Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52009IP0372

Gendermainstreaming in de externe betrekkingen van de EU en haar vredesopbouw/natievorming Resolutie van het Europees Parlement van 7 mei 2009 over gendermainstreaming in de externe betrekkingen van de EU en haar vredesopbouw/natievorming (2008/2198(INI))

OJ C 212E , 5.8.2010, p. 32–36 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

5.8.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 212/32


Donderdag, 7 mei 2009
Gendermainstreaming in de externe betrekkingen van de EU en haar vredesopbouw/natievorming

P6_TA(2009)0372

Resolutie van het Europees Parlement van 7 mei 2009 over gendermainstreaming in de externe betrekkingen van de EU en haar vredesopbouw/natievorming (2008/2198(INI))

2010/C 212 E/07

Het Europees Parlement,

gelet op de in artikel 2, artikel 3, lid 2, artikel 13, artikel 137, lid 1, onder i) en artikel 141 van het EG-Verdrag neergelgde beginselen,

gelet op het op 7 december 2000 uitgevaardigde Handvest van de grondrechten van de Europese Unie 2000,

gelet op het op 13 december 2007 in Lissabon ondertekende Verdrag van Lissabon,

gelet op het Verdrag van de Verenigde Naties van 18 december 1979 inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW),

gezien de in september 1995 in Beijing gehouden vierde Wereldvrouwenconferentie, de Verklaring van Beijing en het in Beijing onderschreven actieprogramma (Platform for Action), alsmede de daaropvolgende slotdocumenten betreffende verdere acties en initiatieven voor de uitvoering van de Verklaring van Beijing en het actieprogramma die tijdens de speciale VN-vergaderingen Beijing +5 en Beijing +10 respectievelijk op 9 juni 2000 en 11 maart 2005 werden aangenomen,

gezien de op 18 juni 2008 door de Raad vastgestelde agenda van de EU voor actie inzake de millenniumdoelstellingen,

gezien Resolutie S/RES/1325(2000) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, die op 31 oktober 2000 werd goedgekeurd, en diens Resolutie S/RES/1820(2008) over vrouwen en vrede en veiligheid, die op 19 juni 2008 werd goedgekeurd,

gezien de conclusies van de Raad Algemene Zaken en Buitenlandse Betrekkingen van 23 en 24 mei 2005 betreffende Europese veiligheid,

gezien het document van de Raad getiteld „Uitvoering van UNSCR 1325 zoals versterkt door UNSCR 1820 in de context van het EVDB” van 8 december 2008,

gezien de conclusies van de Raad Algemene Zaken van 13 november 2006 inzake het bevorderen van gendergelijkheid en gendermainstreaming in crisisbeheer,

gezien de conclusies van de Raad Algemene Zaken van 8 december 2008 inzake het uitbannen van geweld tegen vrouwen, in het bijzonder in het kader van het Europees Veiligheids- en Defensiebeleid (EVDB), en van alle vormen van discriminatie van vrouwen,

gezien de „globale aanpak voor de uitvoering door de EU van Resolutie 1325 en 1820 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties over vrouwen, vrede en veiligheid”, aangenomen door de Raad Algemene Zaken op 8 december 2008,

gezien het werk dat momenteel wordt verricht aan een werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld „Toward an EU Action Plan on Gender Equality and Women's Empowerment in EU External Action”,

gezien de ontwikkeling van het Europees Nabuurschapsbeleid (ENB) sinds 2004, en in het bijzonder de voortgangsverslagen van de Commissie over de uitvoering ervan en de samen met Armenië, Azerbeidzjan, Egypte, Georgië, Israël, Jordanië, Libanon, Moldavië, Marokko, de Palestijnse Autoriteit, Tunesië en Oekraïne vastgestelde actieplannen,

