip van ten minste 40 % van elke aanwezige en aan de stemming deelnemende nationalistische en unionistische groepering.

Artikel 19

Bijlagen

De bijlagen 1 tot en met 7 maken integrerend deel uit van dit protocol.


(1)  Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad van 16 november 2009 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen (PB L 324 van 10.12.2009, blz. 23).

(2)  Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr- 1184/2006 en (EG) nr. 1224/2009 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 1).


BIJLAGE 1

BEPALINGEN VAN HET RECHT VAN DE UNIE ALS BEDOELD IN ARTIKEL 2, LID 1

Richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten (1)

Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (2)

Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming (3)

Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (4)

Richtlijn 2010/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2010 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen en tot intrekking van Richtlijn 86/613/EEG van de Raad (5)

Richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (6)


(1)  PB L 373 van 21.12.2004, blz. 37.

(2)  PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23.

(3)  PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22.

(4)  PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16.

(5)  PB L 180 van 15.7.2010, blz. 1.

(6)  PB L 6 van 10.1.1979, blz. 24.


BIJLAGE 2

BEPALINGEN VAN HET RECHT VAN DE UNIE ALS BEDOELD IN ARTIKEL 5, LID 4

1.   Algemene douaneaspecten (1)

Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (2)

Verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad van 13 maart 1997 betreffende de wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en de samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie met het oog op de juiste toepassing van de douane- en landbouwvoorschriften (3)

Richtlijn 2010/24/EU van de Raad van 16 maart 2010 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen, rechten en andere maatregelen (4)

2.   Bescherming van de financiële belangen van de Unie

Met het oog op de toepassing van de in dit deel vermelde handelingen wordt de juiste inning van douanerechten door het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland beschouwd als onderdeel van de bescherming van de financiële belangen van de Unie.

Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (5)

Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (6)

3.   Handelsstatistieken

Verordening (EG) nr. 638/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de communautaire statistieken van het goederenverkeer tussen de lidstaten en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 3330/91 van de Raad (7)

Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1172/95 van de Raad (8)

4.   Algemene handelsaspecten

Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 732/2008 van de Raad (9)

Verordening (EU) 2015/479 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2015 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de uitvoer (10)

Verordening (EU) 2015/936 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juni 2015 betreffende een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van textielproducten uit bepaalde derde landen, die niet vallen onder bilaterale overeenkomsten, protocollen of andere regelingen, noch onder een andere, bijzondere invoerregeling van de Unie (11)

Verordening (EU) 2017/821 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 tot vaststelling van verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid in de toeleveringsketen voor Unie-importeurs van tin, tantaal en wolfraam, de overeenkomstige ertsen, en goud uit conflict- en hoogrisicogebieden (12)

Verordening (EG) nr. 1215/2009 van de Raad van 30 november 2009 tot vaststelling van uitzonderlijke handelsmaatregelen ten behoeve van de landen en gebieden die deelnemen aan of verbonden zijn met het stabilisatie- en associatieproces van de Europese Unie (13)

Verordening (EU) 2017/1566 van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2017 betreffende de invoering van tijdelijke autonome handelsmaatregelen voor Oekraïne ter aanvulling van de handelsconcessies uit hoofde van de associatieovereenkomst (14)

Verplichtingen die voortvloeien uit internationale overeenkomsten die zijn gesloten door de Unie, door de lidstaten handelend namens de Unie of door de Unie en de lidstaten samen, voor zover zij betrekking hebben op de handel in goederen tussen de Unie en derde landen

5.   Handelsbeschermingsinstrumenten

Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (15)

Verordening (EU) 2016/1037 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (16)

Verordening (EU) 2015/478 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2015 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer (17)

Verordening (EU) 2015/755 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer uit bepaalde derde landen (18)

Verordening (EU) 2015/476 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2015 inzake de maatregelen die de Unie kan nemen naar aanleiding van een rapport van het orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO betreffende antidumping- en antisubsidiemaatregelen (19)

Verordening (EU) 2015/477 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2015 inzake de maatregelen die de Unie kan nemen ten aanzien van het gecombineerde effect van antidumping- of antisubsidiemaatregelen en vrijwaringsmaatregelen (20)

6.   Verordeningen inzake bilaterale vrijwaring

Verordening (EU) nr. 654/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de uitoefening van de rechten van de Unie voor de toepassing en handhaving van de internationale handelsregels en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 3286/94 van de Raad tot vaststelling van communautaire procedures op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek met het oog op de handhaving van de rechten die de Gemeenschap ontleent aan internationale regelingen voor het handelsverkeer, in het bijzonder die welke onder auspiciën van de Wereldhandelsorganisatie werden vastgesteld (21)

