EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32020R0691

Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/691 van de Commissie van 30 januari 2020 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor aquacultuurinrichtingen en vervoerders van waterdieren (Voor de EER relevante tekst) (Voor de EER relevante tekst)

PB L 174 van 3.6.2020, p. 345–378 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

Legal status of the document In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2020/691/oj

3.6.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 174/345


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2020/691 VAN DE COMMISSIE

van 30 januari 2020

tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor aquacultuurinrichtingen en vervoerders van waterdieren

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (“diergezondheidswetgeving”) (1), en met name artikel 176, lid 4, artikel 181, lid 2, artikel 185, lid 5, artikel 189, lid 1, en artikel 279, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) 2016/429 zijn regels vastgesteld met betrekking tot de preventie en bestrijding van dierziekten die kunnen worden overgedragen op dieren of mensen, waaronder regels voor aquacultuurinrichtingen en vervoerders van waterdieren. In Verordening (EU) 2016/429 is verder bepaald dat de Commissie gedelegeerde handelingen tot aanvulling van bepaalde niet-essentiële onderdelen van die verordening kan vaststellen. Het is daarom nodig aanvullende regels vast te stellen ter waarborging van de goede werking van het systeem dat binnen het nieuwe rechtskader dat bij Verordening (EU) 2016/429 is vastgesteld.

(2)

Meer in het bijzonder moeten de regels van deze verordening de reeds in deel IV, titel II, hoofdstuk 1, van Verordening (EU) 2016/429 vastgestelde regels aanvullen wat betreft de erkenning van aquacultuurinrichtingen waar aquacultuurdieren worden gehouden die een significant risico voor de diergezondheid inhouden, de registers van aquacultuurinrichtingen die door de bevoegde autoriteiten moeten worden bijgehouden, en de documentatieverplichtingen van exploitanten van aquacultuurinrichtingen en van vervoerders van waterdieren.

(3)

Bovendien wordt in deze verordening rekening gehouden met het feit dat Richtlijn 2006/88/EG van de Raad (2) met ingang van 21 april 2021 bij Verordening (EU) 2016/429 wordt ingetrokken. In Verordening (EU) 2016/429 is bepaald dat inrichtingen en exploitanten die vóór de datum van toepassing van die richtlijn zijn geregistreerd of erkend, vóór de datum van toepassing van Verordening (EU) 2016/429 moeten worden geacht overeenkomstig die verordening geregistreerd dan wel erkend te zijn, en onderworpen zijn aan de daarin vastgestelde desbetreffende verplichtingen.

(4)

De in deze verordening vastgestelde regels moeten dan ook de in deel IX van Verordening (EU) 2016/429 vastgestelde regels aanvullen wat betreft de overgangsmaatregelen ter bescherming van de verworven rechten en gerechtvaardigde verwachtingen die belanghebbenden op basis van bestaande handelingen van de Unie met betrekking tot aquacultuurinrichtingen hebben.

(5)

Aangezien de in deze verordening neergelegde regels alle betrekking hebben op aquacultuurinrichtingen en vervoerders van waterdieren en tegelijkertijd moeten worden toegepast, moeten zij met het oog op de eenvoud en de transparantie, en om de toepassing ervan te vergemakkelijken en overlapping te voorkomen, in één enkele handeling worden vastgesteld, en niet in een aantal afzonderlijke handelingen met kruisverwijzingen. Deze aanpak is ook in overeenstemming met die van Verordening (EU) 2016/429.

(6)

In artikel 176, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 is bepaald dat de exploitanten van aquacultuurinrichtingen bij de bevoegde autoriteit een aanvraag tot erkenning moeten indienen wanneer zij aquacultuurdieren houden om ze van daaruit levend of als producten van aquacultuurdierlijke oorsprong te verplaatsen. Aangezien een grote verscheidenheid van aquacultuurinrichtingen tot die categorie behoort, is in artikel 176, lid 2, van Verordening (EU) 2016/429 bepaald dat de lidstaten exploitanten van specifieke soorten aquacultuurinrichtingen mogen vrijstellen van de verplichting tot erkenning, op voorwaarde dat dergelijke aquacultuurinrichtingen geen significant ziekterisico vormen. Bovendien is in artikel 176, lid 4, van die verordening bepaald dat de Commissie gedelegeerde handelingen kan vaststellen met betrekking tot afwijkingen van de verplichting tot erkenning voor bepaalde soorten aquacultuurinrichtingen, wederom op voorwaarde dat die aquacultuurinrichtingen geen significant risico vormen.

(7)

Het risiconiveau van een aquacultuurbedrijf hangt af van de activiteit van die aquacultuurinrichting en de bestemming en het beoogde gebruik van de aquacultuurdieren of de aldaar geproduceerde producten van aquacultuurdierlijke oorsprong. Sommige aquacultuurinrichtingen zijn reeds voor andere doeleinden erkend, zoals aquacultuurinrichtingen die overeenkomstig de hygiënevoorschriften van Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad (3) zijn erkend. In bepaalde situaties ontvangen aquacultuurinrichtingen zoals zuiveringscentra, verzendingscentra of heruitzettingsgebieden alleen weekdieren uit het epidemiologisch gebied waarin de aquacultuurinrichting zich bevindt. Deze aquacultuurinrichtingen vormen derhalve vanuit het oogpunt van diergezondheid een insignificant risico. Andere activiteiten van aquacultuurinrichtingen vormen ook een laag risico, zoals het houden van aquacultuurdieren die uitsluitend bestemd zijn om in het wild te worden vrijgelaten na te zijn opgekweekt uit reproductiemateriaal dat afkomstig is van het waterlichaam waarop de aquacultuurinrichting zich bevindt, of het houden van aquacultuurdieren in extensieve vijvers voor menselijke consumptie of voor vrijlating in het wild.

(8)

In deze verordening moeten de specifieke voorwaarden worden vastgesteld waaronder aquacultuurinrichtingen vrijgesteld mogen worden van de verplichting tot erkenning. In bepaalde gevallen mogen afwijkingen alleen gelden voor aquacultuurinrichtingen die aquacultuurdieren binnen hun eigen lidstaat verplaatsen en niet voor aquacultuurinrichtingen die aquacultuurdieren tussen lidstaten verplaatsen. In alle gevallen geldt echter dat afwijkingen van de eis dat een aquacultuurinrichting wordt erkend alleen mag worden overwogen als de bevoegde autoriteit een risicobeoordeling heeft voltooid waarin ten minste rekening is gehouden met het risico dat aquacultuurdieren in de aquacultuurinrichting een aquatische ziekte oplopen of via het water of via bewegingen verspreiden, en waarbij dat risico onbeduidend is gebleken. Nadere bijzonderheden over bijkomende risicofactoren die de bevoegde autoriteit in aanmerking kan nemen bij deze risicobeoordeling zijn vastgesteld in deel I, hoofdstuk 2, van bijlage VI bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689 van de Commissie (4). Derhalve moeten de in deze verordening vastgestelde aanvullende regels in overeenstemming zijn met de in die gedelegeerde verordening vastgestelde regels.

(9)

Tegelijkertijd vormen bepaalde andere soorten aquacultuurinrichtingen een significant risico voor de verspreiding van waterdierziekten. Dergelijke soorten aquacultuurinrichtingen moeten in deze verordening specifiek worden beschreven en de erkenningsverplichting van de exploitanten van deze aquacultuurinrichtingen moet in deze verordening worden uitgewerkt. Het gaat hierbij onder meer om aquacultuurinrichtingen waar aquacultuurdieren voor sierdoeleinden worden gehouden in open installaties en ook in gesloten installaties waar de verplaatsingspatronen zodanig zijn dat handel binnen de Unie of met derde landen mogelijk een ziekterisico inhoudt. Andere soorten aquacultuurinrichtingen waarbij het risico op verspreiding van ziekten moet worden beperkt door erkenning door de bevoegde autoriteit verplicht te stellen, zijn quarantaine-inrichtingen, inrichtingen die vectorsoorten afgezonderd houden totdat zij niet langer als vectoren worden beschouwd, en vaartuigen en andere mobiele ruimten waar aquacultuurdieren worden behandeld of andere houderijprocedures ondergaan.

(10)

In artikel 177 van Verordening (EU) 2016/429 is voorzien in de mogelijkheid dat bevoegde autoriteiten aan exploitanten erkenningen verlenen voor groepen aquacultuurinrichtingen. De in onderhavige verordening vastgestelde aanvullende regels moeten derhalve voor zover passend op deze groepen van toepassing zijn en moeten nadere bepalingen bevatten over de wijze waarop de regels rechtstreeks op en binnen de groep moeten worden toegepast.

(11)

Overeenkomstig artikel 180 van Verordening (EU) 2016/429 moeten de exploitanten van alle aquacultuurinrichtingen of groepen aquacultuurinrichtingen de bevoegde autoriteit informatie verstrekken met het oog op erkenning. In dit verband moeten de exploitanten een schriftelijk biobeveiligingsplan aan de bevoegde autoriteit voorleggen, voor gebruik tijdens het erkenningsproces. Dit vereiste moet zowel van toepassing zijn op individuele aquacultuurinrichtingen als op groepen aquacultuurinrichtingen, ongeacht hun omvang, maar de complexiteit van het biobeveiligingsplan moet afhangen van de specifieke kenmerken van de individuele aquacultuurinrichting of groep daarvan, en van de maatregelen die nodig zijn om de gerelateerde ziekterisico’s te beperken.

(12)

Bepaalde aquacultuurinrichtingen en groepen aquacultuurinrichtingen moeten, op basis van de voorschriften van deel I, hoofdstuk 1, van bijlage VI bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689, deelnemen aan een risicogebaseerde bewakingsregeling die door de bevoegde autoriteit is opgezet overeenkomstig artikel 26 van Verordening (EU) 2016/429. Niet-deelnemende aquacultuurinrichtingen of groepen aquacultuurinrichtingen mogen niet worden erkend. Overeenkomstig artikel 27 van Verordening (EU) 2016/429 mag bij de risicogebaseerde bewaking rekening worden gehouden met de door de exploitanten zelf uitgevoerde bewaking overeenkomstig artikel 24, met inbegrip van de in artikel 25 van die verordening bedoelde diergezondheidsinspecties. Ter optimalisering van het gebruik van de beschikbare middelen mag de risicogebaseerde bewaking ook tegelijkertijd met de bewaking van specifieke in de lijst opgenomen ziekten worden uitgevoerd.

(13)

De frequentie van risicogebaseerde bewaking hangt af van de risicostatus (“hoog”, “middelhoog” of “laag”) die door de bevoegde autoriteit na een beoordeling van de omstandigheden ervan aan de aquacultuurinrichting wordt toegekend. De factoren waarmee de bevoegde autoriteit bij de vaststelling van de risicostatus van inrichtingen rekening moet houden en de daaraan verbonden bewakingsfrequenties, worden uiteengezet in deel I van bijlage VI bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689. Aquacultuurinrichtingen waar niet in de lijst opgenomen soorten worden gehouden maar waarvan het handelsvolume aanzienlijk is en die daarom de risicostatus “hoog” toegekend krijgen, worden in de risicogebaseerde bewakingsregeling opgenomen om de kans op het identificeren en bestrijden van nieuwe ziekten zo groot mogelijk te maken, mochten zij zich voordoen bij aquacultuurdieren van die niet in de lijst opgenomen soorten.

(14)

Aangezien ook in erkende groepen aquacultuurinrichtingen risicogebaseerde bewaking wordt uitgevoerd, is het belangrijk om te bepalen hoe dit op groepsniveau moet worden uitgevoerd, zodat het resultaat van de bewaking epidemiologisch nuttig is. Daarom moeten in deze verordening regels worden vastgesteld met betrekking tot de manier waarop de bevoegde autoriteit die bewaking moet uitvoeren.

(15)

Naast de verplichting voor exploitanten om als onderdeel van het erkenningsproces een biobeveiligingsplan aan de bevoegde autoriteit voor te leggen, en voor bepaalde aquacultuurinrichtingen om deel te nemen aan een risicogebaseerde bewakingsregeling, moeten de aquacultuurinrichtingen met erkenningsplicht ook voldoen aan bepaalde vereisten met betrekking tot hun voorzieningen en uitrusting. De specifieke combinatie van vereisten inzake biobeveiliging, bewaking en voorzieningen en uitrusting die van toepassing zijn op specifieke categorieën aquacultuurinrichtingen of groepen daarvan, moet daarom in deze verordening worden opgenomen.

(16)

In artikel 178 van Verordening (EU) 2016/429 is bepaald dat exploitanten van aquacultuurinrichtingen die de status van geconsigneerde aquacultuurinrichting wensen te verkrijgen, alleen aquacultuurdieren naar of uit hun aquacultuurinrichtingen mogen verplaatsen nadat zij de erkenning van die status van de bevoegde autoriteit hebben verkregen overeenkomstig de in die verordening vastgestelde voorschriften. Aangezien de verplaatsingsvoorschriften voor de onderlinge uitwisseling van aquacultuurdieren tussen deze aquacultuurinrichtingen minder strikt zijn dan voor andere soorten aquacultuurinrichtingen, is het passend dat zij een dierenarts in dienst hebben die toezicht houdt op de activiteiten van de aquacultuurinrichting en verantwoordelijk is voor de gezondheidsbewaking daarvan, zodat zij elkaar robuuste gezondheidsgaranties kunnen bieden. In artikel 181, lid 2, van Verordening (EU) 2016/429 is bepaald dat de Commissie gedelegeerde handelingen kan vaststellen met aanvullende regels voor de erkenning van dergelijke aquacultuurinrichtingen; die regels moeten in deze verordening worden vastgesteld.

(17)

Artikel 179 van Verordening (EU) 2016/429 voorziet in de erkenning van ziektebestrijdende inrichtingen voor aquatische levensmiddelen. Deze aquacultuurinrichtingen vergemakkelijken de sanitaire slacht en de sanitaire verwerking van waterdieren die mogelijk geïnfecteerd zijn met een in de lijst opgenomen of nieuwe ziekte. Zij vormen derhalve een significant ziekterisico en moeten dus door de bevoegde autoriteit worden erkend. Tijdens de perioden waarin deze aquacultuurinrichtingen waterdieren ontvangen die geïnfecteerd zijn of waarvan het vermoeden bestaat dat zij geïnfecteerd zijn met een in de lijst opgenomen of nieuwe ziekte, moeten zij aan strenge biobeveiligingsmaatregelen voldoen om te voorkomen dat ziekteverwekkers zonder passende behandeling in open wateren worden geloosd. In artikel 181, lid 2, van die verordening is bepaald dat de Commissie gedelegeerde handelingen kan vaststellen met aanvullende regels voor de erkenning van deze aquacultuurinrichtingen; die aanvullende regels moeten derhalve in deze verordening worden vastgesteld.

(18)

Bepaalde zuiveringscentra, heruitzettingsgebieden en verzendingscentra voor levende weekdieren moeten worden beschouwd als aquacultuurinrichtingen waarvoor overeenkomstig artikel 176, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 een erkenningsplicht geldt. Inrichtingen die levende weekdieren van buiten hun eigen epidemiologisch gebied ontvangen, vormen een groter risico op de verspreiding van in de lijst opgenomen of nieuwe ziekten en moeten tijdens het erkenningsproces als zodanig worden behandeld. In deze verordening moeten derhalve aanvullende regels ter zake worden vastgesteld.

