EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32005R1858

Verordening (EG) nr. 1858/2005 van de Raad van 8 november 2005 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van stalen kabels uit de Volksrepubliek China, India, Zuid-Afrika en Oekraïne naar aanleiding van een herzieningsonderzoek op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 384/96

OJ L 299, 16.11.2005, p. 1–22 (ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV)
OJ L 239M , 10.9.2010, p. 318–339 (MT)
Special edition in Bulgarian: Chapter 11 Volume 043 P. 113 - 134
Special edition in Romanian: Chapter 11 Volume 043 P. 113 - 134
Special edition in Croatian: Chapter 11 Volume 122 P. 135 - 156

No longer in force, Date of end of validity: 17/11/2010: This act has been changed. Current consolidated version: 09/04/2009

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2005/1858/oj

16.11.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 299/1


VERORDENING (EG) Nr. 1858/2005 VAN DE RAAD

van 8 november 2005

tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van stalen kabels uit de Volksrepubliek China, India, Zuid-Afrika en Oekraïne naar aanleiding van een herzieningsonderzoek op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 384/96

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) (hierna de „basisverordening” genoemd), en met name op artikel 11, lid 2,

Gezien het voorstel dat de Commissie na raadpleging van het Raadgevend Comité heeft ingediend,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

1.1.   Thans geldende maatregelen

(1)

In augustus 1999 heeft de Raad bij Verordening (EG) nr. 1796/1999 (2) (de „oorspronkelijke verordening”) een definitief antidumpingrecht ingesteld ten aanzien van stalen kabels uit de Volksrepubliek China, Hongarije, India, Mexico, Polen, Zuid-Afrika en Oekraïne. Het tot die maatregelen leidende onderzoek wordt hierna aangeduid als het „oorspronkelijke onderzoek”.

(2)

De maatregelen ten aanzien van de invoer uit deze landen bestonden uit het instellen van ad-valoremrechten, behalve voor de producten van één Indiase, één Mexicaanse, één Zuid-Afrikaanse en één Oekraïnse producent/exporteur, van wie bij Besluit 1999/572/EG van de Commissie (3) verbintenissen waren aanvaard. Bij Verordening (EG) nr. 1678/2003 werd de aanvaarding van de verbintenis van de Oekraïnse producent/exporteur door de Commissie ingetrokken en bij Verordening (EG) nr. 1674/2003 werd het antidumpingrecht ad valorem voor deze exporteur opnieuw ingesteld.

(3)

Vervolgens bleek na onderzoek overeenkomstig artikel 13 van de basisverordening dat de oorspronkelijke maatregelen ten aanzien van de invoer uit Oekraïne en de Volksrepubliek China werden ontdoken via respectievelijk Moldavië en Marokko. De Raad heeft daarom bij Verordening (EG) nr. 760/2004 (4) het definitieve antidumpingrecht op de invoer uit Oekraïne uitgebreid tot stalen kabels verzonden uit Moldavië. Evenzo werd bij Verordening (EG) nr. 1886/2004 (5) het definitieve antidumpingrecht op de invoer uit de Volksrepubliek China uitgebreid tot stalen kabels verzonden uit Marokko, met uitzondering van de producten van een legitieme Marokkaanse producent.

1.2.   Onderzoek in verband met een ander land

(4)

Op 20 november 2004 opende de Commissie door middel van een bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie  (6) een antidumpingprocedure ten aanzien van de invoer van stalen kabels uit de Republiek Korea, dit naar aanleiding van een klacht van de bedrijfstak van de Gemeenschap waarin bewijsmateriaal werd verstrekt dat de invoer uit Korea met dumping geschiedde en daardoor de bedrijfstak van de Gemeenschap aanmerkelijke schade toebracht. Dit onderzoek werd bij Besluit 2005/739/EG van de Commissie (7) beëindigd zonder maatregelen in te stellen.

1.3.   Verzoek om een herziening

(5)

Na de publicatie van een bericht van het naderende vervallen van de antidumpingmaatregelen ten aanzien van stalen kabels uit de Volksrepubliek China, Hongarije, India, Mexico, Polen, Zuid-Afrika en Oekraïne (8) ontving de Commissie op 17 mei 2004 een verzoek om herziening van deze maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van de basisverordening.

(6)

Het verzoek was ingediend door het Liaison Committee of European Union Wire Rope Industries (EWRIS) (hierna „indiener van het verzoek” genoemd) namens producenten die goed zijn voor een groot deel, in dit geval meer dan 50 %, van de productie van stalen kabels in de Gemeenschap. De reden voor dit verzoek was dat het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk zou leiden tot voortzetting dan wel herhaling van de dumping en schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(7)

Aangezien er geen bewijsmateriaal is ten aanzien van de invoer uit Mexico, verzocht de indiener van het verzoek niet om een herzieningsonderzoek voor stalen kabels uit Mexico. De maatregelen die van toepassing waren op het betrokken product uit Mexico zijn derhalve op 18 augustus 2004 komen te vervallen (9).

(8)

De Commissie heeft in overleg met het Raadgevend Comité vastgesteld dat er voldoende bewijsmateriaal was om een herzieningsprocedure in te leiden op grond van artikel 11, lid 2, van de basisverordening, en heeft daarom een herzieningsonderzoek geopend (10).

1.4.   Onderzoek

(9)

De Commissie heeft de haar bekende producenten/exporteurs, importeurs en gebruikers en hun organisaties, de vertegenwoordigers van de exportlanden en de EG-producenten van de inleiding van de herzieningsprocedure in kennis gesteld. De belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en konden verzoeken te worden gehoord binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn.

(10)

Gezien het grote aantal niet met producenten/exporteurs in de betrokken landen verbonden EG-producenten en importeurs in de Gemeenschap werd overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening besloten te onderzoeken of een steekproef diende te worden toegepast. Daartoe heeft de Commissie de bovengenoemde betrokkenen, overeenkomstig artikel 17, lid 2, van de basisverordening, verzocht binnen twee weken na de inleiding van de procedure contact met haar op te nemen en haar de in het bericht van inleiding gevraagde gegevens te verstrekken.

(11)

Het formulier voor de samenstelling van de steekproef werd binnen de termijn ingevuld teruggezonden door 17 EG-producenten, die formeel toezegden verder aan het onderzoek mee te werken. Dit formulier bevatte onder meer vragen betreffende de ontwikkeling van bepaalde „macro”-schade-indicatoren, namelijk productiecapaciteit, productievolume, voorraden, verkoopvolume en werkgelegenheid.

(12)

Van de genoemde 17 producenten zijn er vijf geselecteerd voor de steekproef, omdat zij wegens de omvang van hun productie en de verkoop van het betrokken product in de Gemeenschap representatief werden geacht voor de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(13)

Slechts één importeur verstrekte de in het bericht van inleiding gevraagde informatie en verklaarde zich bereid de diensten van de Commissie verdere medewerking te verlenen. Gezien deze situatie hebben de diensten van de Commissie besloten geen steekproef samen te stellen van onafhankelijke importeurs, maar de genoemde importeur een vragenlijst te zenden. Deze importeur gaf echter geen antwoord op de vragenlijst. Derhalve worden de niet-verbonden importeurs geacht geen medewerking te hebben verleend. EWRIA, de organisatie die de belangen van de importeurs behartigt, maakte opmerkingen van algemene aard, met name over de definitie van het betrokken product en het soortgelijke product. Deze opmerkingen worden besproken in de overwegingen 19 en 20.

(14)

De vijf in de steekproef opgenomen EG-producenten en alle bekende producenten/exporteurs kregen derhalve een vragenlijst toegezonden. Met de producent in het referentieland Turkije werd contact opgenomen en aan hem werd eveneens een vragenlijst toegezonden.

(15)

Antwoord op de vragenlijst werd ontvangen van de vijf in de steekproef opgenomen EG-producenten, drie producenten/exporteurs in de betrokken landen, twee verbonden importeurs en een producent in het referentieland.

(16)

Bij de volgende bedrijven werd ter plaatse een controle verricht:

 

In de steekproef opgenomen EG-producenten:

BTS Drahtseile GmbH (Duitsland),

Cables y Alambres especiales, SA (Spanje),

CASAR Drahtseilwerk Saar GmbH (Duitsland),

Manuel Rodrigues de Oliveira Sa & Filhos, SA (Portugal),

Trefileurope (Frankrijk).

 

Producent in het land van uitvoer:

Usha Martin Ltd (India).

 

Verbonden importeurs in de Europese Gemeenschap:

Usha Martin UK (Verenigd Koninkrijk),

Usha Martin Scandinavia (Denemarken).

 

Producent in het referentieland:

Çelik Halat (Turkije).

(17)

Het onderzoek naar de voortzetting en/of herhaling van dumping en schade had betrekking op de periode van 1 juli 2003 tot en met 30 juni 2004 (hierna „onderzoektijdvak” genoemd). Het onderzoek naar de ontwikkelingen die relevant zijn voor de beoordeling of het waarschijnlijk is dat de schade zal voortduren of opnieuw zal optreden, had betrekking op de periode van 1 januari 2001 tot het einde van het onderzoektijdvak (hierna „beoordelingsperiode” genoemd).

2.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

2.1.   Betrokken product

(18)

Het betrokken product is hetzelfde als bij het oorspronkelijke onderzoek dat tot de thans geldende maatregelen leidde, namelijk stalen kabels (gesloten kabel daaronder begrepen), met uitzondering van roestvrijstalen kabels, met een grootste dwarsdoorsnede van meer dan 3 mm. Momenteel wordt dit product ingedeeld onder de GN-codes ex 7312 10 82, ex 7312 10 84, ex 7312 10 86, ex 7312 10 88 en ex 7312 10 99.

2.2.   Soortgelijk product

(19)

Dit onderzoek bevestigde het bij het oorspronkelijke onderzoek vastgestelde feit dat het betrokken product en de door de producenten/exporteurs vervaardigde en op de binnenlandse markt verkochte producten, alsmede de producten die de EG-producenten vervaardigen en op de markt van de Gemeenschap verkopen en de producten die de producent in het referentieland vervaardigt en op de binnenlandse markt van het referentieland verkoopt, dezelfde fysische en chemische basiseigenschappen hebben en voor dezelfde doeleinden worden gebruikt.

(20)

EWRIA herhaalde zijn ook in het oorspronkelijke onderzoek geuite bewering dat het betrokken product in aanzienlijke mate verschilt van de producten die in de Gemeenschap worden vervaardigd en verkocht, en dat deze producten daarom niet mogen worden vergeleken. Deze bewering is uitgebreid besproken in de oorspronkelijke verordeningen tot instelling van de voorlopige en de definitieve rechten op de invoer van het betrokken product, en daarbij is gebleken dat de in de Gemeenschap vervaardigde en de ingevoerde stalen kabels soortgelijke producten zijn. EWRIA heeft geen nieuwe elementen naar voren gebracht waaruit zou blijken dat de basis voor de oorspronkelijke bevindingen is gewijzigd, en de conclusies van de oorspronkelijke verordening tot instelling van de definitieve rechten worden derhalve bevestigd.

3.   WAARSCHIJNLIJKHEID VAN VOORTZETTING OF HERHALING VAN DUMPING

(21)

Overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening werd onderzocht of er op dit moment sprake was van dumping en, zo ja, of verlenging van de maatregelen zou leiden tot voortzetting van de dumping.

3.1.   Inleidende opmerkingen

(22)

De totale invoer van stalen kabels uit de Volksrepubliek China, India, Zuid-Afrika en Oekraïne (de „betrokken landen”) bedroeg volgens de gegevens van Eurostat in het onderzoektijdvak 7 784 t, ofwel een aandeel van 4,4 % van de markt van de Gemeenschap.

(23)

Het onderzoektijdvak van het oorspronkelijke onderzoek besloeg 15 maanden (van 1 januari 1997 tot en met 31 maart 1998) en had uitsluitend betrekking op invoer in de Gemeenschap vóór de uitbreiding. De invoercijfers van het oorspronkelijke onderzoektijdvak en die van het huidige onderzoektijdvak zijn daardoor niet rechtstreeks vergelijkbaar. De totale invoer uit de betrokken landen in de EU15 bedroeg in het oorspronkelijke onderzoektijdvak 21 102 t, ofwel een aandeel van 14,3 % van de markt van de Gemeenschap.

(24)

Eén producent/exporteur in India, die goed was voor 75 % van het exportvolume volgens Eurostat, verleende medewerking. De enige bekende producent/exporteur in Zuid-Afrika verstrekte informatie over zijn export naar de Gemeenschap in het onderzoektijdvak; deze producent/exporteur verzorgde 100 % van de uitvoer uit Zuid-Afrika naar de Gemeenschap in dat tijdvak. In de Volksrepubliek China werd door één producent/exporteur medewerking verleend, die goed was voor 75 % van de export van het betrokken product naar de Gemeenschap. Geen van de twee bekende producenten/exporteurs in de Oekraïne was bereid medewerking te verlenen aan het onderzoek.

