EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32012D0994

Besluit nr. 994/2012/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot instelling van een mechanisme voor informatie-uitwisseling met betrekking tot intergouvernementele overeenkomsten tussen lidstaten en derde landen op energiegebied Voor de EER relevante tekst

OJ L 299, 27.10.2012, p. 13–17 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Croatian: Chapter 12 Volume 005 P. 153 - 157

No longer in force, Date of end of validity: 01/05/2017; opgeheven door 32017D0684

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2012/994/oj

27.10.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 299/13


BESLUIT Nr. 994/2012/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 25 oktober 2012

tot instelling van een mechanisme voor informatie-uitwisseling met betrekking tot intergouvernementele overeenkomsten tussen lidstaten en derde landen op energiegebied

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 194,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Europese Raad heeft de lidstaten verzocht om met ingang van 1 januari 2012 de Commissie op de hoogte te stellen van al hun nieuwe en bestaande bilaterale overeenkomsten met derde landen op het gebied van energie. De Commissie moet deze informatie ter beschikking stellen aan alle andere lidstaten in een passende vorm, met inachtneming van de noodzaak om commercieel gevoelige informatie te beschermen.

(2)

Artikel 4 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) vereist dat lidstaten alle passende maatregelen treffen om te waarborgen dat de verplichtingen uit hoofde van de Verdragen of wetgevende handelingen van de instellingen van de Unie worden nagekomen. De lidstaten moeten derhalve elke onverenigbaarheid tussen het recht van de Unie en internationale overeenkomsten die tussen lidstaten en derde landen worden gesloten, voorkomen of wegnemen.

(3)

Voor de goede werking van de interne energiemarkt is het nodig dat de energie die in de Unie wordt ingevoerd, volledig onderworpen is aan de regels voor de interne energiemarkt. Een interne energiemarkt die niet correct functioneert, plaatst de Unie in een kwetsbare en onvoordelige positie wat betreft energievoorzieningszekerheid, en doet afbreuk aan de potentiële voordelen van die markt voor de consumenten en het bedrijfsleven in Europa. Een hoge mate van transparantie met betrekking tot overeenkomsten tussen lidstaten en derde landen op energiegebied zou de Unie in staat stellen om gecoördineerde actie te ondernemen, in een geest van solidariteit, teneinde te waarborgen dat dergelijke overeenkomsten in overeenstemming zijn met het recht van de Unie en de energievoorziening op doeltreffende wijze veilig te stellen. Dergelijke transparantie zou ook gunstig zijn voor het verwezenlijken van zowel nauwere samenwerking binnen de Unie op het gebied van de externe energiebetrekkingen als voor de lange termijnbeleidsdoelstellingen van de Unie met betrekking tot energie, klimaat en energievoorzieningszekerheid.

(4)

Er moet derhalve een nieuw mechanisme voor informatie-uitwisseling worden opgezet. Het mag alleen betrekking hebben op intergouvernementele overeenkomsten die een effect hebben op de interne markt voor energie of op de energievoorzieningszekerheid in de Unie, aangezien de twee kwesties intrinsiek met elkaar verbonden zijn. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de eerste beoordeling van de vraag of een intergouvernementele overeenkomst of een andere tekst waar een intergouvernementele overeenkomst expliciet naar verwijst, een effect heeft op de interne energiemarkt of de energievoorzieningszekerheid in de Unie; in geval van twijfel moeten lidstaten de Commissie raadplegen. In beginsel hebben overeenkomsten die niet langer van kracht zijn of niet meer worden toegepast, geen effect op de interne energiemarkt of op de energievoorzieningszekerheid in de Unie; zij vallen derhalve niet onder dit mechanisme voor informatie-uitwisseling. Het mechanisme voor informatie-uitwisseling moet in het bijzonder alle intergouvernementele overeenkomsten omvatten die een effect hebben op de levering van gas, olie of elektriciteit via vaste infrastructuur of die een effect hebben op de hoeveelheid energie die in de Unie wordt ingevoerd.