(19)

In Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882 van de Commissie (5) worden de ziektecategorieën A, B, C, D en E gedefinieerd en is bepaald dat de in artikel 9, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 bedoelde regels voor de preventie en bestrijding van ziekten van toepassing zijn op de categorieën in de lijst opgenomen ziekten voor de in de lijst opgenomen soorten en voor groepen van in de lijst opgenomen soorten zoals vermeld in de tabel in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882. In die tabel is bepaald dat bepaalde soorten waterdieren die in kolom 4 van die lijst zijn vermeld, slechts als vector hoeven te worden beschouwd wanneer zij worden gehouden in een aquacultuurinrichting waar ook de in kolom 3 van die lijst vermelde soorten worden gehouden, of, in het geval van wilde waterdieren, wanneer zij zijn blootgesteld aan een in kolom 3 opgenomen, in het wild levende soort. Indien deze soorten echter vervolgens gedurende een passende periode afgezonderd worden gehouden van de in kolom 3 vermelde soorten en van besmette waterbronnen, worden zij niet langer als vectoren beschouwd. Indien deze periode van afzondering niet in een overeenkomstig artikel 15 van deze verordening erkende quarantaine-inrichting kan plaatsvinden, kunnen die waterdieren in plaats daarvan in een ander soort aquacultuurinrichting worden gehouden waarvoor niet alle biobeveiligingsmaatregelen gelden die voor quarantaine-inrichtingen nodig zijn, maar waar zij afgezonderd worden van potentiële ziekteverwekkers totdat zij niet langer als vectoren worden beschouwd. In artikel 181, lid 2, van Verordening (EU) 2016/429 is bepaald dat de Commissie gedelegeerde handelingen kan vaststellen met aanvullende regels voor de erkenning van dergelijke aquacultuurinrichtingen, met inachtneming van die eisen. Die eisen moeten derhalve in deze verordening worden vastgesteld.

(20)

Op grond van artikel 185, lid 5, van Verordening (EU) 2016/429 is de Commissie bevoegd om gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot aanvullende informatie die moet worden opgenomen in de door de bevoegde autoriteit bij te houden registers van geregistreerde en erkende aquacultuurinrichtingen en met betrekking tot de toegang van het publiek tot die registers. Onder voorbehoud van de gegevensbeschermingsvoorschriften van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad (6) moet de informatie die door de bevoegde autoriteit openbaar moet worden gemaakt, de vereisten weerspiegelen die zijn vastgesteld in artikel 185, lid 2, onder a), c), e) en f), van Verordening (EU) 2016/429, die op hun beurt grotendeels de gegevens weergeven die de lidstaten reeds via een openbaar register ter beschikking hebben gesteld overeenkomstig Beschikking 2008/392/EG van de Commissie (7).

(21)

In het openbaar register van de bevoegde autoriteit moet echter ook meer specifieke informatie worden opgenomen met betrekking tot de gezondheidsstatus van elk erkende inrichting om de veilige handel te bevorderen en ervoor te zorgen dat belanghebbenden weten of een bepaalde aquacultuurinrichting al dan niet vrij is van een specifieke ziekte van categorie B of C, aan een uitroeiingsprogramma voor een specifieke ziekte van categorie B of C of een bewakingsprogramma voor een specifieke ziekte van categorie C is onderworpen, of geen van deze ziektestatussen heeft. Gezien de reikwijdte van de vereisten die in deze verordening zijn vastgesteld met betrekking tot de openbare beschikbaarheid van informatie over erkende aquacultuurinrichtingen, moet Beschikking 2008/392/EG bij deze verordening worden ingetrokken.

(22)

In de artikelen 186 en 187 van Verordening (EU) 2016/429 zijn de minimale documentatieverplichtingen voor exploitanten van aquacultuurinrichtingen vastgelegd. Aangezien waterdieren meestal niet individueel kunnen worden geïdentificeerd, is het bijhouden van gegevens met betrekking tot hun productie en verplaatsing van cruciaal belang. Hoewel de door de exploitanten van verschillende soorten aquacultuurinrichtingen bijgehouden gegevens overeenkomsten vertonen, moeten sommige soorten aquacultuurinrichtingen gegevens bijhouden die specifiek aan hen of aan de soorten aquacultuuractiviteiten die zij verrichten eigen zijn. Aangezien in artikel 189, lid 1, van die verordening is bepaald dat de Commissie gedelegeerde handelingen kan vaststellen met aanvullende regels voor documentatieverplichtingen, moeten in deze verordening afzonderlijke documentatieverplichtingen worden vastgesteld voor elke soort erkende aquacultuurinrichting.

(23)

In artikel 188 van Verordening (EU) 2016/429 zijn de minimale documentatieverplichtingen van vervoerders vastgesteld voor waterdieren die bestemd zijn voor aquacultuurinrichtingen en voor waterdieren die tussen habitats worden vervoerd. Vervoerders van waterdieren vertegenwoordigen een bijzonder risico voor de verspreiding van ziekten en het bijhouden van documentatie door deze vervoerders is van cruciaal belang voor de traceerbaarheid van de waterdieren die zij vervoeren, en om te kunnen aantonen dat zij passende biobeveiligingsmaatregelen toepassen. Bijgevolg moeten in deze verordening aanvullende voorschriften voor hun documentatieverplichtingen worden vastgesteld.

(24)

Deze verordening moet overeenkomstig de toepassingsdatum van Verordening (EU) 2016/429 met ingang van 21 april 2021 van toepassing zijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

DEEL I

ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Deze verordening vormt een aanvulling op de regels van Verordening (EU) 2016/429 met betrekking tot geregistreerde en erkende aquacultuurinrichtingen waar aquacultuurdieren worden gehouden en vervoerders van waterdieren.

2.   Deel II bevat voorschriften voor:

a)

de erkenning door de bevoegde autoriteit van aquacultuurinrichtingen die een aanzienlijk risico vormen voor waterdierziekten en bepaalde afwijkingen voor exploitanten van inrichtingen die voor deze ziekten geen significant risico vormen (titel I, hoofdstuk 1);

b)

aquacultuurinrichtingen en groepen daarvan en de verlening van goedkeuring door de bevoegde autoriteit (titel I, hoofdstuk 2);

c)

de informatieverplichtingen van de bevoegde autoriteit met betrekking tot registers van aquacultuurinrichtingen die overeenkomstig artikel 173 van Verordening (EU) 2016/429 zijn geregistreerd (titel II, hoofdstuk 1);

d)

de informatieverplichtingen van de bevoegde autoriteit met betrekking tot de registers van erkende aquacultuurinrichtingen (titel II, hoofdstuk 2);

e)

de documentatieverplichtingen van exploitanten van aquacultuurinrichtingen en ziektebestrijdende inrichtingen voor aquatische levensmiddelen die door de bevoegde autoriteit zijn geregistreerd of erkend, in aanvulling op die waarin is voorzien in artikel 186, lid 1, en artikel 187, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 (titel III, hoofdstuk 1);

f)

de documentatieverplichtingen van vervoerders van waterdieren, naast de in artikel 188, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 bedoelde verplichtingen (titel III, hoofdstuk 2).

3.   Deel III bevat bepaalde overgangsmaatregelen met betrekking tot Richtlijn 2006/88/EG en Beschikking 2008/392/EG met betrekking tot de registratie en erkenning van aquacultuurinrichtingen.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van onderhavige verordening gelden de definities van artikel 1 van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882.

Voorts wordt verstaan onder:

1.

“extensieve vijver”: een traditionele natuurlijke of kunstmatige vijver of lagune waar — uitzonderlijke omstandigheden daargelaten — de voedselbron voor de in deze vijver of lagune gehouden dieren natuurlijk is en waar geen maatregelen worden genomen om de productie tot boven de natuurlijke omgevingscapaciteit te verhogen;

2.

“zuiveringscentrum”: inrichting met waterbekkens die van schoon zeewater worden voorzien en waarin weekdieren worden gehouden gedurende de tijd die nodig is om de verontreiniging te verminderen, zodat zij geschikt worden voor menselijke consumptie;

3.

“verzendingscentrum”: op het land gevestigde of drijvende inrichting die is bedoeld voor het ontvangen, verwateren, wassen, reinigen, sorteren, onmiddellijk verpakken en verpakken van weekdieren die bestemd zijn voor menselijke consumptie;

4.

“heruitzettingsgebied”: een gebied in zoet water, in zee, in een estuarium of een lagune dat duidelijk met boeien, palen of andere verankerde materialen is afgebakend en dat uitsluitend bestemd is voor de natuurlijke zuivering van weekdieren;

5.

“afgezonderd” of “geïsoleerd” (met betrekking tot aquacultuurdieren in een aquacultuurinrichting): noch direct — omdat zij samen worden gehouden — noch indirect — via de watervoorziening — in contact komend met andere soorten waterdieren;

6.

“gesloten installatie”: een aquacultuurinrichting waarvan het afvalwater wordt onderworpen aan een behandeling waarmee verwekkers van in de lijst opgenomen ziekten of nieuwe ziekten geïnactiveerd kunnen worden voordat dat afvalwater in open wateren wordt geloosd;

7.

“open installatie”: een aquacultuurinrichting waarvan het afvalwater rechtstreeks in open wateren wordt geloosd zonder te worden behandeld om verwekkers van in de lijst opgenomen ziekten of nieuwe ziekten te inactiveren;

8.

“epidemiologisch gebied”: een afgebakend geografisch gebied waarbinnen de waterdieren dezelfde gezondheidsstatus hebben en hetzelfde risico lopen op een in de lijst opgenomen ziekte of een nieuwe ziekte;

9.

“biobeveiligingsplan”: een gedocumenteerd plan waarin — rekening houdend met de specifieke kenmerken van de inrichting — wordt aangegeven via welke routes ziekteverwekkers een aquacultuurinrichting kunnen binnenkomen, erin kunnen worden verspreid en daarvandaan kunnen worden overgebracht en waarin maatregelen worden vastgesteld om de geconstateerde bioveiligheidsrisico’s te beperken;

10.

“gemeenschappelijke biobeveiligingsmaatregelen”: de maatregelen die zijn opgenomen in een biobeveiligingsplan dat is ontworpen voor en wordt uitgevoerd door de afzonderlijke aquacultuurinrichtingen die deel uitmaken van een door de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 177 van Verordening (EU) 2016/429 erkende groep aquacultuurinrichtingen;

11.

“uniek registratienummer”: het nummer dat wordt toegekend aan een geregistreerde aquacultuurinrichting of groep aquacultuurinrichtingen als bedoeld in artikel 173 van Verordening (EU) 2016/429;

12.

“uniek erkenningsnummer”: het nummer dat door de bevoegde autoriteit wordt toegekend aan een door die autoriteit overeenkomstig artikel 173 van Verordening (EU) 2016/429 erkende aquacultuurinrichting of groep aquacultuurinrichtingen;

13.

“IMO-scheepsregistratienummer”: het unieke nummer dat door de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) aan zeeschepen wordt toegekend;

14.

“hygiënesluis”: biobeveiligingsmaatregelen zoals voetbaden, handen wassen, het zich omkleden e.d. die bedoeld zijn om de verspreiding van ziekten naar, binnen of vanuit een aquacultuurinrichting te bemoeilijken;

15.

“productie-eenheden”: troggen, vijvers, kweekbassins, tanks of bekkens, kooien, hokken of soortgelijke structuren die groepen aquacultuurdieren bevatten in een aquacultuurinrichting;

16.

“verhoogde sterfte”: een onverklaarde sterfte boven het niveau dat bij de heersende omstandigheden voor de desbetreffende aquacultuurinrichting of groep aquacultuurinrichtingen normaal wordt geacht;

17.

“bewakingsprogramma”: een vrijwillig programma van test- en bestrijdingsmaatregelen voor een ziekte van categorie C in een aquacultuurinrichting die niet deelneemt aan een uitroeiingsprogramma om de ziektevrije status te verkrijgen, maar waarbij de tests erop wijzen dat de aquacultuurinrichting niet met die ziekte van categorie C is geïnfecteerd.

DEEL II

REGISTRATIE, ERKENNING, REGISTERS EN DOCUMENTATIE

TITEL I

ERKENNING VAN EXPLOITANTEN VAN AQUACULTUURINRICHTINGEN DOOR DE BEVOEGDE AUTORITEIT

HOOFDSTUK 1

Erkenning van aquacultuurinrichtingen die een aanzienlijk risico vormen voor de verspreiding van ziekten en afwijkingen van het erkenningsvereiste

Artikel 3

Afwijkingen van het vereiste dat exploitanten bij de bevoegde autoriteit erkenning van aquacultuurinrichtingen aanvragen

1.   In afwijking van artikel 176, lid 1, onder a), van Verordening (EU) 2016/429 zijn exploitanten van de volgende soorten aquacultuurinrichtingen niet verplicht erkenning van hun aquacultuurinrichtingen bij de bevoegde autoriteit aan te vragen:

a)

aquacultuurinrichtingen waar aquacultuurdieren uitsluitend voor vrijlating in het wild worden gehouden;

b)

extensieve vijvers waar aquacultuurdieren worden gehouden voor rechtstreekse menselijke consumptie of voor vrijlating in het wild;

c)

zuiveringscentra die:

i)

overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 853/2004 zijn erkend, en

ii)

weekdieren ontvangen die uitsluitend afkomstig zijn uit het epidemiologisch gebied waarin de inrichting zich bevindt;

d)

verzendingscentra die:

i)

overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 853/2004 zijn erkend, en

ii)

weekdieren ontvangen die uitsluitend afkomstig zijn uit het epidemiologisch gebied waarin de inrichting zich bevindt;

e)

heruitzettingsgebieden die:

i)

overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 853/2004 zijn erkend, en

ii)

weekdieren ontvangen die uitsluitend afkomstig zijn uit het epidemiologisch gebied waarin de inrichting zich bevindt.

2.   Afwijkingen van de verplichting om de in lid 1 van dit artikel bedoelde erkenning bij de bevoegde autoriteit aan te vragen, gelden alleen voor aquacultuurinrichtingen waarvan de aquacultuurdieren niet naar een andere lidstaat worden overgebracht, behalve in het geval van weekdieren voor rechtstreekse menselijke consumptie, en alleen wanneer de bevoegde autoriteit een risicobeoordeling heeft afgerond waarbij:

a)

ten minste rekening is gehouden met de risicofactoren van deel I, hoofdstuk 2, onder a) en b), van bijlage VI bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689, en

b)

het risico dat de aquacultuurdieren in de aquacultuurinrichting een in de lijst opgenomen ziekte of een nieuwe ziekte oplopen of verspreiden, onbeduidend is gebleken.

Artikel 4

Soorten aquacultuurinrichtingen waarvoor erkenning door de bevoegde autoriteit is vereist

De exploitanten van de volgende soorten aquacultuurinrichtingen vragen de bevoegde autoriteit om erkenning overeenkomstig artikel 176, lid 1, onder b), van Verordening (EU) 2016/429:

a)

quarantaine-inrichtingen voor aquacultuurdieren;

b)

aquacultuurinrichtingen waar aquacultuurdieren van in de lijst opgenomen vectorsoorten afgezonderd worden gehouden totdat zij niet langer als vectoren worden beschouwd;

c)

aquacultuurinrichtingen die gesloten installaties zijn waar aquacultuurdieren voor sierdoeleinden worden gehouden, die vanwege hun verplaatsingspatronen een significant ziekterisico vormen;

d)

aquacultuurinrichtingen waar aquacultuurdieren voor sierdoeleinden in open installaties worden gehouden;

e)

vaartuigen of andere mobiele ruimten waar aquacultuurdieren tijdelijk worden gehouden om te worden behandeld of een andere houderijprocedure te ondergaan.

HOOFDSTUK 2

Vereisten en voorwaarden voor en erkenning van aquacultuurinrichtingen

Artikel 5

Vereiste dat erkende aquacultuurinrichtingen en groepen daarvan een biobeveiligingsplan hebben

De bevoegde autoriteit mag alleen aquacultuurinrichtingen als bedoeld in artikel 7 en de artikelen 9 tot en met 19, of groepen aquacultuurinrichtingen als bedoeld in artikel 8, erkennen indien hun exploitanten een biobeveiligingsplan hebben opgezet en gedocumenteerd:

a)

dat de routes identificeert waarlangs ziekteverwekkers in de aquacultuurinrichting of de groep aquacultuurinrichtingen kunnen binnenkomen, daarbinnen kunnen worden verspreid en daarvandaan kunnen worden overgebracht naar het milieu of naar andere aquacultuurinrichtingen;

b)

dat rekening houdt met de specifieke kenmerken van de individuele aquacultuurinrichting of groep aquacultuurinrichtingen en risicobeperkende maatregelen vaststelt voor elk geconstateerd bioveiligheidsrisico;

c)

tijdens het ontwerpen waarvan in voorkomend geval rekening is gehouden met de elementen van punt 1, onder a), van delen 1 tot en met 7 en 9 tot en met 12, en in punt 1, onder b), van deel 8 van bijlage I.

