EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32014R0216

Verordening (EU) nr. 216/2014 van de Commissie van 7 maart 2014 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2075/2005 tot vaststelling van specifieke voorschriften voor de officiële controles op Trichinella in vlees Voor de EER relevante tekst

OJ L 69, 8.3.2014, p. 85–92 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

No longer in force, Date of end of validity: 30/08/2015; opgeheven door 32015R1375

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2014/216/oj

8.3.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 69/85


VERORDENING (EU) Nr. 216/2014 VAN DE COMMISSIE

van 7 maart 2014

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2075/2005 tot vaststelling van specifieke voorschriften voor de officiële controles op Trichinella in vlees

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 854/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (1), en met name artikel 18, punten 6, 8, 10 en 12,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 2075/2005 van de Commissie van 5 december 2005 tot vaststelling van specifieke voorschriften voor de officiële controles op Trichinella in vlees (2) stelt regels vast voor de bemonstering van karkassen van diersoorten die gevoelig zijn voor Trichinella-infectie, voor de bepaling van de status van bedrijven en regio’s, alsook de voorwaarden voor de invoer van vlees in de Unie. De verordening voorziet eveneens in referentiemethoden en gelijkwaardige methoden voor de detectie van Trichinella in monsters van karkassen.

(2)

Op 3 oktober 2011 heeft de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (de EFSA) een wetenschappelijk advies goedgekeurd over de gevaren voor de volksgezondheid die tijdens vleeskeuringen (varkens) moeten worden onderzocht (3). In dat advies heeft de EFSA Trichinella ingeschaald als een middelmatig risico voor de volksgezondheid bij het eten van varkensvlees, en concludeert zij dat wat de inspectiemethoden voor biologische gevaren betreft, een garantie dat de varkenskarkassen veilig zijn, met een reeks preventieve maatregelen en controles die op een geïntegreerde manier zowel op de bedrijven als in het slachthuis worden uitgevoerd, de enige manier is om een doeltreffende beheersing van de belangrijkste gevaren te garanderen.

(3)

De EFSA heeft bepaalde epidemiologische indicatoren in verband met Trichinella geïnventariseerd. Afhankelijk van het doel en de epidemiologische situatie van het land kunnen de indicatoren op nationaal of regionaal niveau of op het niveau van het slachthuis of het bedrijf worden toegepast.

(4)

De EFSA erkent dat Trichinella in de Unie sporadisch voorkomt, hoofdzakelijk bij vrij rondlopende en hobbyvarkens. De EFSA heeft ook vastgesteld dat het soort productiesysteem de enige belangrijke risicofactor voor Trichinella-infecties is. Uit de beschikbare gegevens blijkt bovendien dat het risico van Trichinella-infectie bij varkens uit officieel erkende gecontroleerde huisvestingsomstandigheden verwaarloosbaar is.

(5)

In een internationale context erkent de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE) de status „verwaarloosbaar risico” voor een land of regio niet langer. Een dergelijke erkenning houdt verband met compartimenten van één of meer bedrijven die specifieke gecontroleerde huisvestingsomstandigheden toepassen.

(6)

Met het oog op de samenhang met internationale normen en op de verbetering van een controlesysteem overeenkomstig de huidige volksgezondheidsrisico’s, dienen de maatregelen die het risico van Trichinella in slachthuizen verlagen, met inbegrip van de voorwaarden voor invoer, en de voorwaarden voor de vaststelling van de Trichinella-infectiestatus van landen, regio’s of bedrijven te worden aangepast, gerationaliseerd en vereenvoudigd.

(7)

België en Denemarken hebben in 2011 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2075/2005 kennis gegeven van een verwaarloosbaar risico van Trichinella voor hun grondgebied. Een dergelijke status „verwaarloosbaar risico” voor een land of regio wordt echter niet langer erkend. Niettemin moet het voor bedrijven en compartimenten in België en Denemarken die op de datum waarop deze verordening van kracht wordt, voldoen aan de omstandigheden voor gecontroleerde huisvesting mogelijk zijn de afwijking voor dergelijke bedrijven en compartimenten aan te vragen zonder extra voorwaarden zoals extra vereisten inzake post-officiële erkenning door de bevoegde autoriteit.

