EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32010R0573

Verordening (EU) nr. 573/2010 van de Commissie van 30 juni 2010 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 185/2010 houdende vaststelling van gedetailleerde maatregelen voor de toepassing van de gemeenschappelijke basisnormen op het gebied van de beveiliging van de luchtvaart (Voor de EER relevante tekst )

OJ L 166, 1.7.2010, p. 1–5 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Croatian: Chapter 07 Volume 024 P. 21 - 25

No longer in force, Date of end of validity: 14/11/2015; stilzwijgende opheffing door 32015R1998

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2010/573/oj

1.7.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 166/1


VERORDENING (EU) Nr. 573/2010 VAN DE COMMISSIE

van 30 juni 2010

tot wijziging van Verordening (EU) nr. 185/2010 houdende vaststelling van gedetailleerde maatregelen voor de toepassing van de gemeenschappelijke basisnormen op het gebied van de beveiliging van de luchtvaart

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 300/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2320/2002 (1), en met name op artikel 4, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 300/2008 moet de Commissie gedetailleerde maatregelen voor de toepassing van de in artikel 4, lid 1, vermelde gemeenschappelijke basisnormen en van de in artikel 4, lid 2, bedoelde algemene maatregelen ter aanvulling van de gemeenschappelijke basisnormen vaststellen.

(2)

Als deze maatregelen gevoelige beveiligingsinformatie bevatten, dienen ze als gerubriceerde EU-gegevens in de zin van Besluit 2001/844/EG, EGKS, Euratom van de Commissie van 29 november 2001 tot wijziging van haar reglement van orde (2) te worden beschouwd, zoals bepaald in artikel 18, onder a), van Verordening (EG) nr. 300/2008 en mogen ze niet worden gepubliceerd. Deze maatregelen moeten afzonderlijk worden vastgesteld in een besluit dat aan de lidstaten is gericht.

(3)

Verordening (EG) nr. 300/2008 is volledig van toepassing vanaf de datum die vermeld is in de uitvoeringsregels welke overeenkomstig de procedures van artikel 4, leden 2 en 3, van die verordening zijn vastgesteld, maar uiterlijk vanaf 29 april 2010. De onderhavige verordening dient derhalve ook van toepassing te zijn met ingang van 29 april 2010, teneinde de toepassing van Verordening (EG) nr. 300/2008 en de uitvoeringsbesluiten ervan te harmoniseren.

(4)

Verordening (EG) nr. 1217/2003 van de Commissie van 4 juli 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke specificaties voor nationale programma’s voor de kwaliteitscontrole van de beveiliging van de burgerluchtvaart (3), Verordening (EG) nr. 1486/2003 van de Commissie van 22 augustus 2003 tot vaststelling van procedures voor de inspecties van de Commissie op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart (4), Verordening (EG) nr. 1138/2004 van de Commissie van 21 juni 2004 tot vaststelling van een gemeenschappelijke definitie van de meest kwetsbare sectoren van de om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones van luchthavens (5) en Verordening (EG) nr. 820/2008 van de Commissie van 8 augustus 2008 houdende vaststelling van maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de gemeenschappelijke basisnormen inzake luchtvaartbeveiliging (6), zijnde alle uitvoeringsverordeningen van Verordening (EG) nr. 2320/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart (7), moeten derhalve worden ingetrokken.

