EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 42019X2141

VN/ECE-Reglement nr. 14 — Uniforme bepalingen voor de goedkeuring van voertuigen wat de veiligheidsgordelverankeringen betreft [2019/2141]

PB L 324 van 13.12.2019, p. 14–46 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

Legal status of the document In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2019/2141/oj

13.12.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 324/14


Voor het internationaal publiekrecht hebben alleen de originele VN/ECE-teksten rechtsgevolgen. Voor de status en de datum van inwerkingtreding van dit reglement, zie de recentste versie van VN/ECE-statusdocument TRANS/WP.29/343 op: http://www.unece.org/trans/main/wp29/wp29wgs/wp29gen/wp29fdocstts.html

VN/ECE-Reglement nr. 14 — Uniforme bepalingen voor de goedkeuring van voertuigen wat de veiligheidsgordelverankeringen betreft [2019/2141]

Bevat de volledige geldige tekst tot en met:

Wijzigingenreeks 09 — Datum van inwerkingtreding: 29 december 2018

INHOUD

REGLEMENT

1.   Toepassingsgebied

2.   Definities

3.   Goedkeuringsaanvraag

4.   Goedkeuring

5.   Specificaties

6.   Tests

7.   Inspectie tijdens en na de statische tests van de veiligheidsgordelverankeringen

8.   Wijzigingen en uitbreiding van de goedkeuring van het voertuigtype

9.   Conformiteit van de productie

10.   Sancties bij non-conformiteit van de productie

11.   Handleiding

12.   Definitieve stopzetting van de productie

13.   Naam en adres van de voor de uitvoering van de goedkeuringstests verantwoordelijke technische diensten en van de typegoedkeuringsinstanties

14.   Overgangsbepalingen

BIJLAGEN

1   Mededeling

2   Opstelling van het goedkeuringsmerk

3   Plaats van de effectieve gordelverankeringen

4   Procedure voor het bepalen van het H-punt en de werkelijke romphoek voor zitplaatsen in motorvoertuigen

5   Trekinrichting

6   Minimumaantal verankeringspunten en plaats van de verankeringen onderaan

7   Dynamische test als alternatief voor de statische sterktetest van veiligheidsgordelverankeringen

8   Specificaties van de dummy

1.   TOEPASSINGSGEBIED

Dit reglement is van toepassing op:

voertuigen van de categorieën M en N (1) wat de verankeringen betreft van veiligheidsgordels die bestemd zijn voor volwassen inzittenden op voorwaarts, achterwaarts of zijwaarts gerichte stoelen.

2.   DEFINITIES

Voor de toepassing van dit reglement wordt verstaan onder:

2.1.

“goedkeuring van een voertuig”: de goedkeuring van een voertuigtype dat is uitgerust met verankeringen voor bepaalde typen veiligheidsgordels;

2.2.

“voertuigtype”: een categorie motorvoertuigen die onderling niet verschillen op essentiële punten zoals de afmetingen, contouren en materialen van de onderdelen van de voertuig- of stoelstructuur waaraan de veiligheidsgordelverankeringen zijn vastgemaakt en, als de sterkte van de verankeringen aan de dynamische test wordt onderworpen, de kenmerken van alle onderdelen van het beveiligingssysteem, met name de spankrachtbegrenzers, die een invloed hebben op de krachten die de veiligheidsgordelverankeringen ondergaan;

2.3.

“gordelverankeringen”: de delen van de voertuig- of stoelstructuur of van een ander voertuigonderdeel waaraan de veiligheidsgordelconstructies stevig worden bevestigd;

2.4.

“effectieve gordelverankering”: het punt dat wordt gebruikt om op de in punt 5.4 gespecificeerde wijze de hoek van elk deel van de veiligheidsgordel ten opzichte van de inzittende te bepalen. Dit is het punt waaraan een riem moet worden bevestigd om de loop van een gedragen gordel weer te geven; afhankelijk van de configuratie van de veiligheidsgordelapparatuur waar deze aan de gordelverankering is bevestigd, valt dit punt al dan niet samen met de werkelijke gordelverankering.

2.4.1.

Indien bijvoorbeeld

2.4.1.1.

wordt gebruikgemaakt van een riemgeleider die aan de voertuig- of stoelstructuur is bevestigd, wordt het middelpunt van de geleider, op de plaats waar de riem de geleider verlaat aan de kant van de gordeldrager, als de effectieve gordelverankering beschouwd, en

2.4.1.2.

de gordel rechtstreeks van de drager naar een aan de voertuig- of stoelstructuur bevestigd oprolmechanisme loopt, zonder tussengeplaatste geleider, wordt het snijpunt van de oprolas met het vlak dat door de middellijn van de opgerolde riem loopt, als effectieve gordelverankering beschouwd;

2.5.

“vloer”: het onderste deel van de voertuigcarrosserie, dat de zijwanden van het voertuig met elkaar verbindt. In dit geval omvat de vloer de ribben, profielen en eventuele andere verstevigingen, zelfs als deze zich onder de vloer bevinden, zoals in lengte- en dwarsrichting geplaatste verstevigingsdelen;

2.6.

“stoel”: een structuur die al dan niet integrerend deel uitmaakt van de voertuigstructuur, inclusief bekleding, en die bestemd is om zitplaats te bieden aan één volwassene. Deze term heeft zowel betrekking op een afzonderlijke stoel als op een deel van een bank dat als zitplaats voor één persoon is bestemd;

2.6.1.

“voorpassagiersstoel”: een stoel waarvan het voorste H‐punt zich op of vóór het verticale dwarsvlak door het R‐punt van de bestuurder bevindt;

2.6.2.

“voorwaarts gerichte stoel” stoel die kan worden gebruikt terwijl het voertuig in beweging is en die op zodanige wijze naar de voorkant van het voertuig is gericht dat het verticale symmetrievlak van de stoel een hoek van minder dan + 10° of – 10° vormt met het verticale symmetrievlak van het voertuig;

2.6.3.

“achterwaarts gerichte stoel”: stoel die kan worden gebruikt terwijl het voertuig in beweging is en die op zodanige wijze naar de achterkant van het voertuig is gericht dat het verticale symmetrievlak van de stoel een hoek van minder dan + 10° of – 10° vormt met het verticale symmetrievlak van het voertuig;

2.6.4.

“zijwaarts gerichte stoel”: stoel die kan worden gebruikt terwijl het voertuig in beweging is en die op zodanige wijze naar de zijkant van het voertuig is gericht dat het verticale symmetrievlak van de stoel een hoek van 90° (± 10°) vormt met het verticale symmetrievlak van het voertuig;

2.7.

“stoelengroep”: een bank of gescheiden maar naast elkaar geplaatste stoelen (d.w.z. dat de voorste verankeringen van de ene stoel zich vóór of op één lijn met de achterste verankeringen en achter of op één lijn met de voorste verankeringen van de andere stoel bevinden) die plaats bieden aan een of meer volwassenen;

2.8.

“bank”: een structuur, inclusief bekleding, die plaats moet bieden aan meer dan een volwassene;

2.9.

“stoeltype”: een categorie stoelen die onderling niet verschillen op essentiële punten zoals:

2.9.1.

de vorm, de afmetingen en het materiaal van de stoelstructuur;

2.9.2.

het type en de afmetingen van de verstelsystemen en van alle vergrendelingssystemen;

2.9.3.

het type en de afmetingen van de gordelverankeringen op de stoel, de stoelverankering en de desbetreffende delen van de voertuigstructuur;

2.10.

“stoelverankering”: het systeem waarmee de stoelconstructie stevig aan de voertuigstructuur is bevestigd, inclusief de desbetreffende delen van de voertuigstructuur;

2.11.

“verstelsysteem”: een voorziening waarmee de stoel of de delen ervan kunnen worden versteld om een stand te verkrijgen die aan het postuur van de inzittende is aangepast; hiermee is met name mogelijk:

2.11.1.

verplaatsing in de lengterichting;

2.11.2.

verstelling van de hoogte;

2.11.3.

inclinatie;

2.12.

“verplaatsingssysteem”: een voorziening waarmee een stoel of een deel ervan kan worden verplaatst of gedraaid zonder vaste tussenstand, om de toegang tot de ruimte achter de stoel te vergemakkelijken;

2.13.

“vergrendelingssysteem”: een voorziening waarmee de stoel en de delen ervan in een bepaalde gebruiksstand kunnen worden vergrendeld; dit heeft zowel betrekking op voorzieningen om de stand van de rugleuning ten opzichte van de stoel te vergrendelen als op voorzieningen om de stand van de stoel ten opzichte van het voertuig te vergrendelen;

2.14.

“referentiezone”: de ruimte tussen twee verticale langsvlakken die zich 400 mm van elkaar bevinden en symmetrisch gelegen zijn ten opzichte van het H‐punt, gedefinieerd door de draaiing van het hoofdvormige apparaat van de verticale in de horizontale stand, zoals beschreven in Reglement nr. 21, bijlage 1. Het apparaat moet in de in bijlage 1 bij Reglement nr. 21 beschreven positie worden geplaatst en worden ingesteld op de maximumlengte van 840 mm;

2.15.

“spankrachtbegrenzer”: alle delen van de veiligheidsgordels en/of stoelen en/of voertuigen die bedoeld zijn om de krachten die bij een botsing op de thorax van de inzittenden worden uitgeoefend, te beperken.

3.   GOEDKEURINGSAANVRAAG

3.1.

De aanvraag tot goedkeuring van een voertuigtype wat de gordelverankeringen betreft, wordt door de voertuigfabrikant of door zijn gemachtigde vertegenwoordiger ingediend.

3.2.