3.2.   Dumping in het onderzoektijdvak

(25)

Overeenkomstig artikel 11, lid 9, van de basisverordening is de Commissie, wanneer de omstandigheden niet waren gewijzigd, op dezelfde wijze te werk gegaan als bij het oorspronkelijke onderzoek.

3.2.1.   India

(26)

De totale invoer van stalen kabels uit India bedroeg volgens de gegevens van Eurostat in het onderzoektijdvak 3 869 t, ofwel een aandeel van 2,2 % van de markt van de Gemeenschap.

3.2.1.1.   Normale waarde

(27)

Voor de vaststelling van de normale waarde werd voor de medewerkende Indiase producent/exporteur eerst nagegaan of zijn totale binnenlandse verkoop van het soortgelijke product representatief was in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening, dat wil zeggen ten minste 5 % bedroeg van zijn totale uitvoer naar de Gemeenschap. Dit bleek het geval te zijn.

(28)

Na de bekendmaking van de feiten maakte de medewerkende producent/exporteur uit India bezwaar tegen de methode die de Commissie gebruikte. Volgens hem had voor de representativiteitstest gebruik moeten worden gemaakt van het volume van de verkoop van het betrokken product aan de eerste onafhankelijke afnemer in de Gemeenschap, en niet van het volume van de verkoop aan de verbonden importeur in de Gemeenschap. In artikel 2, lid 2, van de basisverordening wordt bepaald dat voor de vaststelling van de representativiteit van de binnenlandse verkoop van het soortgelijke product de op de binnenlandse markt verkochte hoeveelheid moet worden vergeleken met de naar de Gemeenschap verkochte hoeveelheid van het betrokken product, zonder dat echter wordt gespecificeerd of de exportverkoop aan de eerste onafhankelijke afnemer of de exportverkoop aan de verbonden importeur in aanmerking moet worden genomen. De door de Commissie gebruikte methode wordt daarom redelijk en in overeenstemming met de basisverordening geacht. De claim moest derhalve worden afgewezen.

(29)

Vervolgens heeft de Commissie de producttypen geïdentificeerd die de betrokken onderneming op de binnenlandse markt verkocht en die identiek of rechtstreeks vergelijkbaar waren met de typen die naar de Gemeenschap waren uitgevoerd.

(30)

Voor elk type dat door de producent/exporteur op de binnenlandse markt was verkocht en dat rechtstreeks vergelijkbaar was met het naar de Gemeenschap uitgevoerde type stalen kabels, werd nagegaan of de op de binnenlandse markt verkochte hoeveelheid voldoende representatief was in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening. De binnenlandse verkoop van een bepaald type stalen kabels werd voldoende representatief geacht, indien de totale binnenlandse verkoop van dat type in het onderzoektijdvak 5 % of meer bedroeg van de totale verkoop van het vergelijkbare type stalen kabels dat naar de Gemeenschap werd uitgevoerd. Dit was het geval voor 31 % van de naar de Gemeenschap uitgevoerde typen.

(31)

Ook werd onderzocht of de representatieve binnenlandse verkoop van ieder type in het kader van normale handelstransacties had plaatsgevonden; hiertoe werd voor het type in kwestie de omvang van de winstgevende verkoop aan onafhankelijke afnemers vastgesteld. Wanneer 80 % of meer van de totale verkochte hoeveelheid van een producttype verkocht was tegen een nettoprijs die gelijk was aan of hoger dan de berekende productiekosten, en de gewogen gemiddelde prijs van dat producttype gelijk was aan of hoger dan de productiekosten, werd de normale waarde afgeleid van de daadwerkelijke binnenlandse prijs (de gewogen gemiddelde prijs van de totale verkochte hoeveelheid van dat type op de binnenlandse markt in het onderzoektijdvak, ongeacht of de verkoop winstgevend was of niet). Wanneer de met winst verkochte hoeveelheid van een producttype minder dan 80 % bedroeg, of wanneer de gewogen gemiddelde prijs van dat type lager was dan de productiekosten, werd de normale waarde afgeleid van de op de binnenlandse markt werkelijk betaalde prijzen, berekend als het gewogen gemiddelde van de winstgevende verkoop van alleen dat type, mits de winstgevende verkoop ten minste 10 % bedroeg van de totale verkoop van dat type.

(32)

Wanneer de winstgevende verkoop van een producttype op de binnenlandse markt minder bedroeg dan 10 % van de totale verkoop van dat type, werd geoordeeld dat dit type in ontoereikende hoeveelheden was verkocht om een binnenlandse prijs op te leveren die gebruikt kon worden voor de vaststelling van de normale waarde.

(33)

Wanneer geen gebruik kon worden gemaakt van de binnenlandse prijs van een bepaald door een producent/exporteur verkocht producttype om de normale waarde vast te stellen, omdat dit type niet op de binnenlandse markt was verkocht, of niet in het kader van normale handelstransacties, moest een andere methode worden toegepast. Wanneer er geen andere redelijke methode bestond, werd de normale waarde geconstrueerd.

(34)

In alle gevallen waarin de normale waarde werd geconstrueerd, werd overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening aan de fabricagekosten van de uitgevoerde producttypen een redelijk percentage toegevoegd voor verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten (VAA-kosten) alsmede een redelijke winstmarge. In dit geval werd voor de bedragen voor VAA-kosten en winst, overeenkomstig artikel 2, lid 6, van de basisverordening, uitgegaan van de werkelijke gegevens over de productie en de verkoop van het soortgelijke product op de binnenlandse markt, in het kader van normale handelstransacties.

(35)

Na de bekendmaking van de feiten voerde de Indiase producent/exporteur aan dat de Commissie bij de berekening volgens artikel 2, lid 6, van de basisverordening van de binnenlandse winstmarge voor die producent/exporteur ten onrechte de binnenlandse verkoop van producten die niet onder het onderzoek vallen, namelijk gesloten kabels, had meegerekend. Zoals echter is aangegeven in overweging 18 vallen gesloten kabels uitdrukkelijk wel onder de definitie van het betrokken product, niet alleen voor het huidige onderzoek, maar ook in het kader van het oorspronkelijke onderzoek. De claim werd derhalve afgewezen.

(36)

De Indiase producent/exporteur voerde aan dat de normale waarde op basis waarvan zijn dumpingmarge in het onderzoektijdvak was berekend, geen redelijke weergave was van zijn binnenlandse prijzen en kosten, omdat die normale waarde op niet-representatieve basis was vastgesteld, namelijk op basis van vier maanden van het onderzoektijdvak in plaats van twaalf. Opgemerkt moet worden dat in het kader van een herziening bij het vervallen van maatregelen overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening wordt onderzocht of het waarschijnlijk is dat het vervallen van de maatregelen tot een herhaling of voortzetting van dumping en schade zal leiden. Naar aanleiding daarvan worden de definitieve antidumpingrechten bevestigd of ingetrokken, maar de individuele rechten kunnen als zodanig niet worden gewijzigd. Aangezien daarom in het kader van een herzieningsonderzoek bij het vervallen van maatregelen geen exacte dumpingmarges hoeven te worden berekend, wordt het onderzoek naar voortgezette dumping gebaseerd op representatieve gegevens voor het onderzoektijdvak. In het huidige onderzoek werd gevraagd om gegevens over de maanden aan het eind van elk kwartaal en werd de producenten/exporteurs verzocht opmerkingen te maken over de representativiteit ervan. De producent/exporteur maakte zijn bezwaren tegen deze aanpak niet kenbaar binnen de gestelde termijn, maar pas na het controlebezoek ter plaatse, dat wil zeggen op een tijdstip dat controle van een andere gegevensverzameling niet meer mogelijk was. Bovendien bood de producent/exporteur geen verklaring of bewijs waaruit bleek waarom de gekozen perioden in dit geval niet representatief zouden zijn. Dit argument moest dus worden afgewezen.

3.2.1.2.   Exportprijs

(37)

Aangezien de volledige uitvoer van het betrokken product naar de Gemeenschap werd verkocht aan verbonden ondernemingen in de Gemeenschap, werd de uitvoerprijs geconstrueerd, overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening, op basis van de prijs waartegen de ingevoerde producten voor het eerst werden doorverkocht aan een onafhankelijke afnemer. Om een betrouwbare exportprijs te kunnen vaststellen op het niveau grens Gemeenschap, werden correcties toegepast voor alle kosten tussen invoer en wederverkoop en voor winst. De VAA-kosten van de verbonden importeur werden afgetrokken van de wederverkoopprijs in de Gemeenschap. Aangezien niet-verbonden importeurs geen medewerking verleenden, werd, ook omdat er geen andere, betrouwbaarder gegevens voorhanden waren, dezelfde winstmarge gebruikt als bij het oorspronkelijke onderzoek, namelijk 5 %. Er was geen informatie die erop wees dat deze marge niet betrouwbaar zou zijn.

3.2.1.3.   Vergelijking

(38)

Om een billijke vergelijking per producttype in hetzelfde handelsstadium (af fabriek) te kunnen maken, werden correcties toegepast voor verschillen waarvan werd aangetoond dat ze gevolgen hadden voor de vergelijkbaarheid van de prijzen. Deze correcties werden toegepast voor vervoerskosten, verzekeringskosten, bankkosten en kredietkosten, overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening.

3.2.1.4.   Dumpingmarge

(39)

Om de dumpingmarge te berekenen, werd per producttype de gewogen gemiddelde normale waarde vergeleken met de gewogen gemiddelde prijs bij uitvoer naar de Gemeenschap. Hierbij bleek dat het betrokken product van de betrokken producent/exporteur met aanzienlijke dumping, namelijk meer dan 10 %, in de Gemeenschap was ingevoerd. Bij het oorspronkelijke onderzoek was een dumpingmarge van 39,8 % vastgesteld. Voor niet-medewerkende producenten/exporteurs werd een schatting van de hoogte van de dumping gemaakt, gebaseerd op gegevens inzake de normale waarde en de exportprijzen, zoals die door de indiener van het verzoek om een herziening waren verstrekt. Ook hieruit bleek een dumpingmarge van meer dan 20 %.

3.2.2.   Volksrepubliek China

(40)

De totale invoer van stalen kabels uit de Volksrepubliek China bedroeg volgens de gegevens van Eurostat in het onderzoektijdvak 1 942 ton, ofwel een aandeel van 1,1 % van de markt van de Gemeenschap. Zoals gezegd in overweging 24 was de enige producent/exporteur die medewerking verleende goed voor 75 % van de invoer uit China.

(41)

Aan het oorspronkelijke onderzoek werd door vier producenten/exporteurs uit China meegewerkt, maar geen daarvan kreeg de status van marktgericht bedrijf of een individuele behandeling.

3.2.2.1.   Referentieland

(42)

Aangezien de Volksrepubliek China een economie in een overgangsfase is, moest de normale waarde, overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening, gebaseerd worden op informatie verkregen in een geschikt derde land met een markteconomie.

(43)

Bij het oorspronkelijke onderzoek was Polen gekozen als referentieland voor het vaststellen van de normale waarde. Aangezien Polen sinds 1 mei 2004 een lidstaat van de Europese Unie is, kan het niet langer als referentieland dienen in het kader van antidumpingonderzoeken. Voor het huidige onderzoek stelde de indiener van het verzoek de Verenigde Staten van Amerika (hierna „Verenigde Staten”) als referentieland voor.

(44)

Een organisatie van importeurs maakte bezwaar tegen de keuze van de Verenigde Staten en stelde Zuid-Korea voor als geschikt referentieland. Geen enkele producent in de Verenigde Staten en Zuid-Korea bleek echter bereid aan dit herzieningsonderzoek medewerking te verlenen.

(45)

De diensten van de Commissie hebben daarom andere mogelijke referentielanden onderzocht, zoals Noorwegen, Thailand, India en Turkije. Ook in Noorwegen en Thailand bleken geen producenten bereid te zijn tot medewerking.

(46)

Slechts één producent van stalen kabels in Turkije verleende medewerking aan het onderzoek: hij vulde een vragenlijst in en verklaarde akkoord te gaan met verificatie ter plaatse. Uit het onderzoek bleek dat Turkije een concurrerende markt voor stalen kabels heeft, met twee binnenlandse producenten die circa 83 % van de markt bedienen en met concurrentie van uit andere derde landen ingevoerde producten. De invoerrechten in Turkije zijn laag en er zijn geen andere beperkingen op de invoer van stalen kabels in Turkije. De omvang van de Turkse productie bedroeg meer dan vijfmaal de omvang van de export van het betrokken product uit China naar de Gemeenschap. De Turkse markt werd derhalve geacht in voldoende mate representatief te zijn voor de vaststelling van de normale waarde voor de Volksrepubliek China. Tot slot was, zoals aangegeven in overweging 19, het in Turkije geproduceerde en op de binnenlandse markt verkochte product soortgelijk aan het product dat de Chinese producent/exporteur naar de Gemeenschap uitvoerde.