(5)

Intergouvernementele overeenkomsten die in hun geheel moeten worden gemeld bij de Commissie op grond van andere wetgeving van de Unie moeten worden uitgesloten van het mechanisme voor informatie-uitwisseling. Die vrijstelling dient echter niet van toepassing te zijn op intergouvernementele overeenkomsten met derde landen die een effect hebben op de ontwikkeling en het gebruik van gasinfrastructuur en gasvoorziening en die bij de Commissie moeten worden gemeld krachtens artikel 13, lid 6, onder a), van Verordening (EU) nr. 994/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende maatregelen tot veiligstelling van de gaslevering (3). Dergelijke overeenkomsten moeten worden gemeld overeenkomstig de in dit besluit vastgestelde regels. Om doublures te voorkomen moet een melding die wordt ingediend op grond van dit besluit, worden geacht te voldoen aan de verplichting als bedoeld in artikel 13, lid 6, onder a), van Verordening (EU) nr. 994/2010.

(6)

Intergouvernementele overeenkomsten met betrekking tot vraagstukken die binnen het bereik van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie vallen, vallen niet binnen het toepassingsgebied van dit besluit.

(7)

Dit besluit schept geen verplichtingen ten aanzien van overeenkomsten tussen commerciële entiteiten. Het belet de lidstaten evenwel niet op vrijwillige basis bij de Commissie overeenkomsten te melden die uitdrukkelijk worden genoemd in intergouvernementele overeenkomsten. Bovendien, aangezien commerciële overeenkomsten regulerende bepalingen kunnen bevatten, moeten commerciële exploitanten die met exploitanten van derde landen over commerciële overeenkomsten onderhandelen, de mogelijkheid hebben om de Commissie om bijstand te verzoeken, teneinde potentiële conflicten met het recht van de Unie te voorkomen.

(8)

De lidstaten dienen bij de Commissie in alle bestaande intergouvernementele overeenkomsten, ongeacht of zij in werking zijn getreden of voorlopig worden toegepast in de zin van artikel 25 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht, en alle nieuwe intergouvernementele overeenkomsten.

(9)

Meer transparantie met betrekking tot toekomstige intergouvernementele overeenkomsten op het gebied van energie waarover tussen de lidstaten en derde landen wordt of zal worden onderhandeld, kan bijdragen tot consistentie in de wijze waarop de lidstaten dergelijke overeenkomsten benaderen, tot naleving van uniaal recht en tot de energievoorzieningszekerheid in de Unie. De lidstaten moeten daarom de keuze hebben om de Commissie in kennis te stellen van onderhandelingen over nieuwe intergouvernementele overeenkomsten of wijzigingen van bestaande intergouvernementele overeenkomsten. Indien lidstaten die keuze maken, moet de Commissie regelmatig worden geïnformeerd over de voortgang van de onderhandelingen. Lidstaten moeten de mogelijkheid hebben de Commissie uit te nodigen om als waarnemer aan de onderhandelingen deel te nemen.

De Commissie moet tevens de mogelijkheid hebben op eigen initiatief als waarnemer deel te nemen, op voorwaarde dat de betrokken lidstaat daarmee instemt. De lidstaten moeten de Commissie ook kunnen verzoeken om hen bij te staan tijdens hun onderhandelingen met derde landen. In dat geval moet de Commissie de mogelijkheid hebben om te adviseren over de wijze waarop onverenigbaarheid met het uniaal recht kan worden voorkomen, en om de aandacht te vestigen op de beleidsdoelstellingen van het energiebeleid van de Unie en het beginsel van de solidariteit tussen de lidstaten.

(10)

De Commissie moet nagaan of de bestaande intergouvernementele overeenkomsten verenigbaar zijn met het recht van de Unie. In geval van onverenigbaarheid moeten de lidstaten het nodige doen om een passende oplossing te vinden om de vastgestelde onverenigbaarheid op te heffen.

(11)

Teneinde de transparantie te vergroten en potentiële conflicten met het recht van de Unie te voorkomen, moeten de lidstaten de mogelijkheid hebben de Commissie vóór of tijdens de onderhandelingen in kennis te stellen van een nieuwe intergouvernementele overeenkomst. Indien een lidstaat die over een intergouvernementele overeenkomst heeft onderhandeld, vóór de afsluiting van de onderhandelingen de Commissie dienovereenkomstig heeft geïnformeerd en haar het ontwerp van de intergouvernementele overeenkomst heeft doen toekomen, moet de Commissie de mogelijkheid hebben om die lidstaat haar standpunt over de verenigbaarheid van de overeenkomst met het recht van de Unie mede te delen. De Commissie heeft op grond van artikel 258 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) het recht een inbreukprocedure in te leiden wanneer zij van oordeel is dat een lidstaat een krachtens het VWEU op hem rustende verplichting niet is nagekomen.