(5)

De algemene regel is dat maatregelen die rechtstreekse gevolgen hebben voor passagiers door de Commissie moeten worden bekendgemaakt, maar overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EG) nr. 300/2008 mogen bepaalde maatregelen die voor de luchtvaart gevoelige beveiligingsinformatie bevatten, worden beschouwd als „gerubriceerde EU-gegevens” in de zin van Besluit 2001/844/EG, EGKS, Euratom en hoeven ze niet te worden bekendgemaakt. Deze maatregelen moeten afzonderlijk worden vastgesteld in een besluit dat aan de lidstaten is gericht. Het deel van het besluit dat gevoelige beveiligingsmaatregelen en -procedures bevat, mag niet worden gepubliceerd; het mag alleen ter beschikking worden gesteld van exploitanten en entiteiten die er een legitiem belang bij hebben. Dergelijke maatregelen hebben met name betrekking op gedetailleerde procedures — en uitzonderingen daarop — voor het controleren van luchtvaartuigen, voertuigen, personen, bagage, post en vracht die om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones binnenkomen of er zich reeds bevinden, en op de technische specificaties voor apparatuur waarmee beveiligingsonderzoeken worden uitgevoerd.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 19, lid 1, van Verordening (EG) nr. 300/2008 ingestelde Comité voor de beveiliging van de burgerluchtvaart,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In deze verordening worden gedetailleerde maatregelen vastgesteld voor de uitvoering van gemeenschappelijke basisnormen ter bescherming van de burgerluchtvaart tegen wederrechtelijke daden die de beveiliging van de burgerluchtvaart in gevaar kunnen brengen, alsook algemene maatregelen ter aanvulling van deze gemeenschappelijke basisnormen.

Artikel 2

Uitvoeringsregels

1.   De in artikel 1 bedoelde maatregelen worden in de bijlage uiteengezet.

2.   Overeenkomstig artikel 10, lid 1, van Verordening (EG) nr. 300/2008 moet deze verordening in acht worden genomen bij de vaststelling van nationale programma’s voor de beveiliging van de burgerluchtvaart.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking en wordt van toepassing vanaf de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 juni 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 97 van 9.4.2008, blz. 72.

(2)  PB L 317 van 3.12.2001, blz. 1.

(3)  PB L 169 van 8.7.2003, blz. 44

(4)  PB L 213 van 23.8.2003, blz. 3.

(5)  PB L 221 van 22.6.2004, blz. 6.

(6)  PB L 221 van 19.8.2008, blz. 8.

(7)  PB L 355 van 30.12.2002, blz. 1.


BIJLAGE

De bijlage bij Verordening (EU) nr. 185/2010 (1) wordt als volgt gewijzigd:

A.

Aan hoofdstuk 4, punt 4.1.1.2, wordt c) toegevoegd:

„explosievenspeurhonden in combinatie met punt a).”

B.

Aan hoofdstuk 4 wordt punt 4.1.1.9 toegevoegd:

„4.1.1.9

Explosievenspeurhonden mogen alleen als aanvullend onderzoeksmiddel worden gebruikt.”

C.

Aan hoofdstuk 4, punt 4.1.2.3, wordt d) toegevoegd:

„explosievenspeurhonden in combinatie met punt a).”

D.

Aan hoofdstuk 5, punt 5.1.1, wordt e) toegevoegd:

„explosievenspeurhonden”.

E.

Aan hoofdstuk 12 wordt punt 9 toegevoegd:

„12.9.   EXPLOSIEVENSPEURHONDEN

12.9.1.   Algemene beginselen

12.9.1.1.

Een explosievenspeurhond (Explosive Detection Dog, EDD) moet in staat zijn gespecificeerde en hogere individuele hoeveelheden explosieven te detecteren en te signaleren.

12.9.1.2.

De vorm, positie of oriëntatie van de explosieven mogen geen invloed hebben op de detectie.

12.9.1.3.

Wanneer een explosievenspeurhond de in aanhangsel 12-D van een afzonderlijk besluit van de Commissie vermelde explosieven detecteert, moet hij een alarmsignaal geven in de vorm van een passieve reactie.

12.9.1.4.

Een explosievenspeurhond en zijn begeleider mogen voor beveiligingsonderzoeken worden ingezet als ze beiden onafhankelijk en als team zijn goedgekeurd.

12.9.1.5.