(47)

Na de bekendmaking van de feiten maakte een organisatie van importeurs bezwaar tegen de keuze van Turkije als referentieland. Dat bezwaar bleek echter ongegrond en moest daarom worden afgewezen.

(48)

De conclusie luidt derhalve dat Turkije een geschikt referentieland is voor het vaststellen van de normale waarde in de zin van artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening.

3.2.2.2.   Normale waarde

(49)

Overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening werd de normale waarde vastgesteld aan de hand van de gecontroleerde gegevens die de medewerkende producent in het referentieland had verstrekt, dat wil zeggen aan de hand van de op de binnenlandse markt van Turkije door niet-verbonden afnemers betaalde of te betalen prijzen in het kader van normale handelstransacties.

(50)

De normale waarde was dus de gewogen gemiddelde prijs van de medewerkende producent in Turkije bij verkoop op de binnenlandse markt aan onafhankelijke afnemers.

3.2.2.3.   Exportprijs

(51)

Aangezien de uitvoer van de medewerkende exporteur 75 % van de invoer in de Europese Gemeenschap van het betrokken product uit de Volksrepubliek China in het onderzoektijdvak vertegenwoordigde, werd de exportprijs vastgesteld op basis van de informatie die door de producent/exporteur in de Volksrepubliek China was verstrekt. Omdat het betrokken product bij uitvoer rechtstreeks aan onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap was verkocht, werd de exportprijs, overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening, vastgesteld aan de hand van de werkelijk betaalde of te betalen prijzen.

3.2.2.4.   Vergelijking

(52)

Om een billijke vergelijking per producttype in hetzelfde handelsstadium (af fabriek) te kunnen maken, werden correcties toegepast voor verschillen waarvan werd aangetoond dat ze gevolgen hadden voor de vergelijkbaarheid van de prijzen. Deze correcties werden toegepast voor vervoerskosten, verzekeringskosten, bankkosten en kredietkosten, overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening.

(53)

Voor bepaalde op de binnenlandse markt van Turkije verkochte producttypen dienen correcties te worden toegepast om ze vergelijkbaar te maken met de uit China uitgevoerde typen. Overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder b), van de basisverordening werden correcties toegepast voor fysieke verschillen, zoals diameter, treksterkte en kern van de kabel. De correcties werden gebaseerd op de prijsverschillen tussen de betrokken typen op de Turkse markt.

3.2.2.5.   Dumpingmarge

(54)

Om de dumpingmarge te berekenen, werd per producttype de gewogen gemiddelde normale waarde vergeleken met de gewogen gemiddelde prijs bij uitvoer naar de Gemeenschap. Hierbij bleek dat het betrokken product van de medewerkende producent/exporteur met aanzienlijke dumping, namelijk meer dan 65 %, in de Gemeenschap was ingevoerd. Bij het oorspronkelijke onderzoek was een dumpingmarge van 60,4 % vastgesteld.

3.2.3.   Zuid-Afrika

(55)

De totale invoer van stalen kabels uit Zuid-Afrika bedroeg volgens de gegevens van Eurostat in het onderzoektijdvak 278 ton, ofwel een aandeel van 0,1 % van de markt van de Gemeenschap, derhalve een slechts minimaal aandeel. Deze hoeveelheid was voor 100 % afkomstig van de enige bekende producent/exporteur.

(56)

Omdat de Zuid-Afrikaanse producent/exporteur geen volledige medewerking verleende (zie overweging 57), moest gebruik worden gemaakt van de beschikbare gegevens, overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening.

(57)

De enige bekende producent/exporteur in Zuid-Afrika verstrekte slechts informatie over zijn export naar de Gemeenschap, maar gaf geen informatie over kosten en prijzen van het soortgelijke product op de binnenlandse markt. Er kon derhalve voor het onderzoektijdvak geen normale waarde worden vastgesteld. De producent/exporteur gaf echter toe dat in het onderzoektijdvak nog steeds dumping plaatsvond. Daarom, en omdat geen andere, betrouwbaarder informatie beschikbaar was, werd geconcludeerd dat tijdens het onderzoektijdvak nog steeds aanzienlijke dumping plaatsvond.

3.2.4.   Oekraïne

(58)

De totale invoer van stalen kabels uit Oekraïne bedroeg volgens de gegevens van Eurostat in het onderzoektijdvak 1 695 ton, ofwel een aandeel van 1 % van de markt van de Gemeenschap, wat als een minimaal aandeel wordt beschouwd.

(59)

Omdat de Oekraïnse producent/exporteur geen medewerking verleende, moest gebruik worden gemaakt van de beschikbare gegevens, overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening. De voor het referentieland vastgestelde normale waarde werd op deze basis vergeleken met de exportprijs die de indiener van het verzoek om herziening in zijn verzoek noemde. Op deze wijze werd voor het onderzoektijdvak een dumpingmarge van meer dan 65 % vastgesteld.

3.3.   Ontwikkeling van de invoer indien de maatregelen zouden worden ingetrokken

3.3.1.   Inleidende opmerkingen

(60)

Van de acht in de klacht genoemde Indiase producenten/exporteurs verleende slechts één medewerking aan het onderzoek. Van de twee in de klacht genoemde Zuid-Afrikaanse producenten/exporteurs verleende slechts één gedeeltelijk medewerking. Er zijn geen andere producenten in Zuid-Afrika bekend. Geen van de twee bekende producenten/exporteurs in de Oekraïne was bereid medewerking te verlenen, en er zijn geen andere producenten bekend in Oekraïne. Van de negen bekende Chinese producenten/exporteurs verleende slechts één medewerking aan het onderzoek.

3.3.2.   India

3.3.2.1.   Inleidende opmerkingen

(61)

Zeven van de acht bekende producenten in India verleenden geen medewerking aan dit onderzoek bij het vervallen van de maatregelen. Bij het oorspronkelijke onderzoek bleek dat zes van deze producenten stalen kabels uitsluitend op hun binnenlandse markt verkochten, of op de markt van andere derde landen, waardoor dat oorspronkelijke onderzoek geen betrekking op hen had. Doordat zij aan het huidige onderzoek geen medewerking verleenden, waren er bovendien geen gegevens voorhanden over hun productiecapaciteit en productieomvang, hun voorraden en hun verkopen op andere markten dan die van de Gemeenschap. Of het waarschijnlijk is dat de dumping zou voortduren indien de maatregelen zouden worden ingetrokken, werd derhalve onderzocht op basis van de beschikbare informatie, dat wil zeggen de informatie die door de medewerkende producent/exporteur werd verstrekt. Ook werden gegevens over invoerprijzen onderzocht die voor andere exporteurs dan de medewerkende exporteur konden worden vastgesteld aan de hand van Eurostat-gegevens. Om vast te stellen of het waarschijnlijk is dat de dumping zou voortduren indien de maatregelen zouden worden ingetrokken, werd gekeken naar het prijsbeleid van de medewerkende producent/exporteur ten aanzien van andere exportmarkten, zijn voor de Gemeenschap geldende exportprijzen, zijn productiecapaciteit en zijn voorraden. Ook werd beoordeeld welk effect intrekking van de maatregelen zou hebben op de prijzen van andere ingevoerde goederen.

3.3.2.2.   Verhouding tussen de prijzen bij uitvoer naar derde landen en de prijzen bij uitvoer naar de Gemeenschap

(62)

Gebleken is dat de gemiddelde prijs bij uitvoer naar niet-lidstaten van de Europese Unie aanzienlijk lager was dan de gemiddelde prijs bij uitvoer naar de Gemeenschap, en ook lager dan de prijzen op de binnenlandse markt; dit wijst erop dat bij de uitvoer naar niet-lidstaten van de Europese Unie nog ernstiger dumping plaatsvond dan bij de uitvoer naar de Gemeenschap. Tijdens het onderzoektijdvak was echter een minimumprijsverbintenis van kracht, op grond waarvan de betrokken producent/exporteur zich voor zijn uitvoer naar de Gemeenschap aan een bepaald prijsniveau moest houden. Enkele prijzen bleken iets hoger te zijn dan het niveau van de verbintenis, maar bij de meerderheid van de verkopen bleek het prijspeil van de verbintenis in acht te zijn genomen. De verkoop van de exporteur naar derde landen betrof aanzienlijke hoeveelheden, namelijk 86 % van zijn totale uitvoer. De prijs bij uitvoer naar andere derde landen kan daarom worden beschouwd als indicator voor de prijs die waarschijnlijk zou worden gehanteerd voor de uitvoer naar de Gemeenschap, indien de maatregelen zouden worden ingetrokken. Op basis hiervan werd, mede gezien de lage prijzen bij de uitvoer naar de markt van derde landen, geconcludeerd dat het waarschijnlijk is dat de medewerkende exporteur zijn prijzen bij uitvoer naar de Gemeenschap zou verlagen, waardoor de mate van dumping hoger zou worden.

(63)

De dumpingmarge die voor het onderzoektijdvak werd vastgesteld, was aanzienlijk. Daarom moet worden verondersteld dat het, zelfs bij gelijkblijvende of verhoogde prijzen bij uitvoer naar de Gemeenschap, zeer waarschijnlijk is dat de dumping zou voortduren, indien de maatregelen zouden worden ingetrokken. Gezien het eerdere gedrag van de onderneming bij uitvoer naar de Gemeenschap (bij het oorspronkelijke onderzoek werd vastgesteld dat de onderneming grote hoeveelheden met dumping naar de Europese Unie uitvoerde), alsmede haar prijsstrategie ten aanzien van de uitvoer naar andere derde landen, is het waarschijnlijker dat zij bij verdere uitvoer naar de Gemeenschap lagere prijzen zou hanteren, en dus dumping zou bedrijven.

3.3.2.3.   Verhouding tussen de prijzen bij uitvoer naar derde landen en het prijsniveau in de Gemeenschap

(64)

De prijzen bij uitvoer naar derde landen bleken gemiddeld lager te zijn dan de verkoopprijzen die de bedrijfstak van de Gemeenschap in de Gemeenschap berekent, wat betekent dat het gangbare prijspeil voor het betrokken product op de markt van de Gemeenschap deze markt voor Indiase exporteurs zeer aantrekkelijk maakt. De conclusie luidt derhalve dat er inderdaad een economische drijfveer is voor een verschuiving van de export van niet-lidstaten van de Europese Unie naar de winstgevender markt van de Gemeenschap, indien de geldende maatregelen zouden worden ingetrokken.

3.3.2.4.   Prijzen van de niet-medewerkende exporteurs

(65)

De prijzen, volgens de gegevens van Eurostat, van het door anderen dan de medewerkende exporteur naar de Gemeenschap uitgevoerde betrokken product zijn aanzienlijk lager dan de prijzen die de medewerkende exporteur hanteert. Aangezien er geen andere gegevens voorhanden zijn, betekent dit, op basis van de normale waarde die voor de medewerkende exporteur is vastgesteld, dat de invoer die afkomstig is van andere exporteurs met aanzienlijke dumping zou plaatsvinden. Zouden er geen maatregelen gelden, dan is er geen reden om te veronderstellen dat deze invoer niet tegen vergelijkbare dumpingprijzen zou plaatsvinden, maar dan in grotere hoeveelheden.

3.3.2.5.   Niet-benutte capaciteit en voorraden

(66)

De medewerkende producent in India heeft, ondanks dat de benutting van de capaciteit de afgelopen jaren is toegenomen, nog steeds een aanzienlijke overcapaciteit, die ongeveer vijfmaal zo groot is als de hoeveelheid die gedurende het onderzoektijdvak naar de Gemeenschap is uitgevoerd. Zijn voorraden nemen weliswaar af, maar zijn nog steeds aanzienlijk; aan het einde van het onderzoektijdvak bedroeg de omvang ervan een groot deel van de omvang van zijn uitvoer naar de Gemeenschap. Hij heeft derhalve de capaciteit om de naar de Gemeenschap uitgevoerde hoeveelheid aanzienlijk te vergroten, met name omdat er geen aanwijzingen zijn dat de markten van derde landen of de binnenlandse markt deze extra productie zouden kunnen absorberen. Gezien het feit dat er in India acht concurrerende producenten zijn, is het zeer onwaarschijnlijk dat de binnenlandse markt de gehele overcapaciteit van deze producent/exporteur zou kunnen absorberen. Volgens het verzoek om een herziening wordt de gezamenlijke overcapaciteit van alle Indiase producenten geschat op 35 000 ton, ofwel bijna 20 % van het verbruik in de Gemeenschap.