(12)

Alle definitieve geratificeerde intergouvernementele overeenkomsten waarop dit besluit van toepassing is, moeten aan de Commissie worden toegezonden, opdat alle andere lidstaten daarvan op de hoogte kunnen worden gesteld.

(13)

De Commissie moet alle informatie die zij heeft ontvangen, in beveiligde elektronische vorm ter beschikking van alle andere lidstaten stellen. De Commissie moet verzoeken van lidstaten eerbiedigen om bij haar ingediende informatie vertrouwelijk te behandelen. Verzoeken om vertrouwelijke behandeling mogen echter niet de toegang van de Commissie zelf tot vertrouwelijke informatie beperken, aangezien de Commissie voor haar eigen beoordelingen volledige informatie nodig heeft. De Commissie dient er verantwoordelijk voor te zijn dat de inachtneming van de vertrouwelijkheidsclausule worden gewaarborgd. Verzoeken om vertrouwelijke behandeling dienen het recht op toegang tot documenten dat is vastgelegd in Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (4), onverlet te laten.

(14)

Indien een lidstaat een intergouvernementele overeenkomst als vertrouwelijk beschouwt, dient hij bij de Commissie een samenvatting in die aan de overige lidstaten toegezonden kan worden.

(15)

Een permanente uitwisseling van informatie met betrekking tot intergouvernementele overeenkomsten op communautair niveau moet de ontwikkeling van beste praktijken mogelijk maken. Op basis van deze beste praktijken moet de Commissie, zo nodig in samenwerking met de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) wat het externe beleid van de Unie betreft, facultatieve standaardclausules opstellen voor gebruik in intergouvernementele overeenkomsten tussen lidstaten en derde landen. Het gebruik van deze standaardclausules is bedoeld om te voorkomen dat intergouvernementele overeenkomsten strijdig zijn met het recht van de Unie, in het bijzonder de mededingingswetgeving van de Unie en de wetgeving inzake de interne energiemarkt, of strijdig zijn met door de Unie gesloten internationale overeenkomsten. Het gebruik ervan moet facultatief zijn, en de inhoud moet aan elke bijzondere situatie aangepast kunnen worden.

(16)

Gelet op de interne energiemarkt en de doelstellingen van het energiebeleid van de Unie moeten de lidstaten deze doelstellingen naar behoren rekening houden, indien zij onderhandelen over intergouvernementele overeenkomsten op het gebied van energie die gevolgen hebben voor het energiebeleid van de Unie.

(17)

De verbetering van de wederzijdse kennis van bestaande en nieuwe intergouvernementele overeenkomsten moet leiden tot een betere coördinatie op het gebied van energieaangelegenheden tussen lidstaten, en tussen lidstaten en de Commissie. Door een dergelijke verbeterde coördinatie kunnen de lidstaten ten volle profiteren van het politieke en economische gewicht van de Unie en dient de Commissie in staat te stellen om oplossingen voor te stellen voor problemen die op het gebied van intergouvernementele overeenkomsten zijn geïdentificeerd.

(18)

De Commissie dient de coördinatie tussen de lidstaten te vergemakkelijken en te stimuleren om de algehele strategische rol van de Unie te versterken door een sterke en effectief gecoördineerde benadering van producerende, doorvoer- en afnemerlanden.

(19)

Het mechanisme voor informatie-uitwisseling, met inbegrip van evaluaties die door lidstaten moeten worden verricht ter uitvoering ervan, laat de toepassing van de uniale regels inzake inbreuken, overheidssteun en mededinging onverlet.

(20)

De Commissie dient te beoordelen of dit besluit volstaat om de doeltreffende naleving van intergouvernementele overeenkomsten met het recht van de Unie en een hoge graad van coördinatie tussen de lidstaten met betrekking tot intergouvernementele overeenkomsten op het gebied van energie te garanderen.