(8)

Het EU-referentielaboratorium voor parasieten heeft aanbevolen de tekst van de verordening te verduidelijken wat de procedure van bepaalde gelijkwaardige methoden voor het testen op Trichinella betreft.

(9)

Er moet worden bepaald dat de exploitanten moeten garanderen dat dode dieren onverwijld worden verzameld, geïdentificeerd en vervoerd overeenkomstig de artikelen 21 en 22 van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (verordening dierlijke bijproducten) (4) en bijlage VIII bij Verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn (5).

(10)

Het aantal (geïmporteerde en autochtone) gevallen van Trichinella bij de mens, alsook epidemiologische gegevens, moeten worden gemeld overeenkomstig Beschikking 2000/96/EG van de Commissie van 22 december 1999 betreffende de overdraagbare ziekten die geleidelijk door het communautaire netwerk zullen worden bestreken overeenkomstig Beschikking nr. 2119/98/EG van het Europees Parlement en de Raad (6).

(11)

Verordening (EG) nr. 2075/2005 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(12)

De voorschriften waarin deze verordening voorziet, betreffen een aanpassing van de huidige praktijken voor zowel exploitanten van levensmiddelenbedrijven als de bevoegde autoriteiten. Bijgevolg moet uitstel worden toegestaan voor de toepassing van een aantal van de bepalingen van deze verordening.

(13)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, en het Europees Parlement noch de Raad hebben zich daartegen verzet,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 2075/2005 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 1 wordt vervangen door:

„Artikel 1

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.   „Trichinella”: elke nematode van een soort die tot het geslacht Trichinella behoort;

2.   „gecontroleerde huisvestingsomstandigheden”: een type veehouderij waarbij de varkens ononderbroken worden gehouden onder door de exploitant van het levensmiddelenbedrijf gecontroleerde omstandigheden wat betreft voedering en huisvesting;

3.   „compartiment”: een groep bedrijven die gecontroleerde huisvestingsomstandigheden toepassen. Alle bedrijven die in een lidstaat gecontroleerde huisvestingsomstandigheden toepassen, kunnen als één compartiment worden beschouwd.”.

2)

De artikelen 2 en 3 worden vervangen door:

„Artikel 2

Bemonstering van karkassen

1.   Karkassen van gedomesticeerde varkens worden in het kader van de postmortemkeuring als volgt bemonsterd:

a)

alle karkassen van fokzeugen en -beren of minstens 10 % van de karkassen van dieren die elk jaar naar het slachthuis worden gebracht door elk bedrijf dat officieel is erkend als bedrijf dat gecontroleerde huisvestingsomstandigheden toepast, worden op Trichinella onderzocht;

b)

alle karkassen van bedrijven die niet officieel zijn erkend als bedrijven die gecontroleerde huisvestingsomstandigheden toepassen, worden systematisch op Trichinella onderzocht.

Van elk karkas wordt een monster genomen, dat in een door de bevoegde autoriteit aangewezen laboratorium met een van de volgende detectiemethoden op Trichinella wordt onderzocht:

a)

de in bijlage I, hoofdstuk I, beschreven referentiemethode, of

b)

een gelijkwaardige detectiemethode zoals beschreven in bijlage I, hoofdstuk II.

2.   Zolang de uitslag van het Trichinella-onderzoek nog niet bekend is, mogen de karkassen, op voorwaarde dat de exploitant van het levensmiddelenbedrijf volledige traceerbaarheid garandeert, in een slachthuis of een op hetzelfde terrein als het slachthuis gelegen uitsnijderij (hierna „de inrichting” genoemd) in maximaal zes stukken worden verdeeld.