3.3.3.   Volksrepubliek China

3.3.3.1.   Inleidende opmerkingen

(67)

Zoals in overweging 41 aangegeven, kreeg bij het oorspronkelijke onderzoek geen van de Chinese ondernemingen de status van marktgericht bedrijf of individuele behandeling, dat wil zeggen dat voor alle ondernemingen het antidumpingrecht voor het gehele land gold, namelijk 60,4 %. De omvang van de invoer uit de Volksrepubliek China is aanzienlijk afgenomen, namelijk van 11 484 ton in het onderzoektijdvak van het oorspronkelijke onderzoek (EU15) tot 1 942 ton in het onderzoektijdvak van het huidige onderzoek (EU25). Het huidige marktaandeel van de Volksrepubliek China is iets meer dan minimaal, namelijk 1,1 %. De invoer uit China is echter sinds 2001 aan het toenemen. De uitvoer naar de Europese Gemeenschap van de enige medewerkende producent/exporteur in China vertegenwoordigde 75 % van de totale uitvoer van China, die in het onderzoektijdvak 1 456 ton bedroeg. Er zijn nog zeven andere producenten/exporteurs, die echter in het onderzoektijdvak slechts kleine hoeveelheden naar de Gemeenschap exporteerden.

(68)

Om vast te stellen of het waarschijnlijk is dat de dumping zou voortduren indien de maatregelen zouden worden ingetrokken, werd gekeken naar het prijsbeleid van de medewerkende producent/exporteur ten aanzien van andere exportmarkten, zijn voor de Gemeenschap geldende exportprijzen, het waarschijnlijke effect op de prijzen van de invoer van producten van andere producenten, zijn productiecapaciteit en zijn voorraden. De gegevens over invoerprijzen van andere exporteurs dan de medewerkende exporteur werden vastgesteld aan de hand van Eurostat-gegevens.

3.3.3.2.   Verhouding tussen de prijzen bij uitvoer naar derde landen en de prijzen bij uitvoer naar de Gemeenschap

(69)

De prijzen bij uitvoer uit de Volksrepubliek China naar de Verenigde Staten, een van de belangrijkste exportmarkten voor de Chinese producenten/exporteurs, waar momenteel geen maatregelen van kracht zijn, waren gemiddeld aanzienlijk lager dan de prijzen bij uitvoer naar de Gemeenschap. Aangezien, zoals aangegeven in overweging 54, de uitvoer uit de Volksrepubliek China naar de Gemeenschap met dumping plaatsvond, betekent dit dat bij de uitvoer naar de Verenigde Staten en andere derde landen naar alle waarschijnlijkheid nog ernstiger dumping plaatsvond. De prijs bij uitvoer naar de Verenigde Staten en andere derde landen kan daarom eveneens worden beschouwd als indicator voor de prijs die waarschijnlijk zou worden gehanteerd voor de uitvoer naar de Gemeenschap, indien de maatregelen zouden worden ingetrokken. Op basis hiervan werd, mede gezien de lage prijzen bij de uitvoer naar de markt van derde landen, geconcludeerd dat er een aanzienlijke marge is voor het verlagen van de prijzen bij uitvoer naar de Gemeenschap, waardoor de mate van dumping hoger zou worden.

3.3.3.3.   Verhouding tussen de prijzen bij uitvoer naar derde landen en het prijsniveau in de Gemeenschap

(70)

Ook bleek dat het prijsniveau van de verkopen van de bedrijfstak van de Gemeenschap in de Gemeenschap gemiddeld aanzienlijk hoger was dan de prijzen van de medewerkende Chinese producent/exporteur bij uitvoer naar andere derde landen. Zoals in overweging 64 voor India reeds is aangegeven, is de omstandigheid dat het gangbare prijspeil voor het betrokken product op de markt van de Gemeenschap deze markt zeer aantrekkelijk maakt, ook van toepassing op de Volksrepubliek China. Het hogere prijspeil op de markt van de Gemeenschap is een stimulans voor het verhogen van de uitvoer naar de Gemeenschap.

3.3.3.4.   Prijzen van de niet-medewerkende exporteurs

(71)

De prijzen, volgens de gegevens van Eurostat, van het door anderen dan de medewerkende exporteur naar de Gemeenschap uitgevoerde betrokken product zijn lager dan de prijzen die de medewerkende exporteur hanteert. Op basis van de normale waarde die voor het referentieland is vastgesteld, betekent dit dat de invoer die afkomstig is van andere exporteurs met aanzienlijke dumping zou plaatsvinden. Zouden er geen maatregelen gelden, dan is er geen reden om te veronderstellen dat deze invoer niet tegen vergelijkbare dumpingprijzen zou plaatsvinden, maar dan in grotere hoeveelheden.

3.3.3.5.   Niet-benutte capaciteit en voorraden

(72)

De medewerkende producent in de Volksrepubliek China heeft, ondanks dat de benutting van de capaciteit de afgelopen jaren licht is toegenomen, nog steeds een aanzienlijke overcapaciteit, die ongeveer viermaal zo groot is als de hoeveelheid die gedurende het onderzoektijdvak naar de Gemeenschap is uitgevoerd. Volgens het verzoek om een herziening wordt de gezamenlijke overcapaciteit van alle producenten/exporteurs in de Volksrepubliek China geschat op 270 000 ton. Hij heeft derhalve de capaciteit om de naar de Europese Gemeenschap uitgevoerde hoeveelheid te vergroten, met name omdat er geen aanwijzingen zijn dat de markten van derde landen of de binnenlandse markt deze extra productie zouden kunnen absorberen. Gezien het feit dat er in de Volksrepubliek China een aanzienlijk aantal concurrerende producenten is, is het zeer onwaarschijnlijk dat de binnenlandse markt alle overcapaciteit zou kunnen absorberen.

3.3.3.6.   Ontduiking

(73)

De geldende maatregelen ten aanzien van de invoer van het betrokken product uit de Volksrepubliek China bleken te worden ontdoken door middel van overlading via Marokko. Dit wijst erop dat de verkopers van stalen kabels uit de Volksrepubliek China duidelijk belangstelling hebben voor de markt van de Gemeenschap en dat zij niet in staat zijn zonder dumping op die markt te concurreren. Dit werd gezien als een extra aanwijzing dat door het intrekken van de maatregelen de omvang van de invoer uit de Volksrepubliek China waarschijnlijk zou toenemen en deze producten op de markt van de Gemeenschap tegen dumpingprijzen zouden worden verkocht.

3.3.4.   Zuid-Afrika

3.3.4.1.   Inleidende opmerkingen

(74)

Er is in Zuid-Afrika slechts één bekende producent, die aan het onderzoek gedeeltelijk medewerking verleende.

(75)

De invoer uit Zuid-Afrika is na de instelling van de definitieve maatregelen aanzienlijk afgenomen. Het marktaandeel van de invoer uit Zuid-Afrika was in het onderzoektijdvak minder dan de drempelwaarde waarbij die als minimaal wordt beschouwd (1 %). De totale invoer vanuit Zuid-Afrika in het onderzoektijdvak bedroeg 278 ton, waarvan een groot deel naar een douane-entrepot in Rotterdam werd verscheept en uiteindelijk wederuitgevoerd, zonder in de Europese Unie in het vrije verkeer te worden gebracht. Slechts een kleine hoeveelheid van het betrokken product werd in de Europese Unie in het vrije verkeer gebracht.

(76)

Zoals aangegeven in de overwegingen 57 en 60 werd gebruikgemaakt van de beschikbare feiten, met name wat betreft de situatie van de binnenlandse markt in Zuid-Afrika. Omdat over de Zuid-Afrikaanse industrie weinig bekend is, zijn de hiernavolgende conclusies gebaseerd op de gegevens in het verzoek om een herziening en op de openbare statistieken voor de buitenlandse handel.

(77)

Om vast te stellen of er opnieuw dumping zou optreden indien de maatregelen zouden worden ingetrokken, werd gekeken naar de door de medewerkende producent/exporteur verstrekte informatie over de prijzen bij uitvoer naar de Gemeenschap en naar derde landen, de niet-benutte capaciteit en de voorraden.

3.3.4.2.   Verhouding tussen de prijzen bij uitvoer naar derde landen en de prijzen in het land van uitvoer

(78)

Zoals in overweging 76 uiteengezet, is over de binnenlandse prijzen geen informatie verstrekt. Daarom zijn de in het herzieningsverzoek opgenomen gegevens over de binnenlandse prijzen gebruikt. Voor de prijzen in andere exportmarkten dan de Gemeenschap zijn vijf belangrijke exportbestemmingen onderzocht. In alle gevallen lagen de prijzen bij uitvoer naar derde landen beneden de binnenlandse prijzen. Aannemende dat deze exportprijzen het minimum zullen zijn dat de exporteur zal accepteren wanneer hij op de markt van de Gemeenschap terugkeert, is het duidelijk dat die uitvoer waarschijnlijk nog steeds tegen dumpingprijzen zal plaatsvinden.

3.3.4.3.   Verhouding tussen de prijzen bij uitvoer naar derde landen en de prijzen bij uitvoer naar de Gemeenschap

(79)

Uit analyse van de gemiddelde verkoopprijzen bij uitvoer naar de vijf belangrijkste exportmarkten (buiten de Gemeenschap) bleek dat deze verkopen werden verricht tegen prijzen die beduidend lager waren dan de prijzen bij uitvoer naar de Gemeenschap. Zoals in het geval van India is dit ten minste voor een deel te wijten aan het feit dat tijdens het onderzoektijdvak een minimumprijsverbintenis van kracht was, op grond waarvan de betrokken producent/exporteur zich voor zijn uitvoer naar de Gemeenschap aan een bepaald prijsniveau moest houden. Alle prijzen bleken iets hoger te zijn dan het niveau van de verbintenis.

(80)

De prijs bij uitvoer naar deze vijf markten buiten de Gemeenschap kan daarom worden beschouwd als indicator voor de prijs die waarschijnlijk zou worden gehanteerd voor de uitvoer naar de Gemeenschap, indien de maatregelen zouden worden ingetrokken. Op basis hiervan werd geconcludeerd dat er voor de enige Zuid-Afrikaanse exporteur een aanzienlijke marge is voor het verlagen van de prijzen bij uitvoer naar de Gemeenschap, waardoor de mate van dumping hoger zou worden.

3.3.4.4.   Verhouding tussen de prijzen bij uitvoer naar derde landen en het prijsniveau in de Gemeenschap

(81)

De prijzen op de markt van de Gemeenschap bleken bovendien gemiddeld aanzienlijk hoger te zijn dan de prijzen bij uitvoer naar de vijf belangrijkste exportlanden buiten de Gemeenschap. Zoals reeds aangegeven in overweging 64 voor India en overweging 70 voor de Volksrepubliek China maakt dit de markt van de Gemeenschap voor de toekomst zeer aantrekkelijk indien de maatregelen zouden worden ingetrokken. In dit verband werd het hogere prijspeil op de markt van de Gemeenschap een stimulans geacht voor het verhogen van de uitvoer naar de markt van de Gemeenschap.

3.3.4.5.   Niet-benutte capaciteit en voorraden

(82)

Sinds de instelling van de definitieve rechten heeft de gedeeltelijk medewerkende producent/exporteur aanzienlijke voorraden opgebouwd, alsmede een aanzienlijke overcapaciteit van meer dan 40 % van de geïnstalleerde capaciteit. Volgens het verzoek werd de overcapaciteit geschat op 23 000 tot 25 000 ton. Hij heeft derhalve de capaciteit om de naar de Gemeenschap uitgevoerde hoeveelheid te vergroten, met name omdat er geen aanwijzingen zijn dat de markten van derde landen of de binnenlandse markt deze extra productie zouden kunnen absorberen.

3.3.5.   Oekraïne

3.3.5.1.   Inleidende opmerkingen

(83)

Omdat de twee bekende Oekraïnse producenten/exporteurs geen medewerking verleenden, werden de bevindingen gebaseerd op de beschikbare gegevens, overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening. Omdat over de Oekraïnse industrie weinig bekend is, zijn de hiernavolgende conclusies gebaseerd op de gegevens in het verzoek om een herziening en op de openbare handelsstatistieken. Er zijn in de Oekraïne geen andere bekende producenten en de volgende overwegingen inzake met name de productiecapaciteit hebben derhalve betrekking op de twee bekende producenten/exporteurs.