gezien het uitbreidingsproces en op de voortgangsverslagen van de Commissie,

onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over het versterken van de positie van vrouwen en hun rol in veiligheid en vrede, in het bijzonder zijn resoluties van 1 juni 2006 (1), van 16 november 2006 (2) en van 13 maart 2008 (3),

onder verwijzing naar zijn resoluties over het ENB, de uitbreidingsstrategie van de EU en haar omliggende landen en regio's,

onder verwijzing naar zijn resoluties over instrumenten voor externe steun,

onder verwijzing naar zijn resolutie van 18 december 2008 over ontwikkelingsperspectieven voor vredesopbouw en natievorming in post-conflictsituaties (4),

gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A6-0225/2009),

A.

overwegende dat de verwezenlijking van mensenrechten van vrouwen en van de versterking van hun positie en macht niet alleen van belang is om komaf te maken met ongelijkheid van mannen en vrouwen en om aan de externe betrekkingen van de EU een echte genderdimensie te verlenen maar essentieel is voor de succesvolle uitvoering van het externe beleid van de EU, inclusief op het gebied van steun, ontwikkeling, uitbreiding, nabuurschapsbeleid, het oplossen van conflicten, veiligheid, vredesopbouw en internationale handel,

B.

overwegende dat de lidstaten weliswaar alle belangrijke internationale kaders inzake gendergelijkheid en rechten van vrouwen hebben onderschreven en er op communautair niveau een aantal beleidsdocumenten bestaan, maar dat het praktische engagement om gendermainstreaming en de versterking van de positie van vrouwen in het externe beleid te bevorderen te wensen overlaat, de uitvoering van bestaande beleidsdocumenten bescheiden is en de begrotingsmiddelen die specifiek bestemd zijn voor genderkwesties ontoereikend zijn,

C.

overwegende dat er in de afgelopen jaren aanzienlijke verbeteringen zijn bereikt bij het bevorderen van de gendergelijkheid, maar dat de voornaamste instellingen van de EU Parlement, Raad en Commissie niet voldoende personeel hebben dat specifiek aangesteld is voor de verwezenlijking van genderdoelstellingen op het gebied van extern beleid en uitbreiding, en overwegende dat de meeste personeelsleden die zich thans met genderkwesties bezig houden dit moeten combineren met één of zelfs twee andere taken,

D.

overwegende dat de EU behoefte heeft aan een holistische en coherente benadering van gendermainstreaming,

Algemene opmerkingen

1.

erkent dat de instellingen van de EU toenemend belang hebben gehecht aan gendermainstreaming en versterking van de positie van vrouwen, maar onderstreept dat nog een hele weg is af te leggen om de politieke verbintenissen in de praktijk om te zetten, en benadrukt het belang van voldoende financiële middelen en personeel dat verantwoordelijk is voor het toepassen van de genderdoelstellingen;

2.

herinnert aan het feit dat gendermainstreaming niet alleen verklaringen op hoog politiek niveau vereist, maar tevens de politieke wil van de EU-leiding en de regeringen van de lidstaten, prioriteitstelling van doelstellingen en het controleren van de bereikte vooruitgang;

3.

is ingenomen met de vaststelling van de reeds aangehaalde „globale aanpak voor de uitvoering door de EU van Resoluties 1325(2000) en 1820(2008) van de VN-Veiligheidsraad inzake vrouwen, vrede en veiligheid”, alsmede met de aanneming op 8 december 2008 door de Raad Algemene Zaken van richtsnoeren betreffende geweld tegen vrouwen en meisjes en de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen; roept de lidstaten die nog geen nationaal actieplan op basis van Resolutie S/RES/1325(2000) hebben aangenomen, op om dringend gehoor te geven aan het verzoek van de Veiligheidsraad om dit te doen; roept de Commissie op om technische bijstand te verlenen en hulp te bieden aan derde landen die een nationale strategie willen ontwikkelen voor de uitvoering van de hoger genoemde resoluties van de VN-Veiligheidsraad;

4.

