EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32006H0961

Aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 over transnationale mobiliteit in het onderwijs en de beroepsopleiding in de Europese Gemeenschap: Europees handvest voor kwaliteit bij mobiliteit (Voor de EER relevante tekst)

OJ L 394, 30.12.2006, p. 5–9 (ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reco/2006/961/oj

30.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 394/5


AANBEVELING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 18 december 2006

over transnationale mobiliteit in het onderwijs en de beroepsopleiding in de Europese Gemeenschap: Europees handvest voor kwaliteit bij mobiliteit

(2006/961/EG)

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 149, lid 4, en artikel 150, lid 4,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (2),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Mobiliteit in het onderwijs en de beroepsopleiding is onlosmakelijk verbonden met een van de door het Verdrag beschermde fundamentele vrijheden, namelijk het vrije verkeer van personen, en tevens een van de voornaamste doelstellingen van het werk van de Europese Unie op het gebied van onderwijs en beroepsopleiding, uitgaande van gemeenschappelijke waarden alsmede van respect voor de verscheidenheid. Mobiliteit is een belangrijk instrument voor het tot stand brengen van een echte Europese ruimte voor een leven lang leren en beroepsopleiding, een instrument voor de aanpak van werkloosheid en armoede en draagt bij tot het ontwikkelen van een actief Europees burgerschap.

(2)

Mobiliteit brengt burgers dichter tot elkaar en vergroot het wederzijdse begrip. Zij bevordert de solidariteit, de uitwisseling van ideeën en een beter inzicht in de verschillende culturen waaruit Europa bestaat; aldus versterkt mobiliteit de economische, sociale en regionale samenhang.

(3)

Het stimuleren van mobiliteit en uitwisselingen op het gebied van onderwijs en beroepsopleiding in Europa, alsook evenementen zoals het Europees Jaar voor de mobiliteit van werknemers in 2006, vervullen een sleutelrol bij het verwezenlijken van de doelstelling om Europa tegen 2010 tot de meest concurrerende en innoverende kenniseconomie ter wereld te maken.

(4)

Het bieden van een beter kader voor mobiliteit ten behoeve van onderwijs en beroepsopleiding binnen de EU draagt bij tot de totstandbrenging van de kenniseconomie, die een centrale rol speelt bij het creëren van werkgelegenheid, duurzame ontwikkeling, onderzoek en innovatie in de lidstaten.

(5)

Meer steun van alle belanghebbenden, met inbegrip van de overheid, voor mobiliteit binnen de EU is noodzakelijk om de kwaliteit en doeltreffendheid van de onderwijs- en opleidingsstelsels in Europa te verbeteren.

(6)

Aanbeveling 2001/613/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 juli 2001 inzake de mobiliteit binnen de Gemeenschap van studenten, personen in opleiding, vrijwilligers, leerkrachten en opleiders (4) was de eerste aanbeveling die tot doel had de Gemeenschap meer mogelijkheden voor de bevordering van mobiliteit te geven.

(7)

Uit het werk van de werkgroep van deskundigen, die overeenkomstig punt III, onder a), van genoemde aanbeveling opgericht is, en uit het eerste verslag over de tenuitvoerlegging van de aanbeveling, komt naar voren dat er op Europees en nationaal vlak vooruitgang is geboekt op het punt van de mobiliteit, maar dat er niet alleen naar méér mobiliteit in kwantitatief opzicht, maar ook naar méér kwaliteit bij mobiliteit moet worden gestreefd.

(8)

Dit doel kan onder andere worden nagestreefd door goedkeuring van een in de vorm van een aanbeveling vervat handvest voor kwaliteit bij mobiliteit, waarin een reeks vrijwillig te hanteren beginselen geformuleerd is.

(9)

In het Europees Handvest voor kwaliteit bij mobiliteit (hierna „het Handvest” genoemd) dient ook rekening te worden gehouden met de specifieke behoeften van personen met een handicap en met benadeelde groepen.