De aanvraag gaat vergezeld van de hieronder genoemde documenten in drievoud en van de volgende nadere gegevens:

3.2.1.

tekeningen van de algemene voertuigstructuur, op een passende schaal, met de positie van de gordelverankeringen en van de effectieve gordelverankeringen (indien van toepassing) en gedetailleerde tekeningen van de gordelverankeringen;

3.2.2.

specificaties van de gebruikte materialen die een invloed kunnen hebben op de sterkte van de gordelverankeringen;

3.2.3.

een technische beschrijving van de gordelverankeringen;

3.2.4.

in het geval van gordelverankeringen die aan de stoelstructuur zijn vastgemaakt:

3.2.4.1.

een gedetailleerde beschrijving van het voertuigtype wat het ontwerp van de stoelen, de stoelverankeringen en hun verstel- en vergrendelingssystemen betreft;

3.2.4.2.

tekeningen van de stoelen, de stoelverankeringen en de verstel- en vergrendelingssystemen van de stoelen, op een passende schaal en met voldoende details;

3.2.5.

als de voertuigfabrikant voor de alternatieve dynamische sterktetest kiest, moet hij aantonen dat de voor de goedkeuringstests van de verankeringen gebruikte veiligheidsgordels of beveiligingssystemen conform zijn met VN-Reglement nr. 16.

3.3.

Naar keuze van de fabrikant worden een voor het goed te keuren type representatief voertuig of de delen van het voertuig die door de technische dienst die de goedkeuringstests uitvoert als essentieel voor het testen van de gordelverankeringen worden beschouwd, ter beschikking gesteld van die technische dienst.

4.   GOEDKEURING

4.1.

Als het voertuig waarvoor krachtens dit reglement goedkeuring wordt aangevraagd, aan de relevante voorschriften van dit reglement voldoet, wordt voor dat voertuigtype goedkeuring verleend.

4.2.

Aan elk goedgekeurd type wordt een goedkeuringsnummer toegekend. De eerste twee cijfers ervan (momenteel 08 voor wijzigingenreeks 08 van het reglement) geven de wijzigingenreeks aan met de recentste belangrijke technische wijzigingen van het reglement op de datum van goedkeuring. Dezelfde overeenkomstsluitende partij mag hetzelfde nummer niet toekennen aan een ander voertuigtype zoals gedefinieerd in punt 2.2.

4.3.

Van de goedkeuring, de uitbreiding, weigering of intrekking van de goedkeuring of de definitieve stopzetting van de productie van een voertuigtype krachtens dit reglement wordt aan de partijen bij de Overeenkomst van 1958 die dit reglement toepassen, mededeling gedaan door middel van een formulier volgens het model in bijlage 1.

4.4.

Op elk voertuig dat conform is met een krachtens dit reglement goedgekeurd voertuigtype, moet op een opvallende en gemakkelijk bereikbare plaats die op het goedkeuringsformulier is vermeld, een internationaal goedkeuringsmerk worden aangebracht, bestaande uit:

4.4.1.

een cirkel met daarin de letter “E”, gevolgd door het nummer van het land dat de goedkeuring heeft verleend (2);

4.4.2.

het nummer van dit reglement, rechts van de in punt 4.4.1 voorgeschreven cirkel;

4.4.3.

de letter “e”, rechts van het nummer van dit reglement, indien de typegoedkeuring op basis van de dynamische test van bijlage 7 wordt verleend.

4.5.

Indien het voertuig overeenstemt met een voertuigtype dat op basis van een of meer andere aan de overeenkomst gehechte reglementen is goedgekeurd in het land dat de goedkeuring krachtens dit reglement heeft verleend, hoeft het in punt 4.4.1 bedoelde symbool niet te worden herhaald; in dat geval worden de aanvullende nummers en symbolen van alle reglementen op basis waarvan goedkeuring is verleend in het land dat krachtens dit reglement goedkeuring heeft verleend, in verticale kolommen rechts van het in punt 4.4.1 voorgeschreven symbool geplaatst.

4.6.

Het goedkeuringsmerk moet goed leesbaar en onuitwisbaar zijn.

4.7.

Het goedkeuringsmerk moet dicht bij of op het door de fabrikant aangebrachte gegevensplaatje van het voertuig worden aangebracht.

4.8.

In bijlage 2 worden voorbeelden van de opstelling van het goedkeuringsmerk gegeven.

5.   SPECIFICATIES

5.1.

Definities (zie bijlage 3)

5.1.1.

Het H‐punt is een referentiepunt als gedefinieerd in punt 2.3 van bijlage 4 dat volgens de procedure van die bijlage moet worden vastgesteld.

5.1.1.1.

Het punt H' is een referentiepunt dat overeenkomt met het in punt 5.1.1 gedefinieerde H‐punt en dat voor elke normale gebruiksstand van de stoel wordt vastgesteld.

5.1.1.2.

Het R‐punt is het referentiepunt van de zitplaats als gedefinieerd in punt 2.4 van bijlage 4.

5.1.2.

Het driedimensionale referentiesysteem is gedefinieerd in aanhangsel 2 van bijlage 4.

5.1.3.

De punten L1 en L2 zijn de effectieve gordelverankeringen onderaan.

5.1.4.

Het C‐punt bevindt zich op een afstand van 450 mm verticaal boven het R‐punt. Indien de in punt 5.1.6 gedefinieerde afstand S echter ten minste 280 mm bedraagt en de fabrikant de in punt 5.4.3.3 gespecificeerde alternatieve formule BR = 260 mm +0,8 S kiest, bedraagt de verticale afstand tussen C en R 500 mm.

5.1.5.

α1 en α2 zijn de hoeken tussen een horizontaal vlak en de vlakken die, loodrecht op het middenlangsvlak van de stoel, door punt R en door de punten L1 en L2 lopen.

Indien de stoel verstelbaar is, moet aan deze voorwaarde ook worden voldaan voor het H‐punt van elke normale rij- of gebruiksstand, zoals aangegeven door de voertuigfabrikant.

5.1.6.

S is de afstand (in millimeters) van de effectieve gordelverankeringen bovenaan tot een referentievlak P dat evenwijdig is aan het middenlangsvlak van het voertuig en als volgt is gedefinieerd:

5.1.6.1.

als de zitplaats duidelijk door de vorm van de stoel is bepaald, is het vlak P het middenvlak van deze stoel;

5.1.6.2.

als de zitplaats niet duidelijk is bepaald:

5.1.6.2.1.

is het vlak P, voor de bestuurdersstoel, een verticaal vlak, evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig, dat door het middelpunt van het stuurwiel loopt, in het vlak dat wordt gevormd door de stuurwielrand als het stuurwiel, voor zover het verstelbaar is, zich in de middelste stand bevindt;

5.1.6.2.2.

is het vlak P, voor de voorpassagier aan de buitenkant, symmetrisch met dat van de bestuurder;

5.1.6.2.3.

is het vlak P, voor de achterpassagier aan de buitenkant, het vlak dat door de fabrikant is gespecificeerd, voor zover de afstand A tussen het middenlangsvlak van het voertuig en vlak P aan de volgende grenswaarden beantwoordt:

A

bedraagt ten minste 200 mm als de zitbank voor slechts twee passagiers is ontworpen;

A

bedraagt ten minste 300 mm als de zitbank voor meer dan twee passagiers is ontworpen.

5.2.

Algemene specificaties

5.2.1.

Veiligheidsgordelverankeringen moeten zodanig zijn ontworpen, vervaardigd en opgesteld dat:

5.2.1.1.

de installatie van een geschikte veiligheidsgordel mogelijk is. De gordelverankeringen voor de zijzitplaatsen vóór moeten geschikt zijn voor veiligheidsgordels met een oprolmechanisme en oprolas, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de sterkte van de gordelverankeringen, tenzij de fabrikant het voertuig eveneens levert met andere veiligheidsgordeltypen met oprolmechanisme. Indien de verankeringen uitsluitend geschikt zijn voor bepaalde veiligheidsgordeltypen, moeten deze typen op het in punt 4.3 vermelde formulier worden vermeld;

5.2.1.2.

het risico dat de gordel verschuift tot een minimum wordt beperkt wanneer deze correct wordt gedragen;

5.2.1.3.

het risico dat de riem door contact met scherpe stijve delen van de voertuig- of stoelstructuur wordt beschadigd, tot een minimum wordt beperkt;

5.2.1.4.

het voertuig, bij normaal gebruik, aan de bepalingen van dit reglement kan voldoen;

5.2.1.5.

bij verankeringen die verschillende posities kunnen innemen met het oog op het instappen en het op hun plaats houden van de inzittenden, zijn de specificaties van dit reglement van toepassing op de verankeringen in de stand waarbij de gordels de inzittenden daadwerkelijk op hun plaats houden.

5.3.

Minimumaantal gordelverankeringen

5.3.1.

Alle voertuigen van de categorieën M en N (met uitzondering van de voertuigen van de categorieën M2 en M3 die behoren tot klasse I of A1) moeten zijn uitgerust met veiligheidsgordelverankeringen die aan de voorschriften van dit reglement voldoen.

Indien voertuigen van de categorie M2 of M3 die behoren tot klasse I of A1, zijn uitgerust met veiligheidsgordelverankeringen, moeten deze aan de voorschriften van dit reglement voldoen.

5.3.1.1.

De verankeringen van harnasgordelsystemen die overeenkomstig Reglement nr. 16 zijn goedgekeurd als gordels van type S (met of zonder oprolmechanisme(n)) moeten aan de voorschriften van Reglement nr. 14 voldoen, maar de aanvullende verankering(en) voor de installatie van een kruisriem(‐constructie) hoeft (hoeven) niet aan de voorschriften van dit reglement inzake sterkte en opstelling te voldoen.

5.3.2.

In bijlage 6 is het minimumaantal veiligheidsgordelverankeringen voor alle voorwaarts, achterwaarts en zijwaarts gerichte zitplaatsen gespecificeerd.

5.3.3.

Met uitzondering van de zitplaatsen vóór mogen de zijzitplaatsen van voertuigen van categorie N1, in bijlage 6 aangegeven met het symbool Ø, voorzien zijn van twee verankeringen onderaan, voor zover er een doorgang tussen een stoel en de dichtstbijzijnde zijwand van het voertuig bestaat waarlangs de inzittenden toegang hebben tot andere delen van het voertuig.

Een ruimte tussen een stoel en de zijwand wordt als een doorgang beschouwd als de afstand van deze zijwand, met alle deuren gesloten, tot een verticaal langsvlak dat door de middellijn van de desbetreffende stoel loopt, gemeten op het punt R en loodrecht op het middenlangsvlak van het voertuig, meer dan 500 mm bedraagt.

5.3.4.