verheugt zich erover dat de herziene tekst van de Europese veiligheidsstrategie een verwijzing bevat naar de bovengenoemde Resoluties S/RES/1325(2000) en S/RES/1820(2008) van de Veiligheidsraad, alsook naar Resolutie S/RES/1612(2005);

5.

roept de Commissie op sneller werk te maken van een „EU-actieplan inzake gendergelijkheid en versterking van de positie van vrouwen in externe optreden van de EU” en dit plan, dat zowel in de 27 lidstaten als bij de onderhandelingen met derde landen moet gelden, in nauwe samenwerking met de lidstaten en het secretariaat van de Raad tegen juli 2009 voor te leggen, alsmede een aantal efficiënte controle-instrumenten;

6.

verzoekt de Raad en de Commissie om gendergelijkheid en versterking van de positie van vrouwen systematisch deel uit te laten maken van de politieke dialoog en beleidsdiscussies tussen de EU en partnerlanden;

7.

vraagt aan de delegaties van het Parlement om kwesties in verband met gendergelijkheid en de versterking van de positie van vrouwen aan te snijden in zijn relaties met parlementen van derde landen; onderstreept hoe belangrijk het is steun en bijstand te verstrekken aan nationale parlementen van derde landen om hen beter in staat te stellen het genderperspectief een plaats te geven in hun legislatief werk;

8.

onderstreept het belang van organisaties uit het maatschappelijk middenveld voor de versterking van de positie van vrouwen; roept de Commissie op deze organisaties voldoende financiële steun te geven en de deelname van NGO's voor vrouwen in de politieke dialoog met partnerlanden alsmede in vredesonderhandelingen in de hele wereld te bevorderen;

9.

roept de Commissie en de lidstaten op om coherentie van hun beleidsaanpak inzake gendermainstreaming en versterking van de positie van vrouwen te bevorderen; vraagt dat de diverse bestaande beleidskaders in een EU-genderconsensus voor zowel het interne als het externe beleid worden samengevoegd;

10.

moedigt het regelmatig organiseren van conferenties aan om de problemen omtrent kansengelijkheid voor vrouwen en mannen te bespreken, met deelname van zowel uit vrouwen als mannen bestaande delegaties van de nationale parlementen, alsmede om gemeenschappelijke strategieën vast te stellen voor het uitvoeren van projecten die aan deze thematiek verbonden zijn;

11.

vraagt de Commissie op een meer coherente en systematische wijze een einde te maken aan ongelijkheid tussen mannen en vrouwen in de programmering en uitvoering van de instrumenten voor externe bijstand, in het bijzonder wat betreft bijstand voor de hervorming van de veiligheidssector, en dit als een van haar prioriteiten te beschouwen; onderstreept dat genderspecifieke doelstellingen, activiteiten en financieringen moeten worden opgenomen in de strategische landendocumenten en dat de gendermainstreaming in het kader van deze documenten moet worden verbeterd; benadrukt de noodzaak van een holistische benadering in het gebruik van instrumenten voor externe bijstand, met inbegrip van het instrument voor pretoetredingshulp, het instrument van het Europees nabuurschapsbeleid, het Europees Instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR), het stabiliteitsinstrument en thematische programma's zoals „Investing in People”, om de doelstellingen van gendergelijkheid en versterking van de positie van vrouwen te bereiken;

12.

is van oordeel dat de middelen ten behoeve van de gezondheidssector en dus van de gezondheidszorg voor meisjes en vrouwen ontoereikend zijn in het licht van de EU-toezeggingen ten aanzien van het ontwikkelingsbeleid; onderstreept de noodzaak om binnen de instrumenten voor externe bijstand extra financiële middelen speciaal te bestemmen programma's inzake de gezondheid van vrouwen; wijst erop dat uit het Speciale verslag van de Europese Rekenkamer over ontwikkelingshulp van de EG aan de gezondheidsdiensten in Afrika bezuiden de Sahara (januari 2009) blijkt dat over het geheel genomen de EG-financiering van de gezondheidszorg in de Afrikaanse landen bezuiden de Sahara in verhouding tot haar totale ontwikkelingshulp sinds 2000 niet meer is toegenomen, hoewel het scorebord van de millenniumontwikkelingsdoelstellingen uit 2007 nog steeds een zeer hoge kraamvrouwensterfte in Afrika bezuiden de Sahara te zien geeft;