(84)

Om vast te stellen of het waarschijnlijk is dat er opnieuw dumping zou optreden indien de maatregelen zouden worden ingetrokken, werd gekeken naar de prijzen bij uitvoer naar derde landen, de niet-benutte capaciteit en de voorraden.

3.3.5.2.   Verhouding tussen de prijzen bij uitvoer naar derde landen en de prijzen bij uitvoer naar de Gemeenschap

(85)

Aangezien er geen andere betrouwbaarder informatie beschikbaar is, zijn de gegevens in het verzoek over de uitvoer naar Rusland en de Verenigde Staten (die gebaseerd zijn op openbare statistieken) in aanmerking genomen. Uit onderzoek van die cijfers bleek dat de gemiddelde prijzen bij uitvoer naar deze landen beduidend onder de gemiddelde prijzen bij uitvoer naar de Gemeenschap lagen. Zoals reeds eerder aangegeven voor India, de Volksrepubliek China en Zuid-Afrika werden de prijzen bij uitvoer naar andere derde landen beschouwd als indicator voor de prijs die waarschijnlijk zou worden gehanteerd voor de uitvoer naar de Gemeenschap, indien de maatregelen zouden worden ingetrokken. Op basis hiervan werd geconcludeerd dat er een aanzienlijke marge is voor het verlagen van de prijzen bij uitvoer naar de Gemeenschap, waarbij naar alle waarschijnlijkheid dumping zou plaatsvinden.

3.3.5.3.   Niet-benutte capaciteit

(86)

Volgens het bewijsmateriaal dat in het verzoek is opgenomen, bedraagt de geschatte productiecapaciteit in Oekraïne 100 000 ton, waarvan slechts 50 % voor daadwerkelijke productie wordt benut. Een overcapaciteit van 50 000 ton is de hoogste overcapaciteit die in alle betrokken landen is aangetroffen en bedraagt meer dan een derde van het verbruik in de Gemeenschap. De capaciteit om de naar de Gemeenschap uitgevoerde hoeveelheid te vergroten is in het geval van Oekraïne derhalve van alle betrokken landen het meest acute gevaar, met name omdat er geen aanwijzingen zijn dat de markten van derde landen of de binnenlandse markt deze extra productie zouden kunnen absorberen.

3.3.5.4.   Schending van een verbintenis en ontduiking van de maatregelen

(87)

In 1999 aanvaardde de Commissie in het kader van het oorspronkelijke onderzoek een verbintenis die door een van de Oekraïnse exporteurs was aangeboden. Later is de Commissie gebleken dat deze verbintenis in twee opzichten was geschonden. Ten eerste heeft de betrokken Oekraïnse exporteur misleidende oorsprongsverklaringen verstrekt en ten tweede heeft hij verbintenisfacturen afgegeven voor producttypen die niet onder de verbintenis vielen, waardoor hij ten onrechte kon profiteren van de vrijstelling van antidumpingrechten. De Commissie heeft daarom bij Verordening (EG) nr. 1678/2003 haar aanvaarding van de verbintenis ingetrokken.

(88)

Na de instelling van de huidige maatregelen ten aanzien van de invoer van stalen kabels uit Oekraïne is bovendien gebleken dat de maatregelen werden ontdoken door middel van invoer van stalen kabels uit Moldavië. Zoals in overweging 3 aangegeven zijn de huidige maatregelen daarom uitgebreid tot de invoer van stalen kabels verzonden uit Moldavië.

(89)

Hoewel schending van een verbintenis en ontduiking van de maatregelen in het verleden niet per se de veronderstelling rechtvaardigen dat deze praktijken ook in de toekomst zullen plaatsvinden, werden deze praktijken in dit geval beschouwd als extra indicaties voor de belangstelling van de exporteurs voor de markt van de Gemeenschap en hun onvermogen te concurreren op die markt tegen prijzen waarbij geen dumping plaatsvindt.

3.4.   Conclusie

(90)

In al deze gevallen werd vastgesteld dat er sprake bleef van aanzienlijke dumping, al was de omvang van de invoer uit Zuid-Afrika en Oekraïne minimaal.

(91)

Om de vraag te kunnen beantwoorden of voortzetting of herhaling van de invoer met dumping waarschijnlijk is bij intrekking van de maatregelen, is een analyse verricht van de overcapaciteit, onbenutte voorraden, prijzen en exportstrategieën op de verschillende markten. Daaruit is naar voren gekomen dat er in alle exportlanden sprake was van aanzienlijke overcapaciteit en grote voorraden. Verder is daarbij gebleken dat de prijzen bij uitvoer naar andere derde landen over het algemeen aanzienlijk lager waren dan die naar de Gemeenschap en dat de Gemeenschap derhalve een aantrekkelijke markt was gebleven voor de producenten/exporteurs van alle betrokken landen. Derhalve werd geconcludeerd dat de export van de betrokken landen naar derde landen zich waarschijnlijk zou verplaatsen naar de Gemeenschap indien er geen antidumpingmaatregelen zouden zijn. De beschikbare extra productiecapaciteit zou eveneens naar alle waarschijnlijkheid leiden tot meer invoer uit alle betrokken landen.

(92)

Bij analyse van de prijzen van alle betrokken landen bleek verder dat deze export naar alle waarschijnlijkheid met dumping zou plaatsvinden. In het geval van de Volksrepubliek China en Oekraïne werden deze conclusies versterkt door het feit dat de bestaande maatregelen werden ontdoken door invoer via andere landen, een aanwijzing dat de exportlanden niet met eerlijke prijzen konden concurreren in de Gemeenschap.

(93)

Gezien het bovenstaande werd voor alle betrokken landen vastgesteld dat voortzetting of herhaling van aanzienlijke invoer met dumping waarschijnlijk was indien de maatregelen zouden komen te verstrijken.

4.   OMSCHRIJVING VAN HET BEGRIP „BEDRIJFSTAK VAN DE GEMEENSCHAP”

4.1.   Productie van de Gemeenschap

(94)

In de Gemeenschap wordt het betrokken product vervaardigd door dertig producenten, die de totale productie in de Gemeenschap vertegenwoordigen, in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening.

4.2.   Bedrijfstak van de Gemeenschap

(95)

In het oorspronkelijke onderzoek bestond de bedrijfstak van de Gemeenschap uit twintig producenten. Negen van deze producenten hebben niet meegewerkt aan het herzieningsonderzoek. Daarentegen steunden zes producenten, die in het oorspronkelijke onderzoek geen deel uitmaakten van de bedrijfstak van de Gemeenschap, het verzoek om herziening en waren zij bereid mee te werken aan het herzieningsonderzoek. De volgende 17 producenten steunden derhalve de klacht en waren bereid mee te werken:

Bridon International Ltd (Verenigd Koninkrijk),

BTS Drahtseile GmbH (Duitsland),

Cables y Alambres especiales, SA (Spanje),

CASAR Drahtseilwerk Saar GmbH (Duitsland),

D. Koronakis SA (Griekenland),

Drahtseilwerk GmbH (Duitsland),

Drahtseilwerk Hemer GmbH and Co. KG (Duitsland),

Drahtseilerei Gustav Kocks GmbH (Duitsland),

Drumet SA (Polen),

Hamburger Drahtseilerei A. Steppuhn GmbH (Duitsland),

Iscar Funi Metalliche Srl (Italië),

Manuel Rodrigues de Oliveira Sa & Filhos, SA (Portugal),

Metalcavi wire ropes Srl (Italië),

Metal Press Srl (Italië),

Trefileurope (Frankrijk),

WADRA GmbH (Duitsland),

Westfälische Drahtindustrie GmbH (Duitsland).

Zoals reeds vermeld in overweging 12 is een steekproef bestaande uit vijf bedrijven geselecteerd.

(96)

Deze bedrijven hebben volledige medewerking verleend aan het onderzoek. De vijf in de steekproef opgenomen producenten van de Gemeenschap vertegenwoordigden 30 % van de totale productie van de Gemeenschap in het onderzoektijdvak, terwijl de bovengenoemde 17 producenten van de Gemeenschap in het onderzoektijdvak 68 % van de totale productie van de Gemeenschap voor hun rekening namen.

(97)

Derhalve kan worden gesteld dat de genoemde 17 producenten een groot deel van de totale EG-productie van het soortgelijke product vertegenwoordigen. De genoemde 17 producenten worden derhalve geacht de bedrijfstak van de Gemeenschap te vormen, in de zin van artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 4, van de basisverordening, en worden hierna „de bedrijfstak van de Gemeenschap” genoemd.

5.   SITUATIE OP DE MARKT VAN DE GEMEENSCHAP

5.1.   Verbruik in de Gemeenschap

(98)

Het verbruik in de Gemeenschap werd vastgesteld aan de hand van de omvang van de verkoop door de bedrijfstak van de Gemeenschap in de Gemeenschap, de omvang van de verkoop van de andere EG-producenten in de Gemeenschap en gegevens van Eurostat over de totale EU-invoer.

(99)

In de periode van 2001 tot het onderzoektijdvak daalde het verbruik in de Gemeenschap met 9 %. Zo is het verbruik van 2001 tot 2002 met 3 % gedaald en van 2002 tot 2003 nog eens met 6 %. Daarna bleef het over het algemeen stabiel op dat niveau gedurende het onderzoektijdvak.

 

2001

2002

2003

OT

Totaal EG-verbruik (t)

194 547

187 845

176 438

177 825

Index (2001 = 100)

100

97

91

91

5.2.   Invoer uit de betrokken landen

5.2.1.   Cumulatie

(100)

In het oorspronkelijke onderzoek werd de invoer van stalen kabels uit de Volksrepubliek China, India, Zuid-Afrika en Oekraïne cumulatief beoordeeld, overeenkomstig artikel 3, lid 4, van de basisverordening. Onderzocht werd of een cumulatieve beoordeling ook gepast was in het kader van dit onderzoek.

(101)

In dit verband werd vastgesteld dat de dumpingmarges voor de invoer uit elk betrokken land meer dan minimaal waren. Wat de hoeveelheden betreft die werden uitgevoerd uit elk van de vier betrokken landen, als bedoeld in de overwegingen 22 tot en met 24, werd vastgesteld dat de invoer uit elk van de betrokken landen bij intrekking van de maatregelen waarschijnlijk zou toenemen tot niveaus die aanzienlijk hoger zouden liggen dan die in het onderzoektijdvak en zeker boven de niveaus zouden komen te liggen die beschouwd worden als verwaarloosbaar.

(102)

Ten aanzien van de concurrentievoorwaarden werd in het onderzoek vastgesteld dat alle stalen kabels die uit de betrokken landen werden ingevoerd, per type beschouwd, een soortgelijk product vormden wat de essentiële fysische en technische kenmerken betreft. Bovendien waren deze typen stalen kabels onderling verwisselbaar met andere typen die uit de betrokken landen werden ingevoerd en met de in de Gemeenschap vervaardigde typen en werden zij in de Gemeenschap tijdens dezelfde periode via vergelijkbare verkoopkanalen en onder vergelijkbare handelsvoorwaarden verkocht. Derhalve werd geoordeeld dat de ingevoerde typen stalen kabels met elkaar en tevens met de in de Gemeenschap vervaardigde typen concurreerden.

(103)

In het licht van het bovenstaande werd geoordeeld dat aan alle criteria van artikel 3, lid 4, van de basisverordening was voldaan. De invoer uit de vier betrokken landen werd derhalve cumulatief beoordeeld.

5.2.2.   Omvang, marktaandeel en prijzen van de invoer

(104)

De omvang, het marktaandeel en de gemiddelde prijzen van de invoer uit de vier betrokken landen evolueerden als volgt. De volgende prijsontwikkelingen zijn gebaseerd op de invoerprijzen volgens Eurostat en zijn inclusief antidumpingrechten en geschatte kosten na invoer.

(105)

Het volume van de invoer uit de vier betrokken landen steeg aanvankelijk tot 9 153 ton in 2002, oftewel een marktaandeel van 4,9 %, maar is daarna weer gedaald tot 7 784 ton in het onderzoektijdvak, oftewel een marktaandeel van 4,4 %. Tijdens het onderzoektijdvak van het oorspronkelijke onderzoek bedroeg het gecumuleerde marktaandeel van de vier landen 14,3 %.

(106)

De gemiddelde prijs van de invoer uit de vier betrokken landen is gedaald van 1 364 EUR/t in 2001 tot 1 296 EUR/t in het onderzoektijdvak.

(107)

Uit het onderzoek bleek dat de invoer uit de betrokken landen de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap onderbood (36 à 68 % in het onderzoektijdvak).