(21)

Aangezien de doelstelling van dit besluit, namelijk de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten en de Commissie met betrekking tot intergouvernementele overeenkomsten op energiegebied, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar, gelet op de effecten van dit besluit, beter op het niveau van de Unie kan worden bereikt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen vaststellen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat dit besluit niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken,

HEBBEN HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Bij dit besluit wordt een mechanisme vastgesteld voor de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten en de Commissie met betrekking tot intergouvernementele overeenkomsten op gebied van energie, zoals bepaald in artikel 2, teneinde de werking van de interne energiemarkt te optimaliseren.

2.   Dit besluit is niet van toepassing op intergouvernementele overeenkomsten die reeds volledig onderworpen zijn aan andere kennisgevingsprocedures krachtens het recht van de Unie.

Onverminderd de eerste alinea is dit besluit van toepassing op intergouvernementele overeenkomsten die bij de Commissie gemeld moeten worden op grond van artikel 13, lid 6, onder a), van Verordening (EU) nr. 994/2010.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van dit besluit gelden de volgende definities:

1.   „intergouvernementele overeenkomst”: juridisch bindende overeenkomst tussen één of meer lidstaten en één of meer derde landen die een effect heeft op de werking of het functioneren van de interne energiemarkt of op de energievoorzieningszekerheid in de Unie; of, indien de overeenkomst echter ook betrekking heeft op andere aangelegenheden, vormen de bepalingen die energie betreffen, inclusief de algemene bepalingen die op die energiegerelateerde bepalingen betrekking hebben, een „intergouvernementele overeenkomst”;

2.   „bestaande intergouvernementele overeenkomst”: een intergouvernementele overeenkomst die in werking is getreden of voorlopig wordt toegepast vóór de inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 3

Informatie-uitwisseling tussen de lidstaten en de Commissie

1.   De lidstaten dienen uiterlijk 17 februari 2013 bij de Commissie in alle bestaande intergouvernementele overeenkomsten, met inbegrip van bijlagen en amendementen op deze overeenkomsten. Indien deze bestaande intergouvernementele overeenkomsten uitdrukkelijk naar andere teksten verwijzen, dienen de lidstaten ook deze andere teksten bij de Commissie in, voor zover zij elementen bevatten die een effect hebben op de werking van de interne energiemarkt of op de energievoorzieningszekerheid in de Unie. Voor overeenkomsten tussen commerciële entiteiten geldt deze verplichting evenwel niet.

Voor de toepassing van dit besluit worden bestaande intergouvernementele overeenkomsten die op de datum waarop dit besluit in werking trad reeds aan de Commissie waren gemeld op grond van artikel 13, lid 6, onder a), van Verordening (EU) nr. 994/2010 geacht gemeld te zijn in de zin van dit lid, mits die melding voldoet aan de vereisten van de eerste alinea van dit lid. Uiterlijk 17 februari 2013 delen de lidstaten de Commissie mede of gedeelten van deze intergouvernementele overeenkomsten als vertrouwelijk moeten worden beschouwd, en of de verstrekte informatie met andere lidstaten mag worden gedeeld.

Indien een lidstaat overeenkomstig dit lid bij de Commissie bestaande intergouvernementele overeenkomsten meldt die tevens onder artikel 13, lid 6, onder a), van Verordening (EU) nr. 994/2010 vallen, wordt deze lidstaat geacht te hebben voldaan aan de meldingsverplichting als bedoeld in dat artikel.

2.   Indien de Commissie na haar eerste beoordeling twijfels heeft wat betreft de verenigbaarheid van op grond van lid 1 gemelde overeenkomsten met het recht van de Unie, en in het bijzonder uniaal mededingingsrecht en de regelgeving op het gebied van de interne energiemarkt, brengt de Commissie de betrokken lidstaten hiervan op de hoogte binnen negen maanden na indiening van de bestaande intergouvernementele overeenkomsten.

3.   Voor of tijdens de onderhandelingen met een derde land over een intergouvernementele overeenkomst of over de wijziging van een bestaande intergouvernementele overeenkomst kan een lidstaat de Commissie schriftelijk op de hoogte stellen van de doelstellingen van de onderhandelingen, de bepalingen die tijdens de onderhandelingen zullen worden besproken en eventuele andere relevante informatie. Indien de betrokken lidstaat aan de Commissie een dergelijke kennisgeving over de onderhandelingen doet, houdt hij de Commissie regelmatig op de hoogte van de voortgang van de onderhandelingen.