13.

wijst erop dat een doeltreffende gendermainstreaming de noodzaak met zich brengt van een uitgebreide coördinatie tussen donoren en actoren, alsmede verantwoordingsmechanismen en een groter aandeel van de nationale regeringen bij het ontwikkelingsproces; benadrukt in dit opzicht de meerwaarde van het EU/VN-partnerschap over gendergelijkheid voor ontwikkeling en vrede, en over gendergevoelig budgetteren; verwelkomt het initiatief voor een werkgroep over vrouwen, vrede en veiligheid zoals opgenomen in de reeds aangehaalde globale aanpak voor de uitvoering door de EU van Resolutie S/RES/1325(2000) en S/RES/1820(2008) van de VN-Veiligheidsraad;

14.

herhaalt dat het noodzakelijk is om zich niet alleen op vrouwen te concentreren maar ook de genderrelaties tussen mannen en vrouwen die ongelijkheid veroorzaken en in stand houden; denkt bijgevolg dat projecten oog moeten hebben voor zowel mannen als vrouwen;

15.

benadrukt dat de EU bijzondere aandacht moet hebben voor de noden van de kwetsbaarste en sociaal uitgesloten vrouwen, in het bijzonder gehandicapte vrouwen, vluchtelingen of vrouwen uit minderheidsgroepen;

16.

roept de Commissie op verdere procedures, benchmarks en indicatoren te ontwikkelen om te verzekeren dat zij haar verbintenissen betreffende gendergelijkheid in haar externe beleid nakomt;

17.

is van mening dat het in 2006 opgerichte Europees Instituut voor gendergelijkheid zo snel mogelijk operationeel moet worden en dat zijn mandaat met extern beleid moet worden uitgebreid;

18.

roept de Commissie en de lidstaten op de Brusselse oproep tot actie voor uitbanning van seksueel geweld in conflicten en daarbuiten uit te voeren;

19.

vraagt de Commissie en de lidstaten in actie te komen voor het voorkomen en bestrijden van de mensenhandel;

20.

onderstreept dat verkrachting en seksueel geweld als oorlogswapen worden gebruikt; benadrukt dat deze als oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid moeten worden bestraft; verzoekt om meer ondersteuningsprogramma's voor slachtoffers van deze misdrijven;

21.

onderstreept de noodzaak om het partnerschap van de EU en de Verenigde Naties en de wereldwijde expertise van de Verenigde Naties inzake het bevorderen van gendergelijkheid en het versterken van de positie van vrouwen aan te wenden om de effectiviteit en het effect van het beleid en de bijstand van de EU te verbeteren en de coherentie van externe bijstand aan partnerlanden voor het nakomen van hun relevante verbintenissen te verzekeren;

Gendermainstreaming in besluitvorming van de EU

22.

is van mening dat het huidige aantal personeelsleden dat zich in de Raad en de Commissie bezighoudt met genderkwesties, te gering is; doet een beroep op deze instellingen om meer personeel in te zetten bij de structuren die zich bezig houden met de externe activiteiten van de EU die specifiek betrekking hebben op gendermainstreaming en het versterken van de positie van vrouwen;

23.

