EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32005R0771

Verordening (EG) nr. 771/2005 van de Commissie van 20 mei 2005 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan uit de Volksrepubliek China, Indonesië, Taiwan, Thailand en Vietnam

OJ L 128, 21.5.2005, p. 19–50 (ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Bulgarian: Chapter 11 Volume 040 P. 61 - 92
Special edition in Romanian: Chapter 11 Volume 040 P. 61 - 92

No longer in force, Date of end of validity: 21/11/2005

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2005/771/oj

21.5.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 128/19


VERORDENING (EG) Nr. 771/2005 VAN DE COMMISSIE

van 20 mei 2005

tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan uit de Volksrepubliek China, Indonesië, Taiwan, Thailand en Vietnam

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) (de basisverordening), en met name op artikel 7,

Na overleg met het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

A.   PROCEDURE

1.   Inleiding van onderhavige procedure

(1)

In augustus 2004 heeft de Commissie met een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2) de inleiding aangekondigd van een antidumpingprocedure betreffende roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan uit de Volksrepubliek China (hierna „China” genoemd), Indonesië, Maleisië, de Filipijnen, Taiwan, Thailand en Vietnam en is zij met een onderzoek begonnen.

(2)

De procedure werd ingeleid naar aanleiding van een klacht van het „European Industrial Fasteners Institute (hierna het „EIFI” genoemd)” namens EG-producenten die goed zijn voor een groot deel — in dit geval meer dan 50 % — van de productie van bedoelde roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan in de EG. Het bij de klacht gevoegde bewijsmateriaal dat genoemd product met dumping werd ingevoerd en dat daardoor aanmerkelijke schade was ontstaan, werd toereikend geacht om een antidumpingprocedure in te leiden.

2.   Belanghebbenden en controles ter plaatse

(3)

De Commissie heeft de volgende partijen van de inleiding van de procedure in kennis gesteld: de EG-producenten die de klacht hebben ingediend en hun organisatie, andere haar bekende belanghebbende EG-producenten, producenten/exporteurs in de betrokken exportlanden, importeurs, toeleveranciers van de EG-producenten en bedrijven die het betrokken product gebruiken alsmede de vertegenwoordigers van de exportlanden. Belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld om hun standpunt binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn schriftelijk bekend te maken en te verzoeken te worden gehoord.

(4)

Gezien het grote aantal bekende producenten/exporteurs in China en Taiwan, EG- producenten en importeurs werd in het bericht van inleiding vermeld dat overwogen werd een steekproef samen te stellen voor de vaststelling van de dumping en schade overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening.

(5)

Om producenten/exporteurs in China en Vietnam in de gelegenheid te stellen een verzoek in te dienen om als marktgerichte onderneming te worden behandeld of om een individuele behandeling te verkrijgen, heeft de Commissie de betrokken producenten/exporteurs alsmede de autoriteiten van die landen de nodige aanvraagformulieren toegezonden.

(6)

De Commissie heeft alle haar bekende belanghebbenden een vragenlijst toegezonden die werd beantwoord door vijf in de steekproef opgenomen Taiwanese exporteurs, vier in de steekproef opgenomen EG-producenten en twee niet in de steekproef opgenomen EG-producenten, twee producenten/exporteurs uit respectievelijk China, Indonesië, Maleisië en de Filipijnen, vier producenten/exporteurs uit Thailand en één producent/exporteur uit Vietnam, vier in de steekproef opgenomen importeurs, één verwerkend bedrijf en één toeleverancier in de EG.

(7)

Een Duitse organisatie van importeurs/distributeurs (Fachverband des Schrauben- Großhandels e.V.) heeft ook haar standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt. Alle partijen die binnen de gestelde termijn om een onderhoud hadden verzocht en daarvoor bijzondere redenen hadden opgegeven, werden gehoord.

(8)

De Commissie heeft alle gegevens die zij voor de voorlopige vaststelling van dumping, de daaruit voortvloeiende schade en het belang van de EG nodig had, ingewonnen en gecontroleerd en controles ter plaatse verricht bij de volgende ondernemingen:

 

EG-producenten:

Bontempi Vibo spa, Brescia, Italië

Bulnava srl, Milano/Suello, Italië

Inox Viti snc, Grumello Del Monte, Italië

Reisser Schraubentechnik GmbH, Ingelfingen-Criesbach, Duitsland

 

Producenten/exporteurs en gelieerde ondernemingen in de exportlanden:

 

China

Tong Ming Enterprise (Jiaxing) Co. Ltd, Zhejiang

 

Indonesië

PT. Shye Chang Batam Indonesia, Batam

 

Maleisië

Tigges Stainless Steel Fasteners (M) Sdn. Bhd., Ipoh, Chemor

Tong Heer Fasteners Co. Sdn., Bhd, Penang

 

de Filipijnen

Rosario Fasteners Corporation, Cavite

Philshin Works Corporation, Cavite

 