De desbetreffende lidstaat maakt aan de Commissie kenbaar of de op grond van de eerste alinea meegedeelde informatie mag worden gedeeld met andere lidstaten. Indien de desbetreffende lidstaat heeft aangegeven dat de informatie mag worden gedeeld, stelt de Commissie de ontvangen informatie in een beveiligde elektronische vorm ter beschikking aan alle lidstaten, met uitzondering van de vertrouwelijke gedeelten die overeenkomstig artikel 4 worden aangegeven.

4.   Indien een lidstaat de Commissie in kennis stelt van onderhandelingen overeenkomstig lid 3, kan de Commissie de betrokken lidstaat adviseren over de wijze waarop onverenigbaarheid van de intergouvernementele overeenkomst of van de wijziging van een bestaande intergouvernementele overeenkomst met het recht van de Unie kan worden vermeden.

5.   Zodra een intergouvernementele overeenkomst of een wijziging van een intergouvernementele overeenkomst wordt geratificeerd, doet de betrokken lidstaat de intergouvernementele overeenkomst of de wijziging van de overeenkomst, met inbegrip van de bijbehorende bijlagen, toekomen aan de Commissie.

Wanneer de intergouvernementele overeenkomst of de wijziging van de intergouvernementele overeenkomst uitdrukkelijk naar andere teksten verwijst, doen de lidstaten deze andere teksten, wanneer ze onderdelen bevatten die een effect hebben op de werking van de interne markt of op de energievoorzieningszekerheid in de Unie, ook toekomen aan de Commissie. Voor overeenkomsten tussen commerciële entiteiten geldt deze verplichting evenwel niet.

6.   Onverminderd lid 7 van dit artikel en artikel 4 stelt de Commissie de overeenkomstig de leden 1 en 5 ontvangen documenten in een beveiligde elektronische vorm ter beschikking van alle andere lidstaten.

7.   Indien een lidstaat de Commissie, overeenkomstig artikel 4, opdraagt een bestaande intergouvernementele overeenkomst, een wijziging van een bestaande intergouvernementele overeenkomst of een nieuwe intergouvernementele overeenkomst niet ter beschikking te stellen aan andere lidstaten, stelt die lidstaat een samenvatting van de verstrekte informatie ter beschikking. Die samenvatting bevat ten minste de volgende informatie:

a)

onderwerp;

b)

doel en toepassingsgebied;

c)

looptijd;

d)

overeenkomstsluitende partijen;

e)

informatie over de hoofdpunten.

De Commissie stelt de samenvatting in elektronische vorm ter beschikking van alle andere lidstaten.

Artikel 4

Vertrouwelijkheid

1.   Wanneer een lidstaat informatie verstrekt aan de Commissie op grond van artikel 3, leden 1 tot en met 6, mag hij aangeven of er een gedeelte van de informatie, commerciële of andere, waarvan de bekendmaking schade zou toebrengen aan de activiteiten van de betrokken partijen, vertrouwelijk behandeld moet worden en of de verstrekte informatie gedeeld kan worden met andere lidstaten. De Commissie dient deze instructies te eerbiedigen.

2.   Verzoeken om vertrouwelijke behandeling in het kader van dit artikel houden geen beperking in van de toegang van de Commissie zelf tot vertrouwelijke informatie. De Commissie garandeert dat de toegang tot vertrouwelijke informatie strikt beperkt blijft tot de Commissiediensten die absoluut over deze informatie moeten kunnen beschikken.

Artikel 5

Bijstand door de Commissie

Wanneer een lidstaat de Commissie op de hoogte stelt van zijn onderhandelingen overeenkomstig artikel 3, lid 3, kan die lidstaat de Commissie verzoeken hem tijdens die onderhandelingen bij te staan.

Op verzoek van de betrokken lidstaat of op verzoek van de Commissie en met de schriftelijke toestemming van de betrokken lidstaat kan de Commissie als waarnemer bij de onderhandelingen aanwezig zijn.

Wanneer de Commissie als waarnemer deelneemt, kan zij de betrokken lidstaat adviseren over de wijze waarop onverenigbaarheid van de intergouvernementele overeenkomst of de wijziging waarover wordt onderhandeld met het recht van de Unie kan worden vermeden.