stelt het voordurende gebrek van vrouwen op hoge posten in de structuren van de Raad en de Commissie vast, en roept in het bijzonder op meer inspanningen te leveren om het aantal vrouwelijke hoofden van delegaties en speciale vertegenwoordigers van de EU te doen stijgen; benadrukt dat er bij van de toekomstige dienst voor extern optreden een beter evenwicht tussen mannen en vrouwen moet zijn, in het bijzonder op de hoge posten, en dat deze dienst meer voor genderkwesties verantwoordelijk personeel zouden moeten hebben;

24.

roept de lidstaten op meer vrouwen aan EVDB-missies en –operaties deel te laten nemen en vraagt een grotere participatie van vrouwen op alle niveaus en in alle stadia van de planning en uitvoering; onderstreept de noodzaak om genderexpertise van meet af aan op te nemen in de planning van een missie of een operatie, alsmede het belang van systematische en substantiële genderopleiding voor personeelsleden voor zij worden uitgestuurd;

25.

merkt op dat er op dit moment veel moeite wordt gedaan om een gendergevoelige benadering te integreren in de EVDB-cultuur, onder andere door het ontwikkelen van de kwantitatieve dimensie van gendermainstreaming in dat beleid (bijv. door vragenlijsten, het ontwikkelen van controlelijsten, het tellen van het aantal mannen en vrouwen in EVDB-activiteiten, enz.); benadrukt echter de noodzaak om het kwalitatieve conceptuele kader te ontwikkelen dat nodig is voor het begrijpen van de sociaaleconomische context waarin EVDB-missies worden ingezet (d.w.z. conflictgebieden) en de gendergevoelige aandachtspunten bij de uitvoering van activiteiten en programma's;

26.

is verheugd over de benoeming van een genderadviseur voor bijna alle EVDB-missies, overeenkomstig de conclusies van de Raad van november 2006; onderstreept desalniettemin dat het werk van de adviseurs kan worden ondermijnd door het ontbreken van een concreet genderbeleid van de EU – met name een gebrek aan bewustzijn inzake de genderproblematiek en/of onwil om het belang ervan in te zien – alsmede het ontbreken van genderspecifieke begrotingslijnen bij de financiering van EVDB-missies;

27.

prijst de initiatieven om genderopleiding aan te bieden aan personeel dat op EVDB-missie gaat en aan de hoofdkwartieren, alsmede de aanzienlijke inspanning van de Commissie om haar personeel, en dan met name in de delegaties, op te leiden; herhaalt dat al het personeel op elk niveau van de planning, programmering en uitvoering behoorlijk opgeleid moet zijn; vraagt de Commissie en de lidstaten te verzekeren dat alle personeelsleden van missies en delegaties, inclusief het management, verplicht worden een opleiding te volgen en dat zij richtsnoeren krijgen in verband met genderkwesties en de verbetering van de positie van vrouwen;

28.

is ervan overtuigd dat bij het plannen van EVDB-missies rekening moet worden gehouden met het betrekken van lokale vrouwenorganisaties bij het vredesproces, zodat kan worden gebouwd op de speciale bijdrage die zij kunnen leveren en als erkenning voor de speciale manieren waarop vrouwen worden geraakt door conflicten;

29.

benadrukt dat quota op dit moment een onmisbaar middel vormen om gendergelijkheid te waarborgen in vredes- en veiligheidsmissies en in de besluitvorming bij nationale en internationale wederopbouwprocessen en om de politieke aanwezigheid van vrouwen aan de onderhandelingstafel te garanderen;

30.

onderstreept het belang van genderbewuste budgettering; onderstreept dat gender ontwikkeld moet worden als een thematische kwestie in belangrijke instrumenten voor externe bijstand, dat speciale kredieten bestemd moeten worden voor genderkwesties en dat er benchmarks moeten worden ontwikkeld om de doelmatigheid te meten van het gebruik van de verstrekte middelen;

*

* *

31.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.


(1)  PB C 298 E van 8.12.2006, blz. 287.

(2)  PB C 314 E van 21.12.2006, blz. 347.

(3)  Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0103.

(4)  Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0639.


Top