(10)

Het handvest dient bij te dragen tot stimulering van uitwisselingen, het dient de erkenning van periodes van onderwijs en training, titels en kwalificaties te vergemakkelijken en het dient wederzijds vertrouwen te scheppen met het oog op een betere en nauwere samen–werking tussen de autoriteiten, organisaties en alle belanghebbenden die bij mobiliteit betrokken zijn. Voorts dient aandacht te worden besteed aan de kwestie van de meeneembaarheid van leningen, beurzen en sociale uitkeringen.

(11)

Het handvest is bedoeld als aanvulling op en niet als vervanging van de specifieke bepalingen zoals vastgelegd in het Erasmus-studentenhandvest.

(12)

Het handvest dient, in de taal van de ontvangers, ruim beschikbaar te worden gesteld door de overheden voor alle studenten en deelnemers aan opleidingen, organisaties en andere bij mobiliteit betrokken belanghebbenden in landen van herkomst en gastlanden, en dient te worden behandeld als basisreferentiekader.

(13)

Het nut van mobiliteit is sterk afhankelijk van de kwaliteit van de regelingen voor praktische zaken als voorlichting, voorbereiding, ondersteuning en erkenning van de ervaring en de kwalificaties die deelnemers tijdens de onderwijs- en opleidingsperiodes hebben verworven. Door een zorgvuldige planning en passende evaluatie kunnen de betrokken personen en organisaties een aanzienlijke meerwaarde aan mobiliteit in het onderwijs en de beroepsopleiding geven.

(14)

De „Europass” (5) is een buitengewoon nuttig instrument voor het ontwikkelen van transparantie en erkenning om mobiliteit te bevorderen.

(15)

Het is wenselijk dat de beginselen van het Handvest niet alleen van toepassing zijn op het verblijf in het buitenland zelf, maar ook op de tijd daarvoor en daarna.

(16)

Vóór het vertrek naar het buitenland moet een leerplan worden opgesteld. De deelnemers moeten voorts in het algemeen op hun verblijf in het buitenland worden voorbereid, waarbij rekening wordt gehouden met de taalkundige voorbereiding. Hierbij dienen de bevoegde instanties en organisaties steun te verlenen.

(17)

Alle administratieve en financiële vraagstukken, zoals welke financiële steun beschikbaar is, wie de kosten draagt, alsmede de kwestie van verzekeringsdekking in het gastland, moeten vóór het vertrek worden geregeld.

(18)

De kwaliteit van het verblijf in het buitenland kan worden verhoogd door te voorzien in regelingen zoals de benoeming van mentoren voor deelnemers.

(19)

Een gedetailleerd en helder overzicht van alle in het gastland gevolgde studieprogramma's of opleidingen, inclusief studieduur, zal de erkenning daarvan na terugkeer in het land van herkomst vergemakkelijken.

(20)

Met het oog op de transparantie en een goed beheer moet duidelijk worden aangegeven welke belanghebbende partijen verantwoordelijk zijn voor de afzonderlijke fases en maatregelen in het mobiliteitsprogramma.

(21)

Met het oog op de algemene kwaliteit van mobiliteit is het wenselijk het vrije verkeer van werknemers voor alle EU-burgers te waarborgen en de beginselen van het Handvest en de relevante aanbevelingen zoveel mogelijk toe te passen op alle vormen van mobiliteit die op leren of loopbaanontwikkeling gericht zijn. Het kan hierbij gaan om onderwijs oftraining, formeel of niet-formeel leren, met inbegrip van vrijwilligerswerk en -projecten, korte en lange verblijven in het buitenland, leren in het algemeen vormend onderwijs, het hoger onderwijs of de werksituatie, en maatregelen in verband met een leven lang leren.

