EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32009H1019

Aanbeveling van de Raad van 22 december 2009 inzake de vaccinatie tegen seizoensinfluenza (Voor de EER relevante tekst)

OJ L 348, 29.12.2009, p. 71–72 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reco/2009/1019/oj

29.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 348/71


AANBEVELING VAN DE RAAD

van 22 december 2009

inzake de vaccinatie tegen seizoensinfluenza

(Voor de EER relevante tekst)

(2009/1019/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op artikel 168, lid 6,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Seizoensinfluenza is een besmettelijke virusziekte, die in de wintermaanden in Europa als epidemie voorkomt. Het is een van de belangrijkste en meest voorkomende overdraagbare ziekten, die in alle lidstaten van de Europese Unie veelvuldig ziekte- en sterfgevallen ten gevolge heeft.

(2)

In sommige gevallen zijn de complicaties ernstiger dan een spontaan genezende infectie van de luchtwegen en leiden ze tot ernstige pneumonie of andere secondaire complicaties met soms fatale afloop. Deze complicaties komen veel vaker voor bij oudere leeftijdsgroepen en bij mensen met chronische medische aandoeningen.

(3)

Seizoensinfluenza kan door vaccinatie worden ingeperkt, maar doordat het virus frequent van antigene samenstelling verandert, wordt de samenstelling van het vaccin regelmatig opnieuw bezien door de deskundigengroepen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO).

(4)

In 2003 heeft de Wereldgezondheidsvergadering in resolutie 56.19 de aanbeveling gedaan de vaccinatiegraad tegen influenza te verhogen voor alle personen met een hoog risico, teneinde in 2006 voor de oudere leeftijdsgroepen een vaccinatiegraad van 50 % te bereiken en in 2010 een dekking van 75 %.

(5)

Op 26 oktober 2005 en 14 juni 2006 heeft het Europees Parlement resoluties aangenomen getiteld respectievelijk „Strategie tegen een influenzapandemie” en „Draaiboek voor een influenzapandemie in de Europese Gemeenschap” waarin de lidstaten worden opgeroepen de influenzavaccinatie in overeenstemming te brengen met de aanbevelingen van de WHO. In die resoluties wordt er bij de lidstaten ook op aangedrongen overeenkomstig de aanbevelingen van de WHO de vaccinatiegraad tijdens de interpandemische periode te verhogen.

(6)

Om de gevolgen van seizoensinfluenza af te zwakken, moet er daarom op het niveau van de Europese Unie gezamenlijk worden opgetreden door het vaccineren van risicogroepen en gezondheidswerkers aan te moedigen. Deze aanbeveling is erop gericht om, zoals door de WHO wordt aanbevolen, zo snel mogelijk en bij voorkeur uiterlijk in de winter van 2014/2015, een vaccinatiegraad van 75 % voor oudere leeftijdsgroepen te bereiken. Dit doel van 75 % zou, indien mogelijk, overeenkomstig de richtsnoeren van het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC), moeten worden uitgebreid tot de risicogroep van mensen met chronische aandoeningen.

(7)

Een hogere vaccinatiegraad voor de risicogroepen zou tevens bijdragen aan een hogere vaccinatiegraad in het algemeen, ook voor gezondheidswerkers.

(8)

Om deze veranderingen te bewerkstelligen moeten eerst alle deelnemende partijen in de gezondheidszorg, de risicogroepen, de gezondheidswerkers, de artsen, de managers in de gezondheidszorg en de beleidsmakers door middel van bewustmakingscampagnes voor het publiek en voor professionals informatie krijgen over de problematiek van seizoensinfluenza. Gezondheidswerkers moeten bewust worden gemaakt van het bijzondere risico dat hun meer kwetsbare patiënten lopen. Zij moeten tevens bewust worden gemaakt van hun verantwoordelijkheid bij het geven van het juiste vaccinatieadvies aan hun patiënten.