In afwijking van het bepaalde in de eerste alinea en na goedkeuring door de bevoegde autoriteit mogen de karkassen in een al dan niet aan het slachthuis verbonden uitsnijderij in stukken worden verdeeld, mits:

a)

dit onder toezicht van de bevoegde autoriteit gebeurt;

b)

een karkas of de delen daarvan niet meer dan één uitsnijderij als bestemming heeft/hebben;

c)

de uitsnijderij op het grondgebied van de lidstaat gelegen is, en

d)

alle delen ongeschikt voor menselijke consumptie worden verklaard indien de uitslag positief is.

3.   Karkassen van paarden, wilde zwijnen en andere als huisdier gehouden of in het wild levende diersoorten die gevoelig zijn voor Trichinella-infectie worden in het kader van de postmortemkeuring in slachthuizen of wildverwerkingsinrichtingen systematisch bemonsterd.

Van elk karkas wordt een monster genomen, dat overeenkomstig de bijlagen I en III in een door de bevoegde autoriteit aangewezen laboratorium wordt onderzocht.

Artikel 3

Afwijkingen

1.   In afwijking van artikel 2, lid 1, is vlees van gedomesticeerde varkens dat onder toezicht van de bevoegde autoriteit een vriesbehandeling overeenkomstig bijlage II heeft ondergaan, vrijgesteld van onderzoek op Trichinella.

2.   In afwijking van artikel 2, lid 1, hoeven karkassen en vlees van niet gespeende gedomesticeerde varkens die minder dan vijf weken oud zijn, niet op Trichinella te worden onderzocht.

3.   In afwijking van artikel 2, lid 1, kunnen karkassen en vlees van gedomesticeerde varkens worden vrijgesteld van het onderzoek op Trichinella wanneer de dieren komen van een bedrijf of een compartiment dat officieel is erkend als bedrijf of compartiment dat overeenkomstig bijlage IV gecontroleerde huisvestingsomstandigheden toepast, op voorwaarde dat:

a)

in de lidstaat in de laatste drie jaar, tijdens welke overeenkomstig artikel 2 continu op Trichinella is getest, geen autochtone Trichinella-infecties zijn vastgesteld bij gedomesticeerde varkens die worden gehouden in bedrijven die officieel zijn erkend als bedrijven die gecontroleerde huisvestingsomstandigheden toepassen, of

b)

historische gegevens over continue tests uitgevoerd op geslachte varkens met een betrouwbaarheid van minimaal 95 % garanderen dat de Trichinella-prevalentie in die populatie niet meer dan 1 per miljoen bedraagt, of

c)

de bedrijven die gecontroleerde huisvestingsomstandigheden toepassen zich in België of Denemarken bevinden.

4.   Wanneer een lidstaat de afwijking toepast waarin lid 3 voorziet, stelt de desbetreffende lidstaat de Commissie en de andere lidstaten in het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid daarvan in kennis en legt hij aan de Commissie een jaarverslag over met de in bijlage IV, hoofdstuk II, bedoelde informatie. De Commissie publiceert de lijst van de lidstaten die de afwijking toepassen op haar website.

Indien een lidstaat een dergelijk verslag niet indient of het ingediende verslag voor de toepassing van dit artikel niet voldoet, vervalt de afwijking voor die lidstaat.”.

3)

De artikelen 8 tot en met 12 worden vervangen door:

„Artikel 8

Officiële erkenning van bedrijven die gecontroleerde huisvestingsomstandigheden toepassen

1.   Voor de toepassing van deze verordening kan de bevoegde autoriteit een bedrijf of compartiment officieel erkennen als bedrijf of compartiment dat gecontroleerde huisvestingsomstandigheden toepast wanneer is voldaan aan de voorschriften van bijlage IV.

2.   Bedrijven of compartimenten die gecontroleerde huisvestingsomstandigheden toepassen en zich in België of Denemarken bevinden, worden overeenkomstig artikel 3, lid 3, onder c), op de datum van toepassing van deze verordening geacht officieel te zijn erkend als bedrijven of compartimenten die de gecontroleerde huisvestingsomstandigheden van bijlage IV bij deze verordening toepassen.