 

2001

2002

2003

OT

Omvang van de invoer uit de vier betrokken landen (t)

7 951

9 153

7 168

7 784

Marktaandeel van de invoer uit de vier betrokken landen

4,1 %

4,9 %

4,1 %

4,4 %

Prijzen van de invoer uit de vier betrokken landen (EUR/t)

1 364

1 450

1 331

1 296

5.3.   Invoer met ontduiking van de maatregelen

(108)

Zoals al is gezegd in overweging 3, werd verder vastgesteld dat de oorspronkelijke maatregelen die van toepassing waren op Oekraïne en de Volksrepubliek China werden ontdoken door invoer via Moldavië en Marokko. Bijgevolg werd het antidumpingrecht dat was ingesteld op de invoer uit de Volksrepubliek China uitgebreid tot de invoer van stalen kabels die waren verzonden uit Marokko, met uitzondering van die vervaardigd door een Marokkaanse producent. Het antidumpingrecht dat was ingesteld op de invoer uit Oekraïne werd uitgebreid tot de invoer van stalen kabels die waren verzonden uit Moldavië.

 

2001

2002

2003

OT

Omvang van de invoer uit Moldavië (t)

1 054

1 816

0

0

Marktaandeel van de invoer uit Moldavië

0,5 %

1,0 %

0,0 %

0,0 %

Prijzen van de invoer uit Moldavië (EUR/t)

899

843

0

0

Index (2001 = 100)

100

94

0

0

Omvang van de invoer uit Marokko (t)

231

1 435

2 411

1 904

Marktaandeel van de invoer uit Marokko

0,1 %

0,8 %

1,4 %

1,1 %

Prijzen van de invoer uit Marokko (EUR/t)

963

955

1 000

1 009

Index (2001 = 100)

100

99

104

105

(109)

De invoer uit Moldavië was in 2000 nul, maar nam snel toe tot 1 816 ton in 2002. Daarna daalde het weer tot nul, waarschijnlijk als gevolg van de inleiding in 2003 van het al eerder genoemde onderzoek naar ontduiking van de maatregelen. De invoer uit Moldavië werd in 2001 en 2002 gekenmerkt door zeer lage prijzen: 899 EUR/t in 2001 en 843 EUR/t in 2002.

(110)

In het onderzoektijdvak van het oorspronkelijke onderzoek bedroeg het marktaandeel van de invoer uit Marokko 0 %. De invoer uit Marokko steeg scherp van 231 ton in 2001 tot 2 411 ton in 2003. Daarna daalde het tot 1 904 ton in het onderzoektijdvak. Bij bovengenoemd onderzoek naar de ontduiking van de maatregelen bleek dat een beperkt gedeelte van de invoer uit Marokko (ongeveer 100 t) in 2003 kon worden toegeschreven aan één Marokkaanse producent. De invoer uit Marokko werd in de periode van 2001 tot het onderzoektijdvak gekenmerkt door zeer lage prijzen: ongeveer 1 000 EUR/t.

5.4.   Invoer uit andere landen

5.4.1.   Republiek Korea (Zuid-Korea)

(111)

Op 20 november 2004 opende de Commissie een antidumpingprocedure ten aanzien van de invoer van stalen kabels uit de Republiek Korea, dit naar aanleiding van een klacht van de bedrijfstak van de Gemeenschap waarin bewijsmateriaal was opgenomen dat de invoer uit Korea met dumping geschiedde en daardoor de bedrijfstak van de Gemeenschap aanmerkelijke schade toebracht.

(112)

De ontwikkeling van de invoer uit de Republiek Korea is als volgt:

 

2001

2002

2003

OT

Omvang van de invoer uit de Republiek Korea (ton)

13 582

16 403

22 400

25 835

Marktaandeel van de invoer uit de Republiek Korea

7,0 %

8,7 %

12,7 %

14,5 %

Prijzen van de invoer uit de Republiek Korea (EUR/ton)

1 366

1 256

1 187

1 123

Index (2001 = 100)

100

92

87

82

(113)

Het volume van de invoer uit de Republiek Korea is gestegen van 13 582 ton in 2001, oftewel een marktaandeel van 7 %, tot 25 835 ton in het onderzoektijdvak, oftewel een marktaandeel van 14,5 %. De gemiddelde prijzen van de invoer uit de Republiek Korea zijn in de periode van 2001 tot het onderzoektijdvak met 18 % gedaald, namelijk van 1 366 EUR/t tot 1 123 EUR/t. Aangezien er wat de Republiek Korea betreft geen bewijs was voor invoer met dumping, werd deze procedure beeindigd (zie overweging 4).

5.4.2.   Mexico

(114)

Zoals reeds is aangegeven in overweging 7, zijn de maatregelen die bij de oorspronkelijke definitieve verordening waren ingesteld op de invoer uit Mexico op 18 augustus 2004 verstreken. De invoer uit Mexico bleef zeer beperkt in het onderzoektijdvak. Die invoer was nul in 2001 en het onderzoektijdvak, en bereikte een jaarniveau dat varieerde van ongeveer 700 tot 400 ton in 2002 en 2003, oftewel een marktaandeel van respectievelijk 0,4 % en 0,2 %.

(115)

De prijzen van de invoer uit Mexico bedroegen ongeveer 2 400 EUR/t in 2002 en 2003.

 

2001

2002

2003

OT

Omvang van de invoer uit Mexico (t)

0

669

433

0

Marktaandeel van de invoer uit Mexico

0,0 %

0,4 %

0,2 %

0,0 %

Prijzen van de invoer uit Mexico (EUR/t)

2 358

2 434

Index (2001 = 100)

100

103

5.4.3.   Andere landen waarvoor antidumpingmaatregelen golden

(116)

De Raad heeft bij Verordening (EG) nr. 1601/2001 (11) antidumpingmaatregelen ingesteld op de invoer van vergelijkbare producten uit onder andere Rusland, Thailand en Turkije.

(117)

Het recht dat van toepassing was op de invoer uit Rusland varieerde van 36,1 % tot 50,7 %, met uitzondering van de invoer van één Russische exporteur die een prijsverbintenis had gedaan. Het volume van de invoer uit Rusland is gedaald van 3 630 ton in 2001, oftewel een marktaandeel van 1,9 %, tot 2 101 ton in het onderzoektijdvak, oftewel een marktaandeel van 1,2 %. De gemiddelde prijzen van de invoer uit Rusland bleven met ongeveer 1 000 EUR/t in de periode van 2001 tot het onderzoektijdvak relatief stabiel.

 

2001

2002

2003

OT

Omvang van de invoer uit Rusland (t)

3 630

2 557

2 198

2 101

Marktaandeel van de invoer uit Rusland

1,9 %

1,4 %

1,2 %

1,2 %

Prijzen van de invoer uit Rusland (EUR/t)

1 038

997

980

1 046

Index (2001 = 100)

100

96

94

101

(118)

Het recht dat van toepassing was op de invoer uit Thailand, varieerde van 24,8 % tot 42,8 %, met uitzondering van de invoer van één exporteur die een prijsverbintenis had gedaan. Het volume van de invoer uit Thailand is gedaald van 1 039 ton in 2001, oftewel een marktaandeel van 0,5 %, tot 277 ton in het onderzoektijdvak, oftewel een marktaandeel van 0,2 %. De gemiddelde prijs van de invoer uit Thailand is gestegen van 1 335 EUR/t in 2001 tot 1 722 EUR/t in het onderzoektijdvak.

 

2001

2002

2003

OT

Omvang van de invoer uit Thailand (ton)

1 039

1 002

368

277

Marktaandeel van de invoer uit Thailand

0,5 %

0,5 %

0,2 %

0,2 %

Prijzen van de invoer uit Thailand (EUR/t)

1 335

1 433

1 593

1 722

Index (2001 = 100)

100

107

119

129

(119)

Het recht dat in de beoordelingsperiode van toepassing was op de invoer uit Turkije varieerde van 17,8 % tot 31 %, met uitzondering van de invoer van twee Turkse exporteurs van wie prijsverbintenissen waren geaccepteerd in 2001, maar in 2003 werden ingetrokken. Het volume van de invoer uit Turkije is gedaald van 4 354 ton in 2001, oftewel een marktaandeel van 2,2 %, tot 1 457 ton in het onderzoektijdvak, oftewel een marktaandeel van 0,8 %. De gemiddelde prijs van de invoer uit Turkije is gedaald van 1 448 EUR/t in 2001 tot 1 302 EUR/t in het onderzoektijdvak.

 

2001

2002

2003

OT

Omvang van de invoer uit Turkije (t)

4 354

4 448

2 248

1 457

Marktaandeel van de invoer uit Turkije

2,2 %

2,4 %

1,3 %

0,8 %

Prijzen van de invoer uit Turkije (EUR/t)

1 448

1 414

1 376

1 302

Index (2001 = 100)

100

98

95

90

5.4.4.   Andere, niet eerder genoemde derde landen

(120)

Het volume van de invoer uit andere, niet eerder genoemde derde landen is gedaald van 23 000 ton in 2001, oftewel een marktaandeel van 12 %, tot 19 000 ton in het onderzoektijdvak, oftewel een marktaandeel van 10,5 %. De gemiddelde prijs van de invoer uit andere, niet eerder genoemde derde landen zijn gestegen van ongeveer 1 500 EUR/t in 2001 tot 1 900 EUR/t in 2003, maar daarna opnieuw gedaald tot ongeveer 1 500 EUR/t in het onderzoektijdvak.

 

2001

2002

2003

OT

Omvang van de invoer uit andere, niet eerder genoemde landen (t)

23 321

14 924

17 227

18 741

Marktaandeel van de invoer uit andere, niet eerder genoemde landen

12,0 %

7,9 %

9,8 %

10,5 %

Prijzen van de invoer uit andere, niet eerder genoemde landen (EUR/t)

1 472

1 749

1 895

1 497

Index (2001 = 100)

100

119

129

102

6.   ECONOMISCHE SITUATIE VAN DE BEDRIJFSTAK VAN DE GEMEENSCHAP

(121)

Overeenkomstig artikel 3, lid 5, van de basisverordening heeft de Commissie alle relevante economische indicatoren onderzocht die van invloed zijn op de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

6.1.   Inleidende opmerkingen

(122)

Aangezien voor de bedrijfstak van de Gemeenschap gebruik is gemaakt van een steekproef, werd de schade zowel beoordeeld aan de hand van de gegevens over de gehele bedrijfstak van de Gemeenschap, als aan de hand van de gegevens over de in de steekproef opgenomen EG-producenten.

(123)

Indien gebruik wordt gemaakt van steekproeven, worden overeenkomstig de bestaande praktijk bepaalde schade-indicatoren (productie, capaciteit, productiviteit, voorraden, verkoop, marktaandeel, groei en werkgelegenheid) geanalyseerd voor de bedrijfstak van de Gemeenschap als geheel, terwijl schade-indicatoren die betrekking hebben op de prestaties van individuele bedrijven, zoals prijzen, productiekosten, winstgevendheid, lonen, investeringen, rendement van investeringen, cashflow en het vermogen om kapitaal aan te trekken, onderzocht worden aan de hand van de gegevens over de in de steekproef opgenomen EG-producenten.

6.2.   Gegevens voor de bedrijfstak van de Gemeenschap als geheel

a)   Productie

(124)

De verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap is in de periode van 2001 tot het onderzoektijdvak met 10 % gedaald, van ongeveer 125 000 ton in 2001 tot ongeveer 112 000 ton in het onderzoektijdvak. De productie is eerst met 2 % gestegen in 2002, maar daarna met 5 procentpunten gedaald in 2003 en in het onderzoektijdvak nog eens met 7 procentpunten.

 

2001

2002

2003

OT

Productie van de bedrijfstak van de Gemeenschap (t)

124 549

127 118

121 065

111 765

Index (2001 = 100)

100

102

97

90

b)   Capaciteit en capaciteitsbenutting

(125)

De productiecapaciteit is marginaal gestegen (met 2 %) in de periode van 2001 tot het onderzoektijdvak. Aangezien de productie is afgenomen, terwijl tegelijkertijd de capaciteit licht is gestegen, is de daaruit voortvloeiende capaciteitsbenutting afgenomen, van 67 % in 2001 tot 59 % in het onderzoektijdvak.

 

2001

2002

2003

OT

Productiecapaciteit van de bedrijfstak van de Gemeenschap (t)

184 690

185 360

188 430

189 150

Index (2001 = 100)

100

100

102

102

Capaciteitsbenutting van de bedrijfstak van de Gemeenschap

67 %

69 %

64 %

59 %

Index (2001 = 100)

100

102

95

88

c)   Voorraden

(126)

De eindvoorraden van de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn in de beoordelingsperiode geleidelijk toegenomen. In het onderzoektijdvak lag het niveau van de voorraden 14 % lager dan in 2001.