(22)

Met het oog op de uiteenlopende aard en duur van de mobiliteitsactiviteiten kunnen de lidstaten het handvest toepassen op een wijze die bij de omstandigheden past. Dit betekent dat het handvest kan worden toegesneden op bepaalde situaties en programma's. Lidstaten kunnen bepaalde punten verplicht stellen en andere als facultatief beschouwen.

(23)

Aangezien de doelstellingen van deze aanbeveling niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, en derhalve, wegens de omvang en de gevolgen van deze aanbeveling, beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteits–beginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze aanbeveling niet verder dan wat nodig is om de doelstellingen te verwezenlijken,

BEVELEN AAN DAT DE LIDSTATEN:

1.

het hierbij gevoegde handvest goedkeuren en bevorderen als middel om de persoonlijke en loopbaanontwikkeling van mensen te stimuleren;

2.

met ingang van het tweede jaar na de goedkeuring van deze aanbeveling in hun nationale bijdragen aan het werkprogramma Onderwijs en opleiding 2010 verslag uitbrengen over de uitvoering van deze aanbeveling en alle aanvullende maatregelen die zij ten gunste van mobiliteit, met name in verband met de kwaliteitsaspecten ervan, denken te nemen;

3.

nauw blijven samenwerken en hun optreden coördineren, teneinde de obstakels te verwijderen die de mobiliteit van EU-burgers direct of indirect belemmeren;

4.

zorgen voor passende ondersteuning en een geschikte infrastructuur voor mobiliteit ten behoeve van onderwijs en opleiding, teneinde het onderwijs- en opleidingsniveau van hun burgers te verhogen;

5.

alle noodzakelijke stappen ondernemen om mobiliteit te bevorderen, ervoor zorgen dat alle relevante informatie gemakkelijk te begrijpen en toegankelijk is voor allen, bijvoorbeeld door middel van een inleidende gids voor mobiliteit of een lijst met ondersteunende organisaties, en de voorwaarden voor mobiliteit verbeteren,

VERZOEKEN DE COMMISSIE:

1.

het gebruik van het handvest door de nationale agentschappen en andere organisaties die op het gebied van onderwijs, opleiding en mobiliteit werkzaam zijn, te bevorderen;

2.

om de samenwerking met de lidstaten en de sociale partners voort te zetten, zodat nuttige informatie over en ervaringen met de toepassing van de in deze aanbeveling bepleite maatregelen kan worden uitgewisseld;

3.

in nauwe samenwerking met de betrokken instanties geslachtsspecifieke statistische gegevens over mobiliteit ten behoeve van onderwijs en opleiding te verbeteren of te ontwikkelen;

4.

om deze aanbeveling en Aanbeveling 2001/613/EG als één geheel te beschouwen en de hierover uit te brengen tweejaarlijkse verslagen dan ook op te nemen in de algemene verslaglegging over het werkprogramma Onderwijs en Opleiding 2010.

Gedaan te Brussel, 18 december 2006.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BORRELL FONTELLES

Voor de Raad

De voorzitter

J.-E. ENESTAM


(1)  PB C 88 van 11.4.2006, blz. 20.

(2)  PB C 206 van 29.8.2006, blz. 40.

(3)  Advies van het Europees Parlement van 26 september 2006 (nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt) en besluit van de Raad van 18 december 2006.

(4)  PB L 215 van 9.8.2001, blz. 30.

(5)  Beschikking nr. 2241/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende een enkel communautair kader voor transparantie op het gebied van kwalificaties en competenties (Europass) (PB L 390 van 31.12.2004, blz. 6).