Artikel 9

Kennisgevingsplicht van exploitanten van levensmiddelenbedrijven

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die zijn erkend als bedrijven die gecontroleerde huisvestingsomstandigheden toepassen, stellen de bevoegde autoriteit in kennis van elk voorschrift zoals bedoeld in bijlage IV, waaraan niet meer wordt voldaan en van alle andere veranderingen die van invloed kunnen zijn op de Trichinella-status van de bedrijven.

Artikel 10

Audits van bedrijven die officieel zijn erkend als bedrijven die gecontroleerde huisvestingsomstandigheden toepassen

De bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat in bedrijven die officieel zijn erkend als bedrijven die gecontroleerde huisvestingsomstandigheden toepassen, periodiek audits plaatsvinden.

De auditfrequentie wordt op grond van het risico vastgesteld, met inachtneming van de historie en prevalentie van de ziekte, eerdere bevindingen, het geografische gebied, de plaatselijk voorkomende, gevoelige wilde dieren, de veehouderijpraktijken, het veterinaire toezicht en de naleving van de voorschriften door de veehouders.

De bevoegde autoriteit ziet erop toe dat de gedomesticeerde varkens die van die bedrijven komen, worden onderzocht overeenkomstig artikel 2, lid 1.

Artikel 11

Bewakingsprogramma’s

De bevoegde autoriteit kan een bewakingsprogramma uitvoeren voor de populatie van gedomesticeerde varkens van een bedrijf of compartiment dat officieel is erkend als bedrijf of compartiment dat gecontroleerde huisvestingsomstandigheden toepast, om na te gaan of bij die populatie werkelijk geen Trichinella voorkomt.

De testfrequentie, het aantal te testen dieren en het bemonsteringsschema worden in het bewakingsprogramma vastgesteld. Daartoe worden vleesmonsters verzameld en op Trichinella onderzocht overeenkomstig bijlage I, hoofdstuk I of II.

In het bewakingsprogramma mogen voor aanvullend onderzoek ook serologische methoden worden toegepast zodra het EU-referentielaboratorium een geschikte test heeft gevalideerd.

Artikel 12

Intrekking van de officiële erkenning van bedrijven die officieel zijn erkend als bedrijven die gecontroleerde huisvestingsomstandigheden toepassen

1.   Wanneer uit de resultaten van de overeenkomstig artikel 10 uitgevoerde audits blijkt dat niet langer wordt voldaan aan de voorschriften van bijlage IV, trekt de bevoegde autoriteit onverwijld de officiële erkenning van het bedrijf in.

2.   Indien bij gedomesticeerde varkens van een bedrijf dat officieel is erkend als bedrijf dat gecontroleerde huisvestingsomstandigheden toepast, een positieve uitslag van de Trichinella-test wordt verkregen, neemt de bevoegde autoriteit onverwijld de volgende maatregelen:

a)

zij trekt de officiële erkenning van het bedrijf in;

b)

bij de slacht onderzoekt zij alle gedomesticeerde varkens van dat bedrijf;

c)

zij traceert en test alle fokdieren die op het bedrijf zijn gekomen en zo mogelijk alle dieren die het bedrijf de laatste zes maanden of meer vóór de positieve testuitslag hebben verlaten; daartoe worden vleesmonsters genomen en op Trichinella onderzocht met de in bijlage I, hoofdstukken I en II, beschreven detectiemethoden;

d)

voor zover mogelijk onderzoekt zij in voorkomend geval de verspreiding van de parasitaire besmetting als gevolg van de distributie van vlees van gedomesticeerde varkens die in de periode vóór de positieve testuitslag zijn geslacht;

e)

zij informeert de Commissie en de andere lidstaten;

f)

zij start in voorkomend geval een epidemiologisch onderzoek om de oorzaak van de besmetting op te sporen;

g)

zij neemt passende maatregelen ingeval een besmet karkas in het slachthuis niet geïdentificeerd kan worden, waaronder:

i)

grotere vleesmonsters nemen voor het testen van de verdachte karkassen, of

ii)

de karkassen ongeschikt voor menselijke consumptie verklaren;

iii)

passende maatregelen nemen voor het verwijderen van verdachte karkassen en delen daarvan en van positief bevonden karkassen.