Voor de middenzitplaatsen vóór, in bijlage 6 aangegeven met het symbool *, worden twee verankeringen onderaan voldoende geacht wanneer de voorruit zich buiten de in bijlage 1 bij Reglement nr. 21 gedefinieerde referentiezone bevindt; wanneer de voorruit zich in deze referentiezone bevindt, zijn drie verankeringen vereist.

Wat de gordelverankeringen betreft, wordt de voorruit als een deel van de referentiezone beschouwd wanneer zij volgens de in bijlage 1 bij Reglement nr. 21 beschreven methode in statisch contact kan komen met de testapparatuur.

5.3.5.

Voor elke zitplaats die in bijlage 6 met het symbool Image 1 is aangegeven, zijn drie verankeringen vereist. Indien één van de volgende voorwaarden is vervuld, volstaan twee verankeringen:

5.3.5.1.

vlak voor deze zitplaats bevindt zich een stoel of een ander deel van het voertuig dat conform is met punt 3.5 van aanhangsel 1 van Reglement nr. 80;

5.3.5.2.

geen enkel deel van het voertuig bevindt zich in de referentiezone of kan in de referentiezone komen wanneer het voertuig in beweging is, of

5.3.5.3.

delen van het voertuig die zich in de genoemde referentiezone bevinden, voldoen aan de voorschriften van aanhangsel 6 van Reglement nr. 80 inzake energieabsorptie.

5.3.5.4.

De punten 5.3.5.1 tot en met 5.3.5.3 zijn niet van toepassing op een bestuurdersstoel.

5.3.6.

Voor stoelen en zitplaatsen die uitsluitend bestemd zijn om te worden gebruikt als het voertuig stilstaat, alsook voertuigstoelen die niet onder de punten 5.3.1 tot en met 5.3.4 vallen, zijn geen gordelverankeringen vereist. Indien het voertuig echter met verankeringen voor deze stoelen is uitgerust, moeten deze verankeringen aan de bepalingen van dit reglement voldoen. Verankeringen die uitsluitend bestemd zijn om met een veiligheidsgordel voor personen met een beperking of met enig ander beveiligingssysteem overeenkomstig bijlage 8 bij Reglement nr. 107, wijzigingenreeks 02, te worden gebruikt, hoeven niet aan de voorschriften van dit reglement te voldoen.

5.3.7.

Voor het bovendek van een dubbeldeksvoertuig zijn de voorschriften voor de middenzitplaats vóór ook van toepassing op de zijzitplaatsen vóór.

5.3.8.

In het geval van stoelen die voor gebruik bij stilstand in andere richtingen kunnen worden gedraaid of geplaatst, gelden de voorschriften van punt 5.3.1 alleen voor de stoelstanden voor normaal gebruik van het voertuig op de weg, overeenkomstig dit reglement. In het inlichtingenformulier moet een opmerking hieromtrent worden opgenomen.

5.4.

Plaats van de gordelverankeringen (zie figuur 1 van bijlage 3)

5.4.1.

Algemeen

5.4.1.1.

De gordelverankeringen van eenzelfde gordel mogen alle aan de voertuig- of stoelstructuur of enig ander onderdeel van het voertuig zijn bevestigd of over deze plaatsen zijn verspreid.

5.4.1.2.

Aan één gordelverankering kunnen de uiteinden van twee naast elkaar geplaatste veiligheidsgordels worden bevestigd, op voorwaarde dat aan de testvoorschriften is voldaan.

5.4.2.

Plaats van de effectieve gordelverankeringen onderaan

5.4.2.1.

Voorstoelen, voertuigcategorie M1

In motorvoertuigen van categorie M1 moet hoek α1 (aan de kant tegenover de sluiting) 30 tot 80° en hoek α2 (aan de kant van de sluiting) 45 tot 80° bedragen. Dit geldt voor alle normale gebruiksstanden van de voorstoelen. Als ten minste een van beide hoeken in alle gebruiksstanden constant is (bv. als de verankering aan de stoel is vastgemaakt), moet hij 60 ± 10° bedragen. Voor verstelbare stoelen met een verstelsysteem en een rugleuning die een hoek van minder dan 20° vormt (zie figuur 1 van bijlage 3), mag hoek α1 minder dan de bovenvermelde minimumwaarde (30°) bedragen, voor zover hij in elke normale gebruiksstand niet minder dan 20° bedraagt.

5.4.2.2.

Achterstoelen, voertuigcategorie M1

In motorvoertuigen van categorie M1 moeten de hoeken α1 en α2 voor alle achterstoelen 30 tot 80° bedragen. Als de achterstoelen verstelbaar zijn, gelden deze hoeken voor alle normale gebruiksstanden.

5.4.2.3.

Voorstoelen, andere voertuigcategorieën dan M1

In motorvoertuigen van andere categorieën dan M1 moeten de hoeken α1 en α2 voor alle normale gebruiksstanden van de voorstoelen 30 tot 80° bedragen. Als in motorvoertuigen met een massa van ten hoogste 3,5 ton ten minste één van deze hoeken van de voorstoelen in alle normale gebruiksstanden constant is, moet hij 60 ± 10° bedragen (bv. als de verankering aan de stoel is vastgemaakt).

5.4.2.4.

Achterstoelen en speciale voor- of achterstoelen, andere voertuigcategorieën dan M1

In voertuigen van andere categorieën dan M1 die zijn uitgerust met:

a)

zitbanken;

b)

verstelbare stoelen (vóór en achter) met een verstelsysteem en een rugleuning die een hoek van minder dan 20° vormt (zie figuur 1 van bijlage 3), en

c)

andere stoelen achter;

bedragen de hoeken α1 en α2 in alle normale gebruiksstanden 20 tot 80°. Als in motorvoertuigen met een massa van ten hoogste 3,5 ton ten minste één van deze hoeken van de voorstoelen in alle normale gebruiksstanden constant is, moet hij 60 ± 10° bedragen (bv. als de verankering aan de stoel is vastgemaakt).

Voor stoelen van voertuigen van de categorieën M2 en M3, met uitzondering van de voorstoelen, bedragen de hoeken α1 en α2 in alle normale gebruiksstanden 45 tot 90°.

5.4.2.5.

De afstand tussen de twee verticale vlakken die evenwijdig zijn aan het middenlangsvlak van het voertuig en die elk door één van de twee effectieve gordelverankeringen onderaan (L1 en L2) van dezelfde veiligheidsgordel lopen, moet ten minste 350 mm bedragen. In het geval van zijwaarts gerichte stoelen moet de afstand tussen de twee verticale vlakken die evenwijdig zijn aan het middenlangsvlak van de stoel en die elk door één van de twee effectieve gordelverankeringen onderaan (L1 en L2) van dezelfde veiligheidsgordel lopen ten minste 350 mm bedragen. Indien er slechts één middenzitplaats op een stoelenrij achter van voertuigen van de categorieën M1 en N1 is, moet de bovenvermelde afstand voor die middenzitplaats ten minste 240 mm bedragen, voor zover het niet mogelijk is de middenstoel achter te verwisselen met één van de andere stoelen van het voertuig. Het middenlangsvlak van de stoel moet tussen de punten L1 en L2 liggen en ten minste 120 mm van deze punten verwijderd zijn.

5.4.3.

Plaats van de effectieve gordelverankeringen bovenaan (zie bijlage 3)

5.4.3.1.

Indien gebruik wordt gemaakt van een riemgeleider of een soortgelijke voorziening die de plaats van de effectieve gordelverankering bovenaan beïnvloedt, dan wordt deze plaats op de gewone wijze bepaald door de plaats van de verankering te beschouwen wanneer de middellijn in de lengterichting van de riem door een punt J1 loopt dat vanuit het R‐punt aan de hand van de volgende drie lijnstukken wordt gedefinieerd:

RZ

:

een 530 mm lang stuk van de romplijn, in opwaartse richting gemeten vanuit het R‐punt;

ZX

:

een 120 mm lang stuk van de loodlijn op het middenlangsvlak van het voertuig, gemeten vanuit het Z‐punt in de richting van de verankering;

XJ1

:

een 60 mm lang stuk van de loodlijn op het vlak bepaald door de lijnstukken RZ en ZX, gemeten vanuit het X‐punt in voorwaartse richting.

Punt J2 wordt bepaald door symmetrie met punt J1 ten opzichte van het verticale langsvlak door de in punt 5.1.2 beschreven romplijn van de op de desbetreffende stoel geplaatste dummy.

Indien een tweedeursconfiguratie wordt gebruikt om zowel de voor- als de achterstoelen toegankelijk te maken en de verankering bovenaan aan de B‐stijl is bevestigd, dan moet het systeem zodanig zijn ontworpen dat het instappen en uitstappen niet wordt belemmerd.

5.4.3.2.

De effectieve gordelverankering bovenaan bevindt zich onder het vlak FN, dat loodrecht op het middenlangsvlak van de stoel staat en een hoek van 65° met de romplijn maakt. Voor de achterstoelen mag deze hoek tot 60° worden verkleind. Het vlak FN snijdt de romplijn in het punt D, waarbij DR = 315 mm +1,8 S. Als echter S ≤ 200 mm, wordt DR = 675 mm.

5.4.3.3.

De effectieve gordelverankering bovenaan bevindt zich achter het vlak FK, dat loodrecht op het middenlangsvlak van de stoel staat en de romplijn in het punt B snijdt onder een hoek van 120°, waarbij BR = 260 mm + S. Als S ≥ 280 mm, mag de fabrikant naar keuze BR = 260 mm +0,8 S gebruiken.

5.4.3.4.

S mag niet minder dan 140 mm bedragen.

5.4.3.5.

De effectieve gordelverankering bovenaan bevindt zich achter een verticaal vlak dat loodrecht op het middenlangsvlak van het voertuig staat en door het R‐punt loopt, zoals afgebeeld in bijlage 3.

5.4.3.6.

De effectieve gordelverankering bovenaan bevindt zich boven een horizontaal vlak dat door het in punt 5.1.4 gedefinieerde C‐punt loopt.

5.4.3.6.1.