Een explosievenspeurhond en zijn begeleider moeten eerst een basisopleiding en daarna periodieke opleidingen volgen om te garanderen dat ze de vereiste bekwaamheden verwerven en behouden en, indien nodig, nieuwe bekwaamheden verwerven.

12.9.1.6.

Om te worden goedgekeurd moet een EDD-team, bestaande uit een explosievenspeurhond en (een) begeleider(s), met succes een opleiding hebben gevolgd.

12.9.1.7.

Een EDD-team wordt goedgekeurd door of namens de bevoegde autoriteit, overeenkomstig aanhangsels 12-E en 12-F van een afzonderlijk besluit van de Commissie.

12.9.1.8.

Na goedkeuring door de bevoegde autoriteit mag een EDD-team beveiligingsonderzoeken uitvoeren op basis van de „free running”- of de „remote explosive scent tracing”-methode

12.9.2.   Normen voor explosievenspeurhonden

12.9.2.1.

De prestatievereisten voor explosievenspeurhonden zijn vastgelegd in Aanhangsel 12-D bij een afzonderlijk besluit van de Commissie.

12.9.2.2.

Een EDD-team dat wordt ingezet voor beveiligingsonderzoeken van personen, handbagage, voorwerpen die door andere personen dan passagiers worden meegenomen, voertuigen, luchtvaartuigen, vluchtbenodigdheden, luchthavenbenodigdheden en om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones moet voldoen aan norm 1.

12.9.2.3.

Een EDD-team dat wordt ingezet voor beveiligingsonderzoeken van ruimbagage, post van luchtvaartmaatschappijen, materiaal van luchtvaartmaatschappijen, vracht en post moet voldoen aan norm 2.

12.9.2.4.

Een EDD-team dat is goedgekeurd om explosieven te detecteren op basis van de „remote explosive scent tracing”-methode mag alleen worden ingezet voor beveiligingsonderzoeken van vracht, maar niet voor andere domeinen die onder norm 2 vallen.

12.9.2.5.

Een explosievenspeurhond die wordt ingezet om explosieven op te speuren, wordt uitgerust met passende voorzieningen die de unieke identificatie van de explosievenspeurhond mogelijk maken.

12.9.2.6.

Wanneer een hond naar explosieven speurt, moet hij altijd worden begeleid door de begeleider die goedgekeurd is om met de explosievenspeurhond te werken.

12.9.2.7.

Een explosievenspeurhond die is goedgekeurd om volgens de „free running”-methode te werken, mag slechts één begeleider hebben. Een begeleider kan worden goedgekeurd voor het begeleiden van hoogstens twee explosievenspeurhonden.

12.9.2.8.

Een explosievenspeurhond die is goedgekeurd om volgens de „explosive scent tracing”-methode te werken, mag door hoogstens twee begeleiders worden begeleid.

12.9.3.   Opleidingsvereisten

Algemene opleidingseisen

12.9.3.1.

De opleiding van een EDD-team omvat een theoretische en een praktische opleiding en een training op de werkvloer.

12.9.3.2.

De inhoud van de cursussen wordt door de bevoegde autoriteit gespecificeerd of goedgekeurd.

12.9.3.3.

De opleiding wordt georganiseerd door of namens de bevoegde autoriteit en wordt gegeven door instructeurs die gekwalificeerd zijn overeenkomstig punt 11.5 van de bijlage bij Verordening 185/2010.

12.9.3.4.

Honden die voor het opspeuren van explosieven worden opgeleid, mogen alleen met dat doel worden ingezet.

12.9.3.5.

Tijdens de opleiding worden hulpmiddelen gebruikt die explosieven voorstellen.

12.9.3.6.

De opleiding wordt verstrekt aan alle personen die de opleidingshulpmiddelen gebruiken teneinde contaminatie te voorkomen.

Basisopleiding voor EDD-teams

12.9.3.7.

Een EDD-team volgt een basisopleiding die gebaseerd is op de in punt 12.9.3 van een afzonderlijk besluit van de Commissie vastgestelde criteria.