(9)

Het is in het bijzonder van belang om op nationaal niveau specifieke en vergelijkbare gegevens inzake de vaccinatiegraad van risicogroepen te verzamelen, teneinde de situatie in alle lidstaten naar behoren te kunnen beoordelen. Tot op heden waren dergelijke gegevens niet altijd beschikbaar. Op grond van deze gegevens zullen de Commissie en de lidstaten in staat zijn via de bestaande kanalen van internationale samenwerking op het gebied van de gezondheidszorg informatie en goede praktijken met derde landen uit te wisselen.

(10)

In Verordening (EG) nr. 851/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot oprichting van een Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (1) heeft het ECDC speciaal de taak gekregen de Commissie en de lidstaten van technische en wetenschappelijke expertise te voorzien. Het ECDC beheert ook het netwerk dat speciaal voor het toezicht op seizoensinfluenza is opgezet overeenkomstig Beschikking 2000/96/EG van de Commissie van 22 december 1999 betreffende de overdraagbare ziekten die geleidelijk door het communautaire netwerk zullen worden bestreken overeenkomstig Beschikking nr. 2119/98/EG van het Europees Parlement en de Raad (2). Het ECDC dient daarom de lidstaten te helpen bij het verstrekken van wetenschappelijke expertise inzake vaccinatie tegen seizoensinfluenza.

(11)

In de context van vaccinatie tegen seizoensinfluenza is het duidelijk dat de door de WHO aanbevolen doelstelling om 75 % van de oudere leeftijdsgroepen te vaccineren, makkelijker gehaald wordt met een gecoördineerde actie op het niveau van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE AANBEVELING VASTGESTELD:

1.

De lidstaten worden aangespoord, naargelang het geval, nationale, regionale of lokale actieplannen of maatregelen vast te stellen en uit te voeren met het oog op de verbetering van de graad van vaccinatie tegen seizoensinfluenza teneinde zo snel mogelijk en bij voorkeur uiterlijk in de winter 2014-2015 een vaccinatiegraad van 75 % voor „oudere leeftijdsgroepen” te bereiken, en, indien mogelijk, voor andere in punt 2, onder a), genoemde risicogroepen, voor zover dat doel nog niet is bereikt. De lidstaten worden tevens aangespoord om de vaccinatiegraad onder gezondheidswerkers te verhogen.

In de actieplannen of maatregelen dient rekening te worden gehouden met op nationaal niveau geconstateerde lacunes en dienen de in punt 2, onder b) en c), genoemde activiteiten te worden georganiseerd.

2.

In het kader van de in punt 1 bedoelde actieplannen en maatregelen dienen de lidstaten aangespoord te worden om

a)

rekening te houden met de definitie van „oudere leeftijdsgroepen” en „risicogroepen” die gehanteerd wordt in de richtsnoeren van het ECDC;

b)

de vaccinatiegraad in alle risicogroepen te meten, en te analyseren waarom bepaalde mensen niet gevaccineerd willen worden;

c)

het onderwijs, de opleiding en de informatie-uitwisseling inzake seizoensinfluenza en vaccinatie te bevorderen door het organiseren van:

i)

informatieacties voor gezondheidswerkers;

ii)

informatieacties over risico's en preventie van influenza voor personen uit risicogroepen en hun gezin;

iii)

doeltreffende informatieacties om obstakels voor vaccinatie weg te nemen.

3.

De lidstaten worden aangespoord, de Commissie, op basis van vrijwilligheid, verslag uit te brengen over de tenuitvoerlegging van deze aanbeveling, in het bijzonder over de voor de risicogroepen bereikte vaccinatiegraad.

4.

De Commissie wordt verzocht de Raad regelmatig verslag uit te brengen van de tenuitvoerlegging van deze aanbeveling, op grond van de door de lidstaten beschikbaar te stellen gegevens.

5.

De Commissie wordt verzocht het onderzoek naar influenza te blijven steunen via de kaderprogramma's voor onderzoek.

Gedaan te Brussel, 22 december 2009.

Voor de Raad

De voorzitter

A. CARLGREN


(1)  PB L 142 van 30.4.2004, blz. 1.

(2)  PL L 28 van 3.2.2000, blz. 50.


Top