BIJLAGE

EUROPEES HANDVEST VOOR KWALITEIT BIJ MOBILITEIT

INLEIDING

In 2000 is een actieplan voor mobiliteit (1) aangenomen en tevens Aanbeveling 2001/613/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 juli 2001 inzake de mobiliteit binnen de Gemeenschap van studenten, personen in opleiding, vrijwilligers, leerkrachten en opleiders (2). In deze aanbeveling, die een brede strekking had, is aandacht besteed aan een groot aantal belangrijke vraagstukken die met mobiliteit te maken hebben. De aanbeveling was bestemd voor iedereen die er profijt van zou kunnen hebben om een tijdlang in het buitenland te studeren of daar formeel, resp. niet-formeel te leren, zoals studenten, leerkrachten, praktijkopleiders, vrijwilligers en personen die een beroeps–opleiding volgen. Aanbeveling 2006/961/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 over transnationale mobiliteit in het onderwijs en de beroepsopleiding in de Europese Gemeenschap: Europees handvest voor kwaliteit bij mobiliteit (3), waarvan dit handvest een vast onderdeel is, heeft dezelfde strekking als de eerste aanbeveling. Op voorstel van de werkgroep van deskundigen, die in het verlengde van de eerste aanbeveling is opgericht, ligt het zwaartepunt evenwel op de kwaliteitsaspecten van mobiliteit. Doel is dat de aanbeveling ertoe bijdraagt dat de deelnemers zowel in het gastland als na hun terugkeer in eigen land positieve ervaringen opdoen.

Het handvest biedt richtsnoeren die kunnen worden toegepast, indien een jongere of volwassene naar het buitenland gaat om daar in een formele of niet-formele setting te leren, zich persoonlijk te ontwikkelen of aan zijn of haar loopbaanontwikkeling te werken. Gepresenteerd wordt een basistekst, waarin rekening wordt gehouden met nationale situaties en de bevoegdheden van de lidstaten worden geëerbiedigd. De inhoud kan worden aangepast aan de duur van het verblijf in het buitenland, de bijzonderheden van de onderwijs-, opleidings- en jongerenactiviteiten en de vraag van de deelnemers. Deze richtsnoeren zijn primair op mobiliteit voor leerdoeleinden gericht. Dit neemt niet weg dat ze wellicht ook nuttig kunnen zijn voor andere vormen van mobiliteit, zoals arbeidsmobiliteit.

1.   Informatie en begeleiding

Mensen die overwegen mobiel te worden moeten gelijke toegang, op alle niveaus, hebben tot betrouwbare informatiebronnen en begeleiding met betrekking tot mobiliteit en de voorwaarden waaraan moet worden voldaan. Er dient onder andere duidelijke informatie te worden verstrekt over elk van de punten in dit handvest, over de rol en de taken van de uitzendende en de gastorganisaties, en over de diverse onderwijs- en opleidingsstelsels.

2.   Leerplan

Vóór elk studie- of opleidingverblijf in het buitenland moet een leerplan worden uitgewerkt, waarbij rekening wordt gehouden met de taalkundige voorbereiding. Dit leerplan moet door de uitzendende organisaties, gastorganisaties en de deelnemers zelf, worden uitgewerkt en goedgekeurd. Een leerplan is met name belangrijk in het geval van langdurige mobiliteit en kan ook nuttig zijn bij kortdurende mobiliteit. Het plan moet een beschrijving bevatten van de doelstellingen van het verblijf in het buitenland, de verwachte leerresultaten en de manier waarop deze zullen worden bereikt. Belangrijke wijzigingen van het leerplan moeten overeengekomen worden met alle betrokken partijen. Bij de opstelling van het leerplan moet voorts rekening worden gehouden met kwesties in verband met herintegratie in het eigen land en evaluatie.

3.   Individuele aanpak

Studie- of opleidingsverblijven in het buitenland moeten zoveel mogelijk aansluiten op de eigen leertrajecten, vaardigheden en motieven van de deelnemers en deze verder ontwikkelen of aanvullen.

4.   Algemene voorbereiding

Het geven van een goede voorbereiding vóór het vertrek is aan te raden. Die voorbereiding moet toegesneden zijn op de specifieke behoeften van de deelnemers. Waar nodig moet aandacht worden besteed aan talige, onderwijskundige, administratieve, juridische, persoonlijke en culturele aspecten, alsook aan informatie over financiële zaken.