3.   Na intrekking van de erkenning kunnen bedrijven opnieuw officieel worden erkend als de geconstateerde problemen zijn opgelost en de bevoegde autoriteit heeft geconstateerd dat aan de voorschriften van bijlage IV wordt voldaan.

4.   Indien tijdens de inspectie wordt vastgesteld dat artikel 9 niet werd nageleefd of wanneer testresultaten in een bedrijf van een compartiment positief zijn, wordt het betrokken bedrijf uit het compartiment verwijderd tot opnieuw aan de voorschriften wordt voldaan.”.

4)

Artikel 13 wordt vervangen door:

„Artikel 13

Gezondheidsvoorschriften bij invoer

Vlees van diersoorten die drager van Trichinella kunnen zijn, dat dwarsgestreept spierweefsel bevat en afkomstig is uit een derde land, mag uitsluitend in de Unie worden ingevoerd als het in dat derde land vóór uitvoer overeenkomstig de artikelen 2 en 3 op Trichinella is onderzocht.”.

5)

Artikel 14 wordt geschrapt.

6)

Artikel 15 wordt vervangen door:

„Artikel 15

Documenten

Het gezondheidscertificaat bij het overeenkomstig artikel 13 ingevoerde vlees wordt bekrachtigd met een verklaring van de officiële dierenarts dat het vlees in het derde land van oorsprong overeenkomstig artikel 13 op Trichinella is onderzocht.

Het vlees gaat vergezeld van het originele document, tenzij hier overeenkomstig artikel 14, lid 4, van Verordening (EG) nr. 854/2004 vrijstelling voor is verleend.”.

7)

Bijlage I wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij de onderhavige verordening.

8)

Bijlage IV wordt vervangen door de tekst in bijlage II bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 juni 2014.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 maart 2014.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 139 van 30.4.2004, blz. 206.

(2)  PB L 338 van 22.12.2005, blz. 60.

(3)  EFSA Journal 2011; 9(10):2351[198 blz.], gepubliceerd op 3 oktober 2011.

(4)  PB L 300 van 14.11.2009, blz. 1.

(5)  PB L 54 van 26.2.2011, blz. 1.

(6)  PB L 28 van 3.2.2000, blz. 50.


BIJLAGE I

Bijlage I van Verordening (EG) nr. 2075/2005 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In hoofdstuk I, punt 3, Werkwijze, wordt het volgende punt toegevoegd:

„IV.   Reinigings- en ontsmettingprocedure na een positieve of twijfelachtige uitslag.

Bij een positieve of twijfelachtige latexagglutinatie-uitslag van een verzamelmonster of afzonderlijk monster moet alle uitrusting die in aanraking komt met vlees (kom van de hakker, bekerglas, roerstaafje, temperatuursensor, conische filtertrechter, zeef en pincet) zorgvuldig worden ontsmet door deze enkele seconden in heet water (65-90 °C) onder te dompelen. Oppervlakken waarop zich nog vleesresten of geïnactiveerde larven bevinden, kunnen met een schone spons en leidingwater worden schoongemaakt. Indien nodig kunnen een paar druppels reinigingsmiddel aan het water worden toegevoegd om de uitrusting te ontvetten. Het verdient aanbeveling daarna elk voorwerp grondig af te spoelen om alle sporen van het reinigingsmiddel te verwijderen.”.