Taiwan

Arrow Fasteners Co. Ltd en de gelieerde onderneming Header Plan Co. Inc., Taipei

Jin Shing Stainless Ind. Co. Ltd, Tao Yuan

Min Hwei Enterprise Co. Ltd, Pingtung

Tong Hwei Enterprise, Co. Ltd. en de gelieerde ondernemingen Tong Jou Enterprise Co. Ltd en Winlink Fasteners Co., Ltd, Kaohsiung

Yi Tai Shen Co. Ltd, Tainan

 

Thailand

A.B.P. Stainless Fasteners Co. Ltd, Ayutthaya

Bunyat Industries 1998 Co. Ltd, Samutsakorn

Dura Fasteners Company Ltd, Samutprakarn

Siam Screws (1994) Co. Ltd, Samutsakorn

 

Importeur in de EG die banden heeft met een exporteur

Tigges GmbH & Co. KG, Wuppertal, Duitsland

(9)

Het onderzoek naar de dumping had betrekking op de periode van 1 juli 2003 tot en met 30 juni 2004 (hierna „het onderzoektijdvak” genoemd). Het onderzoek naar de schade had betrekking op de periode van 1 januari 2001 tot en met 30 juni 2004 (hierna „de beoordelingsperiode” genoemd).

B.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

1.   Algemeen

(10)

Roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan (hierna „RB’s” genoemd) zijn bouten, moeren en schroeven van roestvrij staal die gebruikt worden om twee of meer elementen mechanisch aan elkaar te bevestigen. Schroeven zijn bevestigingsmiddelen met een schroefdraad op de buitenkant van de schacht. Zij kunnen op zich worden gebruikt en in hout (houtschroeven) of metaalplaat (zelftappende schroeven) worden bevestigd of worden gecombineerd met een moer en sluitringen om zo een bout te vormen. Schroeven kunnen met verschillende koppen zijn uitgerust (bol, inbus, plat verzonken, zeskantig enz.); zij kunnen verschillende schachtlengten en diameters hebben. De schacht kan volledig of gedeeltelijk van een schroefdraad voorzien zijn. RB's worden door een groot aantal consumentensectoren gebruikt en voor vele doeleinden wanneer bestendigheid tegen atmosferische of chemische corrosie of hygiëne van belang is zoals in installaties voor de verwerking en opslag van levensmiddelen, in de chemische industrie, medische uitrusting, straatverlichting, scheepsbouw enz.

2.   Het betrokken product

(11)

RB’s, dit wil zeggen bouten, moeren en schroeven van roestvrij staal die gebruikt worden om twee of meer elementen mechanisch aan elkaar te bevestigen, worden doorgaans ingedeeld onder de GN-codes 7318 12 10, 7318 14 10, 7318 15 30, 7318 15 51, 7318 15 61, 7318 15 70 en 7318 16 30. Er zijn verschillende soorten RB’s en elke soort wordt bepaald door haar specifieke fysische en technische eigenschappen en door de kwaliteit roestvrij staal waarvan zij is vervaardigd.

(12)

In het kader van het onderzoek voerden importeurs alsmede een Duitse organisatie van importeurs/ distributeurs aan dat moeren van het onderzoek moesten worden uitgesloten omdat ze niet in EG worden vervaardigd.

(13)

De kwestie werd onderzocht. In het voorlopige stadium van het onderzoek is er twijfel gerezen over het feit of moeren — in vergelijking met andere RB’s — beschouwd moeten worden als een zelfde product als de andere RB's. Een aantal aspecten moeten derhalve verder worden onderzocht, bijvoorbeeld of, en in welke mate, bouten en moeren samen als één geheel worden verkocht, in welke mate deze productsoorten samen worden ontwikkeld enz. Er zal ook verder moeten worden onderzocht in hoeverre de EG-producenten in staat zijn bouten en moeren als een geheel aan te bieden. Daarom werd voorlopig besloten moeren, die doorgaans worden ingedeeld onder GN-code 7318 16 30, niet op te nemen in de omschrijving van het betrokken product.

(14)

Opgemerkt wordt dat nagenoeg de gehele invoer uit de Filipijnen uit moeren lijkt te bestaan. Indien in het definitieve stadium van het onderzoek besloten wordt dat moeren van dit onderzoek moeten worden uitgesloten, zal de procedure ten aanzien van de Filipijnen worden beëindigd.

(15)

Voorts werd door importeurs en door de Duitse organisatie van importeurs/distributeurs aangevoerd dat de productomschrijving beperkt diende te worden tot de GN-codes 7318 15 61 en 7318 15 70, dit wil zeggen tot schroeven met binnenzeskant van roestvrij staal en tot bouten met zeskantkoppen van roestvrij staal omdat de andere soorten RB’s niet in voldoende hoeveelheden in de EG werden geproduceerd. Bij het onderzoek bleek evenwel dat deze andere soorten RB's in de EG worden vervaardigd. Dit argument kon dus niet worden aanvaard.

(16)

Er werd vastgesteld dat alle soorten, behalve moeren, onder de ruime definitie „bevestigingsmiddelen” vallen, dezelfde fysische en technische basiskenmerken hebben, voor dezelfde doeleinden worden gebruikt en via dezelfde distributiekanalen worden verkocht.