5.   Taalaspecten

Taalvaardigheden zijn van belang om doeltreffend te kunnen leren, intercultureel te kunnen communiceren en de cultuur van het gastland beter te kunnen begrijpen. De deelnemers alsook de uitzendende organisaties en gastorganisaties moeten bijzondere aandacht besteden aan een passende taalkundige voorbereiding. Waar mogelijk moet in de regelingen voor verblijven in het buitenland worden vastgelegd dat:

vóór het vertrek taaltests en cursussen worden aangeboden in de taal van het gastland en/of in de taal waarin het onderwijs wordt gegeven, indien dit een andere is, en

in het gastland steun en advies bij taalproblemen wordt gegeven.

6.   Logistieke hulp

Waar nodig moet aan de deelnemers passende logistieke hulp worden verstrekt. Hieronder valt informatie en assistentie met betrekking tot reizen, verzekeringen, werk- en verblijfsvergunningen, sociale verzekeringen, de meeneembaarheid van overheidsbeurzen en leningen van het land van herkomst naar het gastland, huisvesting en andere praktische zaken, zoals de veiligheidsaspecten van een verblijf in het buitenland.

7.   Begeleiding door een mentor

De gastorganisatie (onderwijsinstelling, jongerenorganisatie, onderneming, enz.) moet voorzien in onder meer regelingen voor mentoren om deelnemers te adviseren en te helpen bij hun integratie in de nieuwe omgeving en als contactpunt te fungeren, indien blijvende ondersteuning nodig is.

8.   Erkenning

Indien een studieperiode of stage in het buitenland deel uitmaakt van een officieel studie- of opleidingsprogramma moet dit in het leerplan worden vermeld. Waar passend moet hulp worden verstrekt om de erkenning of certificering van de studieperiode of stage te vergemakkelijken. In het leerplan moet de uitzendende organisatie zich ertoe verbinden elke succesvolle mobiliteitsfase te erkennen. Voor andere vormen van mobiliteit, en met name voor vormen van mobiliteit die op het leren in een niet-formele setting gericht zijn, moet een passend document worden afgegeven, waardoor de deelnemer zijn of haar actieve deelname en bereikte resultaten op doeltreffende en betrouwbare wijze voor het voetlicht kan brengen. In verband hiermee dient het gebruik van de „Europass” (4) te worden gestimuleerd.

9.   Herintegratie en evaluatie

Bij terugkeer in eigen land, in het bijzonder na langdurig verblijf in het buitenland, moet aan de deelnemers duidelijk worden gemaakt hoe zij gebruik kunnen maken van de competenties en vaardigheden die zij tijdens hun verblijf in het buitenland hebben verworven. Na langdurige verblijven in het buitenland moet waar nodig hulp worden verstrekt bij de terugkeer in de sociale omgeving en de onderwijs- en werksituatie. Om te bezien of de doelstellingen van het leerplan gehaald zijn, moeten de deelnemers samen met de verantwoordelijke organisaties een passende evaluatie van de opgedane ervaringen maken.

10.   Verplichtingen en verantwoordelijkheden

De verantwoordelijkheden in verband met de kwaliteitsrichtsnoeren moeten door de uitzendende organisaties en de gastorganisaties en de deelnemers worden overeengekomen. Ze moeten bij voorkeur in schriftelijke vorm worden vastgelegd, zodat ze voor alle betrokkenen transparant zijn.


(1)  Resolutie van de Raad en van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, van 14 december 2000, houdende een actieplan voor de mobiliteit (PB C 371 van 23.12.2000, blz. 4).

(2)  PB L 215 van 9.8.2001, blz. 30.

(3)  Zie bladzijde 5 van dit Publicatieblad.

(4)  Beschikking nr. 2241/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende een enkel communautair kader voor transparantie op het gebied van kwalificaties en competenties (Europass) (PB L 390 van 31.12.2004, blz. 6).


Top