 

2001

2002

2003

OT

Eindvoorraden van de bedrijfstak van de Gemeenschap (t)

31 459

30 222

29 336

26 911

Index (2001 = 100)

100

96

93

86

d)   Omvang van de verkoop

(127)

De verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap in de Gemeenschap is in de periode van 2001 tot het onderzoektijdvak met 10 % gedaald. Deze ontwikkeling stemt overeen met de ontwikkeling van de Gemeenschapsmarkt, die in de periode van 2001 tot het onderzoektijdvak 9 % is gekrompen.

 

2001

2002

2003

OT

Verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap aan niet-verbonden klanten in de Gemeenschap (t)

80 019

79 089

73 636

72 072

Index (2001 = 100)

100

99

92

90

e)   Marktaandeel

(128)

Het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap is in de periode van 2001 tot het onderzoektijdvak met een procentpunt gedaald. Het marktaandeel is eerst in 2002 met een half procentpunt gestegen, in 2003 met 0,3 procentpunt gedaald en in het onderzoektijdvak opnieuw met 1,2 procentpunt afgenomen.

 

2001

2002

2003

OT

Marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap

42,8 %

43,3 %

43,0 %

41,8 %

Index (2001 = 100)

100

101

101

98

Marktaandeel van de vier betrokken landen

4,1 %

4,9 %

4,1 %

4,4 %

Index (2001 = 100)

100

119

99

107

f)   Groei

(129)

In de periode van 2001 tot het onderzoektijdvak is het verbruik in de Gemeenschap met 9 % gedaald en de verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap met 10 %. Het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap is dus gedeeltelijk geslonken, terwijl de invoer in dezelfde periode met 0,3 procentpunt is gestegen.

g)   Werkgelegenheid

(130)

De werkgelegenheid in de bedrijfstak van de Gemeenschap is in de periode van 2001 tot het onderzoektijdvak met 4 % gedaald.

 

2001

2002

2003

OT

Werkgelegenheid in de bedrijfstak van de Gemeenschap

2 049

2 028

1 975

1 975

Index (2001 = 100)

100

99

96

96

h)   Productiviteit

(131)

De productiviteit van de bedrijfstak van de Gemeenschap als geheel, uitgedrukt als de productie per werknemer per jaar, is in de periode van 2001 tot 2003 vrij stabiel gebleven. In het onderzoektijdvak, toen de productie daalde en de werkgelegenheid laag bleef, is de productiviteit met 8 % gedaald.

 

2001

2002

2003

OT

Productiviteit van de bedrijfstak van de Gemeenschap (ton per werknemer)

61

63

61

57

Index (2001 = 100)

100

103

101

93

i)   Hoogte van de dumpingmarge

(132)

De gevolgen van de hoogte van de dumpingmarge voor de bedrijfstak van de Gemeenschap kunnen, gezien de omvang van de invoer uit de betrokken landen en de prijzen van de ingevoerde producten, niet als verwaarloosbaar worden beschouwd, met name op transparante en dus sterk prijsgevoelige markten, zoals die voor het betrokken product.

j)   Herstel van de gevolgen van dumping in het verleden

(133)

De hierboven en hieronder genoemde indicatoren wijzen weliswaar op een lichte verbetering van de economische en financiële situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap, dankzij de instelling van antidumpingmaatregelen in 1999, maar zij laten ook zien dat de bedrijfstak van de Gemeenschap nog steeds in een zwakke en kwetsbare positie verkeert.

6.3.   Gegevens over de in de steekproef opgenomen producenten van de Gemeenschap

a)   Verkoopprijzen en factoren die van invloed zijn op de binnenlandse prijzen

(134)

De verkoopprijzen per eenheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn in de periode van 2001 tot het onderzoektijdvak vrij stabiel gebleven, maar stegen zeer licht aan het eind van de beoordelingsperiode. Deze prijsontwikkeling is grotendeels in overeenstemming met die van de voornaamste grondstof, waarvan de prijs eveneens licht steeg aan het eind van de beoordelingsperiode.

 

2001

2002

2003

OT

Eenheidsprijzen van de in de steekproef opgenomen EG-producenten op de EG-markt (EUR/t)

2 195

2 171

2 224

2 227

Index (2001 = 100)

100

99

101

101

b)   Lonen

(135)

In de periode van 2001 tot het onderzoektijdvak zijn de gemiddelde lonen per werknemer met 5 % toegenomen, een bescheiden toename vergeleken met de stijging van de gemiddelde nominale arbeidskosten per eenheid (6 %) in dezelfde periode in de Gemeenschap als geheel.

 

2001

2002

2003

OT

Jaarlijkse arbeidskosten per werknemer van de in de steekproef opgenomen EG-producenten (1 000 EUR)

36,6

37,6

38,2

38,5

Index (2001 = 100)

100

103

104

105

c)   Investeringen

(136)

De jaarlijkse investeringen in het betrokken product van de vijf in de steekproef opgenomen producenten zijn relatief stabiel gebleven op ongeveer 4 miljoen EUR per jaar. De forse stijging in 2003 is grotendeels toe te schrijven aan de buitengewone aankoop van apparatuur door een van de in de steekproef opgenomen bedrijven.

 

2001

2002

2003

OT

Netto-investeringen van de in de steekproef opgenomen EG-producenten (1 000 EUR)

4 284

3 074

8 393

4 914

Index (2001 = 100)

100

72

196

115

d)   Winstgevendheid en rendement van de investeringen

(137)

De winstgevendheid van de in steekproef opgenomen producenten is negatief gebleven in de periode van 2001 (– 4,2 %) tot het onderzoektijdvak (– 0,3 %), maar heeft zich gedurende de beoordelingsperiode wel geleidelijk verbeterd. Het rendement van de investeringen, uitgedrukt in procenten van de nettoboekwaarde, liep in de beoordelingsperiode grotendeels gelijk met de bovengenoemde ontwikkeling van de winstgevendheid.

 

2001

2002

2003

OT

Winstgevendheid van de EG-verkoop van de in de steekproef opgenomen producenten (% van de nettoverkoop)

– 4,2 %

– 1,7 %

– 1,5 %

– 0,3 %

Rendement van de investeringen van de in de steekproef opgenomen producenten (uitgedrukt in procenten van de nettoboekwaarde)

– 13,9 %

– 6,5 %

– 4,5 %

– 1,0 %

e)   Cashflow en vermogen om kapitaal aan te trekken

(138)

De cashflowsituatie heeft zich in de periode van 2001 tot het onderzoektijdvak verbeterd, aangezien de bovengenoemde beperkt gebleven verliezen meer dan gecompenseerd werden door niet-geldelijke posten, zoals de waardevermindering van de activa en inventarisbewegingen.

 

2001

2002

2003

OT

Cashflow van de in de steekproef opgenomen producenten (1 000 EUR)

– 6 322

10 670

2 124

4 485

(139)

Bij het onderzoek is gebleken dat verscheidene in de steekproef opgenomen EG-producenten niet altijd over het benodigde kapitaal konden beschikken vanwege hun moeilijke financiële situatie. Verschillende bedrijven maken weliswaar deel uit van grote staalconcerns, maar krijgen niet altijd de beschikking over het benodigde kapitaal, omdat de financiële middelen binnen een concern meestal naar de meest winstgevende bedrijven gaan.

6.4.   Conclusie

(140)

In de periode van 2001 tot het onderzoektijdvak hebben de volgende indicatoren zich positief ontwikkeld: de productiecapaciteit van de bedrijfstak van de Gemeenschap is toegenomen en de eindvoorraden zijn gedaald. De verkoopprijzen per eenheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn in de periode van 2001 tot het onderzoektijdvak laag gebleven, terwijl voor de winstgevendheid in het onderzoektijdvak sprake was van een break-evensituatie en het rendement van de investeringen en de cashflow zich verbeterden. De lonen hebben zich matig ontwikkeld en de bedrijfstak van de Gemeenschap is in een stabiel tempo blijven investeren.

(141)

Daarentegen hebben de volgende indicatoren zich negatief ontwikkeld: de productie en de capaciteitsbenutting zijn afgenomen, de verkoop is teruggelopen (gelijklopend met de ontwikkeling van de markt), en de werkgelegenheid en productiviteit zijn gekrompen. Het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap is licht afgenomen, maar het verlies was minder geprononceerd dan in de periode vóór de instelling van de antidumpingmaatregelen, toen het marktaandeel een verlies moest incasseren van 9 procentpunten.

(142)

Algemeen gesproken wordt de situatie waarin de bedrijfstak van de Gemeenschap verkeert, gekenmerkt door gemengde ontwikkelingen: bepaalde indicatoren ontwikkelen zich positief, andere vertonen een negatieve trend. Bij vergelijking van deze trends met die in de verordeningen waarbij de voorlopige en definitieve maatregelen werden ingesteld, blijkt duidelijk dat de instelling van antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer uit India, de Volksrepubliek China, Oekraïne en Zuid-Afrika in 1999 een positieve impact heeft gehad op de economische situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Als de maatregelen niet waren ontdoken door invoer via Moldavië en Marokko, zou deze ontwikkeling nog gunstiger zijn geweest. Bovendien is na de instelling van antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer uit Rusland, Thailand en Turkije het marktaandeel van elk van deze landen gekrompen (zie de overwegingen 116 tot en met 119), waardoor de druk op de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap zeker is afgenomen. Desondanks moet worden benadrukt dat zelfs de indicatoren die zich positief hebben ontwikkeld, zoals de winstgevendheid en het rendement van de investeringen, nog steeds ver verwijderd zijn van de te verwachten niveaus als de bedrijfstak van de Gemeenschap zich volledig had hersteld van de veroorzaakte schade.

(143)

Derhalve luidt de conclusie dat de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap zich heeft verbeterd ten opzichte van de periode voorafgaand aan de instelling van de maatregelen, maar nog steeds fragiel is.

7.   MOGELIJKE HERHALING VAN DE SCHADE

(144)

Zoals in overweging 91 reeds is geconcludeerd, zijn de producenten in de betrokken landen in staat hun export te verhogen en/of naar de Gemeenschap te verleggen. Bij onderzoek van vergelijkbare productsoorten is gebleken dat de medewerkende producenten/exporteurs het betrokken product tegen aanzienlijke lagere prijzen hebben verkocht dan de bedrijfstak van de Gemeenschap (verschil van 58 à 68 % in het geval van de Volksrepubliek China, 47 à 55 % in dat van India). Voor Oekraïne en Zuid-Afrika kon geen vergelijking per producttype worden gemaakt: de producenten/exporteurs verleenden geen medewerking en het aantal producttypen varieerde te sterk, waardoor ook de invoerprijzen fors uiteenliepen. Uit de feiten blijkt echter dat niet alleen de gemiddelde Oekraïnse invoerprijs, maar ook de gemiddelde Zuid-Afrikaanse invoerprijs (beide na aftrek van het antidumpingrecht) aanzienlijk lager liggen dan de binnenlandse prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap, namelijk respectievelijk 65 en 25 % lager. De producenten/exporteurs in de betrokken landen zullen deze lage prijzen zeer waarschijnlijk blijven aanrekenen, al was het maar om hun verloren marktaandeel te heroveren. Dit prijsgedrag, gekoppeld aan het vermogen van de producenten/exporteurs in de betrokken landen om aanzienlijke hoeveelheden van het betrokken product op de EG-markt aan te bieden, heeft zeer waarschijnlijk tot gevolg dat de prijzen op deze markt nog verder worden gedrukt, met naar verwachting ongunstige gevolgen voor de economische situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(145)

Zoals eerder reeds is vermeld, blijft de situatie waarin de bedrijfstak van de Gemeenschap zich bevindt zwak en fragiel, ook al heeft deze zich verbeterd ten opzichte van de periode voorafgaand aan de instelling van de maatregelen. Het is waarschijnlijk dat, mocht de bedrijfstak van de Gemeenschap blootgesteld worden aan meer invoer met dumping uit de betrokken landen, dit zal resulteren in een verslechtering van de financiële situatie die in het oorspronkelijke onderzoek is vastgesteld. Op deze basis wordt derhalve geconcludeerd dat intrekking van de maatregelen waarschijnlijk zal leiden tot de herhaling van schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap.

8.   BELANG VAN DE GEMEENSCHAP

8.1.   Inleiding

(146)

Overeenkomstig artikel 21 van de basisverordening is onderzocht of handhaving van de bestaande antidumpingmaatregelen in strijd was met het belang van de Gemeenschap als geheel. Het belang van de Gemeenschap is vastgesteld aan de hand van een beoordeling van de verschillende betrokken belangen.