Verordening (EU) 2015/1145 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juli 2015 betreffende de vrijwaringsmaatregelen bedoeld in de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat (22)

Verordening (EU) 2015/475 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2015 betreffende de vrijwaringsmaatregelen bedoeld in de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek IJsland (23)

Verordening (EU) 2015/938 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juni 2015 betreffende de vrijwaringsmaatregelen bedoeld in de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen (24)

Verordening (EU) nr. 332/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 betreffende bepaalde procedures voor de toepassing van de Stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Servië, anderzijds (25)

Verordening (EU) 2015/752 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende bepaalde procedures voor de toepassing van de Stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Montenegro, anderzijds (26)

Verordening (EU) nr. 19/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 tot uitvoering van de bilaterale vrijwaringsclausule en het stabilisatiemechanisme voor bananen in de handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds (27)

Verordening (EU) nr. 20/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 tot uitvoering van de bilaterale vrijwaringsclausule en het stabilisatiemechanisme voor bananen in de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Midden‐Amerika, anderzijds (28)

Verordening (EU) 2016/400 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 tot uitvoering van de vrijwaringsclausule en het antiontwijkingsmechanisme die zijn opgenomen in de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Moldavië, anderzijds (29)

Verordening (EU) 2016/401 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 tot uitvoering van het antiontwijkingsmechanisme dat is opgenomen in de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en Georgië, anderzijds (30)

Verordening (EU) 2015/941 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juni 2015 betreffende bepaalde procedures voor de toepassing van de Stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, anderzijds (31)

Verordening (EU) 2015/940 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juni 2015 betreffende bepaalde procedures voor de toepassing van de Stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en Bosnië en Herzegovina, anderzijds, en de Interimovereenkomst betreffende de handel en aanverwante zaken tussen de Europese Gemeenschap, enerzijds, en Bosnië en Herzegovina, anderzijds (32)

Verordening (EU) 2015/939 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juni 2015 betreffende bepaalde procedures voor de toepassing van de Stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Albanië, anderzijds (33)

Verordening (EU) nr. 511/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2011 tot uitvoering van de bilaterale vrijwaringsclausule in de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds (34)

Verordening (EU) 2017/355 van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2017 betreffende bepaalde procedures voor de toepassing van de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en Kosovo (35), anderzijds (36)

Verordening (EU) 2016/1076 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 tot toepassing van de regelingen voor goederen van oorsprong uit bepaalde staten behorende tot de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS), die zijn opgenomen in overeenkomsten tot instelling van, of leidende tot instelling van, een economische partnerschapsovereenkomst (37)

7.   Overige

Verordening (EG) nr. 816/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de verlening van dwanglicenties voor octrooien inzake de vervaardiging van farmaceutische producten voor uitvoer naar landen met volksgezondheidsproblemen (38)

8.   Goederen - algemene bepalingen

Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (39), met uitzondering van bepalingen met betrekking tot regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij

Verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende Europese normalisatie, tot wijziging van de Richtlijnen 89/686/EEG en 93/15/EEG van de Raad alsmede de Richtlijnen 94/9/EG, 94/25/EG, 95/16/EG, 97/23/EG, 98/34/EG, 2004/22/EG, 2007/23/EG, 2009/23/EG en 2009/105/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Beschikking 87/95/EEG van de Raad en Besluit nr. 1673/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad (40)

Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93 (41)

Besluit nr. 768/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende een gemeenschappelijk kader voor het verhandelen van producten en tot intrekking van Besluit 93/465/EEG van de Raad (42)

Verordening (EG) nr. 764/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van procedures voor de toepassing van bepaalde nationale technische voorschriften op goederen die in een andere lidstaat rechtmatig in de handel zijn gebracht, en tot intrekking van Beschikking nr. 3052/95/EG (43)

Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 december 2001 inzake algemene productveiligheid (44)

Verordening (EG) nr. 2679/98 van de Raad van 7 december 1998 inzake de werking van de interne markt wat het vrije verkeer van goederen tussen de lidstaten betreft (45)

Richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken (46)

9.   Motorvoertuigen, met inbegrip van landbouw- en bosbouwtrekkers

Richtlijn 70/157/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende het toegestane geluidsniveau en de uitlaatinrichting van motorvoertuigen (47)

Verordening (EU) nr. 540/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende het geluidsniveau van motorvoertuigen en vervangende geluidsdempingssystemen, en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van Richtlijn 70/157/EEG (48)

Richtlijn 2005/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen inzake herbruikbaarheid, recycleerbaarheid en mogelijke nuttige toepassing, en tot wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad (49)

Richtlijn 2006/40/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende emissies van klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen en houdende wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad (50)

Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (51)

Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (Kaderrichtlijn) (52)

Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van Richtlijn 2007/46/EG (53)

Verordening (EG) nr. 78/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 14 januari 2009 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot de bescherming van voetgangers en andere kwetsbare weggebruikers, tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van Richtlijn 2003/102/EG en Richtlijn 2005/66/EG (54)

Verordening (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende typegoedkeuringsvoorschriften voor de algemene veiligheid van motorvoertuigen, aanhangwagens daarvan en daarvoor bestemde systemen, onderdelen en technische eenheden (55)

Verordening (EG) nr. 79/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 14 januari 2009 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen op waterstof en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG (56)

Verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en motoren met betrekking tot emissies van zware bedrijfsvoertuigen (Euro VI) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 en Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 80/1269/EEG, 2005/55/EG en 2005/78/EG (57)

Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (58)

Verordening (EU) 2015/758 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 inzake typegoedkeuringseisen voor de uitrol van het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem en houdende wijziging van Richtlijn 2007/46/EG (59)

Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot vaststelling van emissienormen voor nieuwe personenauto's, in het kader van de communautaire geïntegreerde benadering om de CO2-emissies van lichte voertuigen te beperken (60)

Verordening (EU) nr. 510/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2011 tot vaststelling van emissienormen voor nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen in het kader van de geïntegreerde benadering van de Unie om de CO2-emissies van lichte voertuigen te beperken (61)

Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 5 februari 2013 inzake de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen (62)

10.   Hef-en verladingsapparatuur

Richtlijn 73/361/EEG van de Raad van 19 november 1973 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake het certificaat en het kenmerken van staalkabels, kettingen en haken (63)

Richtlijn 2014/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake liften en veiligheidscomponenten voor liften (64)

11.   Gastoestellen

Richtlijn 92/42/EEG van de Raad van 21 mei 1992 betreffende de rendementseisen voor nieuwe olie- en gasgestookte centrale-verwarmingsketels (65)

Verordening (EU) 2016/426 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende gasverbrandingstoestellen en tot intrekking van Richtlijn 2009/142/EG (66)

12.   Drukvaten

Richtlijn 75/324/EEG van de Raad van 20 mei 1975 inzake onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid- Staten betreffende aërosols (67)

Richtlijn 2010/35/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 juni 2010 betreffende vervoerbare drukapparatuur en houdende intrekking van Richtlijnen 76/767/EEG, 84/525/EEG, 84/526/EEG, 84/527/EEG en 1999/36/EG van de Raad (68)

Richtlijn 2014/68/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van drukapparatuur (69)

Richtlijn 2014/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van drukvaten van eenvoudige vorm (70)

13.   Meetinstrumenten

Richtlijn 2009/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende voor meetmiddelen en metrologische controlemethoden geldende algemene bepalingen (71)

Richtlijn 75/107/EEG van de Raad van 19 december 1974 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake flessen, gebruikt als tapmaat (72)

Richtlijn 76/211/EEG van de Raad van 20 januari 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het voorverpakken naar gewicht of volume van bepaalde producten in voorverpakkingen (73)

Richtlijn 80/181/EEG van de Raad van 20 december 1979 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten op het gebied van de meeteenheden, en tot intrekking van Richtlijn 71/354/EEG (74)

Richtlijn 2007/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van regels betreffende nominale hoeveelheden voor voorverpakte producten, tot intrekking van de Richtlijnen 75/106/EEG en 80/232/EEG van de Raad en tot wijziging van Richtlijn 76/211/EEG van de Raad (75)

Richtlijn 2011/17/EU van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 houdende intrekking van de Richtlijnen 71/317/EEG, 71/347/EEG, 71/349/EEG, 74/148/EEG, 75/33/EEG, 76/765/EEG, 76/766/EEG en 86/217/EEG van de Raad inzake metrologie (76)

Richtlijn 2014/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van niet-automatische weegwerktuigen (77)

Richtlijn 2014/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van meetinstrumenten (78)

14.   Bouwproducten, machines, kabelbanen, persoonlijke beschermingsmiddelen

Verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad (79)

Verordening (EU) 2016/425 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen en tot intrekking van Richtlijn 89/686/EEG van de Raad (80)

Verordening (EU) 2016/424 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende kabelbaaninstallaties en tot intrekking van Richtlijn 2000/9/EG (81)

Richtlijn 2006/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende machines en tot wijziging van Richtlijn 95/16/EG (82)

Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 inzake voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden voor verontreinigende gassen en deeltjes en typegoedkeuring voor in niet voor de weg bestemde mobiele machines gemonteerde interne verbrandingsmotoren, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1024/2012 en (EU) nr. 167/2013, en tot wijziging en intrekking van Richtlijn 97/68/EG (83)