2)

In hoofdstuk II, onder D, wordt punt 3 vervangen door:

„3.   Werkwijze

I.   Voor complete pools (100 g monster tegelijk)

a)

Voeg in een 3 l-bekerglas met 2,0 l ± 200 ml tot 46-48 °C voorverwarmd leidingwater 16 ± 0,5 ml 25 % zoutzuur toe (een uiteindelijke concentratie van 0,2 %). Plaats een roerstaafje in het bekerglas, zet het op de voorverwarmde plaat en start het roeren.

b)

Voeg 10 ± 1 g pepsinepoeder (of 30 ± 3 ml vloeibare pepsine) toe.

c)

Hak 100-115 g van de overeenkomstig punt 2 genomen monsters in de hakker, met 150 ml ± 15 ml voorverwarmde digestiebuffer.

d)

Breng het fijngehakte vlees over in het 3 l-bekerglas met water, pepsine en zoutzuur.

e)

Dompel het hakmes van de hakker enige malen in de digestievloeistof in het bekerglas en spoel de kom van de hakker om met wat digestievloeistof om eventuele vleesresten te verwijderen.

f)

Dek het bekerglas af met aluminiumfolie.

g)

Stel de magneetroerder zo in dat een constante temperatuur van 44-46 °C wordt gehandhaafd. Vervolgens wordt de roerder aangezet, waarbij de digestievloeistof zo snel moet ronddraaien dat een diepe kolk zonder spatten ontstaat.

h)

Roer de digestievloeistof tot de vleesdeeltjes zijn verteerd (ongeveer 30 minuten). Schakel de roerder uit en giet de vloeistof door de zeef in de bezinkingstrechter. Voor bepaalde soorten vlees (tong, vlees van wild enz.) kunnen langere digestietijden nodig zijn (maximaal 60 minuten).

i)

Het digestieproces is naar behoren verlopen als op de zeef niet meer dan 5 % van het uitgangsgewicht achterblijft.

j)

Het filter (nylon, 20 micron maaswijdte) wordt op de filterhouder geplaatst. De stalen conische filtertrechter wordt op de houder bevestigd met het blokkeersysteem en de stalen zeef met een maaswijdte van 180 micron wordt op de trechter geplaatst. De vacuümpomp wordt op de filterhouder en de metalen of plastic tank aangesloten om de digestievloeistof op te vangen.

k)

Stop met roeren en giet de digestievloeistof door de zeef in de filtertrechter. Spoel het bekerglas met ongeveer 250 ml warm water. Giet de spoelvloeistof in het filter nadat de digestievloeistof is doorgelopen.

l)

Pak met het pincet het filtratiemembraan op bij de rand. Vouw het (minimaal) in vieren en plaats het in de 15 ml conische buis. De keuze van de conische buis moet aan de stamper zijn aangepast.

m)

Het filtratiemembraan wordt met de stamper naar de bodem van de 15 ml conische buis gedrukt en krachtig samengeperst door de stamper, die in het gevouwen filtratiemembraan dient te zijn geplaatst, ongeveer twintig keer na elkaar heen en weer te bewegen overeenkomstig de instructies van de fabrikant.

n)

0,5 ml ± 0,01 ml monsterverdunner wordt met een pipet in de 15 ml conische buis toegevoegd en het filtratiemembraan wordt gehomogeniseerd met behulp van de stamper, door achtereenvolgende korte bewegingen heen en weer gedurende ongeveer 30 seconden, waarbij abrupte bewegingen vermeden moeten worden om morsen van de vloeistof te vermijden, overeenkomstig de instructies van de fabrikant.

o)

De afzonderlijke monsters, de negatieve controle en de positieve controle worden met pipetten op verschillende velden van de agglutinatiekaart gebracht, overeenkomstig de instructies van de fabrikant.

p)

De latexdruppels worden met pipetten op ieder veld van de agglutinatiekaart toegevoegd, overeenkomstig de instructies van de fabrikant, zonder ze in aanraking te brengen met de monsters en controles. Vervolgens worden op ieder veld de latexdruppels voorzichtig gemengd met een wegwerpstaafje totdat de homogene vloeistof het gehele veld bedekt.