Onverminderd de voorschriften van punt 5.4.3.6 mag de effectieve gordelverankering bovenaan voor passagiersstoelen van voertuigen van de categorieën M2 en M3 verstelbaar zijn tot een stand onder deze specificatie, indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

op de veiligheidsgordel of stoel wordt een permanente markering aangebracht om aan te duiden in welke stand de effectieve gordelverankering bovenaan zich moet bevinden om te voldoen aan de in punt 5.4.3.6 voorgeschreven minimale hoogte voor de gordelverankering bovenaan. Deze markering moet aan de gebruiker duidelijk aangeven in welke stand de verankering geschikt is voor gebruik door een volwassene met een gemiddeld postuur;

b)

de effectieve gordelverankering bovenaan wordt zodanig ontworpen dat deze in de hoogte verstelbaar is met een handbediend verstelsysteem dat voor de zittende gebruiker bereikbaar is en op passende en gemakkelijke wijze kan worden gebruikt;

c)

de effectieve gordelverankering bovenaan wordt zodanig ontworpen dat onbedoelde opwaartse verplaatsingen van de gordelverankering die de doeltreffendheid van het verstelsysteem bij normaal gebruik zouden verminderen, worden voorkomen;

d)

de fabrikant moet in de voertuighandleiding duidelijke uitleg verschaffen over het gebruik van dergelijke verstelsystemen, alsook informatie over de geschiktheid en beperkingen ervan voor inzittenden met een klein postuur.

Wanneer het verstelsysteem om de schouderhoogte aan te passen echter niet rechtstreeks aan de voertuigconstructie of de stoelconstructie is bevestigd, maar er gebruik wordt gemaakt van een flexibel verstelsysteem van de schouderhoogte;

e)

moet nog steeds worden voldaan aan de onder a) en d) vermelde voorschriften in het kader van de krachtens Reglement nr. 14 uitgevoerde typegoedkeuring, waarbij gebruik wordt gemaakt van het te installeren beveiligingssysteem;

f)

moet worden aangetoond dat de veiligheidsgordel, samen met het flexibele verstelsysteem om de schouderhoogte aan te passen, voldoet aan de voorschriften voor beveiligingssystemen van Reglement nr. 16; aan de voorschriften onder b) en c) moet in het kader van de typegoedkeuring krachtens Reglement nr. 16 worden voldaan overeenkomstig punt 8.3 van dat reglement.

5.4.3.7.

Behalve de in punt 5.4.3.1 gespecificeerde verankering bovenaan mogen aanvullende effectieve gordelverankeringen bovenaan worden geïnstalleerd als één van de volgende voorwaarden is vervuld:

5.4.3.7.1.

de aanvullende verankeringen voldoen aan de voorschriften van de punten 5.4.3.1 tot en met 5.4.3.6;

5.4.3.7.2.

de aanvullende verankeringen kunnen zonder gereedschap worden gebruikt, voldoen aan de voorschriften van de punten 5.4.3.5 en 5.4.3.6, en bevinden zich in één van de gebieden die worden bepaald door een verticale verschuiving van 80 mm in op- of neerwaartse richting van het in figuur 1 van bijlage 3 afgebeelde gebied, of

5.4.3.7.3.

de verankeringen zijn bestemd voor een harnasgordel, voldoen aan de voorschriften van punt 5.4.3.6 indien zij zich bevinden achter het dwarsvlak dat door de referentielijn loopt, en zijn als volgt geplaatst:

5.4.3.7.3.1.

in het geval van één verankeringspunt bevinden ze zich in het gemeenschappelijk gedeelte van de twee tweevlakshoeken waarvan de verticale delen door de in punt 5.4.3.1 gedefinieerde punten J1 en J2 lopen en waarvan de horizontale delen in figuur 2 van bijlage 3 zijn afgebeeld;

5.4.3.7.3.2.

in het geval van twee verankeringen bevinden ze zich in de meest geschikte van de hierboven omschreven tweevlakshoeken, voor zover de ene verankering niet meer dan 50 mm is verwijderd van de plaats die wordt bepaald door de andere verankering symmetrisch te spiegelen ten opzichte van het in punt 5.1.6 gedefinieerde vlak P van de desbetreffende stoel.

5.5.

Afmetingen van de schroefgaten voor de verankeringen

5.5.1.

De verankeringen hebben schroefgaten van 7/16 inch (20 UNF 2B).

5.5.2.

Als het voertuig door de fabrikant is uitgerust met veiligheidsgordels die aan alle voor de desbetreffende stoel voorgeschreven verankeringen zijn vastgemaakt, hoeven deze verankeringen niet aan het voorschrift van punt 5.5.1 te voldoen, voor zover ze aan de andere bepalingen van dit reglement voldoen. Het voorschrift van punt 5.5.1 geldt evenmin voor aanvullende verankeringen die aan het voorschrift van punt 5.4.3.7.3 voldoen.

5.5.3.

De veiligheidsgordel moet van de verankering kunnen worden losgemaakt zonder deze te beschadigen.

6.   TESTS

6.1.

Algemene tests voor veiligheidsgordelverankeringen

6.1.1.

Onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen van punt 6.2 en op verzoek van de fabrikant:

6.1.1.1.

mogen de tests op een voertuigstructuur of op een volledig afgewerkt voertuig worden uitgevoerd;

6.1.1.2.

mogen de tests worden beperkt tot de verankeringen van één stoel of stoelengroep, voor zover:

a)

de desbetreffende verankeringen dezelfde structurele kenmerken hebben als de verankeringen van de andere stoelen of stoelengroepen, en

b)

de stoel of stoelengroep dezelfde structurele kenmerken heeft als de andere stoelen of stoelengroepen, in het geval dat de verankeringen volledig of gedeeltelijk op de stoel of stoelengroep zijn vastgemaakt;

6.1.1.3.

mogen ramen en deuren al dan niet zijn gemonteerd en al dan niet zijn gesloten;

6.1.1.4.

mag elk gewoonlijk gemonteerd onderdeel dat bijdraagt tot de stijfheid van de voertuigstructuur worden aangebracht.

6.1.2.

De stoelen moeten worden gemonteerd en in de stand voor het besturen of gebruiken van het voertuig worden geplaatst die door de voor het uitvoeren van de goedkeuringstests verantwoordelijke technische dienst is gekozen om de meest ongunstige omstandigheden voor de sterkte van het systeem te verkrijgen. De stand van de stoelen moet in het rapport worden vermeld. Als de hoek van de rugleuning verstelbaar is, moet deze worden vergrendeld volgens de aanwijzingen van de fabrikant of, indien deze ontbreken, in een hoek die voor voertuigen van de categorieën M1 en N1 zo dicht mogelijk 25° en voor voertuigen van alle andere categorieën zo dicht mogelijk 15° benadert.

6.2.

Vastklemmen van het voertuig met het oog op de tests van de veiligheidsgordelverankeringen

6.2.1.

De manier waarop het voertuig tijdens de test wordt vastgeklemd, mag geen versterking van de veiligheidsgordelverankeringen en het desbetreffende verankeringsgebied tot gevolg hebben en evenmin de normale vervorming van de structuur beperken.

6.2.2.

Een klemvoorziening wordt bevredigend geacht indien deze geen enkele invloed heeft op een oppervlak dat de volledige breedte van de structuur omvat en indien het voertuig of de structuur vooraan op een afstand van ten minste 500 mm van de te testen verankering is geblokkeerd of vastgezet en achteraan op een afstand van ten minste 300 mm van die verankering is bevestigd of vastgezet.

6.2.3.

Het verdient aanbeveling de structuur op steunen te plaatsen die zich ongeveer op één lijn met de wielassen of, indien dit niet mogelijk is, op één lijn met de bevestigingspunten van de ophanging bevinden.

6.2.4.

Indien een andere dan de in de punten 6.2.1, 6.2.2 en 6.2.3 voorgeschreven vastklemmethode wordt gebruikt, moet de gelijkwaardigheid ervan worden aangetoond.

6.3.

Algemene testvoorschriften voor veiligheidsgordelverankeringen

6.3.1.

Alle gordelverankeringen van dezelfde stoelengroep worden tegelijkertijd getest. Als het risico bestaat dat asymmetrische belasting van de stoelen en/of verankeringen tot het mislukken van de test leidt, mag een aanvullende test met asymmetrische belasting worden uitgevoerd.

6.3.2.

De trekkracht moet worden uitgeoefend onder een hoek van 10 ± 5° boven de horizontale lijn in een vlak evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig.

Eerst wordt een voorbelasting van 10 % met een tolerantie van ± 30 % van de doelbelasting uitgeoefend; vervolgens wordt de belasting verhoogd tot 100 % van de doelbelasting.

6.3.3.

De volledige belasting moet zo snel mogelijk en binnen 60 seconden worden bereikt.

De fabrikant kan echter vragen dat de belasting binnen 4 seconden wordt uitgeoefend.

De gordelverankeringen moeten ten minste 0,2 seconde aan de gespecificeerde belasting weerstaan.

6.3.4.

In bijlage 5 zijn de trekvoorzieningen afgebeeld die tijdens de in punt 6.4 beschreven tests moeten worden gebruikt. De in figuur 1 van bijlage 5 afgebeelde voorzieningen worden op het stoelkussen geplaatst en vervolgens, indien mogelijk, tegen de rugleuning van de stoel aangedrukt terwijl de gordel strak om de voorziening wordt aangespannen. De voorziening in figuur 2 van bijlage 5 wordt in positie gebracht, de gordel wordt om de voorziening gelegd en strak aangespannen. Tijdens deze handeling wordt geen grotere belasting op de veiligheidsgordelverankeringen uitgeoefend dan wat minimaal nodig is om de testvoorziening correct aan te brengen.

De breedte van de trekvoorziening (254 mm of 406 mm) die op elke zitplaats wordt gebruikt, moet de afstand tussen de verankeringen onderaan zo dicht mogelijk benaderen.

Bij het aanbrengen van de trekvoorziening moet wederzijdse beïnvloeding gedurende de trektest met negatieve gevolgen voor de belasting en de verdeling van de belasting worden vermeden.

6.3.5.

De gordelverankeringen van stoelen die voorzien zijn van gordelverankeringen bovenaan, worden onder de volgende omstandigheden getest:

6.3.5.1.