(147)

In het oorspronkelijke onderzoek werd het niet tegen het belang van de Gemeenschap geacht antidumpingmaatregelen te nemen. Aangezien dit onderzoek een herzieningsonderzoek is, wat betekent dat een situatie wordt onderzocht waarin reeds antidumpingmaatregelen van toepassing zijn, konden de eventuele nadelige gevolgen van de antidumpingmaatregelen voor de betrokkenen worden onderzocht.

(148)

Op deze basis is onderzocht of er, ondanks de conclusies inzake de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van schadeveroorzakende dumping, dwingende redenen waren die tot de conclusie leiden dat het in dit specifieke geval niet in het belang van de Gemeenschap is de maatregelen te handhaven.

8.2.   Belang van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(149)

De bedrijfstak van de Gemeenschap heeft bewezen structureel gezond te zijn. Dit werd bevestigd door de positieve ontwikkeling van de economische situatie van deze bedrijfstak na de instelling van antidumpingmaatregelen in 1999. Met name het feit dat de bedrijfstak van de Gemeenschap het verlies van marktaandeel in de jaren vóór het onderzoektijdvak heeft kunnen stoppen, contrasteert scherp met de situatie voorafgaand aan de instelling van de maatregelen. Ook is de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap sterk verbeterd in de periode van 2001 tot het onderzoektijdvak. Verder is geconstateerd dat er sprake was van ontduiking van de maatregelen door invoer via Moldavië en Marokko. Als deze ontwikkelingen zich niet hadden voorgedaan, was de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap nog gunstiger geweest.

(150)

Redelijkerwijze mag worden verwacht dat de bedrijfstak van de Gemeenschap blijft profiteren van de thans geldende maatregelen en zich herstelt door opnieuw marktaandeel te winnen en de winstgevendheid te verbeteren. Als de maatregelen niet worden gehandhaafd, lijdt de bedrijfstak van de Gemeenschap waarschijnlijk opnieuw schade door stijging van de invoer met dumping uit de betrokken landen en verdere verslechtering van de huidige fragiele financiële situatie.

8.3.   Belangen van importeurs

(151)

Volgens het oorspronkelijke onderzoek waren de gevolgen van de instelling van maatregelen niet aanzienlijk. Zoals al werd vermeld, heeft geen van de importeurs volledige medewerking verleend aan het onderzoek. Derhalve mag worden geconcludeerd dat handhaving van de maatregelen geen aanzienlijke nadelige gevolgen zal hebben voor importeurs of handelaars.

8.4.   Belang van de gebruikers

(152)

Stalen kabels worden voor zeer uiteenlopende toepassingen gebruikt en derhalve kan deze procedure van invloed zijn op een groot aantal verwerkende bedrijven. De volgende lijst van verwerkende bedrijven is louter indicatief: visserij, maritieme sector/scheepvaart, olie- en gasindustrie, mijnbouw, bosbouw, luchtvervoer, civiele techniek, bouwnijverheid, liften. In het kader van het onderzoek naar de mogelijke gevolgen van instelling van de maatregelen voor de gebruikers werd geconcludeerd dat de stijging van de kosten van stalen kabels, gezien de verwaarloosbare gevolgen daarvan voor de gebruikers, naar alle waarschijnlijkheid geen aanzienlijke gevolgen zal hebben. Het feit dat geen van de gebruikers in het kader van dit herzieningsonderzoek gegevens verstrekt heeft die deze conclusie tegenspreken, lijkt te bevestigen dat: i) stalen kabels een zeer gering deel uitmaken van de totale productiekosten van deze gebruikers, ii) de thans geldende maatregelen geen aanzienlijke nadelige gevolgen hebben voor hun economische situatie, en iii) voortzetting van de maatregelen geen nadelige gevolgen zal hebben voor de financiële belangen van de gebruikers.

8.5.   Belang van leveranciers

(153)

In het oorspronkelijke onderzoek wordt geconcludeerd dat de leveranciers van de bedrijfstak van de Gemeenschap gebaat zijn bij instelling van de maatregelen. Aangezien gegevens die deze conclusie weerleggen ontbreken, wordt in het kader van dit onderzoek geconcludeerd dat handhaving van de maatregelen positieve gevolgen zal blijven hebben voor de leveranciers.

8.6.   Conclusie inzake het belang van de Gemeenschap

(154)

Gezien het bovenstaande wordt geconcludeerd dat er geen dwingende redenen zijn om de thans geldende antidumpingmaatregelen niet te handhaven.

9.   ANTIDUMPINGMAATREGELEN

(155)

Alle partijen werden in kennis gesteld van de voornaamste feiten en overwegingen op grond waarvan de Commissie voornemens is de aanbeveling te doen de thans geldende maatregelen te handhaven. Zij konden hierover binnen een bepaalde termijn opmerkingen maken. Er werden geen opmerkingen ontvangen die van dien aard waren dat zij aanleiding gaven tot wijziging van bovenstaande conclusies.

(156)

Uit het bovenstaande volgt, als bepaald in artikel 11, lid 2, van de basisverordening, dat de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van stalen kabels uit India, de Volksrepubliek China, Oekraïne en Zuid-Afrika, dienen te worden gehandhaafd. Deze maatregelen bestaan uit ad-valoremrechten, welke rechten evenwel niet van toepassing zijn op het betrokken product dat wordt vervaardigd en naar de Gemeenschap uitgevoerd door één Indiase onderneming en één Zuid-Afrikaanse onderneming waarvan prijsverbintenissen zijn aanvaard.

(157)

Zoals al werd vermeld in overweging 3, zijn de thans geldende antidumpingrechten ten aanzien van de invoer van het betrokken product uit Oekraïne en de Volksrepubliek China uitgebreid tot stalen kabels verzonden uit Moldavië en Marokko, ongeacht of deze zijn aangegeven als van oorsprong uit Moldavië of Marokko. Het op de invoer van het betrokken product te handhaven antidumpingrecht dient, als uiteengezet in overweging 156, te worden uitgebreid tot stalen kabels verzonden uit Moldavië en Marokko, ongeacht of deze zijn aangegeven als van oorsprong uit Moldavië of Marokko. De Marokkaanse producent/exporteur die was vrijgesteld van de bij Verordening (EG) nr. 1886/2004 uitgebreide maatregelen, dient ook te worden vrijgesteld van de bij deze verordening vastgestelde maatregelen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op de invoer van stalen kabels, (gesloten kabel daaronder begrepen), met uitzondering van roestvrijstalen kabels, met een grootste dwarsdoorsnede van meer dan 3 mm, ingedeeld onder de GN-codes ex 7312 10 82 (Taric-code 7312108219), ex 7312 10 84 (Taric-code 7312108419), ex 7312 10 86 (Taric-code 7312108619), ex 7312 10 88 (Taric-code 7312108819) en ex 7312 10 99 (Taric-code 7312109919), uit India, de Volksrepubliek China, Oekraïne en Zuid-Afrika.

2.   De definitieve antidumpingrechten die worden ingesteld op de invoer van de producten van onderstaande bedrijven en die worden toegepast op de cif-nettoprijs, franco grens Gemeenschap, voor inklaring, bedragen:

Land

Onderneming

Recht (%)

Aanvullende Taric-code

India

Usha Martin Limited (voorheen Usha Martin Industries & Usha Beltron Ltd) 2A, Shakespeare Sarani Calcutta — 700 071, West Bengal, India

23,8

8613

Alle overige ondernemingen

30,8

8900

Volksrepubliek China

Alle ondernemingen

60,4

Oekraïne

Alle ondernemingen

51,8

Zuid-Afrika

Alle ondernemingen

38,6

8900

3.   Het definitieve antidumpingrecht dat van toepassing is op de invoer uit Oekraïne, als uiteengezet in lid 2, wordt uitgebreid tot de invoer van dezelfde stalen kabels verzonden uit Moldavië, ongeacht of deze zijn aangegeven als van oorsprong uit Moldavië (Taric-codes 7312108211, 7312108411, 7312108611, 7312108811 en 7312109911).

4.   Het definitieve antidumpingrecht dat van toepassing is op de invoer uit de Volksrepubliek China, als uiteengezet in lid 2, wordt uitgebreid tot de invoer van dezelfde stalen kabels verzonden uit Marokko, ongeacht of deze zijn aangegeven als van oorsprong uit Marokko (Taric-codes 7312108212, 7312108412, 7312108612, 7312108812 en 7312109912), met uitzondering van die vervaardigd door Remer Maroc SARL, Zone industrielle, Tranche 2, Lot 10, Settat, Marokko (aanvullende Taric-code A567).

5.   In afwijking van lid 1 is het definitieve antidumpingrecht niet van toepassing op het betrokken product dat overeenkomstig artikel 2 in het vrije verkeer wordt gebracht.

6.   Tenzij anders vermeld, zijn de bepalingen betreffende douanerechten van toepassing.

Artikel 2

1.   De in artikel 1, lid 1, bedoelde producten die onder de onderstaande aanvullende Taric-codes worden ingevoerd en die door een van onderstaande ondernemingen zijn geproduceerd en rechtstreeks uitgevoerd (dat wil zeggen verzonden en gefactureerd) naar een als importeur optredende onderneming in de Gemeenschap, zijn van het bij artikel 1 ingestelde antidumpingrecht vrijgesteld, mits die producten overeenkomstig lid 2 worden ingevoerd.

Land

Onderneming

Aanvullende Taric-code

India

Usha Martin Limited (voorheen Usha Martin Industries & Usha Beltron Ltd)

2A, Shakespeare Sarani Calcutta — 700 071, West Bengal, India

A024

Zuid-Afrika

Haggie

Lower Germiston Road

Jupiter

PO Box 40072

Cleveland

South Africa

A023

2.   De in lid 1 bedoelde producten zijn van het antidumpingrecht vrijgesteld mits:

a)

bij de aangifte voor het vrije verkeer een geldige verbintenisfactuur wordt overgelegd aan de douaneautoriteiten van de lidstaten, die tenminste de gegevens bevat die in de bijlage zijn vermeld, en

b)

de bij de douane aangegeven en aangebrachte goederen exact overeenstemmen met de omschrijving op de verbintenisfactuur.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 november 2005.

Voor de Raad

De voorzitter

G. BROWN


(1)  PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 461/2004 (PB L 77 van 13.3.2004, blz. 12).

(2)  PB L 217 van 17.8.1999, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1674/2003 (PB L 238 van 25.9.2003, blz. 1).

(3)  PB L 217 van 17.8.1999, blz. 63. Besluit gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1678/2003 (PB L 238 van 25.9.2003, blz. 13).

(4)  PB L 120 van 24.4.2004, blz. 1.

(5)  PB L 328 van 30.10.2004, blz. 1.

(6)  PB C 283 van 20.11.2004, blz. 6.

(7)  PB L 276 van 21.10.2005, blz. 62.

(8)  PB C 272 van 13.11.2003, blz. 2.

(9)  PB C 203 van 11.8.2004, blz. 4.

(10)  PB C 207 van 17.8.2004, blz. 2.

(11)  PB L 211 van 4.8.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 564/2005 (PB L 97 van 15.4.2005, blz. 1).


BIJLAGE

De onderstaande gegevens moeten worden vermeld op de verbintenisfactuur die gevoegd is bij de door de onderneming naar de Gemeenschap uitgevoerde stalen kabels waarop de verbintenis van toepassing is.

1)

Het Product Reporting Code Number (PRC) (het referentienummer van het product zoals opgegeven in de verbintenis die door de desbetreffende producent/exporteur is aangeboden), onder vermelding van de soort, het aantal strengen, het aantal draden per streng en de GN-code.

2)

Een nauwkeurige omschrijving van de goederen, met inbegrip van:

de Company Product Code (CPC),

de GN-code;

de aanvullende Taric-code die gebruikt wordt bij de inklaring van de gefactureerde goederen aan de grens van de Gemeenschap (zoals in de verordening vermeld),

de hoeveelheid (in kilogram),

de toepasselijke minimumprijs.

3)

De verkoopvoorwaarden, met inbegrip van:

de prijs per kilogram,

de betalingsvoorwaarden,

de leveringsvoorwaarden,

het totale bedrag aan kortingen en rabatten.

4)

De naam van de importeur die de rechtstreekse ontvanger is van de factuur.

5)

De naam van de werknemer van de onderneming die de verbintenisfactuur heeft opgesteld, alsmede de hiernavolgende ondertekende verklaring:

„Ondergetekende verklaart dat de verkoop voor rechtstreekse uitvoer naar de Europese Gemeenschap van de goederen waarop deze factuur betrekking heeft, plaatsvindt in het kader en onder de voorwaarden van de verbintenis die is aangeboden door … [naam van de onderneming], en die door de Commissie bij Besluit 1999/572/EG is aanvaard. Hij verklaart dat de in deze factuur verstrekte informatie juist en volledig is.”.


Top