q)

De agglutinatiekaart wordt op de driedimensionale schudder geplaatst en gedurende 10 ± 1 minuut geschud overeenkomstig de instructies van de fabrikant.

r)

Na de in de instructies van de fabrikant aangegeven tijd wordt het schudden gestopt en wordt de agglutinatiekaart op een vlak oppervlak gelegd en worden de reactieresultaten onmiddellijk afgelezen overeenkomstig de instructies van de fabrikant. Bij een positief monster moeten druppelaggregaten verschijnen. Bij een negatief monster blijft de suspensie homogeen zonder druppelaggregaten.

II.   Pools van minder dan 100 g zoals bedoeld in hoofdstuk I, punt 3, onder II

Voor pools van minder dan 100 g dient de procedure als aangegeven in hoofdstuk I, punt 3, onder II, te worden gevolgd.

III.   Positieve of twijfelachtige uitslagen

Bij een positieve of twijfelachtige latexagglutinatie-uitslag van een verzamelmonster wordt van elk varken nogmaals een monster van 20 g genomen zoals beschreven in hoofdstuk I, punt 2, onder a). De 20 g monsters van vijf varkens worden gepoold en onderzocht volgens de in punt I beschreven methode. Monsters van 20 groepen van vijf varkens dienen te worden onderzocht.

Wanneer een positieve latexagglutinatie wordt verkregen van een groep van vijf varkens, worden van alle varkens in de groep nogmaals monsters van 20 g genomen, die elk afzonderlijk volgens de in punt I beschreven methode worden onderzocht.

Bij een positieve of twijfelachtige latexagglutinatie-uitslag moet minstens 20 g varkensspier naar het nationale referentielaboratorium worden gestuurd voor bevestiging met gebruikmaking van één van de in hoofdstuk I beschreven methoden.

Parasietmonsters worden in ethanol 90 % geconserveerd voor de identificatie van de soort in het EU- of nationale referentielaboratorium.

Na verzameling van de parasieten moeten positieve vloeistoffen worden gedecontamineerd door ze tot minimaal 60 °C te verhitten.

IV.   Reinigings- en ontsmettingprocedure na een positieve of twijfelachtige uitslag.

Bij een positieve of twijfelachtige latexagglutinatie-uitslag van een verzamelmonster of afzonderlijk monster moet alle uitrusting die in aanraking komt met vlees (kom van de hakker, bekerglas, roerstaafje, temperatuursensor, conische filtertrechter, zeef en pincet) zorgvuldig worden ontsmet door deze enkele seconden in heet water (65-90 °C) onder te dompelen. Oppervlakken waarop zich nog vleesresten of geïnactiveerde larven bevinden, kunnen met een schone spons en leidingwater worden schoongemaakt. Indien nodig kunnen een paar druppels reinigingsmiddel aan het water worden toegevoegd om de uitrusting te ontvetten. Het verdient aanbeveling daarna elk voorwerp grondig af te spoelen om alle sporen van het reinigingsmiddel te verwijderen.”.


BIJLAGE II

„BIJLAGE IV

HOOFDSTUK I

OFFICIËLE ERKENNING VAN BEDRIJVEN OF COMPARTIMENTEN ALS BEDRIJVEN OF COMPARTIMENTEN DIE GECONTROLEERDE HUISVESTINGSOMSTANDIGHEDEN TOEPASSEN

A.