Zijzitplaatsen vóór:

De gordelverankeringen worden onderworpen aan de in punt 6.4.1 voorgeschreven tests, waarbij de belasting op de gordelverankeringen wordt uitgeoefend door middel van een voorziening die de geometrie nabootst van een driepuntsgordel die is uitgerust met een oprolmechanisme met een oprolas of riemgeleider aan de gordelverankering bovenaan. Indien er meer verankeringen zijn dan het in punt 5.3 voorgeschreven aantal, worden deze bovendien onderworpen aan de in punt 6.4.5 voorgeschreven test, waarbij de belasting op de verankeringen wordt uitgeoefend door middel van een voorziening die de geometrie nabootst van het type veiligheidsgordel waarvoor deze verankeringen zijn bestemd.

6.3.5.1.1.

Indien het oprolmechanisme niet aan de vereiste zijdelingse gordelverankering onderaan is bevestigd of indien dit aan de gordelverankering bovenaan is bevestigd, worden de gordelverankeringen onderaan eveneens aan de in punt 6.4.3 voorgeschreven test onderworpen.

6.3.5.1.2.

In dit geval mogen de in de punten 6.4.1 en 6.4.3 voorgeschreven tests op twee verschillende structuren worden uitgevoerd, indien de fabrikant hierom verzoekt.

6.3.5.2.

Zijzitplaatsen achter en alle middenzitplaatsen:

De gordelverankeringen worden onderworpen aan de in punt 6.4.2 voorgeschreven test, waarbij de belasting op de verankeringen wordt uitgeoefend door middel van een voorziening die de geometrie van een driepuntsveiligheidsgordel zonder oprolmechanisme nabootst, en aan de in punt 6.4.3 voorgeschreven test, waarbij de belasting op de twee gordelverankeringen onderaan wordt uitgeoefend door middel van een voorziening die de geometrie van een heupgordel nabootst. Indien de fabrikant hierom verzoekt, mogen de twee tests op twee verschillende structuren worden uitgevoerd.

6.3.5.3.

Indien een fabrikant zijn voertuig met veiligheidsgordels levert, mogen de desbetreffende gordelverankeringen op verzoek van de fabrikant alleen worden onderworpen aan een test waarbij de belasting op deze verankeringen wordt uitgeoefend door middel van een voorziening die de geometrie nabootst van het type gordels waarvoor deze verankeringen zijn bestemd.

6.3.6.

Indien de zij- en middenzitplaatsen niet met gordelverankeringen bovenaan zijn uitgerust, worden de gordelverankeringen onderaan aan de in punt 6.4.3 voorgeschreven test onderworpen, waarbij de belasting op deze verankeringen wordt uitgeoefend door middel van een voorziening die de geometrie van een heupgordel nabootst.

6.3.7.

Indien het voertuig zodanig is ontworpen dat het ook met andere voorzieningen kan worden uitgerust, waarbij de riemen niet rechtstreeks maar met behulp van katrolschijven enz. aan de gordelverankeringen worden bevestigd of waarbij nog andere dan de in punt 5.3 vermelde gordelverankeringen vereist zijn, wordt de veiligheidsgordel of de opstelling van draden, katrolschijven enz. die de uitrusting van de veiligheidsgordel voorstelt, met een dergelijke voorziening aan de gordelverankeringen van het voertuig bevestigd en worden de gordelverankeringen aan de in punt 6.4 voorgeschreven tests onderworpen.

6.3.8.

Een andere dan de in punt 6.3 voorgeschreven testmethode mag worden gebruikt, mits de gelijkwaardigheid ervan wordt aangetoond.

6.4.

Bijzondere testvoorschriften voor veiligheidsgordelverankeringen

6.4.1.

Test van de volgende configuratie: driepuntsgordel, voorzien van een oprolmechanisme met oprolas of riemgeleider aan de gordelverankering bovenaan

6.4.1.1.

Een speciale oprolas of geleider voor de draad of riem, die geschikt is om de belasting van de trekvoorziening door te geven, of de door de fabrikant geleverde oprolas of geleider wordt op de gordelverankering bovenaan gemonteerd.

6.4.1.2.

Op een aan de gordelverankeringen van dezelfde gordel vastgemaakte trekvoorziening (zie figuur 2 van bijlage 5) wordt een testbelasting van 1 350 ± 20 daN uitgeoefend door middel van een voorziening die de geometrie van de bovenste rompriem van een dergelijke veiligheidsgordel nabootst. Voor voertuigen van andere categorieën dan M1 en N1 bedraagt de testbelasting 675 ± 20 daN, behalve voor voertuigen van de categorieën M3 en N3, waarvoor de testbelasting 450 ± 20 daN bedraagt.

6.4.1.3.

Tegelijkertijd wordt een trekkracht van 1 350 ± 20 daN uitgeoefend op een aan de twee gordelverankeringen onderaan vastgemaakte trekvoorziening (zie figuur 1 van bijlage 5). Voor voertuigen van andere categorieën dan M1 en N1 bedraagt de testbelasting 675 ± 20 daN, behalve voor voertuigen van de categorieën M3 en N3, waarvoor de testbelasting 450 ± 20 daN bedraagt.

6.4.2.

Test van de volgende configuratie: driepuntsgordel, zonder oprolmechanisme of met oprolmechanisme aan de gordelverankering bovenaan

6.4.2.1.

Er wordt een testbelasting van 1 350 ± 20 daN uitgeoefend op een trekvoorziening (zie figuur 2 van bijlage 5) die is bevestigd aan de gordelverankering bovenaan en de tegenoverliggende gordelverankering onderaan van dezelfde gordel door gebruik te maken van een aan de gordelverankering bovenaan vastgemaakt oprolmechanisme, indien dit door de fabrikant is geleverd. Voor voertuigen van andere categorieën dan M1 en N1 bedraagt de testbelasting 675 ± 20 daN, behalve voor voertuigen van de categorieën M3 en N3, waarvoor de testbelasting 450 ± 20 daN bedraagt.

6.4.2.2.

Tegelijkertijd wordt een trekkracht van 1 350 ± 20 daN uitgeoefend op een trekvoorziening (zie figuur 1 van bijlage 5) die aan de gordelverankeringen onderaan is vastgemaakt. Voor voertuigen van andere categorieën dan M1 en N1 bedraagt de testbelasting 675 ± 20 daN, behalve voor voertuigen van de categorieën M3 en N3, waarvoor de testbelasting 450 ± 20 daN bedraagt.

6.4.3.

Test van de volgende configuratie: heupgordel

Er wordt een testbelasting van 2 225 ± 20 daN uitgeoefend op een trekvoorziening (zie figuur 1 van bijlage 5) die aan de twee gordelverankeringen onderaan is vastgemaakt. Voor voertuigen van andere categorieën dan M1 en N1 bedraagt de testbelasting 1 110 ± 20 daN, behalve voor voertuigen van de categorieën M3 en N3, waarvoor de testbelasting 740 ± 20 daN bedraagt.

6.4.4.

Test voor gordelverankeringen die zich volledig in de stoelstructuur bevinden of die over de voertuigstructuur en de stoelstructuur zijn verdeeld

6.4.4.1.

De in de punten 6.4.1, 6.4.2 en 6.4.3 gespecificeerde tests worden naargelang het geval uitgevoerd door op elke stoel en op elke stoelengroep tegelijkertijd de hieronder genoemde kracht uit te oefenen.

6.4.4.2.

De in de punten 6.4.1, 6.4.2 en 6.4.3 vermelde belastingen worden aangevuld met een kracht die gelijk is aan twintigmaal de massa van de complete stoel. Overeenkomstig het fysieke effect dat door de massa van de stoel wordt uitgeoefend op de stoelverankeringen, wordt een traagheidsbelasting op de stoel of de desbetreffende delen van de stoel uitgeoefend. De aanvullende belasting(en) en de verdeling ervan worden vastgesteld door de fabrikant; de technische dienst moet hiermee instemmen.

In het geval van voertuigen van de categorieën M2 en N2 moet deze kracht gelijk zijn aan tienmaal de massa van de complete stoel; in het geval van voertuigen van de categorieën M3 en N3 moet deze kracht gelijk zijn aan 6,6 maal de massa van de complete stoel.

6.4.5.

Test van de volgende configuratie: gordel van een speciaal type

6.4.5.1.

Op een aan de gordelverankeringen van dezelfde veiligheidsgordel vastgemaakte trekvoorziening (zie figuur 2 van bijlage 5) wordt een testbelasting van 1 350 ± 20 daN uitgeoefend door middel van een voorziening die de geometrie van de bovenste rompriem(en) nabootst.

6.4.5.2.

Tegelijkertijd wordt een trekkracht van 1 350 ± 20 daN uitgeoefend op een aan de twee gordelverankeringen onderaan vastgemaakte trekvoorziening (zie figuur 3 van bijlage 5).

6.4.5.3.

Voor voertuigen van andere categorieën dan M1 en N1 bedraagt deze testbelasting 675 ± 20 daN, behalve voor voertuigen van de categorieën M3 en N3, waarvoor de testbelasting 450 ± 20 daN bedraagt.

6.4.6.

Test bij achterwaarts gerichte stoelen

6.4.6.1.

Voor de test van de verankeringspunten worden, naargelang van het geval, de in punt 6.4.1, 6.4.2 of 6.4.3 voorgeschreven krachten gebruikt. De testbelasting stemt in elk geval overeen met de voorgeschreven belasting voor voertuigen van categorie M3 of N3.

6.4.6.2.

De testbelasting is voorwaarts gericht ten opzichte van de desbetreffende stoel, overeenkomstig de procedure van punt 6.3.

6.4.7.

Test bij zijwaarts gerichte stoelen

6.4.7.1.

Voor de test van de verankeringspunten worden de in punt 6.4.3 voorgeschreven krachten voor voertuigen van categorie M3 gebruikt.

6.4.7.2.

De testbelasting is voorwaarts gericht ten opzichte van het voertuig, overeenkomstig de in punt 6.3 voorgeschreven procedure. In het geval dat zijwaarts gerichte stoelen op een basisstructuur zijn gegroepeerd, worden de veiligheidsgordelverankeringspunten van elke zitplaats van deze groep afzonderlijk getest. Voorts wordt de basisstructuur getest zoals beschreven in punt 6.4.8.