Artikel 6

Vereiste dat erkende aquacultuurinrichtingen en groepen daarvan deelnemen aan een risicogebaseerde bewakingsregeling

1.   De bevoegde autoriteit mag aquacultuurinrichtingen als bedoeld in de artikelen 7, 17 en 18 van deze verordening alleen erkennen als de exploitanten voldoen aan de risicogebaseerde bewaking van de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 26 van Verordening (EU) 2016/429, in de vorm van een risicogebaseerde bewakingsregeling, zoals beschreven in deel 1 en deel 2, punt 1, van bijlage II bij deze verordening.

2.   De bevoegde autoriteit mag groepen van aquacultuurinrichtingen als bedoeld in artikel 8 van deze verordening, alleen erkennen als de exploitanten voldoen aan de risicogebaseerde bewaking van de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 26 van Verordening (EU) 2016/429, in de vorm van een risicogebaseerde bewakingsregeling zoals beschreven in deel 1 en deel 2, punt 2, van bijlage II bij deze verordening.

3.   Bij de erkenning van aquacultuurinrichtingen of groepen daarvan als bedoeld in de leden 1 en 2, houdt de bevoegde autoriteit rekening met de volgende elementen en neemt zij deze op in de risicogebaseerde bewakingsregeling:

a)

het resultaat van de door de exploitant overeenkomstig artikel 24 van Verordening (EU) 2016/429 verrichte bewaking;

b)

de informatie die is verkregen uit diergezondheidsinspecties die een dierenarts overeenkomstig artikel 25 van Verordening (EU) 2016/429 heeft verricht, voor zover de exploitanten deze informatie ter beschikking stellen.

Artikel 7

Voorwaarden voor de erkenning van aquacultuurinrichtingen waar aquacultuurdieren worden gehouden om daarvandaan levend of als producten van aquacultuurdierlijke oorsprong te worden verplaatst, met uitzondering van aquacultuurinrichtingen waarvoor in de artikelen 12 tot en met 19 specifieke eisen zijn vastgesteld

Alvorens daaraan een erkenning te verlenen, vergewist de bevoegde autoriteit zich ervan dat aquacultuurinrichtingen waar aquacultuurdieren worden gehouden om daarvandaan levend of als producten van aquacultuurdierlijke oorsprong te worden verplaatst, met uitzondering van de in de artikelen 12 tot en met 19 bedoelde aquacultuurinrichtingen, voldoen aan de vereisten inzake:

a)

risicogebaseerde bewaking van artikel 6, lid 1;

b)

biobeveiligingsmaatregelen van bijlage I, deel 1, punt 1;

c)

voorzieningen en uitrusting van bijlage I, deel 1, punt 2.

Artikel 8

Voorwaarden voor de erkenning van groepen aquacultuurinrichtingen waar aquacultuurdieren worden gehouden om daarvandaan levend of als producten van aquacultuurdierlijke oorsprong te worden verplaatst

Alvorens daaraan een erkenning te verlenen, vergewist de bevoegde autoriteit zich ervan dat groepen aquacultuurinrichtingen waar aquacultuurdieren worden gehouden om daarvandaan levend of als producten van aquacultuurdierlijke oorsprong te worden verplaatst, voldoen aan de vereisten inzake:

a)

risicogebaseerde bewaking van artikel 6, lid 2;

b)

biobeveiligingsmaatregelen voor tot de groep behorende aquacultuurinrichtingen van bijlage I, deel 2, punt 1;

c)

voorzieningen en uitrusting van bijlage I, deel 2, punt 2.

Artikel 9

Voorwaarden voor de erkenning van geconsigneerde aquacultuurinrichtingen

Alvorens daaraan een erkenning te verlenen, vergewist de bevoegde autoriteit zich ervan dat de geconsigneerde aquacultuurinrichtingen voldoen aan de vereisten inzake:

a)

de regelingen voor inrichtingen waar het post-mortemonderzoek wordt uitgevoerd en de verplichting om een bedrijfsdierenarts in dienst te nemen van artikel 10;

b)

biobeveiligingsmaatregelen van bijlage I, deel 3, punt 1;

c)

bewaking en bestrijding van bijlage I, deel 3, punt 2;

d)

voorzieningen en uitrusting van bijlage I, deel 3, punt 3.

Artikel 10

Verplichtingen van exploitanten van geconsigneerde aquacultuurinrichtingen

Voordat de erkenning door de bevoegde autoriteit kan worden verleend, zorgen exploitanten van geconsigneerde aquacultuurinrichtingen ervoor:

a)

regelingen te hebben getroffen voor de uitvoering van veterinaire post-mortemonderzoek in daartoe geschikte voorzieningen binnen de geconsigneerde aquacultuurinrichting of in een laboratorium;

b)

zich door middel van een overeenkomst of een ander rechtsinstrument te hebben verzekerd van de diensten van een bedrijfsdierenarts, die verantwoordelijk is voor:

i)

dat er toezicht is op de activiteiten van de geconsigneerde aquacultuurinrichting en dat de voorwaarden voor de erkenning zoals vastgesteld in artikel 9 worden nageleefd;

ii)

het in bijlage I, deel 3, punt 2, onder a), bedoelde ziektebewakingsplan te hebben herzien.

Artikel 11

Voorwaarden voor de erkenning van ziektebestrijdende inrichtingen voor aquatische levensmiddelen

Alvorens daaraan een erkenning te verlenen, vergewist de bevoegde autoriteit zich ervan dat ziektebestrijdende inrichtingen voor aquatische levensmiddelen voldoen aan de vereisten inzake:

a)

biobeveiligingsmaatregelen van bijlage I, deel 4, punt 1;

b)

voorzieningen en uitrusting van bijlage I, deel 4, punt 2.

Artikel 12

Voorwaarden voor de erkenning van andere zuiveringscentra dan die bedoeld in artikel 3, lid 1, onder c)

Alvorens daaraan een erkenning te verlenen, vergewist de bevoegde autoriteit zich ervan dat andere zuiveringscentra dan die welke zijn bedoeld in artikel 3, lid 1, onder c), voldoen aan de vereisten inzake:

a)

biobeveiligingsmaatregelen van bijlage I, deel 5, punt 1;

b)

voorzieningen en uitrusting van bijlage I, deel 5, punt 2.

Artikel 13

Voorwaarden voor de erkenning van andere verzendingscentra dan bedoeld in artikel 3, lid 1, onder d)

Alvorens daaraan een erkenning te verlenen, vergewist de bevoegde autoriteit zich ervan dat andere verzendingscentra dan die bedoeld in artikel 3, lid 1, onder d), voldoen aan de vereisten inzake:

a)

biobeveiligingsmaatregelen van bijlage I, deel 6, punt 1;

b)

voorzieningen en uitrusting van bijlage I, deel 6, punt 2.

Artikel 14

Voorwaarden voor de erkenning van andere heruitzettingsgebieden dan die bedoeld in artikel 3, lid 1, onder e)

Alvorens daaraan een erkenning te verlenen, vergewist de bevoegde autoriteit zich ervan dat de andere heruitzettingsgebieden dan die als bedoeld in artikel 3, lid 1, onder e), voldoen aan de vereisten inzake:

a)

biobeveiligingsmaatregelen van bijlage I, deel 7, punt 1;

b)

voorzieningen en uitrusting van bijlage I, deel 7, punt 2.

Artikel 15

Voorwaarden voor de erkenning van quarantaine-inrichtingen

Alvorens daaraan een erkenning te verlenen, vergewist de bevoegde autoriteit zich ervan dat de quarantaine-inrichtingen voldoen aan de vereisten inzake:

a)

biobeveiligingsmaatregelen van bijlage I, deel 8, punt 1;

b)

bewaking en bestrijding van bijlage I, deel 8, punt 2;

c)

voorzieningen en uitrusting van bijlage I, deel 8, punt 3.

Artikel 16

Voorwaarden voor de erkenning van aquacultuurinrichtingen waar aquacultuurdieren van in de lijst opgenomen vectorsoorten afgezonderd worden gehouden totdat zij niet langer als vectoren worden beschouwd

Alvorens daaraan een erkenning te verlenen, vergewist de bevoegde autoriteit zich ervan dat aquacultuurinrichtingen die aquacultuurdieren van in de lijst opgenomen vectorsoorten afgezonderd houden totdat zij niet langer als vectoren worden beschouwd, voldoen aan de vereisten inzake:

a)

biobeveiligingsmaatregelen van bijlage I, deel 9, punt 1;

b)

bewaking en bestrijding van bijlage I, deel 9, punt 2;

c)

voorzieningen en uitrusting van bijlage I, deel 9, punt 3.

Artikel 17

Voorwaarden voor erkenning van aquacultuurinrichtingen die gesloten installaties zijn waar aquacultuurdieren voor sierdoeleinden worden gehouden, die vanwege hun verplaatsingspatronen een significant ziekterisico vormen

Bij het verlenen van de erkenning ziet de bevoegde autoriteit erop toe dat aquacultuurinrichtingen die gesloten inrichtingen zijn waar aquacultuurdieren worden gehouden voor sierdoeleinden die door hun bewegingspatronen een significant ziekterisico vormen, voldoen aan de voorschriften inzake:

a)

risicogebaseerde bewaking van artikel 6, lid 1;

b)

biobeveiligingsmaatregelen van bijlage I, deel 10, punt 1;

c)

voorzieningen en uitrusting van bijlage I, deel 10, punt 2.

Artikel 18

Voorwaarden voor erkenning van aquacultuurinrichtingen die open installaties zijn waar aquacultuurdieren voor sierdoeleinden worden gehouden

Alvorens een erkenning te verlenen, vergewist de bevoegde autoriteit zich ervan dat aquacultuurinrichtingen die open installaties zijn waar aquacultuurdieren worden gehouden voor sierdoeleinden, voldoen aan de voorschriften inzake:

a)

risicogebaseerde bewaking van artikel 6, lid 1;

b)

biobeveiligingsmaatregelen van bijlage I, deel 11, punt 1;

c)

voorzieningen en uitrusting van bijlage I, deel 11, punt 2.

Artikel 19

Voorwaarden voor de erkenning van vaartuigen of andere mobiele ruimten waar aquacultuurdieren tijdelijk worden gehouden om te worden behandeld of om een andere houderijprocedure te ondergaan

Alvorens daaraan een erkenning te verlenen, vergewist de bevoegde autoriteit zich ervan dat schepen of andere mobiele ruimten waar aquacultuurdieren tijdelijk worden gehouden om te worden behandeld of om een andere houderijprocedure te ondergaan, voldoen aan de vereisten inzake:

a)

biobeveiligingsmaatregelen van bijlage I, deel 12, punt 1;

b)

voorzieningen en uitrusting van bijlage I, deel 12, punt 2.

TITEL II

DOOR DE BEVOEGDE AUTORITEIT BIJ TE HOUDEN REGISTERS VAN GEREGISTREERDE EN ERKENDE AQUACULTUURINRICHTINGEN

HOOFDSTUK 1

Door de bevoegde autoriteit bij te houden registers van aquacultuurinrichtingen

Artikel 20

Informatieverplichting van de bevoegde autoriteit met betrekking tot het register van geregistreerde aquacultuurinrichtingen

Naast de op grond van artikel 185, lid 2, van Verordening (EU) 2016/429 vereiste informatie moet de bevoegde autoriteit voor elke aquacultuurinrichting die zij registreert, de volgende informatie opnemen in het in artikel 185, lid 1, onder a), van die verordening bedoelde register van aquacultuurinrichtingen:

a)

het door de bevoegde autoriteit toegewezen unieke registratienummer;

b)

de datum van registratie door de bevoegde autoriteit;

c)

het adres en de geografische coördinaten (lengte- en breedtegraad) van de locatie waar de aquacultuurinrichting zich bevindt;

d)

een beschrijving van de voorzieningen en uitrusting van de inrichting;

e)

de categorieën aquacultuurdieren die in de aquacultuurinrichting worden gehouden;

f)

een schatting van het totale aantal en/of de maximale biomassa van de aquacultuurdieren die in de aquacultuurinrichting gehouden kunnen worden;

g)

de periode gedurende welke aquacultuurdieren in de aquacultuurinrichting worden gehouden indien deze niet voortdurend bezet is, met inbegrip van informatie over seizoensgebonden of met bepaalde evenementen samenhangende bezetting, in voorkomend geval;

h)

de datum van elke stopzetting van de activiteiten, wanneer de exploitant de bevoegde autoriteit daarvan in kennis heeft gesteld.

HOOFDSTUK 2

Registers van door de bevoegde autoriteit erkende aquacultuurinrichtingen

Artikel 21

Informatieverplichting van de bevoegde autoriteit met betrekking tot registers van erkende aquacultuurinrichtingen

1.   Naast de op grond van artikel 185, lid 2, van Verordening (EU) 2016/429 vereiste informatie moet de bevoegde autoriteit voor elke aquacultuurinrichting of groep aquacultuurinrichtingen die zij erkent, de volgende informatie opnemen in het in artikel 185, lid 1, onder b) en c), van die verordening bedoelde register van erkende aquacultuurinrichtingen:

a)

het door de bevoegde autoriteit toegewezen unieke erkenningsnummer;

b)

de datum van de door de bevoegde autoriteit verleende erkenning of van een eventuele schorsing of intrekking van die erkenning door de bevoegde autoriteit;

c)

het adres en de geografische coördinaten (lengte- en breedtegraad) van de locatie waar de erkende aquacultuurinrichting of groep aquacultuurinrichtingen zich bevindt;

d)

een beschrijving van de relevante voorzieningen en uitrusting van de inrichting of groep inrichtingen;

e)

de categorieën aquacultuurdieren die in de aquacultuurinrichting of groep aquacultuurinrichtingen worden gehouden;

f)

een schatting van het totale aantal en/of de maximale biomassa van de aquacultuurdieren die in de aquacultuurinrichting of groep aquacultuurinrichtingen gehouden kunnen worden;

g)

de periode gedurende welke aquacultuurdieren in de aquacultuurinrichting of groep aquacultuurinrichtingen worden gehouden indien deze niet voortdurend bezet is, met inbegrip van informatie over seizoensgebonden of met bepaalde evenementen samenhangende bezetting, in voorkomend geval;

h)

de datum van elke stopzetting van de activiteiten, wanneer de exploitant de bevoegde autoriteit daarvan in kennis heeft gesteld.

2.   Naast de op grond van artikel 185, lid 3, van Verordening (EU) 2016/429 vereiste informatie moet de bevoegde autoriteit op een openlijk toegankelijke internetpagina actuele informatie bieden over de gezondheidsstatus van de aquacultuurdieren die worden gehouden in aquacultuurinrichtingen of groepen aquacultuurinrichtingen die overeenkomstig artikel 181, lid 1, van die verordening zijn erkend.

Die actuele gezondheidsinformatie vermeldt ten minste de gezondheidsstatus van de aquacultuurinrichting of groep aquacultuurinrichtingen met betrekking tot elke relevante, in de lijst opgenomen ziekte en elke relevante categorie daarvan, als volgt:

a)

of de inrichting of groep inrichtingen vrij is van een ziekte van categorie B of C;

b)

of de inrichting of groep inrichtingen deel uitmaakt van een uitroeiingsprogramma voor een ziekte van categorie B of C;

c)

of de inrichting of groep inrichtingen een vrijwillig bewakingsprogramma uitvoert voor een ziekte van categorie C, of

d)

alle andere informatie met betrekking tot ziekten van categorie B, C of D, anders dan de onder a), b) en c) genoemde informatie.

TITEL III

DOCUMENTATIEVERPLICHTINGEN VAN DE EXPLOITANTEN IN AANVULLING OP DIE VAN VERORDENING (EU) 2016/429

HOOFDSTUK 1

Door exploitanten van geregistreerde of erkende aquacultuurinrichtingen bij te houden gegevens

Artikel 22

Documentatieverplichtingen van exploitanten van geregistreerde aquacultuurinrichtingen

Naast de op grond van artikel 186, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 vereiste informatie registreren en bewaren de exploitanten van geregistreerde aquacultuurinrichtingen de volgende informatie:

a)

het unieke registratienummer dat de bevoegde autoriteit aan de aquacultuurinrichting heeft toegekend;

b)

nadere gegevens over eventuele onderzoeken die zijn verricht naar aanleiding van verhoogde sterfte of het vermoeden van de aanwezigheid van een ziekte;

c)

documenten met eigen verklaring die overeenkomstig artikel 218 van Verordening (EU) 2016/429 zijn opgesteld en die met in de aquacultuurinrichting aangekomen zendingen aquacultuurdieren zijn ontvangen dan wel met vanuit de aquacultuurinrichting verzonden zendingen zijn verstuurd;

d)

alle andere documenten waarvan de waterdieren vergezeld gaan, in voorkomend geval.