12.9.3.8.

De basisopleiding van een EDD-team omvat een praktische opleiding in de toekomstige werkomgeving.

Periodieke opleiding voor EDD-teams

12.9.3.9.

Een explosievenspeurhond en zijn begeleider dienen, individueel en als team, periodieke opleidingen te volgen.

12.9.3.10.

Periodieke opleiding moet zorgen voor de instandhouding van de bekwaamheden die tijdens de basisopleiding moeten worden verworven en van de bekwaamheden welke overeenkomstig ontwikkelingen op beveiligingsgebied worden verworven.

12.9.3.11.

De periodieke opleiding van een EDD-team moet minstens om de zes weken plaatsvinden. Tijdens elke periode van zes weken moet minstens vier uur periodieke opleiding worden gevolgd.

12.9.3.12.

Punt 11 is niet van toepassing wanneer een explosievenspeurhond minstens wekelijks een opleiding krijgt om alle in Aanhangsel 12-D van een afzonderlijk besluit van de Commissie vermelde materialen te leren herkennen.

Opleidingsdossiers voor EDD-teams

12.9.3.13.

Voor zowel de explosievenspeurhond als zijn begeleider wordt tijdens minstens de duur van de arbeidsovereenkomst een dossier van de basis- en periodieke opleiding bijgehouden en op verzoek ter beschikking van de bevoegde autoriteit gesteld.

Operationele opleiding voor EDD-teams

12.9.3.14.

Wanneer bij de beveiligingsonderzoeken explosievenspeurhonden worden ingezet, moeten deze honden een operationele opleiding krijgen om te garanderen dat ze aan de prestatievereisten van Aanhangsel 12-D van een afzonderlijk besluit van de Commissie voldoen.

12.9.3.15.

De operationele opleiding vindt plaats op continue willekeurige basis tijdens de periode dat de explosievenspeurhond wordt ingezet; tijdens deze opleiding worden de detectieprestaties van de explosievenspeurhond gemeten aan de hand van goedgekeurde opleidingshulpmiddelen.

12.9.4.   Goedkeuringsprocedures

12.9.4.1.

De goedkeuringsprocedure moet garanderen dat de volgende bekwaamheden worden gemeten:

a)

de bekwaamheid van de explosievenspeurhond om te voldoen aan de in Aanhangsel 12-D van een afzonderlijk besluit van de Commissie vastgestelde detectieprestaties;

b)

de bekwaamheid van de explosievenspeurhond om een passieve indicatie te geven van de aanwezigheid van explosieven;

c)

de bekwaamheid van de explosievenspeurhond en zijn begeleider(s) om effectief als team te werken; en

d)

de bekwaamheid van de begeleider om de explosievenspeurhond correct te leiden, zijn reacties op de aanwezigheid van explosieven te interpreteren en er op passende wijze op te reageren.

12.9.4.2.

Tijdens de goedkeuringsprocedure worden alle werkdomeinen waarop het EDD-team actief zal zijn, gesimuleerd.

12.9.4.3.

Het EDD-team moet met succes de opleiding voltooien op elk domein waarvoor goedkeuring wordt gevraagd.

12.9.4.4.

De goedkeuringsprocedures worden uitgevoerd overeenkomstig de Aanhangsels 12-E en 12-F van een afzonderlijk besluit van de Commissie.

12.9.4.5.

Elke goedkeuring is hoogstens twaalf maanden geldig.

12.9.5.   Kwaliteitscontrole

12.9.5.1.

De kwaliteitscontrolemaatregelen van Aanhangsel 12-G van een afzonderlijk besluit van de Commissie worden toegepast op het EDD-team.

12.9.6.   Methodologie van het beveiligingsonderzoek

Nadere gedetailleerde eisen zijn vastgesteld in een afzonderlijk besluit van de Commissie.”


(1)  PB L 55 van 5.3.2010, blz. 1.


Top