6.4.7.3.

In figuur 1b van bijlage 5 is de aan de test van zijwaarts gerichte stoelen aangepaste trekvoorziening afgebeeld.

6.4.8.

Test van de basisstructuur van zijwaarts gerichte stoelen

6.4.8.1.

Voor de test van de basisstructuur van een zijwaarts gerichte stoel of een groep van zijwaarts gerichte stoelen worden de in punt 6.4.3 voorgeschreven krachten voor voertuigen van categorie M3 gebruikt.

6.4.8.2.

De testbelasting is voorwaarts gericht ten opzichte van het voertuig, overeenkomstig de in punt 6.3 voorgeschreven procedure. In het geval dat zijwaarts gerichte stoelen zijn gegroepeerd, wordt de basisstructuur van elke zitplaats van deze groep tegelijkertijd getest.

6.4.8.3.

Het in de punten 6.4.3 en 6.4.4 voorgeschreven punt waarop de krachten worden uitgeoefend, ligt zo dicht mogelijk bij het H‐punt en op de snijlijn van een horizontaal vlak en verticaal dwarsvlak door het desbetreffende H‐punt van elke zitplaats.

6.5.

In het geval van een stoelengroep als beschreven in punt 1 van bijlage 7, mag de fabrikant ervoor kiezen de dynamische test van bijlage 7 uit te voeren in plaats van de in de punten 6.3 en 6.4 voorgeschreven statische test.

7.   INSPECTIE TIJDENS EN NA DE STATISCHE TESTS VAN DE VEILIGHEIDSGORDELVERANKERINGEN

7.1.

Alle verankeringen moeten de in de punten 6.3 en 6.4 voorgeschreven test kunnen doorstaan. Als een verankering of het omliggende gebied permanent vervormt, breekt of scheurt ten gevolge van de uitgeoefende kracht, wordt het toch geacht de test te hebben doorstaan als de vereiste kracht gedurende de gespecificeerde tijdspanne werd gehandhaafd. Tijdens de test moeten de in punt 5.4.2.5 gespecificeerde minimumafstanden tussen de effectieve gordelverankeringen onderaan en de in punt 5.4.3.6 vermelde voorschriften voor effectieve gordelverankeringen bovenaan worden nageleefd.

7.1.1.

Bij voertuigen van categorie M1 met een toegestane maximummassa van 2,5 ton mag, als de veiligheidsgordelverankering bovenaan aan de stoelstructuur is bevestigd, de effectieve gordelverankering bovenaan zich tijdens de test niet verplaatsen tot vóór het dwarsvlak dat door het R‐punt en het C‐punt van de desbetreffende stoel loopt (zie figuur 1 van bijlage 3).

Bij andere voertuigen mag de effectieve gordelverankering bovenaan zich tijdens de test niet verplaatsen tot vóór een dwarsvlak dat door het R‐punt van de stoel loopt en 10° in voorwaartse richting is gekanteld.

De maximale verplaatsing van het effectieve gordelverankeringspunt bovenaan wordt tijdens de test gemeten.

Als de verplaatsing van het effectieve gordelverankeringspunt bovenaan de bovenvermelde grenzen overschrijdt, moet de fabrikant aan de technische dienst aantonen dat dit geen gevaar voor de inzittende inhoudt. Om aan te tonen dat er voldoende overlevingsruimte overblijft, kan bijvoorbeeld de testprocedure van Reglement nr. 94 of een sledetest met overeenkomstige impuls worden gebruikt.

7.2.

Als een voertuig is uitgerust met verplaatsings- en vergrendelingssystemen waardoor de inzittenden, ongeacht de stoel waarop zij zich bevinden, het voertuig kunnen verlaten, moeten deze systemen ook na het wegnemen van de trekkracht nog steeds met de hand kunnen worden bediend.

7.3.

Na de test wordt alle schade aan de verankeringen en structuren die tijdens de test aan een belasting werden onderworpen, genoteerd.

7.4.

De gordelverankeringen bovenaan van een of meer stoelen van voertuigen van categorie M3 en van voertuigen van categorie M2 met een maximummassa van meer dan 3,5 ton, die aan de voorschriften van Reglement nr. 80 voldoen, hoeven niet aan punt 7.1 te voldoen wat de voorschriften van punt 5.4.3.6 betreft.

8.   WIJZIGINGEN EN UITBREIDING VAN DE GOEDKEURING VAN HET VOERTUIGTYPE

8.1.

Elke wijziging van het voertuigtype moet worden meegedeeld aan de typegoedkeuringsinstantie die het voertuigtype heeft goedgekeurd. Die instantie kan dan:

8.1.1.

oordelen dat de wijzigingen waarschijnlijk geen noemenswaardig nadelig effect zullen hebben en dat het voertuig in ieder geval nog steeds aan de voorschriften voldoet, of

8.1.2.

de voor de uitvoering van de tests verantwoordelijke technische dienst om een aanvullend testrapport verzoeken.

8.2.

De overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, worden volgens de procedure van punt 4.3 in kennis gesteld van de bevestiging of weigering van de goedkeuring, met vermelding van de wijzigingen.

8.3.

De bevoegde instantie die de goedkeuring uitbreidt, kent aan die uitbreiding een volgnummer toe en stelt de andere partijen bij de Overeenkomst van 1958 die dit reglement toepassen, daarvan in kennis door middel van een mededelingenformulier volgens het model in bijlage 1.

9.   CONFORMITEIT VAN DE PRODUCTIE

Voor de controle van de conformiteit van de productie gelden de procedures van aanhangsel 1 van de overeenkomst (E/ECE/TRANS/505/Rev.3), met inachtneming van de volgende voorschriften:

9.1.

Elk voertuig waarop overeenkomstig dit reglement een goedkeuringsmerk is aangebracht, moet overeenstemmen met het goedgekeurde voertuigtype wat de bijzonderheden betreft die een invloed hebben op de kenmerken van de veiligheidsgordelverankeringen.

9.2.

Om de in punt 9.1 bedoelde conformiteit van de productie te verifiëren, wordt een voldoende aantal in serie geproduceerde voertuigen waarop het bij dit reglement vereiste goedkeuringsmerk is aangebracht, aan steekproeven onderworpen.

9.3.

In het algemeen hebben deze verificaties enkel betrekking op het uitvoeren van metingen. Indien nodig worden de voertuigen echter aan sommige van de in punt 6 beschreven tests onderworpen; de keuze van de tests gebeurt door de technische dienst die de goedkeuringstests uitvoert.

10.   SANCTIES BIJ NON-CONFORMITEIT VAN DE PRODUCTIE

10.1.

De krachtens dit reglement verleende goedkeuring voor een voertuigtype kan worden ingetrokken indien niet aan het voorschrift van punt 9.1 is voldaan of indien de veiligheidsgordelverankeringen ervan de in punt 9 voorgeschreven controles niet heeft doorstaan.

10.2.

Indien een overeenkomstsluitende partij die dit reglement toepast een eerder verleende goedkeuring intrekt, stelt zij de andere overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen daarvan onmiddellijk in kennis door middel van een mededelingenformulier volgens het model in bijlage 1.

11.   HANDLEIDING

De nationale autoriteiten kunnen eisen dat de voertuigfabrikanten in de handleiding van de door hen geregistreerde voertuigen duidelijk vermelden:

11.1.

waar de verankeringen zich bevinden, en

11.2.

voor welk type gordels de verankeringen zijn bestemd (zie bijlage 1, punt 5).

12.   DEFINITIEVE STOPZETTING VAN DE PRODUCTIE

Indien de houder van de goedkeuring de productie van een krachtens dit reglement goedgekeurd type veiligheidsgordelverankering definitief stopzet, stelt hij de instantie die de goedkeuring heeft verleend daarvan in kennis. Zodra deze instantie de kennisgeving heeft ontvangen, stelt zij de andere partijen bij de Overeenkomst van 1958 die dit reglement toepassen daarvan in kennis door middel van een mededelingenformulier volgens het model in bijlage 1.

13.   NAAM EN ADRES VAN DE VOOR DE UITVOERING VAN DE GOEDKEURINGSTESTS VERANTWOORDELIJKE TECHNISCHE DIENSTEN EN VAN DE TYPEGOEDKEURINGSINSTANTIES

De partijen bij de Overeenkomst van 1958 die dit reglement toepassen, moeten het secretariaat van de Verenigde Naties de naam en het adres meedelen van de technische diensten die voor de uitvoering van de goedkeuringstests verantwoordelijk zijn, en van de typegoedkeuringsinstanties die goedkeuring verlenen en waaraan de in andere landen afgegeven certificaten betreffende de goedkeuring of de uitbreiding, weigering of intrekking van de goedkeuring moeten worden toegezonden.

14.   OVERGANGSBEPALINGEN

14.1.

Vanaf de officiële datum van inwerkingtreding van wijzigingenreeks 06 mogen de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, niet weigeren om ECE-goedkeuring te verlenen krachtens dit reglement, zoals gewijzigd bij wijzigingenreeks 06.

14.2.

Vanaf twee jaar na de inwerkingtreding van wijzigingenreeks 06 van dit reglement mogen de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, alleen ECE-goedkeuring verlenen als is voldaan aan de voorschriften van dit reglement, zoals gewijzigd bij wijzigingenreeks 06.

14.3.

Vanaf zeven jaar na de inwerkingtreding van wijzigingenreeks 06 van dit reglement mogen de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, weigeren goedkeuringen te erkennen die niet overeenkomstig wijzigingenreeks 06 van dit reglement zijn verleend. Bestaande goedkeuringen van voertuigcategorieën waarop wijzigingenreeks 06 van dit reglement geen betrekking heeft, blijven evenwel geldig en de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, blijven deze accepteren.

14.4.

De goedkeuringen krachtens wijzigingenreeks 04 van dit reglement van voertuigen die niet onder punt 7.1.1 vallen, blijven geldig.

14.5.

De bestaande goedkeuringen van voertuigen die niet onder supplement 4 op wijzigingenreeks 05 van dit reglement vallen, blijven geldig als zij krachtens wijzigingenreeks 05, tot en met supplement 3, zijn verleend.