Artikel 23

Documentatieverplichtingen van exploitanten van andere erkende aquacultuurinrichtingen waar aquacultuurdieren worden gehouden om daarvandaan levend of als producten van aquacultuurdierlijke oorsprong te worden verplaatst dan de in de artikelen 27 tot en met 34 bedoelde aquacultuurinrichtingen

Naast de op grond van artikel 186, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 vereiste informatie registreren en bewaren de exploitanten van andere erkende aquacultuurinrichtingen waar aquacultuurdieren worden gehouden om daarvandaan levend of als producten van aquacultuurdierlijke oorsprong te worden verplaatst dan de in de artikelen 27 tot en met 34 van deze verordening bedoelde aquacultuurinrichtingen:

a)

het door de bevoegde autoriteit aan de aquacultuurinrichting toegekende unieke erkenningsnummer;

b)

de huidige, door de bevoegde autoriteit aan de aquacultuurinrichting toegewezen risicocategorie;

c)

bijzonderheden over de uitvoering en de resultaten van de in artikel 6, lid 1, bedoelde risicogebaseerde bewaking;

d)

gegevens over verplaatsingen naar de aquacultuurinrichting, met inbegrip van:

i)

de unieke erkennings- of registratienummers van de aquacultuurinrichtingen van oorsprong van alle aquacultuurdieren die van andere aquacultuurinrichtingen zijn ontvangen, of

ii)

de locatie van de habitat waar wilde waterdieren zijn verzameld alvorens naar de aquacultuurinrichting te zijn verzonden;

e)

gegevens over verplaatsingen vanuit de aquacultuurinrichting, met inbegrip van:

i)

aquacultuurdieren en producten van aquacultuurdierlijke oorsprong en, in het geval van verplaatsingen van aquacultuurdieren, met inbegrip van het unieke registratie- of erkenningsnummer van de aquacultuurinrichting van bestemming, of

ii)

in het geval van verplaatsingen naar het wild, de gegevens van de habitat waarin de aquacultuurdieren zullen worden vrijgelaten;

f)

de namen en adressen van de vervoerders die waterdieren leveren aan of aquacultuurdieren ophalen bij de inrichting;

g)

het biobeveiligingsplan voor de erkende aquacultuurinrichting en bewijs van de uitvoering daarvan;

h)

documenten met eigen verklaring die ter naleving van artikel 218 van Verordening (EU) 2016/429 zijn opgesteld en die met in de aquacultuurinrichting aangekomen zendingen aquacultuurdieren zijn ontvangen dan wel met vanuit de aquacultuurinrichting verzonden zendingen zijn verstuurd;

i)

alle andere documenten waarvan de waterdieren vergezeld gaan, in voorkomend geval.

Artikel 24

Documentatieverplichtingen van exploitanten van erkende groepen aquacultuurinrichtingen waar aquacultuurdieren worden gehouden om daarvandaan levend of als producten van aquacultuurdierlijke oorsprong te worden verplaatst

1.   Naast de op grond van artikel 186, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 vereiste informatie registreren en bewaren de exploitanten van aquacultuurinrichtingen die deel uitmaken van een groep aquacultuurinrichtingen die overeenkomstig artikel 177, onder a), van Verordening (EU) 2016/429 is erkend, de volgende informatie:

a)

het door de bevoegde autoriteit aan de aquacultuurinrichting toegekende unieke erkenningsnummer;

b)

de huidige, door de bevoegde autoriteit aan de groep aquacultuurinrichtingen toegewezen risicocategorie;

c)

bijzonderheden over de uitvoering en de resultaten van de in artikel 6, lid 2, bedoelde risicogebaseerde bewaking;

d)

gegevens over verplaatsingen naar de aquacultuurinrichting, met inbegrip van:

i)

de unieke erkennings- of registratienummers van de aquacultuurinrichtingen van oorsprong van alle aquacultuurdieren die van andere aquacultuurinrichtingen buiten de groep zijn ontvangen, of

ii)

de locatie van de habitat waar wilde waterdieren zijn verzameld alvorens naar de aquacultuurinrichting te zijn verzonden;

e)

gegevens over verplaatsingen vanuit de groep aquacultuurinrichtingen, met inbegrip van:

i)

aquacultuurdieren en producten van aquacultuurdierlijke oorsprong en, in het geval van verplaatsingen van aquacultuurdieren, met inbegrip van het unieke registratie- of erkenningsnummer van de inrichting van bestemming, wanneer aquacultuurdieren worden verzonden naar een andere inrichting buiten de groep, of

ii)

in het geval van verplaatsingen naar het wild, de gegevens van de habitat waarin de aquacultuurdieren zullen worden vrijgelaten;

f)

de namen en adressen van de vervoerders die waterdieren leveren aan of aquacultuurdieren ophalen bij de aquacultuurinrichting;

g)

nadere gegevens over het toegepaste biobeveiligingsplan en bewijs van de uitvoering ervan;

h)

documenten met eigen verklaring die ter naleving van artikel 218 van Verordening (EU) 2016/429 zijn opgesteld en die met in de aquacultuurinrichting aangekomen zendingen aquacultuurdieren zijn ontvangen dan wel met vanuit de aquacultuurinrichting verzonden zendingen zijn verstuurd;

i)

alle andere documenten waarvan de waterdieren vergezeld gaan, in voorkomend geval.

2.   De exploitant van een overeenkomstig artikel 177, onder b), van Verordening (EU) 2016/429 erkende groep aquacultuurinrichtingen registreert of bewaart de in lid 1, onder a) tot en met i), vermelde gegevens namens elke aquacultuurinrichting in de groep.

Artikel 25

Documentatieverplichtingen van exploitanten van erkende geconsigneerde aquacultuurinrichtingen

Naast de op grond van artikel 186, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 vereiste informatie registreren en bewaren de exploitanten van erkende geconsigneerde aquacultuurinrichtingen de volgende informatie:

a)

het door de bevoegde autoriteit aan de geconsigneerde aquacultuurinrichting toegekende unieke erkenningsnummer;

b)

gegevens over verplaatsingen van en naar de geconsigneerde aquacultuurinrichting, met inbegrip van de unieke registratie- of erkenningsnummers van de aquacultuurinrichtingen van oorsprong of bestemming van alle aquacultuurdieren die van andere aquacultuurinrichtingen zijn ontvangen of naar andere aquacultuurinrichtingen zijn verzonden;

c)

de namen en adressen van de vervoerders die aquacultuurdieren leveren aan of ophalen bij de geconsigneerde aquacultuurinrichting;

d)

bijzonderheden over de uitvoering en de resultaten van het in bijlage I, deel 3, punt 2, bedoelde ziektebewakingsplan;

e)

de resultaten van de klinische en de laboratoriumtests en het post-mortemonderzoek dat is uitgevoerd naar aanleiding van verhoogde sterfte of het vermoeden van de aanwezigheid van een ziekte;

f)

voor zover relevant, bijzonderheden over de in bijlage I, deel 3, punt 2, onder c), bedoelde vaccinatie of behandeling van aquacultuurdieren;

g)

gegevens over de afzondering of quarantaine van binnenkomende aquacultuurdieren, eventuele instructies van de bevoegde autoriteit met betrekking tot afzondering of quarantaine, en tijdens de isolatie- of quarantaineperiode gedane relevante waarnemingen;

h)

het biobeveiligingsplan voor de geconsigneerde aquacultuurinrichting;

i)

alle andere documenten waarvan de aquacultuurdieren vergezeld gaan, in voorkomend geval.

Artikel 26

Documentatieverplichtingen van exploitanten van ziektebestrijdende inrichtingen voor aquatische levensmiddelen

Naast de op grond van artikel 187, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 vereiste informatie registreren en bewaren exploitanten van ziektebestrijdende inrichtingen voor aquatische levensmiddelen de volgende informatie:

a)

het door de bevoegde autoriteit aan de ziektebestrijdende inrichting voor aquatische levensmiddelen toegekende unieke erkenningsnummer;

b)

het biobeveiligingsplan voor de ziektebestrijdende inrichting voor aquatische levensmiddelen en bewijs van de uitvoering daarvan;

c)

onderhoudsgegevens voor het afvalwaterbehandelingssysteem dat in de ziektebestrijdende inrichting voor aquatische levensmiddelen wordt gebruikt;

d)

gegevens om de doeltreffendheid van het waterbehandelingssysteem te verifiëren;

e)

de namen en adressen van de vervoerders die waterdieren aan de ziektebestrijdende inrichting voor aquatische levensmiddelen leveren;

f)

alle andere documenten waarvan de waterdieren vergezeld gaan, in voorkomend geval.

Artikel 27

Documentatieverplichtingen van exploitanten van erkende zuiveringscentra

Naast de op grond van artikel 186, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 vereiste informatie registreren en bewaren de exploitanten van erkende zuiveringscentra de volgende informatie:

a)

het door de bevoegde autoriteit aan het erkende zuiveringscentrum toegekende unieke erkenningsnummer;

b)

het biobeveiligingsplan voor het erkende zuiveringscentrum en bewijs van de uitvoering ervan;

c)

onderhoudsgegevens voor het afvalwaterzuiveringssysteem dat in het erkende zuiveringscentrum wordt gebruikt;

d)

gegevens om de doeltreffendheid van het waterbehandelingssysteem te verifiëren;

e)

alle andere documenten waarvan de waterdieren vergezeld gaan, in voorkomend geval.

Artikel 28

Documentatieverplichtingen van exploitanten van erkende verzendingscentra

Naast de op grond van artikel 186, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 vereiste informatie registreren de exploitanten van erkende verzendingscentra de volgende informatie:

a)

het door de bevoegde autoriteit aan het erkende verzendingscentrum toegekende unieke erkenningsnummer;

b)

het biobeveiligingsplan voor het erkende verzendingscentrum en bewijs van de uitvoering ervan;

c)

onderhoudsgegevens voor het afvalwaterzuiveringssysteem dat in het erkende verzendingscentrum wordt gebruikt;

d)

gegevens om de doeltreffendheid van het waterbehandelingssysteem te verifiëren;

e)

alle andere documenten waarvan de waterdieren vergezeld gaan, in voorkomend geval.

Artikel 29

Documentatieverplichtingen van exploitanten van erkende heruitzettingsgebieden

Naast de op grond van artikel 186, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 vereiste informatie registreren de exploitanten van erkende heruitzettingsgebieden de volgende informatie:

a)

het door de bevoegde autoriteit aan het erkende heruitzettingsgebied toegekende unieke erkenningsnummer;

b)

het biobeveiligingsplan voor het erkende heruitzettingsgebied en bewijs van de toepassing ervan;

c)

alle andere documenten waarvan de waterdieren vergezeld gaan, in voorkomend geval.

Artikel 30

Documentatieverplichtingen van exploitanten van erkende quarantaine-inrichtingen voor aquacultuurdieren

Naast de op grond van artikel 186, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 vereiste informatie registreren en bewaren exploitanten van erkende quarantaine-inrichtingen voor aquacultuurdieren de volgende informatie:

a)

het door de bevoegde autoriteit aan de quarantaine-inrichting toegekende unieke erkenningsnummer;

b)

gegevens over verplaatsingen naar de erkende quarantaine-inrichting, met inbegrip van:

i)

de unieke registratie- of erkenningsnummers van de aquacultuurinrichtingen van oorsprong van alle aquacultuurdieren die van andere aquacultuurinrichtingen zijn ontvangen, of

ii)

de locatie van de habitat waar de waterdieren zijn verzameld alvorens naar de erkende quarantaine-inrichting te zijn verzonden;

c)

gegevens over de bewegingen vanuit de erkende quarantaine-inrichting, met inbegrip van:

i)

de unieke registratie- of erkenningsnummer van de inrichting van de aquacultuurinrichting van bestemming, of

ii)

de locatie van de habitat waarin de aquacultuurdieren in het wild zijn vrijgelaten;

d)

de namen en adressen van de vervoerders die waterdieren leveren aan of aquacultuurdieren ophalen bij de erkende quarantaine-inrichting;

e)

bijzonderheden over de uitvoering en de resultaten van de in bijlage I, deel 8, punt 2, bedoelde ziektebewaking;

f)

de resultaten van de in bijlage I, deel 8, punt 2, bedoelde klinische tests, laboratoriumtests en post-mortemonderzoeken;

g)

eventuele instructies van de bevoegde autoriteit met betrekking tot tijdens de isolatie- of quarantaineperiode gedane waarnemingen;

h)

het biobeveiligingsplan voor de erkende quarantaine-inrichting en bewijs van de uitvoering ervan;

i)

bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de milieuparameters in de erkende quarantaine-inrichting bevorderlijk zijn voor het tot uitdrukking komen van de desbetreffende in de lijst opgenomen of nieuwe ziekte(n);

j)

alle andere documenten waarvan de waterdieren vergezeld gaan, in voorkomend geval.

Artikel 31

Documentatieverplichtingen van exploitanten van erkende aquacultuurinrichtingen waar aquacultuurdieren van in de lijst opgenomen vectorsoorten afgezonderd worden gehouden totdat zij niet langer als vectoren worden beschouwd

Naast de op grond van artikel 186, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 vereiste informatie registreren en bewaren exploitanten van erkende aquacultuurinrichtingen waar aquacultuurdieren van in de lijst opgenomen vectorsoorten afgezonderd worden gehouden totdat zij niet langer als vectoren worden beschouwd, de volgende informatie:

a)

het door de bevoegde autoriteit aan de aquacultuurinrichting toegekende unieke erkenningsnummer;

b)

gegevens over verplaatsingen naar de erkende aquacultuurinrichting, met inbegrip van:

i)

de unieke registratie- of erkenningsnummers van de aquacultuurinrichtingen van oorsprong van alle aquacultuurdieren die van andere aquacultuurinrichtingen zijn ontvangen, of

ii)

de locatie van de habitat waaruit de waterdieren zijn verzameld voordat zij naar de erkende aquacultuurinrichting zijn verzonden;

c)

gegevens over de bewegingen vanuit de erkende aquacultuurinrichting, met inbegrip van:

i)

de unieke registratie- of erkenningsnummer van de inrichting van de aquacultuurinrichting van bestemming, of

ii)

in het geval van verplaatsingen naar het wild, de gegevens van de habitat waarin de aquacultuurdieren zullen worden vrijgelaten;

d)

de namen en adressen van de vervoerders die waterdieren leveren aan of aquacultuurdieren ophalen bij de erkende aquacultuurinrichting;

e)

bijzonderheden over de uitvoering en de resultaten van de in bijlage I, deel 9, punt 2, bedoelde ziektebewaking;

f)

de resultaten van de in bijlage I, deel 9, punt 2, bedoelde klinische tests, laboratoriumtests en post-mortemonderzoeken;

g)

eventuele instructies van de bevoegde autoriteit naar aanleiding van opmerkingen die zijn gemaakt tijdens de in punt 2 van deel 9 van bijlage I bedoelde afzonderingsperiode van 90 dagen;

h)

het biobeveiligingsplan voor de erkende aquacultuurinrichting en bewijs van de uitvoering daarvan;

i)

alle andere documenten waarvan de waterdieren vergezeld gaan, in voorkomend geval.