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven moeten aan de onderstaande voorwaarden voldoen om voor hun bedrijf officiële erkenning te verkrijgen:

a)

de exploitant heeft alle praktische voorzorgen ten aanzien van de constructie van de gebouwen en het onderhoud genomen om te voorkomen dat knaagdieren, andere zoogdieren en vleesetende vogels in de gebouwen kunnen komen waar de dieren worden gehouden;

b)

de exploitant voert een ongediertebestrijdingsprogramma uit, met name voor knaagdieren, om besmetting van de varkens te voorkomen. De exploitant houdt over dit programma een administratie bij die aan de eisen van de bevoegde autoriteit voldoet;

c)

de exploitant zorgt ervoor dat alle diervoeders afkomstig zijn van een inrichting die diervoeders produceert volgens de beginselen van Verordening (EG) nr. 183/2005 van het Europees Parlement en de Raad (1);

d)

de exploitant bewaart diervoeders voor diersoorten die gevoelig zijn voor Trichinella in afgesloten silo’s of andere recipiënten waar geen knaagdieren in kunnen komen. Alle andere diervoedervoorraden ondergaan een warmtebehandeling of worden geproduceerd en opgeslagen overeenkomstig de eisen van de bevoegde autoriteit;

e)

de exploitant moeten garanderen dat dode dieren onverwijld worden verzameld, geïdentificeerd en vervoerd overeenkomstig de artikelen 21 en 22 van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad (2) en bijlage VIII bij Verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie (3);

f)

indien zich in de nabijheid van het bedrijf een vuilstortplaats bevindt, stelt de exploitant de bevoegde autoriteit hiervan in kennis. De bevoegde autoriteit beoordeelt de risico’s van de situatie en besluit of het bedrijf kan worden erkend als bedrijf dat gecontroleerde huisvestingsomstandigheden toepast;

g)

de exploitant zorgt ervoor dat biggen die op het bedrijf worden binnengebracht en aangekochte varkens vanaf de geboorte zijn gehouden onder gecontroleerde huisvestingsomstandigheden;

h)

de exploitant zorgt ervoor dat de varkens geïdentificeerd zijn, zodat elk dier naar het bedrijf teruggetraceerd kan worden;

i)

de exploitant mag nieuwe dieren uitsluitend het bedrijf binnenbrengen als zij komen van bedrijven die officieel zijn erkend als bedrijven die gecontroleerde huisvestingsomstandigheden toepassen;

j)

geen van de dieren heeft toegang tot buitenvoorzieningen, tenzij de exploitant van het levensmiddelenbedrijf door een risicoanalyse tot tevredenheid van de bevoegde autoriteit kan aantonen dat de periode, de voorzieningen en de omstandigheden van de toegang tot buiten geen gevaar opleveren voor de insleep van Trichinella in het bedrijf.

B.

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die officieel zijn erkend als bedrijven die gecontroleerde huisvestingsomstandigheden toepassen, stellen de bevoegde autoriteit in kennis van elk onder A genoemd voorschrift waaraan niet meer wordt voldaan en van alle andere veranderingen die van invloed kunnen zijn op de status van het bedrijf.

C.

De bevoegde autoriteiten in de lidstaten mogen een bedrijf of een categorie van bedrijven slechts erkennen wanneer zij hebben gecontroleerd dat aan de voorschriften van punt A is voldaan.

HOOFDSTUK II

RAPPORTAGE OVER DE SITUATIE MET BETREKKING TOT TRICHINELLA

a)

Het aantal humane Trichinella-gevallen (geïmporteerd en autochtoon), met inbegrip van epidemiologische gegevens, moet worden gerapporteerd overeenkomstig Beschikking 2000/96/EG van de Commissie (4).

b)

Het aantal tests en de uitslagen van de tests op Trichinella bij gedomesticeerde varkens, wilde zwijnen, paarden, wild en andere gevoelige dieren moet overeenkomstig bijlage IV bij Richtlijn 2003/99/EG worden ingediend. De gegevens over gedomesticeerde varkens bevatten minstens specifieke informatie in verband met:

i)

tests op dieren die onder gecontroleerde huisvestingsomstandigheden zijn gehouden;

ii)

tests op fokzeugen en -beren en mestvarkens.


(1)  PB L 35 van 8.2.2005, blz. 1.

(2)  PB L 300 van 14.11.2009, blz. 1.

(3)  PB L 54 van 26.2.2011, blz. 1.

(4)  PB L 28 van 3.2.2000, blz. 50.”


Top