14.6.

Vanaf de officiële datum van inwerkingtreding van supplement 5 op wijzigingenreeks 05 mag een overeenkomstsluitende partij die dit reglement toepast, niet weigeren goedkeuringen te verlenen krachtens dit reglement zoals gewijzigd bij supplement 5 op wijzigingenreeks 05.

14.7.

De bestaande goedkeuringen van voertuigen die niet onder supplement 5 op wijzigingenreeks 05 van dit reglement vallen, blijven geldig als zij krachtens wijzigingenreeks 05, tot en met supplement 3, zijn verleend.

14.8.

Vanaf 20 februari 2005 verlenen de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, in het geval van voertuigen van categorie M1, alleen goedkeuring als is voldaan aan de voorschriften van dit reglement, zoals gewijzigd bij supplement 5 op wijzigingenreeks 05.

14.9.

Vanaf 20 februari 2007 mogen de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, in het geval van voertuigen van categorie M1, weigeren goedkeuringen te erkennen die niet overeenkomstig supplement 5 op wijzigingenreeks 05 zijn verleend.

14.10.

Vanaf 16 juli 2006 verlenen de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, in het geval van voertuigen van categorie N, alleen goedkeuring als het voertuigtype voldoet aan de voorschriften van dit reglement, zoals gewijzigd bij supplement 5 op wijzigingenreeks 05.

14.11.

Vanaf 16 juli 2008 mogen de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, in het geval van voertuigen van categorie N, weigeren goedkeuringen te erkennen die niet overeenkomstig supplement 5 op wijzigingenreeks 05 zijn verleend.

14.12.

Vanaf de officiële datum van inwerkingtreding van wijzigingenreeks 07 mag een overeenkomstsluitende partij die dit reglement toepast, niet weigeren goedkeuringen te verlenen krachtens dit reglement, zoals gewijzigd bij wijzigingenreeks 07.

14.13.

Vanaf 24 maanden na de datum van inwerkingtreding van wijzigingenreeks 07 verlenen de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, alleen goedkeuring als is voldaan aan de voorschriften van dit reglement zoals gewijzigd bij wijzigingenreeks 07.

14.14.

Vanaf 36 maanden na de inwerkingtreding van wijzigingenreeks 07 mogen de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, weigeren goedkeuringen te erkennen die niet krachtens wijzigingenreeks 07 van dit reglement zijn verleend.

14.15.

Onverminderd de punten 14.13 en 14.14 blijven goedkeuringen van voertuigcategorieën krachtens voorgaande wijzigingenreeksen bij het reglement waarvoor wijzigingenreeks 07 geen gevolgen heeft, geldig, en overeenkomstsluitende partijen die het reglement toepassen, blijven deze accepteren.

14.16.

Tenzij hun nationale voorschriften op het ogenblik dat zij dit reglement aanvaarden de montage van veiligheidsgordelverankeringen voor klapstoelen verplicht stellen, mogen de overeenkomstsluitende partijen bij de nationale goedkeuring blijven toestaan dat deze niet zijn gemonteerd en kan voor buscategorieën met dergelijke stoelen geen typegoedkeuring krachtens dit reglement worden verleend.

14.17.

Vanaf de officiële datum van inwerkingtreding van supplement 2 op wijzigingenreeks 07 mag een overeenkomstsluitende partij die dit reglement toepast, niet weigeren typegoedkeuringen te verlenen krachtens dit reglement, zoals gewijzigd bij supplement 2 op wijzigingenreeks 07.

14.18.

Vanaf twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van supplement 2 op wijzigingenreeks 07 mogen de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, alleen goedkeuring verlenen aan voertuigtypes die voldoen aan de voorschriften van dit reglement, zoals gewijzigd bij supplement 2 op wijzigingenreeks 07.

14.19.

Overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, mogen geen uitbreiding van goedkeuringen weigeren, ook al wordt niet voldaan aan supplement 2 op wijzigingenreeks 07.

14.20.

Vanaf de officiële datum van inwerkingtreding van wijzigingenreeks 08 mag een overeenkomstsluitende partij die dit reglement toepast, niet weigeren typegoedkeuringen te verlenen of te accepteren krachtens dit reglement, zoals gewijzigd bij wijzigingenreeks 08.

14.21.

Overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, mogen niet weigeren uitbreidingen toe te staan van typegoedkeuringen voor bestaande typen op basis van de bepalingen die golden op het ogenblik van de oorspronkelijke goedkeuring.

14.22.

Overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen na de datum van inwerkingtreding van wijzigingenreeks 08, zijn niet verplicht overeenkomstig een van de vorige wijzigingenreeksen van dit reglement verleende typegoedkeuringen te accepteren.

14.23.

Vanaf de officiële datum van inwerkingtreding van wijzigingenreeks 09 mag een overeenkomstsluitende partij die dit reglement toepast, niet weigeren VN-typegoedkeuringen krachtens dit reglement zoals gewijzigd bij wijzigingenreeks 09 te verlenen of te accepteren.

14.24.

Vanaf 1 september 2019 zijn de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, niet verplicht om VN-typegoedkeuringen krachtens de voorgaande wijzigingenreeks te accepteren als die na 1 september 2019 voor het eerst zijn verleend.

14.25.

Tot 1 september 2025 accepteren de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, VN-typegoedkeuringen krachtens de voorgaande wijzigingenreeks als die voor 1 september 2019 voor het eerst zijn verleend.

14.26.

Vanaf 1 september 2025 zijn de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, niet verplicht typegoedkeuringen te accepteren die zijn verleend krachtens de voorgaande wijzigingenreeks van dit reglement.

14.27.

Onverminderd bovenstaande overgangsbepalingen zijn de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement na de datum van inwerkingtreding van de recentste wijzigingenreeks zullen toepassen, niet verplicht VN-typegoedkeuringen te accepteren die krachtens een van de vorige wijzigingenreeksen van dit reglement zijn verleend, en zijn zij alleen verplicht VN-typegoedkeuringen te accepteren die krachtens wijzigingenreeks 09 van dit reglement zijn verleend.

14.28.

Onverminderd punt 14.26 moeten de overeenkomstsluitende partijen die het VN-reglement toepassen, VN-typegoedkeuringen die krachtens de voorgaande wijzigingenreeksen van het VN-reglement zijn verleend aan voertuigen en voertuigsystemen waarvoor wijzigingenreeks 09 geen gevolgen heeft, blijven accepteren.

14.29.

De overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, mogen niet weigeren VN-typegoedkeuringen krachtens eerdere wijzigingenreeksen van dit reglement te verlenen of uitbreidingen daarvan toe te staan.

(1)  Zoals gedefinieerd in de geconsolideerde resolutie betreffende de constructie van voertuigen (R.E.3), document ECE/TRANS/WP.29/78/Rev.6, punt 2.

(2)  De nummers van de partijen bij de Overeenkomst van 1958 zijn opgenomen in bijlage 3 bij de geconsolideerde resolutie betreffende de constructie van voertuigen (R.E.3), document ECE/TRANS/WP.29/78/Rev.6 — http://www.unece.org/trans/main/wp29/wp29wgs/wp29gen/wp29resolutions.html


BIJLAGE 1

MEDEDELING

Image 2 Image 3


BIJLAGE 2

OPSTELLING VAN HET GOEDKEURINGSMERK

MODEL A

(Zie punt 4.4 van dit reglement)

Image 4

a = min. 8 mm

Bovenstaand goedkeuringsmerk, aangebracht op een voertuig, geeft aan dat het voertuigtype in kwestie wat de veiligheidsgordelverankeringen betreft, in Nederland (E 4) krachtens VN-Reglement nr. 14 is goedgekeurd onder nummer 092439. De eerste twee cijfers van het goedkeuringsnummer geven aan dat, op de datum van goedkeuring, in VN-Reglement nr. 14 al wijzigingenreeks 09 was opgenomen.

MODEL B

(Zie punt 4.5 van dit reglement)

Image 5

A = min. 8 mm

Bovenstaand goedkeuringsmerk, aangebracht op een voertuig, geeft aan dat het voertuigtype in kwestie in Nederland (E 4) is goedgekeurd krachtens de VN-Reglementen nr. 14 en nr. 24 (*). (Voor het laatste reglement bedraagt de gecorrigeerde absorptiecoëfficiënt 1,30 m–1.) De goedkeuringsnummers geven aan dat op de datum van goedkeuring wijzigingenreeks 09 in VN-Reglement nr. 14 was opgenomen en wijzigingenreeks 03 in VN-Reglement nr. 24 was opgenomen.


(*)  The second number is given merely as an example.


BIJLAGE 3

PLAATS VAN DE EFFECTIEVE GORDELVERANKERINGEN

(Op de tekening is een voorbeeld afgebeeld waarbij de verankering bovenaan aan het zijpaneel van de voertuigcarrosserie is vastgemaakt)

Image 6

1

Ten minste 240 mm voor de middenzitplaatsen achter van voertuigen van de categorieën M1 en N1.

Image 7


BIJLAGE 4

Procedure voor het bepalen van het H‐punt en de werkelijke romphoek voor zitplaatsen in motorvoertuigen (1)

Aanhangsel 1 — Beschrijving van de driedimensionale H-puntmachine (1)

Aanhangsel 2 — Driedimensionaal referentiesysteem (1)

Aanhangsel 3 — Referentiegegevens voor de zitplaatsen (1)


(1)  Deze procedure wordt beschreven in bijlage 1 bij de geconsolideerde resolutie betreffende de constructie van voertuigen (R.E.3), document ECE/TRANS/WP.29/78/Rev.6.


BIJLAGE 5

TREKINRICHTING

Image 8

Alle afmetingen in millimeters (mm)

Image 9

Image 10

Image 11

Alle afmetingen in millimeters

Voor het bevestigen van de riem mag de trekinrichting voor de schoudergordel gewijzigd worden door er twee soldeerpunten en/of een aantal bouten aan toe te voegen die ervoor moeten zorgen dat de riem tijdens de trektest niet naar beneden glijdt.