Artikel 32

Documentatieverplichtingen van exploitanten van erkende aquacultuurinrichtingen die gesloten installaties zijn waar aquacultuurdieren voor sierdoeleinden worden gehouden

Naast de op grond van artikel 186, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 vereiste informatie registreren en bewaren exploitanten van erkende aquacultuurinrichtingen die gesloten installaties zijn waar aquacultuurdieren voor sierdoeleinden worden gehouden, de volgende gegevens:

a)

het door de bevoegde autoriteit aan de aquacultuurinrichting toegekende unieke erkenningsnummer;

b)

de huidige, door de bevoegde autoriteit aan de erkende aquacultuurinrichting toegewezen risicocategorie;

c)

bijzonderheden over de uitvoering en de resultaten van de in artikel 6, lid 1, bedoelde risicogebaseerde bewaking, voor zover van toepassing;

d)

gegevens over de verplaatsingen naar de erkende aquacultuurinrichting, met inbegrip van de unieke registratie- of erkenningsnummers van de aquacultuurinrichtingen van oorsprong van alle aquacultuurdieren die van andere aquacultuurinrichtingen zijn ontvangen;

e)

gegevens over verplaatsingen vanuit de erkende aquacultuurinrichting, met inbegrip van de unieke registratie- of erkenningsnummers van de aquacultuurinrichtingen van bestemming, behalve bij verplaatsingen naar huishoudens;

f)

de namen en adressen van de vervoerders die waterdieren leveren aan of aquacultuurdieren ophalen bij de erkende aquacultuurinrichting, behalve bij verplaatsingen naar huishoudens;

g)

het biobeveiligingsplan voor de erkende aquacultuurinrichting en bewijs van de uitvoering daarvan;

h)

documenten met eigen verklaring die ter naleving van artikel 218 van Verordening (EU) 2016/429 zijn opgesteld en die met in de erkende aquacultuurinrichting aangekomen zendingen aquacultuurdieren zijn ontvangen dan wel met vanuit de erkende aquacultuurinrichting verzonden zendingen zijn verstuurd;

i)

alle andere documenten waarvan de aquacultuurdieren vergezeld gaan, in voorkomend geval.

Artikel 33

Documentatieverplichtingen van exploitanten van erkende aquacultuurinrichtingen die open installaties zijn waar aquacultuurdieren voor sierdoeleinden worden gehouden

Naast de op grond van artikel 186, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 vereiste informatie registreren en bewaren exploitanten van erkende aquacultuurinrichtingen die open installaties zijn waar aquacultuurdieren voor sierdoeleinden worden gehouden, de volgende gegevens:

a)

het door de bevoegde autoriteit aan de aquacultuurinrichting toegekende unieke erkenningsnummer;

b)

de huidige, door de bevoegde autoriteit aan de erkende aquacultuurinrichting toegewezen risicocategorie;

c)

bijzonderheden over de uitvoering en de resultaten van de in artikel 6, lid 1, bedoelde risicogebaseerde bewaking, voor zover van toepassing;

d)

gegevens over de verplaatsingen naar de erkende aquacultuurinrichting, met inbegrip van de unieke registratie- of erkenningsnummers van de aquacultuurinrichtingen van oorsprong van alle aquacultuurdieren die van andere aquacultuurinrichtingen zijn ontvangen;

e)

gedetailleerde gegevens over verplaatsingen vanuit de erkende aquacultuurinrichting, met inbegrip van de unieke registratie- of erkenningsnummers van de aquacultuurinrichtingen van bestemming, behalve bij verplaatsingen naar huishoudens;

f)

de namen en adressen van de vervoerders die waterdieren leveren aan of aquacultuurdieren ophalen bij de erkende aquacultuurinrichting, behalve bij verplaatsingen naar huishoudens;

g)

het biobeveiligingsplan voor de erkende aquacultuurinrichting en bewijs van de uitvoering daarvan;

h)

documenten met eigen verklaring die ter naleving van artikel 218 van Verordening (EU) 2016/429 zijn opgesteld en die met in de erkende aquacultuurinrichting aangekomen zendingen aquacultuurdieren zijn ontvangen dan wel met vanuit de erkende aquacultuurinrichting verzonden zendingen zijn verstuurd;

i)

alle andere documenten waarvan de waterdieren vergezeld gaan, in voorkomend geval.

Artikel 34

Documentatieverplichtingen van exploitanten van erkende vaartuigen of andere erkende mobiele ruimten waar aquacultuurdieren tijdelijk worden gehouden om te worden behandeld of een andere houderijprocedure te ondergaan

Naast de op grond van artikel 186, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 vereiste informatie registeren en bewaren exploitanten van erkende vaartuigen of andere mobiele ruimten waar aquacultuurdieren tijdelijk worden gehouden om te worden behandeld of een andere houderijprocedure te ondergaan, de volgende informatie:

a)

het door de bevoegde autoriteit aan het vaartuig of andere mobiele ruimte toegekende unieke erkenningsnummer;

b)

de data en tijdstippen waarop de aquacultuurdieren in het erkende vaartuig of andere erkende mobiele ruimte worden ingeladen;

c)

in voorkomend geval, de namen, adressen en unieke registratie- of erkenningsnummers van alle aquacultuurinrichtingen waar aquacultuurdieren zijn geladen en gelost;

d)

de data en plaatsen waar het vaartuig of andere mobiele ruimte voorafgaand aan het laden en, voor zover relevant, tussen het laden en het lossen met water is gevuld;

e)

indien van toepassing, gegevens over de van de ene aquacultuurinrichting naar de andere genomen route;

f)

bijzonderheden over elke op het erkende vaartuig of andere erkende mobiele ruimte uitgevoerde behandeling of houderijprocedure;

g)

het biobeveiligingsplan voor het erkende vaartuig of andere erkende mobiele ruimten en bewijs van de uitvoering ervan;

h)

alle andere documenten waarvan de aquacultuurdieren vergezeld gaan, in voorkomend geval.

HOOFDSTUK 2

Door vervoerders bij te houden gegevens

Artikel 35

Documentatieverplichtingen van vervoerders van waterdieren

Naast de op grond van artikel 188 van Verordening (EU) 2016/429 vereiste informatie, registreren en bewaren de vervoerders van waterdieren de volgende gegevens voor elk vervoermiddel dat wordt gebruikt voor de verplaatsing van waterdieren:

a)

het kenteken in geval van vervoer over land, het unieke internationale IMO-scheepsidentificatienummer in geval van vervoer over zee, of het unieke identificatiemiddel van andere vervoermiddelen waarin waterdieren worden vervoerd;

b)

de data en tijdstippen waarop de waterdieren in de aquacultuurinrichting of de habitat van oorsprong worden ingeladen;

c)

de namen, adressen en unieke registratie- of erkenningsnummers van alle bezochte aquacultuurinrichtingen;

d)

de locatie van elke habitat waaruit wilde waterdieren zijn verzameld;

e)

de data en tijdstippen waarop de waterdieren bij de aquacultuurinrichting van bestemming of habitat worden uitgeladen;

f)

de data, tijdstippen en plaatsen waarop het water is ververst, in voorkomend geval;

g)

het biobeveiligingsplan voor het vervoermiddel en bewijs van de uitvoering ervan;

h)

de referentienummers van de documenten waarvan de zendingen waterdieren vergezeld gaan.

DEEL III

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 36

Intrekking

Beschikking 2008/392/EG wordt met ingang van 21 april 2021 ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken handeling gelden als verwijzingen naar deze verordening.

Artikel 37

Overgangsmaatregelen met betrekking tot de gegevens in de door de bevoegde autoriteiten bijgehouden registers van bestaande aquacultuurinrichtingen en exploitanten

De lidstaten zorgen ervoor dat er, voor elk van de bestaande aquacultuurinrichtingen en exploitanten als bedoeld in artikel 279, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 die onder het toepassingsgebied van de artikelen 20 en 21 van deze verordening vallen, de krachtens de artikelen 20 en 21 vereiste informatie vóór 21 april 2021 wordt opgenomen in de registers van geregistreerde en erkende aquacultuurinrichtingen die door de bevoegde autoriteiten worden bijgehouden.

Artikel 38

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 21 april 2021.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 januari 2020.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)  PB L 84 van 31.3.2016, blz. 1.

(2)  Richtlijn 2006/88/EG van de Raad van 24 oktober 2006 betreffende veterinairrechtelijke voorschriften voor aquacultuurdieren en de producten daarvan en betreffende de preventie en bestrijding van bepaalde ziekten bij waterdieren (PB L 328 van 24.11.2006, blz. 14).

(3)  Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PB L 139 van 30.4.2004, blz. 55).

(4)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689 van de Commissie tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor bewaking, uitroeiingsprogramma’s en de ziektevrije status van bepaalde in de lijst opgenomen ziekten en nieuwe ziekten (zie bladzijde 211 van dit Publicatieblad).

(5)  Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882 van de Commissie van 3 december 2018 betreffende de toepassing, op de categorieën in de lijst opgenomen ziekten, van bepaalde regels voor de preventie en bestrijding van ziekten en tot vaststelling van een lijst van soorten en groepen soorten die een aanzienlijk risico vormen in verband met de verspreiding van die ziekten (PB L 308 van 4.12.2018, blz. 21).

(6)  Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).

(7)  Beschikking 2008/392/EG van de Commissie van 30 april 2008 ter uitvoering van Richtlijn 2006/88/EG van de Raad wat betreft een op internet gebaseerde informatiepagina om informatie over aquacultuurproductiebedrijven en vergunninghoudende verwerkingsbedrijven langs elektronische weg beschikbaar te stellen (PB L 138 van 28.5.2008, blz. 12).


BIJLAGE I

VOORWAARDEN VOOR DE ERKENNING VAN AQUACULTUURINRICHTINGEN ZOALS BEDOELD IN DEEL II, TITEL I, HOOFDSTUK 2

DEEL 1

Voorwaarden voor de erkenning van aquacultuurinrichtingen waar aquacultuurdieren worden gehouden om daarvandaan levend of als producten van aquacultuurdierlijke oorsprong te worden verplaatst als bedoeld in artikel 7

1.

De voorschriften met betrekking tot de biobeveiligingsmaatregelen voor aquacultuurinrichtingen waar aquacultuurdieren worden gehouden om daarvandaan levend of als producten van aquacultuurdierlijke oorsprong te worden verplaatst, als bedoeld in artikel 7, onder b), zijn als volgt:

a)

de exploitanten moeten een biobeveiligingsplan uitvoeren overeenkomstig artikel 5, waarin met het volgende rekening moet zijn gehouden:

i)

op kritieke locaties in de aquacultuurinrichting moeten ontsmettingspunten worden geïnstalleerd;

ii)

wanneer de volgende functionele eenheden in dezelfde aquacultuurinrichting aanwezig zijn, moeten zij door passende hygiënesluizen van elkaar gescheiden worden:

broederijeenheden,

mesteenheden,

verwerkingseenheden,

verzendingscentrum;

iii)

de aquacultuurinrichting moet beschikken over werkkleding en -schoeisel voor het personeel die/dat uitsluitend ter plaatse wordt gebruikt en regelmatig wordt gereinigd en ontsmet;

iv)

aquacultuurinrichtingen mogen uitrusting niet aan elkaar uitlenen, maar waar dit onvermijdelijk is, moet een passend protocol voor het reinigen en ontsmetten van de uitrusting worden gevolgd;

v)

indien bezoek aan de aquacultuurinrichting een ziekterisico vormt, moeten bezoekers ofwel:

de/het in de aquacultuurinrichting ter beschikking gestelde beschermende kleding en schoeisel dragen, of

alle beschermend(e) kleding die en schoeisel dat zij de aquacultuurinrichting binnenbrengen, bij aankomst reinigen en ontsmetten, en in het geval van niet-wegwerpkleding en -schoeisel, bij vertrek;

vi)

dode dieren moeten uit alle productie-eenheden worden weggehaald met een frequentie die de besmettingsdruk tot een minimum beperkt maar die gezien de gebruikte productiemethode praktisch haalbaar is, en moeten in overeenstemming met artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad (1) worden verwijderd;

vii)

voor zover mogelijk, moet de uitrusting in de aquacultuurinrichting aan het einde van elke productiecyclus worden gereinigd en ontsmet;

viii)

wanneer aquacultuurinrichtingen bevruchte eieren ontvangen uit andere inrichtingen, moeten deze eieren, voor zover biologisch haalbaar, bij aankomst op passende wijze worden ontsmet en moet alle verpakking op een bioveilige wijze worden ontsmet of verwijderd;

ix)

de reinigings- en ontsmettingsgegevens van de vervoerders moeten worden geverifieerd voordat er waterdieren in de aquacultuurinrichting worden geladen of gelost;

b)

de exploitanten wijzen een met naam genoemde persoon aan als verantwoordelijke voor de uitvoering van het biobeveiligingsplan voor de aquacultuurinrichting, aan wie ander personeel rapporteert in verband met biobeveiliging.

2.

De voorschriften met betrekking tot voorzieningen en uitrusting van aquacultuurinrichtingen als bedoeld in artikel 7, onder c), zijn als volgt:

a)

de beschikbare uitrusting en voorzieningen moet(en) van dien aard zijn dat de aquacultuurdieren in de aquacultuurinrichting onder passende omstandigheden gehouden kunnen worden;

b)

de aquacultuurinrichting moet goede hygiënische normen handhaven en een adequaat gezondheidstoezicht mogelijk maken;

c)

voor zover mogelijk, moet(en) uitrusting en voorzieningen zijn vervaardigd van materiaal dat naar behoren kan worden gereinigd en ontsmet;

d)

er moeten passende maatregelen tegen roofdieren worden genomen, rekening houdend met het risico dat deze roofdieren ziekten verspreiden en met de specifieke beperkingen op milieugebied van de aquacultuurinrichting;

e)

er moet geschikte uitrusting voorhanden zijn voor het reinigen en ontsmetten van de voorzieningen, de uitrusting en de vervoermiddelen.

DEEL 2

Voorwaarden voor de erkenning van groepen aquacultuurinrichtingen waar aquacultuurdieren worden gehouden om daarvandaan levend of als producten van aquacultuurdierlijke oorsprong te worden verplaatst als bedoeld in artikel 8

1.

De voorschriften met betrekking tot de biobeveiligingsmaatregelen van groepen aquacultuurinrichtingen waar aquacultuurdieren worden gehouden om daarvan te worden verplaatst als bedoeld in artikel 8, onder b), zijn als volgt:

a)

de exploitanten voeren overeenkomstig artikel 5 een biobeveiligingsplan uit bij het opstellen waarvan zij rekening moeten hebben gehouden met:

i)

op kritieke locaties in elke aquacultuurinrichting van de groep moeten ontsmettingspunten worden geïnstalleerd;

ii)

wanneer de volgende functionele eenheden in dezelfde aquacultuurinrichting aanwezig zijn, moeten zij worden gescheiden door passende hygiënesluizen:

broederijeenheden,

mesteenheden,

verwerkingseenheden,

verzendingscentrum;

iii)

elke aquacultuurinrichting moet beschikken over werkkleding en -schoeisel voor het personeel die/dat uitsluitend ter plaatse wordt gebruikt en regelmatig wordt gereinigd en ontsmet;

iv)

aquacultuurinrichtingen mogen uitrusting niet aan elkaar uitlenen, maar waar dit onvermijdelijk is, moet een passend protocol voor het reinigen en ontsmetten van de uitrusting worden gevolgd;

v)

indien bezoek aan de aquacultuurinrichting een ziekterisico vormt, moeten bezoekers ofwel:

de in elke aquacultuurinrichting ter beschikking gestelde beschermende kleding en schoeisel dragen, dan wel

alle beschermend(e) kleding die en schoeisel dat zij de aquacultuurinrichting binnenbrengen, bij aankomst reinigen en ontsmetten, en in het geval van niet-wegwerpkleding en -schoeisel, bij vertrek;

vi)

dode aquacultuurdieren moeten uit alle productie-eenheden worden weggehaald met een frequentie die de besmettingsdruk tot een minimum beperkt maar die gezien de gebruikte productiemethode praktisch haalbaar is, en in overeenstemming met artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1069/2009 worden verwijderd;

vii)

voor zover mogelijk, moet de uitrusting in elke aquacultuurinrichting aan het einde van elke productiecyclus worden gereinigd en ontsmet;

viii)

wanneer aquacultuurinrichtingen bevruchte eieren ontvangen uit andere inrichtingen, moeten deze eieren, voor zover biologisch haalbaar, bij aankomst op passende wijze worden ontsmet en moet alle verpakking op een bioveilige wijze worden ontsmet of verwijderd;

ix)

de reinigings- en ontsmettingsgegevens van de vervoerders moeten worden geverifieerd voordat er aquacultuurdieren in de aquacultuurinrichting worden geladen of gelost;

b)

de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de in het biobeveiligingsplan vastgestelde maatregelen berust bij:

i)

de exploitant van elke individuele aquacultuurinrichting in een groep aquacultuurinrichtingen die overeenkomstig artikel 177, onder a), van Verordening (EU) 2016/429 is erkend;

ii)

de exploitant van een groep aquacultuurinrichtingen die overeenkomstig artikel 177, onder b), van Verordening (EU) 2016/429 is erkend.