Artikel 6

Beoordeling van de verenigbaarheid

1.   Indien een lidstaat bij onderhandelingen over een intergouvernementele overeenkomst of over de wijziging van een bestaande intergouvernementele overeenkomst op basis van hun eigen beoordeling niet kunnen komen tot een duidelijke uitspraak over de verenigbaarheid van de in onderhandeling zijnde overeenkomst of wijziging met het recht van de Unie, stelt deze de Commissie daarvan in kennis voordat de onderhandelingen worden afgesloten, en stuurt haar de betrokken ontwerpovereenkomst of ontwerpwijziging, tezamen met elke bijlage.

2.   De Commissie deelt de desbetreffende lidstaat binnen vier weken na de datum van ontvangst van de ontwerpovereenkomst of de ontwerpwijziging, met inbegrip van de bijlagen, mee of zij twijfels heeft aangaande de verenigbaarheid van de overeenkomst of de wijziging met het recht van de Unie. De Commissie wordt geacht geen bezwaren te hebben ingediend indien zij binnen die termijn niet reageert.

3.   Indien de Commissie de betrokken lidstaat overeenkomstig lid 2 meedeelt dat zij twijfels heeft, stelt zij de betrokken lidstaat in kennis van haar standpunt over de verenigbaarheid van de ontwerpovereenkomst of de ontwerpwijziging met het recht van de Unie binnen tien weken na de in lid 2 bedoelde datum van ontvangst (de onderzoeksperiode). Indien de betrokken lidstaat daarmee instemt, kan de onderzoeksperiode worden verlengd. De Commissie wordt geacht geen bezwaren te hebben ingediend, indien zij binnen de onderzoeksperiode geen advies uitbrengt.

4.   De in de leden 2 en 3 genoemde termijnen worden in overleg met de Commissie ingekort als de omstandigheden dat vereisen.

Artikel 7

Coördinatie tussen de lidstaten

De Commissie vergemakkelijkt en stimuleert coördinatie tussen de lidstaten met het oog op:

a)

het beoordelen van ontwikkelingen met betrekking tot intergouvernementele overeenkomsten en het nastreven van consistentie en coherentie in de externe betrekkingen van de Unie op energiegebied met de producerende, doorvoer- en afnemerlanden;

b)

het identificeren van gemeenschappelijke problemen in verband met intergouvernementele overeenkomsten en het overwegen van passende maatregelen en zo nodig het aandragen van oplossingen om deze problemen op te lossen;

c)

het ontwikkelen, op basis van beste praktijken en in overleg met lidstaten, van facultatieve standaardclausules die, indien zij worden toegepast, de naleving door toekomstige intergouvernementele overeenkomsten van het uniaal recht aanmerkelijk verbeteren;

d)

het ondersteunen, waar nodig, van de ontwikkeling van multilaterale intergouvernementele overeenkomsten met meerdere lidstaten of de Unie als geheel.

Artikel 8

Verslaglegging en evaluatie

1.   De Commissie dient uiterlijk 1 januari 2016 bij het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité een verslag in over de toepassing van dit besluit.

2.   Het verslag beoordeelt in het bijzonder in hoeverre dit besluit de naleving door intergouvernementele overeenkomsten van het recht van de Unie, alsmede een hoog niveau van coördinatie tussen de lidstaten met betrekking tot intergouvernementele overeenkomsten, bevordert. Het beoordeelt de invloed die dit besluit heeft op de onderhandelingen van de lidstaten met derde landen en of de werkingssfeer van dit besluit en de in dit besluit vastgestelde procedures passend zijn.

3.   Na indiening van het eerste verslag als genoemd in lid 1 van dit, brengt de Commissie om de drie jaar verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de informatie die zij overeenkomstig artikel 3 heeft ontvangen, met inachtneming van de vertrouwelijkheidsvoorschriften van dit besluit.

Artikel 9

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 10

Adressaten

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 25 oktober 2012.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

A. D. MAVROYIANNIS


(1)  PB C 68 van 6.3.2012, blz. 65.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 13 september 2012 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 4 oktober 2012.

(3)  PB L 295 van 12.11.2010, blz. 1.

(4)  PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.


Top