Image 12

Alle afmetingen in millimeters


BIJLAGE 6

MINIMUMAANTAL VERANKERINGSPUNTEN EN PLAATS VAN DE VERANKERINGEN ONDERAAN

Voertuigcategorie

Voorwaarts gerichte zitplaatsen

Naar achteren gericht

Zijwaarts gericht

Buitenkant

Midden

 

 

 

Vóór

Andere

Vóór

Andere

 

 

M1

3

3

3

3

2

M2 ≤ 3,5 ton

3

3

3

3

2

M2 > 3,5 ton

3

Image 13

3 of 2

Image 14

3 of 2

Image 15

3 of 2

Image 16

2

M3

3

Image 17

3 of 2

Image 18

3 of 2

Image 19

3 of 2

Image 20

2

2

N1

3

3 of 2 Ø

3 of 2 *

2

2

N2 & N3

3

2

3 of 2 *

2

2

Verklaring van de symbolen:

2

:

Bij de geconsolideerde resolutie betreffende de constructie van voertuigen (R.E.3), bijlage 13, aanhangsel 1, zijn twee verankeringen onderaan vereist, die de installatie van een veiligheidsgordel van type B of van veiligheidsgordels van type Br, Br3, Br4 m of Br4Nm mogelijk maken.

3

:

Bij de geconsolideerde resolutie betreffende de constructie van voertuigen (R.E.3), bijlage 13, aanhangsel 1, zijn twee verankeringen onderaan en een verankering bovenaan vereist, die de installatie van een driepuntsveiligheidsgordel van type A of van veiligheidsgordels van type Ar, Ar4m of Ar4Nm mogelijk maken.

Ø

:

Verwijst naar punt 5.3.3 (twee verankeringspunten volstaan wanneer de stoel zich naast een doorgang bevindt).

*

:

Verwijst naar punt 5.3.4 (twee verankeringen volstaan wanneer de voorruit zich buiten de referentiezone bevindt).

Image 21

:

Verwijst naar punt 5.3.5 (twee verankeringen volstaan wanneer er zich niets in de referentiezone bevindt).

Image 22

:

Verwijst naar punt 5.3.7 (bijzondere bepaling voor het bovendek van een voertuig).


AANHANGSEL

PLAATS VAN DE VERANKERINGEN ONDERAAN — HOEKVOORSCHRIFTEN

Zetel

M1

Andere dan M1

Vóór*

aan de kant van de sluiting (α2)

45°-80°

30°-80°

niet aan de kant van de sluiting (α1)

30°-80°

30°-80°

constante hoek

50°-70°

50°-70°

bank — aan de kant van de sluiting (α2)

45°-80°

20°-80°

bank — niet aan de kant van de sluiting (α1)

30°-80°

20°-80°

verstelbare stoel met stoelrughoek < 20°

45°-80° (α2)*

20°-80° (α1)*

20°-80°

Achter ≠

 

30°-80°

20°-80° Ψ

Klapstoel

Geen gordelverankering vereist.

Indien uitgerust met een verankering: zie hoekvoorschriften vóór en achter.

Verklaring van de symbolen:

:

Buitenkant en midden

*

:

Als de hoek niet constant is: zie punt 5.4.2.1

Ψ

:

45°-90° voor stoelen van voertuigen van de categorieën M2 en M3


BIJLAGE 7

DYNAMISCHE TEST ALS ALTERNATIEF VOOR DE STATISCHE STERKTETEST VAN VEILIGHEIDSGORDELVERANKERINGEN

1.   TOEPASSINGSGEBIED

In deze bijlage is een dynamische sledetest beschreven die kan worden uitgevoerd als alternatief voor de in de punten 6.3 en 6.4 van dit reglement voorgeschreven statische sterktetest van veiligheidsgordelverankeringen.

Dit alternatief kan, op verzoek van de voertuigfabrikant, worden gebruikt in het geval van een stoelengroep waarbij alle zitplaatsen met driepuntsveiligheidsgordels met spankrachtbegrenzer zijn uitgerust en wanneer de stoelengroep een zitplaats omvat waarvan de veiligheidsgordelverankering bovenaan zich op de stoelconstructie bevindt.

2.   VOORSCHRIFTEN

2.1.

Tijdens de in punt 3 van deze bijlage voorgeschreven dynamische test mag zich geen breuk van een verankering of het omliggende gebied voordoen. Een geplande breuk, die noodzakelijk is voor de werking van de spankrachtbegrenzer, is wel toegestaan.

De in punt 5.4.2.5 van dit reglement gespecificeerde minimumafstanden tussen de effectieve gordelverankeringen onderaan en de in punt 5.4.3.6 gespecificeerde voorschriften voor de effectieve gordelverankeringen bovenaan moeten worden nageleefd, eventueel aangevuld met het onderstaande punt 2.1.1, voor zover dit van toepassing is.

2.1.1.

Bij voertuigen van categorie M1 met een toegestane maximummassa van 2,5 ton mag de veiligheidsgordelverankering bovenaan die aan de stoelstructuur is bevestigd, zich niet verplaatsen tot vóór het dwarsvlak dat door het R‐punt en het C‐punt van de desbetreffende stoel loopt (zie figuur 1 van bijlage 3).

Bij andere voertuigen mag de veiligheidsgordelverankering bovenaan zich tijdens de test niet verplaatsen tot vóór een dwarsvlak dat door het R‐punt van de stoel loopt en 10° in voorwaartse richting is gekanteld.

2.2.

Als een voertuig is uitgerust met verplaatsings- en vergrendelingssystemen waardoor de inzittenden, ongeacht de stoel waarop zij zich bevinden, het voertuig kunnen verlaten, moeten deze systemen ook na de test nog steeds met de hand kunnen worden bediend.

2.3.

In de gebruikershandleiding van het voertuig moet zijn vermeld dat elke veiligheidsgordel alleen mag worden vervangen door een veiligheidsgordel die voor de desbetreffende zitplaats van het voertuig is goedgekeurd; met name de zitplaatsen die uitsluitend met een passende veiligheidsgordel met spankrachtbegrenzer mogen worden uitgerust, moeten in de handleiding zijn geïdentificeerd.

3.   TESTOMSTANDIGHEDEN VOOR DE DYNAMISCHE TEST

3.1.

Algemene testomstandigheden

De testomstandigheden van punt 6.1 van dit reglement zijn van toepassing op de in deze bijlage beschreven test.

3.2.

Installatie en voorbereiding

3.2.1.

Slede

De slede moet zo zijn gebouwd dat er na de test geen blijvende vervorming optreedt. Zij moet zo worden geleid dat de afwijking tijdens de botsing niet meer dan 5° in het verticale vlak en niet meer dan 2° in het horizontale vlak bedraagt.

3.2.2.

Bevestiging van de voertuigstructuur

Het deel van de voertuigstructuur dat als essentieel wordt beschouwd voor de stijfheid van het voertuig met betrekking tot de stoel- en de veiligheidsgordelverankeringen, wordt overeenkomstig de voorschriften van punt 6.2 van dit reglement op de slede bevestigd.

3.2.3.

Beveiligingssystemen

3.2.3.1.

De beveiligingssystemen (volledige stoelen, veiligheidsgordelconstructies en spankrachtbegrenzers) worden overeenkomstig de specificaties van de in serie gebouwde voertuigen op het voertuig gemonteerd.

De delen van het voertuig die zich tegenover de te testen stoel bevinden (dashboard, stoel enz., afhankelijk van de te testen stoel) mogen op de testslede worden gemonteerd. Als het voertuig met een frontale airbag is uitgerust, moet deze worden uitgeschakeld.

3.2.3.2.

Op verzoek van de voertuigfabrikant en met instemming van de technische dienst die met de tests is belast, is het toegestaan sommige onderdelen van de beveiligingssystemen, met uitzondering van de volledige stoelen, de veiligheidsgordelconstructies en de spankrachtbegrenzers, niet op de testslede te monteren of te vervangen door onderdelen met een even grote of lagere stijfheid waarvan de afmetingen die van de binnenuitrusting van het voertuig niet overschrijden, voor zover de krachten die bij de geteste configuratie op de stoel- en veiligheidsgordelverankeringen worden uitgeoefend minstens even ongunstig zijn als bij een standaardconfiguratie.

3.2.3.3.

De stoelen worden overeenkomstig punt 6.1.2 van dit reglement ingesteld in de gebruiksstand die door de technische dienst die met de tests is belast, wordt beschouwd als de stand die, met betrekking tot de sterkte van de verankeringen, de meest ongunstige omstandigheden oplevert en die het mogelijk maakt de dummy’s in het voertuig te installeren.

3.2.4.

Dummy’s

Op elke stoel wordt een dummy met de in bijlage 8 gedefinieerde afmetingen en massa geplaatst, die door de veiligheidsgordel van het voertuig op zijn plaats wordt gehouden.

De dummy hoeft niet met instrumenten te zijn uitgerust.

3.3.

Test

3.3.1.

De slede wordt zo aangedreven dat haar snelheidsvariatie tijdens de test 50 km/h bedraagt. De vertraging moet binnen het in bijlage 8 van Reglement nr. 16 gespecificeerde gebied plaatsvinden.

3.3.2.

Aanvullende beveiligingsvoorzieningen (voorspanvoorzieningen enz., met uitzondering van airbags) worden overeenkomstig de voorschriften van de fabrikant in werking gesteld.

3.3.3.

De verplaatsing van de veiligheidsgordelverankeringen mag de in de punten 2.1 en 2.1.1 van deze bijlage gespecificeerde grenzen niet overschrijden.

BIJLAGE 8

SPECIFICATIES VAN DE DUMMY (*1)

Massa

97,5 ± 5 kg

Zithoogte rechtop

965 mm

Heupbreedte (zittend)

415 mm

Heupomtrek (zittend)

1 200 mm

Tailleomtrek (zittend)

1 080 mm

Borstdiepte

265 mm

Borstomtrek

1 130 mm

Schouderhoogte

680 mm

Tolerantie voor alle afmetingen

± 5 procent

Opmerking: Zie onderstaande schets voor een toelichting van de afmetingen.

Image 23


(*1)  De inrichtingen die in Australian Design Rule (ADR) 4/03 en in Federal Motor Vehicle Safety Standard (FMVSS) nr. 208 zijn beschreven, worden als gelijkwaardig beschouwd.


Top