2.

De voorschriften met betrekking tot voorzieningen en uitrusting van groepen aquacultuurinrichtingen als bedoeld in artikel 8, onder c), zijn als volgt:

a)

de beschikbare uitrusting en voorzieningen moet(en) van dien aard zijn dat de aquacultuurdieren in elke aquacultuurinrichting van de groep onder geschikte omstandigheden gehouden kunnen worden;

b)

elke aquacultuurinrichting in de groep moet goede hygiënische normen handhaven en een adequaat gezondheidstoezicht mogelijk maken;

c)

de uitrusting en voorzieningen in elke aquacultuurinrichting in de groep moet(en) vervaardigd zijn uit materiaal dat gemakkelijk kan worden gereinigd en ontsmet;

d)

in elke aquacultuurinrichting van de groep moeten passende maatregelen tegen roofdieren worden genomen, rekening houdend met het risico dat deze roofdieren ziekten verspreiden en met de specifieke beperkingen op milieugebied van de aquacultuurinrichting;

e)

in elke aquacultuurinrichting van de groep moet er geschikte uitrusting voorhanden zijn voor het reinigen en ontsmetten van de voorzieningen, de uitrusting en de vervoermiddelen.

DEEL 3

Voorwaarden voor de erkenning van geconsigneerde aquacultuurinrichtingen als bedoeld in artikel 9

1.

De voorschriften met betrekking tot de biobeveiligingsmaatregelen voor geconsigneerde aquacultuurinrichtingen als bedoeld in artikel 9, onder b), zijn als volgt:

a)

de exploitanten voeren het biobeveiligingsplan uit overeenkomstig artikel 5, waarin rekening moet zijn gehouden met het volgende:

i)

op kritieke locaties in de geconsigneerde aquacultuurinrichting moeten ontsmettingspunten worden geïnstalleerd;

ii)

wanneer verscheidene functionele eenheden in dezelfde geconsigneerde aquacultuurinrichting aanwezig zijn, moeten zij door hygiënesluizen gescheiden worden gehouden;

iii)

de geconsigneerde aquacultuurinrichting moet beschikken over werkkleding en -schoeisel voor het personeel die/dat regelmatig wordt gereinigd en ontsmet;

iv)

bezoekers moeten de door de exploitant ter beschikking gestelde beschermende kleding en schoeisel dragen;

v)

aquacultuurinrichtingen mogen uitrusting niet aan elkaar uitlenen;

vi)

dode dieren moeten met een frequentie die de besmettingsdruk tot een minimum beperkt worden weggehaald en overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1069/2009 worden verwijderd;

vii)

de uitrusting in de geconsigneerde aquacultuurinrichting moet met een passende frequentie worden gereinigd en ontsmet;

viii)

wanneer geconsigneerde aquacultuurinrichtingen bevruchte eieren uit andere bedrijven ontvangen, moeten deze eieren, voor zover biologisch haalbaar en niet in strijd met de onderzoekdoelstellingen, bij aankomst op passende wijze worden ontsmet en moet alle verpakking op een bioveilige wijze worden ontsmet of verwijderd;

ix)

de reinigings- en ontsmettingsgegevens van de vervoerders moeten worden geverifieerd voordat er aquacultuurdieren in de inrichting worden geladen of gelost;

b)

de exploitanten benoemen een met naam genoemde persoon die belast wordt met de uitvoering van het biobeveiligingsplan voor de geconsigneerde aquacultuurinrichting en aan wie ander personeel rapporteert in verband met biobeveiliging.

2.

De voorschriften met betrekking tot bewakings- en controlemaatregelen van geconsigneerde aquacultuurinrichtingen als bedoeld in artikel 9, onder c), zijn als volgt:

a)

er moet een ziektebewakingsplan worden uitgevoerd met gepaste controles van de aquacultuurdieren op zoönosen, die wordt aangepast aan het aantal en de soorten aquacultuurdieren die in de geconsigneerde aquacultuurinrichting aanwezig zijn en aan de epidemiologische situatie in en rond de geconsigneerde aquacultuurinrichting wat betreft de in de lijst opgenomen en nieuwe ziekten;

b)

aquacultuurdieren die ervan worden verdacht besmet te zijn met de verwekker van een in de lijst opgenomen of nieuwe ziekte, moeten klinische tests, laboratoriumtests of post-mortemtests ondergaan;

c)

aquacultuurdieren worden gevaccineerd tegen en behandeld voor overdraagbare dierziekten, naargelang het geval.

3.

De voorschriften met betrekking tot voorzieningen en uitrusting van geconsigneerde aquacultuurinrichtingen als bedoeld in artikel 9, onder d), zijn als volgt:

a)

de grenzen van de geconsigneerde aquacultuurinrichtingen moeten duidelijk afgebakend zijn en er moet toezicht worden gehouden op de toegang van waterdieren en mensen tot de dierenvoorzieningen;

b)

er moeten waar nodig geschikte voorzieningen beschikbaar zijn om uit andere inrichtingen binnengebrachte aquacultuurdieren in quarantaine te houden;

c)

het moet mogelijk zijn aquacultuurdieren op passende manieren af te zonderen;

d)

de tanks en andere opvangfaciliteiten moeten van een geschikte kwaliteit zijn en moeten zodanig zijn gebouwd dat:

i)

er geen contact met waterdieren van buitenaf is en inspecties en eventuele behandelingen gemakkelijk kunnen worden uitgevoerd;

ii)

vloeren, muren en alle ander(e) materiaal of uitrusting gemakkelijk gereinigd en ontsmet kunnen worden;

e)

de beschikbare uitrusting en voorzieningen moet(en) van dien aard zijn dat de aquacultuurdieren in de geconsigneerde aquacultuurinrichting onder geschikte omstandigheden gehouden kunnen worden;

f)

de geconsigneerde aquacultuurinrichting moet goede hygiënische normen handhaven en een adequaat gezondheidstoezicht mogelijk maken;

g)

er moet geschikte uitrusting voorhanden zijn voor het reinigen en ontsmetten van de voorzieningen, de uitrusting en de vervoermiddelen;

h)

er moeten passende maatregelen tegen roofdieren worden genomen, rekening houdend met het risico dat deze roofdieren ziekten verspreiden;

i)

er moet passende ontsmettingsuitrusting voorhanden zijn om te waarborgen dat al het afvalwater dat uit de geconsigneerde aquacultuurinrichting wordt geloosd, zodanig wordt behandeld dat alle besmettelijke verwekkers van in de lijst opgenomen of nieuwe ziekten die aanwezig zijn, vóór de lozing volledig geïnactiveerd zijn.

DEEL 4

Voorwaarden voor de erkenning van ziektebestrijdende inrichtingen voor aquatische levensmiddelen als bedoeld in artikel 11

1.

De voorschriften met betrekking tot de biobeveiligingsmaatregelen van ziektebestrijdende inrichtingen voor aquatische levensmiddelen als bedoeld in artikel 11, onder a), zijn als volgt:

a)

de exploitanten voeren het biobeveiligingsplan van de ziektebestrijdende inrichting voor aquatische levensmiddelen overeenkomstig artikel 5 uit, waarbij ten minste rekening moet zijn gehouden met de volgende elementen wanneer dieren die met een in de lijst opgenomen of nieuwe ziekte geïnfecteerd zijn, op het bedrijf worden geslacht of verwerkt:

i)

bezoek aan de inrichting moet worden vermeden, maar wanneer bezoek onvermijdelijk is, moet dat onder toezicht gebeuren, en moet de exploitant zorgen voor beschermde kleding en schoeisel die/dat na gebruik veilig wordt verwijderd of gereinigd en ontsmet;

ii)

het personeel van de ziektebestrijdende inrichting voor aquatische levensmiddelen moet werkkleding en -schoeisel dragen die/dat met een passende frequentie gereinigd en ontsmet moet worden;

iii)

er moet een passend ontsmettingssysteem voorhanden zijn om te waarborgen dat afvalwater van de ziektebestrijdende inrichting voor aquatische levensmiddelen zodanig wordt behandeld dat alle aanwezige ziekteverwekkers worden geïnactiveerd voordat het water wordt geloosd;

iv)

er moet een geschikt systeem voorhanden zijn om de inzameling en de passende verwijdering van dierlijke bijproducten te waarborgen; deze bijproducten worden verwerkt als materiaal van categorie 1 of categorie 2 overeenkomstig artikel 12 of artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1069/2009;

v)

de nodige reinigings- en ontsmettingswerkzaamheden moeten vóór de aankomst van een nieuwe zending waterdieren voor verwerking zijn voltooid;

vi)

er moeten passende maatregelen worden genomen om te waarborgen dat alle vervoermiddelen en houders die worden gebruikt voor de levering van waterdieren aan een ziektebestrijdende inrichting voor aquatische levensmiddelen worden gereinigd en ontsmet voordat zij de inrichting verlaten.

2.

De voorschriften met betrekking tot voorzieningen en uitrusting van ziektebestrijdende inrichtingen voor aquatische levensmiddelen als bedoeld in artikel 11, onder b), zijn als volgt:

a)

vloeren, muren en alle ander(e) materialen of uitrusting moeten gemakkelijk gereinigd en ontsmet kunnen worden;

b)

er moet geschikte ontsmettingsuitrusting beschikbaar zijn om te waarborgen dat al het afvalwater dat uit de ziektebestrijdende inrichting voor aquatische levensmiddelen wordt geloosd, zodanig wordt behandeld dat alle besmettelijke verwekkers van in de lijst opgenomen of nieuwe ziekten die aanwezig zijn, vóór de lozing volledig geïnactiveerd zijn;

c)

voor het reinigen en ontsmetten van de voorzieningen, de uitrusting en de vervoermiddelen moet er geschikte uitrusting voorhanden zijn die verenigbaar is met de aard van de verrichte productiewerkzaamheden;

d)

er moeten passende maatregelen tegen roofdieren worden genomen, rekening houdend met het risico dat deze roofdieren ziekten verspreiden.

DEEL 5

Voorwaarden voor de erkenning van zuiveringscentra als bedoeld in artikel 12

1.

De voorschriften met betrekking tot de biobeveiligingsmaatregelen van zuiveringscentra als bedoeld in artikel 12, onder a), zijn als volgt:

a)

de exploitanten voeren het biobeveiligingsplan uit overeenkomstig artikel 5, waarin rekening moet zijn gehouden met het volgende:

i)

op kritieke locaties in het zuiveringscentrum moeten ontsmettingspunten worden geïnstalleerd;

ii)

het zuiveringscentrum moet beschikken over werkkleding en -schoeisel voor het personeel die/dat uitsluitend ter plaatse wordt gebruikt en regelmatig gereinigd en ontsmet wordt;

iii)

inrichtingen mogen uitrusting niet aan elkaar uitlenen, maar waar dit onvermijdelijk is, moet een passend protocol voor het reinigen en ontsmetten van de uitrusting worden ingesteld;

iv)

indien bezoek aan het zuiveringscentrum een risico vormt voor de verspreiding van ziekten, moeten bezoekers ofwel:

de in het zuiveringscentrum ter beschikking gestelde beschermende kleding en schoeisel dragen, of

alle beschermend(e) kleding die en schoeisel dat zij het zuiveringscentrum binnenbrengen, bij aankomst reinigen en ontsmetten, en in het geval van niet-wegwerpkleding en -schoeisel, bij vertrek;

v)

de uitrusting in het zuiveringscentrum moet aan het einde van de zuiveringscyclus worden gereinigd en ontsmet;

vi)

afvalwater van het zuiveringscentrum mag niet zonder passende behandeling rechtstreeks worden geloosd in waterlichamen als daardoor de gezondheidsstatus van waterdieren ten aanzien van in de lijst opgenomen of nieuwe ziekten mogelijk in gevaar wordt gebracht.

2.

De voorschriften met betrekking tot voorzieningen en uitrusting van zuiveringscentra als bedoeld in artikel 12, onder b), zijn als volgt:

a)

het zuiveringscentrum moet goede hygiënische normen handhaven;

b)

de uitrusting en voorzieningen moet(en) zijn gemaakt van materiaal dat naar behoren kan worden gereinigd en ontsmet;

c)

er moet geschikte uitrusting voorhanden zijn voor het reinigen en ontsmetten van de voorzieningen, de uitrusting en de vervoermiddelen;

d)

er moeten passende maatregelen tegen roofdieren worden genomen, rekening houdend met het risico dat deze roofdieren ziekten verspreiden;

e)

er moet geschikte ontsmettingsuitrusting voorhanden zijn om te waarborgen dat al het afvalwater dat uit het zuiveringscentrum wordt geloosd, voor zover nodig zodanig wordt behandeld dat alle besmettelijke verwekkers van in de lijst opgenomen of nieuwe ziekten die aanwezig zijn, vóór de lozing geïnactiveerd zijn.

DEEL 6

Voorwaarden voor de erkenning van verzendingscentra als bedoeld in artikel 13

1.

De voorschriften met betrekking tot de biobeveiligingsmaatregelen van verzendingscentra als bedoeld in artikel 13, onder a), zijn als volgt:

a)

de exploitanten voeren het biobeveiligingsplan uit overeenkomstig artikel 5, waarin rekening moet zijn gehouden met het volgende:

i)

op kritieke locaties in het verzendingscentrum moeten ontsmettingspunten worden geïnstalleerd;

ii)

het verzendingscentrum moet beschikken over werkkleding en -schoeisel voor het personeel die uitsluitend ter plaatse worden gebruikt en regelmatig wordt gereinigd en ontsmet;

iii)

inrichtingen mogen uitrusting niet aan elkaar uitlenen, maar waar dit onvermijdelijk is, moet een passend protocol voor het reinigen en ontsmetten van de uitrusting worden ingesteld;

iv)

indien bezoek aan het verzendingscentrum een risico vormt voor de verspreiding van ziekten, moeten bezoekers ofwel:

de in de inrichting ter beschikking gestelde beschermende kleding en schoeisel dragen, of

alle beschermend(e) kleding die en schoeisel dat zij de inrichting binnenbrengen, bij aankomst reinigen en ontsmetten, en in het geval van niet-wegwerpkleding en -schoeisel, bij vertrek;

v)

de uitrusting in het verzendingscentrum moet aan het einde van de verzendingshandeling worden gereinigd en ontsmet;

vi)

afvalwater van het verzendingscentrum mag niet zonder passende behandeling rechtstreeks worden geloosd in waterlichamen als daardoor de gezondheidsstatus van waterdieren ten aanzien van in de lijst opgenomen of nieuwe ziekten mogelijk in gevaar wordt gebracht.

2.

De voorschriften met betrekking tot de in artikel 13, onder b), bedoelde voorzieningen en uitrusting van verzendingscentra zijn als volgt:

a)

het verzendingscentrum moet goede hygiënische normen handhaven;

b)

de uitrusting en voorzieningen moet(en) zijn gemaakt van materiaal dat naar behoren kan worden gereinigd en ontsmet;

c)

er moet geschikte uitrusting voorhanden zijn voor het reinigen en ontsmetten van de voorzieningen, de uitrusting en de vervoermiddelen;

d)

er moeten passende maatregelen tegen roofdieren worden genomen, rekening houdend met het risico dat deze roofdieren ziekten verspreiden;

e)

er moet geschikte ontsmettingsuitrusting voorhanden zijn om te waarborgen dat het afvalwater dat uit het verzendingscentrum wordt geloosd, voor zover nodig zodanig wordt behandeld dat alle besmettelijke verwekkers van in de lijst opgenomen of nieuwe ziekten die aanwezig zijn, vóór de lozing geïnactiveerd zijn.

DEEL 7

Voorwaarden voor de erkenning van heruitzettingsgebieden als bedoeld in artikel 14

1.