Richtlijn 2000/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 mei 2000 inzake de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten betreffende de geluidsemissie in het milieu door materieel voor gebruik buitenshuis (84)

15.   Elektrisch materiaal en radioapparatuur

Richtlijn 2014/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake elektromagnetische compatibiliteit (85)

Richtlijn 2014/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake apparaten en beveiligingssystemen bedoeld voor gebruik op plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen (86)

Richtlijn 2014/35/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van elektrisch materiaal bestemd voor gebruik binnen bepaalde spanningsgrenzen (87)

Richtlijn 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van radioapparatuur en tot intrekking van Richtlijn 1999/5/EG (88)

16.   Textiel, schoeisel

Verordening (EU) nr. 1007/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2011 betreffende textielvezelbenamingen en de desbetreffende etikettering en merking van de vezelsamenstelling van textielproducten, en houdende intrekking van Richtlijn 73/44/EEG van de Raad en Richtlijnen 96/73/EG en 2008/121/EG van het Europees Parlement en de Raad (89)

Richtlijn 94/11/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 maart 1994 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staten inzake de etikettering van de in de belangrijkste onderdelen van voor de verbruiker bestemd schoeisel gebruikte materialen (90)

17.   Cosmetica, speelgoed

Verordening (EG) nr. 1223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 betreffende cosmetische producten (91)

Richtlijn 2009/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de veiligheid van speelgoed (92)

18.   Pleziervaartuigen

Richtlijn 2013/53/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 betreffende pleziervaartuigen en waterscooters en tot intrekking van Richtlijn 94/25/EG (93)

19.   Explosieven en pyrotechnische artikelen

Richtlijn 2014/28/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van en de controle op explosieven voor civiel gebruik (94)

Richtlijn 2013/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van pyrotechnische artikelen (95)

Verordening (EU) nr. 98/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven (96)

20.   Geneesmiddelen

Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau (97)

De verwijzing naar Gemeenschap in de tweede alinea van artikel 2 en in de tweede alinea van artikel 48 van die verordening wordt niet zodanig gelezen dat het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland daaronder valt.

Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (98)

De verwijzing naar Gemeenschap in artikel 8, lid 2, en artikel 16 ter, lid 1, van die richtlijn en de verwijzing naar de Unie in de tweede alinea van artikel 104, lid 3, van deze richtlijn, worden niet zodanig gelezen dat het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland daaronder valt, met uitzondering van vergunningen verleend door het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland.

Een geneesmiddel waarvoor een vergunning werd verleend in het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland wordt in de Unie niet als een referentiegeneesmiddel beschouwd.

Verordening (EG) nr. 1901/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende geneesmiddelen voor pediatrisch gebruik en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1768/92, Richtlijn 2001/20/EG, Richtlijn 2001/83/EG en Verordening (EG) nr. 726/2004 (99), met uitzondering van artikel 36

Verordening (EG) nr. 141/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1999 inzake weesgeneesmiddelen (100)

Verordening (EG) nr. 1394/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende geneesmiddelen voor geavanceerde therapie en tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG en Verordening (EG) nr. 726/2004 (101)

Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (102)

De verwijzing naar Gemeenschap in artikel 12, lid 2, en artikel 74, tweede alinea, van die richtlijn wordt niet zodanig gelezen dat het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland daaronder valt, met uitzondering van vergunningen verleend door het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland.

Een geneesmiddel voor diergeneeskundig gebruik waarvoor een vergunning werd verleend in het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland wordt in de Unie niet als een referentiegeneesmiddel beschouwd.

Verordening (EG) nr. 470/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot vaststelling van communautaire procedures voor het vaststellen van grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad en tot wijziging van Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad (103)

Artikel 13 van Richtlijn 2001/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de toepassing van goede klinische praktijken bij de uitvoering van klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik (104)

Hoofdstuk IX van Verordening (EU) nr. 536/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik en tot intrekking van Richtlijn 2001/20/EG (105)

Richtlijn 2009/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende stoffen die kunnen worden toegevoegd aan geneesmiddelen om deze te kleuren (106)

Verordening (EU) 2016/793 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 ter voorkoming van verlegging van het handelsverkeer in bepaalde belangrijke geneesmiddelen naar de Europese Unie (107)

21.   Medische hulpmiddelen

Richtlijn 93/42/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende medische hulpmiddelen (108)

Richtlijn 98/79/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 1998 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek (109)

Richtlijn 90/385/EEG van de Raad van 20 juni 1990 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake actieve implanteerbare medische hulpmiddelen (110)

Verordening (EU) 2017/745 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 betreffende medische hulpmiddelen, tot wijziging van Ri