De voorschriften met betrekking tot de biobeveiligingsmaatregelen in heruitzettingsgebieden als bedoeld in artikel 14, onder a), zijn als volgt:

a)

de exploitanten voeren het biobeveiligingsplan uit overeenkomstig artikel 5, waarin rekening moet zijn gehouden met het volgende:

i)

op kritieke locaties in het heruitzettingsgebied moeten ontsmettingspunten worden geïnstalleerd;

ii)

het heruitzettingsgebied moet beschikken over werkkleding en -schoeisel voor het personeel die/dat uitsluitend ter plaatse wordt gebruikt en regelmatig wordt gereinigd en ontsmet;

iii)

aquacultuurinrichtingen mogen uitrusting niet aan elkaar uitlenen, maar waar dit onvermijdelijk is, moet een passend protocol voor het reinigen en ontsmetten van de uitrusting worden ingesteld;

iv)

indien bezoek aan het heruitzettingsgebied een risico vormt voor de verspreiding van ziekten, moeten bezoekers ofwel:

de bij het heruitzettingsgebied ter beschikking gestelde beschermende kleding en schoeisel dragen, of

alle beschermend(e) kleding die en schoeisel dat zij het heruitzettingsgebied binnenbrengen, bij aankomst reinigen en ontsmetten, en in het geval van niet-wegwerpkleding en -schoeisel, bij vertrek;

v)

voor zover mogelijk, moet de uitrusting in het heruitzettingsgebied aan het eind van de zuiveringscyclus worden gereinigd en ontsmet.

2.

De voorschriften met betrekking tot voorzieningen en uitrusting van heruitzettingsgebieden als bedoeld in artikel 14, onder b), zijn als volgt:

a)

in het heruitzettingsgebied moeten de hygiënenormen zo goed mogelijk gehandhaafd worden;

b)

voor zover mogelijk, moet(en) uitrusting en voorzieningen zijn vervaardigd van materiaal dat naar behoren kan worden gereinigd en ontsmet;

c)

voor zover van toepassing, moet er geschikte uitrusting voorhanden zijn voor het reinigen en ontsmetten van de voorzieningen, de uitrusting en de vervoermiddelen;

d)

er moeten passende maatregelen tegen roofdieren worden genomen, rekening houdend met het risico dat deze roofdieren ziekten verspreiden en met de specifieke beperkingen op milieugebied van het heruitzettingsgebied.

DEEL 8

Voorwaarden voor de erkenning van quarantaine-inrichtingen als bedoeld in artikel 15

1.

De voorschriften met betrekking tot de biobeveiligingsmaatregelen voor quarantaine-inrichtingen voor waterdieren als bedoeld in artikel 15, onder a), zijn als volgt:

a)

de quarantaine-inrichting moet zich op een veilige afstand bevinden van andere quarantaine-inrichtingen, aquacultuurinrichtingen of groepen aquacultuurinrichtingen; welke afstand veilig is, wordt door de bevoegde autoriteit vastgesteld op basis van een risicobeoordeling waarin rekening wordt gehouden met de epidemiologie van de desbetreffende in de lijst opgenomen en nieuwe ziekten;

b)

de exploitant voert het in artikel 5 bedoelde biobeveiligingsplan uit, dat ten minste de volgende elementen moet omvatten:

i)

op de in het biobeveiligingsplan aangegeven kritieke locaties moeten ontsmettingspunten worden geïnstalleerd;

ii)

indien er zich meerdere quarantaine-eenheden in dezelfde quarantaine-inrichting bevinden, moeten maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat zij epidemiologisch van elkaar gescheiden blijven;

iii)

de quarantaine-inrichting moet beschikken over werkkleding en -schoeisel voor het personeel die/dat regelmatig worden gereinigd en ontsmet;

iv)

quarantaine-eenheden van dezelfde quarantaine-inrichting mogen uitrusting niet aan elkaar uitlenen, maar waar dit onvermijdelijk is, moet een geschikt protocol voor het reinigen en ontsmetten van de uitrusting worden ingesteld; inrichtingen mogen uitrusting niet aan elkaar uitlenen;

v)

alleen bevoegde personen mogen toegang tot het quarantaine-inrichting hebben;

vi)

de personen die in de quarantaine-inrichting binnenkomen, moeten de aldaar verstrekte beschermende kleding en schoeisel dragen, die/dat na gebruik veilig moet worden verwijderd of gereinigd en ontsmet;

vii)

dode dieren moeten met een frequentie die de besmettingsdruk tot een minimum beperkt worden weggehaald en als materiaal van categorie 1 of categorie 2 overeenkomstig artikel 12 of artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1069/2009 uit alle quarantaine-eenheden worden verwijderd;

viii)

alle uitrusting in de quarantaine-inrichtingen moet aan het einde van elke quarantaineperiode worden gereinigd en ontsmet;

ix)

de vereiste quarantaineperiode moet beginnen wanneer het laatste dier van de in quarantaine te plaatsen cohort in quarantaine wordt geplaatst;

x)

aan het einde van de quarantaineperiode moeten alle dieren uit de quarantaine-eenheden worden weggehaald, moeten de quarantaine-eenheden worden gereinigd en ontsmet, en moeten zij ten minste zeven dagen diervrij worden gehouden voordat nieuwe waterdieren worden binnengebracht;

xi)

er moeten voorzorgsmaatregelen worden genomen om kruisbesmetting tussen inkomende en buitengaande zendingen waterdieren te voorkomen;

xii)

dieren die uit de quarantaine-inrichting worden vrijgegeven, moeten voldoen aan de voorschriften van de Unie inzake de verplaatsing van aquacultuurdieren tussen lidstaten;

c)

voor de uitvoering van het biobeveiligingsplan voor de quarantaine-inrichting moet er een met naam genoemde persoon als verantwoordelijke worden aangewezen, aan wie zo nodig ander personeel rapporteert in verband met biobeveiliging.

2.

De voorschriften met betrekking tot de bewakings- en bestrijdingsmaatregelen voor quarantaine-inrichtingen voor aquacultuurdieren als bedoeld in artikel 15, onder b), zijn als volgt:

a)

de omgevingsomstandigheden in de quarantaine-inrichting moeten gedurende de gehele quarantaineperiode bevorderlijk worden gehouden voor de klinische uitdrukking van de desbetreffende in de lijst opgenomen of nieuwe ziekte;

b)

alle aquacultuurdieren die tijdens de quarantaineperiode sterven of symptomen van ziekten vertonen, moeten klinisch worden gekeurd door een dierenarts en alle tests met monsters moeten in een daartoe door de bevoegde autoriteit aangewezen laboratorium worden verricht;

c)

vissen, weekdieren en schaaldieren van in de lijst opgenomen soorten moeten gedurende een periode van ten minste 90 dagen onder de omstandigheden van punt a) in quarantaine worden gehouden;

d)

binnen een periode van 15 dagen na het verstrijken van de quarantaineperiode moeten monsters worden genomen van een aantal aquacultuurdieren waarmee de relevante ziekteverwekker met een betrouwbaarheid van 95 % kan worden opgespoord als de aangenomen prevalentie 2 % is. Deze aquacultuurdieren kunnen afkomstig zijn van de cohort die in quarantaine wordt gehouden of van verklikkeraquacultuurdieren die daarmee samen worden gehouden, gevoelig zijn voor de desbetreffende in de lijst opgenomen of nieuwe ziekte en tijdens de quarantaineperiode als diagnosehulpmiddel worden gebruikt.

3.

De voorschriften met betrekking tot voorzieningen en uitrusting van quarantaine-inrichtingen voor aquacultuurdieren als bedoeld in artikel 15, onder c), zijn als volgt:

a)

de watervoorziening van de quarantaine-inrichting moet vrij zijn van verwekkers van de betrokken in de lijst opgenomen of nieuwe ziekte;

b)

het afvalwater van de quarantaine-inrichting moet zodanig worden behandeld dat de besmettelijke verwekkers van in de lijst opgenomen en nieuwe ziekten vóór de lozing worden geïnactiveerd;

c)

het systeem voor de behandeling van afvalwater moet zijn voorzien van een faalveilig back-upmechanisme om de continue werking en de volledige inperking van de betrokken ziekteverwekker(s) te waarborgen;

d)

de quarantaine-inrichtingen moeten duidelijk afgebakend zijn en de toegang van dieren en mensen moet worden gecontroleerd;

e)

het personeel dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van de veterinaire controles, moet beschikken over passend uitgeruste lokalen, met inbegrip van kleedkamers en douches, waar nodig;

f)

voor zover nodig, moeten adequate middelen voor het afzonderen van aquacultuurdieren voorhanden zijn;

g)

vloeren, wanden en alle ander(e) materialen of uitrusting moeten zo zijn geconstrueerd dat zij afdoende kunnen worden gereinigd en ontsmet;

h)

er moet een geschikt systeem voorhanden zijn voor de inzameling en passende verwijdering van de dierlijke bijproducten overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1069/2009;

i)

er worden passende maatregelen tegen roofdieren genomen, rekening houdend met het risico dat deze roofdieren ziekten verspreiden;

j)

het deel van de quarantaine-inrichting waarin de aquacultuurdieren zijn ondergebracht, moet van een geschikte kwaliteit zijn en zodanig zijn gebouwd dat het contact met het water en de dieren daarbuiten wordt voorkomen en dat de controles en de nodige houderijprocedures gemakkelijk kunnen worden uitgevoerd.

DEEL 9

Voorwaarden voor de erkenning van aquacultuurinrichtingen waar aquacultuurdieren van in de lijst opgenomen vectorsoorten afgezonderd worden gehouden totdat zij niet langer als vectorsoorten worden beschouwd als bedoeld in artikel 16

1.

De voorschriften met betrekking tot de biobeveiligingsmaatregelen van aquacultuurinrichtingen waar aquacultuurdieren van in de lijst opgenomen vectorsoorten afgezonderd worden gehouden tot het moment waarop zij niet langer als vectoren worden beschouwd zoals bedoeld in artikel 16, onder a), zijn als volgt:

a)

exploitanten voeren het in artikel 5 bedoelde biobeveiligingsplan uit, dat ten minste de volgende elementen moet bevatten:

i)

op kritieke locaties in de aquacultuurinrichting moeten ontsmettingspunten worden geïnstalleerd;

ii)

indien er meerdere isolatie-eenheden in dezelfde aquacultuurinrichting zijn, moeten passende maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat zij epidemiologisch van elkaar gescheiden blijven;

iii)

de aquacultuurinrichting moet beschikken over werkkleding en -schoeisel voor het personeel die/dat uitsluitend ter plaatse wordt gebruikt en regelmatig wordt gereinigd en ontsmet;

iv)

isolatie-eenheden in dezelfde aquacultuurinrichting mogen uitrusting niet aan elkaar uitlenen, maar waar dit onvermijdelijk is, moet een geschikt protocol voor het reinigen en ontsmetten van de uitrusting worden ingesteld; inrichtingen mogen uitrusting niet aan elkaar uitlenen;

v)

alleen bevoegde personen mogen toegang tot het aquacultuurinrichting hebben;

vi)

de personen die in de aquacultuurinrichting binnenkomen, moeten de aldaar ter beschikking gestelde beschermende kleding en schoeisel dragen, die/dat na gebruik veilig moet worden verwijderd of gereinigd en ontsmet;

vii)

dode dieren moeten met een frequentie die de besmettingsdruk tot een minimum beperkt worden weggehaald en overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1069/2009 uit alle productie-eenheden van de inrichting worden verwijderd;

viii)

alle uitrusting in de aquacultuurinrichting of — indien de aquacultuurinrichting uit meer dan één isolatie-eenheid bestaat — in de desbetreffende isolatie-eenheid moet aan het einde van elke isolatieperiode worden gereinigd en ontsmet;

ix)

de in punt 2 bedoelde isolatieperiode begint alleen wanneer het laatste dier van de cohort de aquacultuurinrichting wordt binnengebracht; wanneer er in de aquacultuurinrichting meerdere isolatie-eenheden zijn, gaat de isolatieperiode pas van start als het laatste dier van de cohort in de isolatie-eenheid wordt binnengebracht;

x)

aan het einde van de isolatieperiode moeten alle dieren uit elke isolatie-eenheid in de aquacultuurinrichting worden gehaald en moeten de isolatie-eenheden worden gereinigd en ontsmet;

xi)

er moeten voorzorgsmaatregelen worden genomen om kruisbesmetting tussen inkomende en buitengaande zendingen waterdieren te voorkomen;

xii)

dieren die zijn vrijgegeven uit de aquacultuurinrichting waar de isolatieperiode is ondergaan, moeten voldoen aan de voorschriften voor verplaatsingen van waterdieren tussen de lidstaten;

b)

de exploitanten zorgen ervoor dat er voor de uitvoering van het biobeveiligingsplan voor de quarantaine-inrichting een met naam genoemde persoon als verantwoordelijke wordt aangewezen, aan wie zo nodig ander personeel rapporteert in verband met biobeveiliging.

2.

De voorschriften in verband met de bewakings- en bestrijdingsmaatregelen voor inrichtingen waar aquacultuurdieren van in de lijst opgenomen vectorsoorten afgezonderd worden gehouden totdat zij niet langer als vectoren worden beschouwd als bedoeld in artikel 16, onder b), zijn als volgt:

a)

vissen, weekdieren en schaaldieren van in de lijst opgenomen soorten moeten gedurende ten minste 90 dagen afgezonderd worden gehouden;

b)

alle aquacultuurdieren die tijdens de afzonderingsperiode van 90 dagen sterven of symptomen van ziekten vertonen, moeten klinisch worden gekeurd door een dierenarts en alle tests met monsters moeten in een daartoe door de bevoegde autoriteit aangewezen laboratorium worden verricht.

3.

De voorschriften met betrekking tot de voorzieningen en uitrusting van aquacultuurinrichtingen waar aquacultuurdieren van in de lijst opgenomen vectorsoorten afgezonderd worden gehouden tot het moment waarop zij niet langer als vectoren worden beschouwd zoals bedoeld in artikel 16, onder c), zijn als volgt:

a)

er moeten voldoende middelen beschikbaar zijn om aquacultuurdieren afgezonderd te kunnen houden;

b)

de watervoorziening van de aquacultuurinrichting moet vrij zijn van in de lijst opgenomen soorten en van de verwekkers van de betrokken in de lijst opgenomen en nieuwe ziekten;

c)

indien dit noodzakelijk is om de gezondheidsstatus van de ontvangende wateren niet in gevaar te brengen, moet het afvalwater van de aquacultuurinrichting zodanig worden behandeld dat alle besmettelijke verwekkers van in de lijst opgenomen en nieuwe ziekten vóór de lozing worden geïnactiveerd;

d)

de toegang van dieren tot de aquacultuurinrichting geschiedt onder toezicht;

e)

de vloeren, wanden en alle ander(e) materialen of uitrusting zodanig zijn geconstrueerd dat zij afdoende kunnen worden gereinigd en ontsmet;

f)

er moet een geschikt systeem voorhanden zijn voor de inzameling en passende verwijdering van dierlijke bijproducten overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1069/2009.

g)

er worden passende maatregelen tegen roofdieren genomen, rekening houdend met het risico dat deze roofdieren ziekten verspreiden.

DEEL 10

Voorwaarden voor erkenning van aquacultuurinrichtingen die gesloten installaties zijn waar aquacultuurdieren voor sierdoeleinden worden gehouden, als bedoeld in artikel 17

1.

De vereisten met betrekking tot de biobeveiligingsmaatregelen van aquacultuurinrichtingen waar aquacultuurdieren voor sierdoeleinden worden gehouden in gesloten installaties die vanwege hun verplaatsingspatronen een significant ziekterisico opleveren als bedoeld in artikel 17, zijn als volgt:

a)

de exploitant voert het biobeveiligingsplan uit overeenkomstig artikel 5, waarin rekening moet zijn gehouden met het volgende:

i)

op kritieke locaties in de inrichting moeten ontsmettingspunten worden geïnstalleerd;

ii)

de aquacultuurinrichting moet beschikken over werkkleding en -schoeisel voor het personeel die/dat uitsluitend ter plaatse wordt gebruikt en regelmatig wordt gereinigd en ontsmet;

iii)

indien bezoek aan de aquacultuurinrichting een risico vormt voor de verspreiding van ziekten, moeten bezoekers ofwel:

de in de aquacultuurinrichting ter beschikking gestelde beschermende kleding en schoeisel dragen, of

alle beschermend(e) kleding die en schoeisel dat zij de aquacultuurinrichting binnenbrengen, bij aankomst reinigen en ontsmetten, en in het geval van niet-wegwerpkleding en -schoeisel, bij vertrek;

iv)

dode dieren moeten met een frequentie die de besmettingsdruk tot een minimum beperkt worden weggehaald en overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1069/2009 uit alle productie-eenheden worden verwijderd;

b)

voor de uitvoering van het biobeveiligingsplan voor de aquacultuurinrichting moet er een met naam genoemde persoon als verantwoordelijke worden aangewezen, aan wie zo nodig ander personeel rapporteert in verband met biobeveiliging.

2.

De vereisten met betrekking tot de voorzieningen en uitrusting van aquacultuurinrichtingen waar aquacultuurdieren voor sierdoeleinden worden gehouden in gesloten installaties die vanwege hun verplaatsingspatronen een significant ziekterisico opleveren als bedoeld in artikel 17, onder c), zijn als volgt:

a)

de beschikbare uitrusting en voorzieningen moet(en) van dien aard zijn dat de dieren in de inrichting onder geschikte omstandigheden gehouden kunnen worden;

b)

de aquacultuurinrichting moet goede hygiënische normen handhaven en gezondheidstoezicht mogelijk maken;

c)

de uitrusting en voorzieningen moet(en) zijn vervaardigd van materiaal dat gemakkelijk kan worden gereinigd en ontsmet;

d)

er moet geschikte uitrusting voorhanden zijn voor het reinigen en ontsmetten van de voorzieningen, de uitrusting en de vervoermiddelen;

e)

er moeten passende maatregelen tegen roofdieren worden genomen, rekening houdend met het risico dat deze roofdieren ziekten verspreiden;

f)

er moet een geschikt systeem voorhanden zijn voor de inzameling en passende verwijdering van de dierlijke bijproducten overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1069/2009.

DEEL 11

Voorwaarden voor erkenning van aquacultuurinrichtingen die open installaties zijn waar aquacultuurdieren voor sierdoeleinden worden gehouden, als bedoeld in artikel 18

1.

De voorschriften met betrekking tot de biobeveiligingsmaatregelen van aquacultuurinrichtingen waar aquacultuurdieren voor sierdoeleinden in open installaties worden gehouden als bedoeld in artikel 18, onder b), zijn als volgt:

a)

de exploitant voert het biobeveiligingsplan uit overeenkomstig artikel 5, waarin rekening moet zijn gehouden met het volgende:

i)

op kritieke locaties in de aquacultuurinrichting moeten ontsmettingspunten worden geïnstalleerd;

ii)

wanneer er in een enkele aquacultuurinrichting meerdere functionele eenheden zijn, moeten zij door passende hygiënesluizen van elkaar gescheiden worden gehouden;

iii)

de aquacultuurinrichting moet beschikken over werkkleding en -schoeisel voor het personeel die/dat regelmatig worden gereinigd en ontsmet;

iv)

aquacultuurinrichtingen mogen uitrusting niet aan elkaar uitlenen, maar waar dit onvermijdelijk is, moet een passend protocol voor het reinigen en ontsmetten van de uitrusting worden ingesteld;

v)

indien bezoek aan de aquacultuurinrichting een risico vormt voor de verspreiding van ziekten, moeten bezoekers ofwel:

de in de aquacultuurinrichting ter beschikking gestelde beschermende kleding en schoeisel dragen, of

alle beschermend(e) kleding die en schoeisel dat zij de aquacultuurinrichting binnenbrengen, bij aankomst reinigen en ontsmetten, en in het geval van niet-wegwerpkleding en -schoeisel, bij vertrek;

vi)

dode dieren moeten met een frequentie die de besmettingsdruk tot een minimum beperkt worden weggehaald en overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1069/2009 uit alle productie-eenheden worden verwijderd;

vii)

voor zover mogelijk, moet de uitrusting in de aquacultuurinrichting aan het einde van elke productiecyclus worden gereinigd en ontsmet;

viii)

de reinigings- en ontsmettingsgegevens van de vervoerders moeten worden geverifieerd voordat er dieren in de aquacultuurinrichting worden geladen of gelost;

b)

de exploitanten zorgen ervoor dat er voor de uitvoering van het biobeveiligingsplan voor de quarantaine-inrichting een met naam genoemde persoon als verantwoordelijke wordt aangewezen, aan wie zo nodig ander personeel rapporteert in verband met biobeveiliging.

2.

De voorschriften met betrekking tot de voorzieningen en uitrusting van aquacultuurinrichtingen waar aquacultuurdieren voor sierdoeleinden in open installaties worden gehouden als bedoeld in artikel 18, onder c), zijn als volgt:

a)

de beschikbare uitrusting en voorzieningen moet(en) van dien aard zijn dat de dieren in de aquacultuurinrichting onder geschikte omstandigheden gehouden kunnen worden;

b)

de inrichting moet goede hygiënische normen handhaven en een adequaat gezondheidstoezicht mogelijk maken;

c)

voor zover mogelijk, moet(en) uitrusting en voorzieningen zijn vervaardigd van materiaal dat naar behoren kan worden gereinigd en ontsmet;

d)

er moeten passende maatregelen tegen roofdieren worden genomen, rekening houdend met het risico dat deze roofdieren ziekten verspreiden en met de specifieke beperkingen op milieugebied van de aquacultuurinrichting;

e)

er moet geschikte uitrusting voorhanden zijn voor het reinigen en ontsmetten van de voorzieningen, de uitrusting en de vervoermiddelen;

f)

er moet een geschikt systeem voorhanden zijn voor de inzameling en passende verwijdering van dierlijke bijproducten overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1069/2009.

DEEL 12

Voorwaarden voor de erkenning van vaartuigen of andere mobiele ruimten waar aquacultuurdieren tijdelijk worden gehouden om te worden behandeld of om een andere houderijprocedure te ondergaan als bedoeld in artikel 19

1.

De voorschriften met betrekking tot de biobeveiligingsmaatregelen van vaartuigen of andere mobiele ruimten waar aquacultuurdieren tijdelijk worden gehouden om te worden behandeld of een andere houderijprocedure te ondergaan als bedoeld in artikel 19, onder a), zijn als volgt:

a)

de exploitant voert het biobeveiligingsplan uit overeenkomstig artikel 5, waarin rekening moet zijn gehouden met het volgende:

i)

vaartuigen en mobiele ruimten en alle uitrusting die tijdens het behandelingsproces wordt gebruikt, moeten na afloop van een behandeling worden gereinigd en ontsmet, voordat zij naar een andere aquacultuurinrichting worden verplaatst;

ii)

de aquacultuurinrichting moet beschikken over werkkleding en -schoeisel voor het personeel die/dat regelmatig worden gereinigd en ontsmet;

iii)

aquacultuurinrichtingen mogen uitrusting niet aan elkaar uitlenen, maar waar dit onvermijdelijk is, moet een passend protocol voor het reinigen en ontsmetten van de uitrusting worden ingesteld, en moeten bewijzen van de uitvoering hiervan worden bijgehouden;

iv)

indien bezoek aan de aquacultuurinrichting een risico vormt voor de verspreiding van ziekten, moeten bezoekers ofwel:

de in de aquacultuurinrichting ter beschikking gestelde beschermende kleding en schoeisel dragen, of

alle beschermend(e) kleding die en schoeisel dat zij de aquacultuurinrichting binnenbrengen, bij aankomst reinigen en ontsmetten, en in het geval van niet-wegwerpkleding en -schoeisel, bij vertrek;

v)

de oorzaak van alle tijdens een behandeling optredende sterftegevallen moet worden geregistreerd en dode dieren moeten met een frequentie die de besmettingsdruk tot een minimum beperkt maar die gezien het behandelingsschema van de desbetreffende aquacultuurdieren praktisch haalbaar is uit de aquacultuurinrichting worden weggehaald;

vi)

dode dieren moeten met een frequentie die de besmettingsdruk tot een minimum beperkt worden weggehaald en overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1069/2009 worden verwijderd;

b)

de exploitanten zorgen ervoor dat er voor de uitvoering van het biobeveiligingsplan voor de inrichting een met naam genoemde persoon als verantwoordelijke wordt aangewezen, aan wie zo nodig ander personeel rapporteert in verband met biobeveiliging.

2.

De voorschriften met betrekking tot de voorzieningen en uitrusting van vaartuigen of andere mobiele ruimten waar aquacultuurdieren tijdelijk worden gehouden om te worden behandeld of een andere houderijprocedure te ondergaan als bedoeld in artikel 19, onder b), zijn als volgt:

a)

de beschikbare uitrusting en voorzieningen moet(en) van dien aard zijn dat de aquacultuurdieren in de inrichting onder geschikte omstandigheden gehouden kunnen worden;

b)

voor zover mogelijk, moet(en) uitrusting en voorzieningen zijn vervaardigd van materiaal dat gemakkelijk kan worden gereinigd en ontsmet;

c)

er moet geschikte uitrusting voorhanden zijn voor het reinigen en ontsmetten van de voorzieningen en uitrusting;

d)

wanneer geautomatiseerde reinigings- en ontsmettingssystemen worden gebruikt, moet de doelmatigheid ervan vóór het eerste gebruik ervan worden gevalideerd en vervolgens met passende frequenties;

e)

er moet een geschikt systeem voorhanden zijn voor de inzameling en passende verwijdering van dierlijke bijproducten overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1069/2009.


(1)  Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (verordening dierlijke bijproducten) (PB L 300 van 14.11.2009, blz. 1).


BIJLAGE II

IN BEPAALDE ERKENDE INRICHTINGEN UIT TE VOEREN RISICOGEBASEERDE BEWAKING

DEEL 1

Risicogebaseerde bewaking in aquacultuurinrichtingen en groepen daarvan zoals bedoeld in de artikelen 7, 8, 17 en 18

Risicogebaseerde bewaking wordt uitgevoerd in de in de artikelen 7, 8, 17 en 18 bedoelde aquacultuurinrichtingen en groepen daarvan, als volgt:

a)

aquacultuurinrichtingen waar andere in de lijst opgenomen soorten aquacultuurdieren worden gehouden dan de onder b), ii), van dit deel bedoelde soorten, voeren risicogebaseerde bewaking uit al naargelang de risicostatus (“hoog”, “middelhoog” of “laag”) die hun bij de risicobeoordeling overeenkomstig deel I van bijlage VI bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689 is toegekend;

b)

aquacultuurinrichtingen waar de in de punten i) en ii) bedoelde soorten aquacultuurdieren worden gehouden, voeren risicogebaseerde bewaking uit indien hun als gevolg van een overeenkomstig deel I van bijlage VI bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689 uitgevoerde risicobeoordeling de risicostatus “hoog” is toegekend:

i)

niet in de lijst opgenomen soorten;

ii)

in de lijst opgenomen soorten als genoemd in de vierde kolom van de tabel in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882; die in de lijst opgenomen soorten moeten echter wel in contact zijn met de in de derde kolom van die tabel genoemde in de lijst opgenomen soorten om te worden ingedeeld als vectoren, en dat contact heeft niet plaatsgevonden.

DEEL 2

Inhoud van risicogebaseerde bewaking bij aquacultuurinrichtingen of groepen daarvan, uitgevoerd in overeenstemming met artikel 26 van Verordening (EU) 2016/429

1.

Gegevenscontroles, klinische inspecties en laboratoriumonderzoeken in de erkende aquacultuurinrichtingen als bedoeld in de artikelen 7, 17 en 18 worden als volgt uitgevoerd:

a)

de relevante, in overeenstemming met de documentatieverplichtingen van artikel 186 van Verordening (EU) 2016/429 en met de artikelen 23, 32 en 33 van deze verordening bijgehouden gegevens moeten worden onderzocht om na te gaan of er aanwijzingen zijn voor een verhoogde sterfte of de aanwezigheid van een in de lijst opgenomen of nieuwe ziekte in de aquacultuurinrichting waarmee bij het bezoek van een dierenarts rekening moet worden gehouden;

b)

alle delen van de aquacultuurinrichting moeten worden onderzocht, waarbij bijzondere aandacht moet worden besteed aan de productie-eenheden waar volgens de onder a) bedoelde gegevens aanwijzingen zijn van de verhoogde sterfte;

c)

indien er bij de gegevenscontrole noch de klinische inspectie van alle productie-eenheden aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van een in de lijst opgenomen of nieuwe ziekte, is er geen verplichting om monsters te nemen voor laboratoriumonderzoek;

d)

waar stervende of onlangs gestorven aquacultuurdieren worden aangetroffen, moet een representatieve selectie van deze aquacultuurdieren zowel extern als intern klinisch worden onderzocht om na te gaan of er sprake is van pathologische veranderingen; dat onderzoek moet met name gericht zijn op de opsporing van in de lijst opgenomen of nieuwe ziekten;

e)

wanneer het resultaat van het onder d) bedoelde klinisch onderzoek leidt tot een vermoeden van de aanwezigheid van een in de lijst opgenomen of nieuwe ziekte in een aquacultuurinrichting in een lidstaat, een zone of een compartiment waarin een uitroeiingsprogramma wordt uitgevoerd of die/dat vrij van de desbetreffende ziekte is verklaard, wordt een steekproef van aquacultuurdieren uit die aquacultuurinrichting verzameld en aan een laboratoriumonderzoek onderworpen overeenkomstig het desbetreffende hoofdstuk van deel II van bijlage VI bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689;

f)

indien het resultaat van het onder d) bedoelde klinisch onderzoek leidt tot het vermoeden van de aanwezigheid van een in de lijst opgenomen ziekte in een aquacultuurinrichting waarin voor die specifieke ziekte van categorie C een bewakingsprogramma wordt uitgevoerd, wordt een steekproef van aquacultuurdieren uit de aquacultuurinrichting verzameld en aan een laboratoriumonderzoek onderworpen overeenkomstig het desbetreffende hoofdstuk van deel III van bijlage VI bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689;

g)

indien het resultaat van het onder d) bedoelde klinisch onderzoek leidt tot het vermoeden van een nieuwe ziekte, wordt een monster van aquacultuurdieren uit de aquacultuurinrichting verzameld en aan een laboratoriumonderzoek onderworpen met het oog op de identificatie van die nieuwe ziekte.

2.

Controles van de gegevens en klinische en laboratoriumonderzoeken in de in artikel 8 bedoelde erkende groepen aquacultuurinrichtingen worden als volgt uitgevoerd:

a)

de relevante, door of namens elke aquacultuurinrichting in de groep aquacultuurinrichtingen overeenkomstig artikel 186 van Verordening (EU) 2016/429 en artikel 24 van de onderhavige verordening bijgehouden gegevens moeten worden onderzocht om na te gaan of er aanwijzingen zijn voor een verhoogde sterfte of de aanwezigheid van een in de lijst opgenomen of nieuwe ziekte die in aanmerking moet worden genomen bij de beslissing welke aquacultuurinrichting in de groep in verband met de toepassing van risicogebaseerde bewaking moet worden bezocht;

b)

wanneer bij het onderzoek van de onder a) bedoelde gegevens sprake is van verhoogde sterfte of de aanwezigheid van een in de lijst opgenomen of nieuwe ziekte in een bepaalde aquacultuurinrichting binnen de groep, moet die inrichting worden bezocht met het oog op risicogebaseerde bewaking; tijdens dat bezoek moeten de in punt 1, onder b) tot en met g), beschreven stappen worden gevolgd;

c)

wanneer bij het onderzoek van de onder a) bedoelde gegevens geen aanwijzingen zijn van verhoogde sterfte of van de aanwezigheid van een in de lijst opgenomen of nieuwe ziekte in een aquacultuurinrichting binnen de groep, wordt een of meer risicogebaseerde bewakingsbezoeken uitgevoerd, ofwel:

i)

na de risicobeoordeling, in de aquacultuurinrichting of groep aquacultuurinrichtingen waar het risico op insleep van de ziekte het grootst zijn; dan wel

ii)

bij de inrichting waar het aantal verplaatsingen van aquacultuurdieren voor verdere opkweek sinds het laatste risicogebaseerde bewakingsbezoek het grootst is geweest.

In beide gevallen moeten de in punt 1, onder c) tot en met g), beschreven stappen tijdens het risicogebaseerde bewakingsbezoek worden gevolgd.


Top