(17)

Bijgevolg worden alle verschillende soorten RB’s, — met uitzondering van moeren — die doorgaans worden aangegeven onder de GN-codes 7318 12 10, 7318 14 10, 7318 15 30, 7318 15 51, 7318 15 61 en 7318 15 70 in het kader van onderhavig onderzoek voorlopig beschouwd als „het betrokken product”.

3.   Soortgelijk product

(18)

De Commissie heeft vastgesteld dat alle RB’s die vervaardigd en verkocht worden op de binnenlandse markt van China, Indonesië, Maleisië, Taiwan, Thailand en Vietnam alsmede de RB’s die uit de betrokken landen naar de EG uitgevoerd worden en de RB’s die in de EG door de EG-producenten worden vervaardigd en verkocht dezelfde fysische, chemische en technische eigenschappen hebben en voor dezelfde doeleinden worden gebruikt. Derhalve wordt voorlopig geconcludeerd dat al deze RB’s soortgelijke producten zijn in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening.

C.   STEEKPROEF

1.   Steekproef van producenten/exporteurs in China en Taiwan

(19)

Gezien het grote aantal producenten/exporteurs in China en Taiwan werd in het bericht van inleiding vermeld dat overwogen werd een steekproef samen te stellen overeenkomstig artikel 17, lid 1, van de basisverordening.

(20)

Om de Commissie in staat te stellen te besluiten of het nodig was van een steekproef gebruik te maken en — indien dat het geval was — deze samen te stellen, werd producenten/exporteurs verzocht zich binnen 15 dagen na de opening van het onderzoek bekend te maken en basisgegevens te verstrekken over hun uitvoer, binnenlandse verkoop en activiteiten in verband met de vervaardiging van het betrokken product en de naam en activiteiten te vermelden van alle ondernemingen waarmee zij banden hadden en die betrokken waren bij de productie en/of verkoop van het betrokken product. Tevens werd overleg gepleegd met de autoriteiten van China en Taiwan.

1.1.   Voorselectie van meewerkende producenten/exporteurs

(21)

Slechts twee Chinese producenten/exporteurs hebben zich aangemeld en de gevraagde gegevens verstrekt binnen de termijn van drie weken die is vastgesteld bij artikel 17, lid 2, van de basisverordening. Het was daarom niet nodig een steekproef van Chinese producenten/exporteurs samen te stellen.

(22)

49 Taiwanese ondernemingen hebben zich aangemeld en de gevraagde gegevens verstrekt binnen de bij artikel 17, lid 2, van de basisverordening vastgestelde termijn. Slechts 37 producenten/exporteurs gaven evenwel aan het betrokken product in het onderzoektijdvak naar de EG te hebben uitgevoerd. De producenten/exporteurs die het betrokken product in het onderzoektijdvak naar de EG hadden uitgevoerd en bereid waren in de steekproef te worden opgenomen werden aanvankelijk als meewerkende ondernemingen beschouwd en voor de steekproef in aanmerking genomen. Elf van de twaalf resterende ondernemingen waren hetzij handelaren, hetzij producenten/exporteurs die in het onderzoektijdvak niet naar de EG hadden uitgevoerd. Met deze ondernemingen kon bij het berekenen van de dumping geen rekening worden gehouden. Ten slotte bleek één van de resterende twaalf ondernemingen uitsluitend moeren uit te voeren en werd in het kader van de voorlopige maatregelen dus buiten beschouwing gelaten.

(23)

De meewerkende producenten/exporteurs vertegenwoordigden ongeveer 78 % van de totale uitvoer van het betrokken product uit Taiwan naar de EG.

(24)

Producenten/exporteurs die zich vóór het verstrijken van de bovenvermelde termijn niet hebben aangemeld, werden als niet-meewerkende ondernemingen beschouwd.

1.2.   Samenstelling van de steekproef

(25)

Volgens artikel 17, lid 1, van de basisverordening werd de steekproef gebaseerd op het grootste representatieve exportvolume dat binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs kon worden onderzocht. Dit betekende dat vijf Taiwanese producenten/exporteurs voor de steekproef werden geselecteerd die ongeveer 47 % vertegenwoordigden van de Taiwanese uitvoer naar de EG en ongeveer 57 % van de binnenlandse verkoop in Taiwan. Overeenkomstig artikel 17, lid 2, van de basisverordening werd overleg gepleegd met de Taiwanese autoriteiten die tegen deze keuze geen bezwaar hebben gemaakt.

(26)

De 32 meewerkende producenten/exporteurs die niet in de steekproef werden opgenomen, werd via de Taiwanese autoriteiten meegedeeld dat een eventueel antidumpingrecht voor hen berekend zou worden overeenkomstig artikel 9, lid 6, van de basisverordening.

(27)

De vijf in de steekproef opgenomen ondernemingen hebben een vragenlijst ontvangen die zij binnen de gestelde termijn hebben beantwoord.

1.3.   Individueel onderzoek

(28)

Twee niet in de steekproef opgenomen Taiwanese producenten/exporteurs verzochten om de vaststelling van een individuele dumpingmarge en een individueel antidumpingrecht overeenkomstig artikel 9, lid 6, en artikel 17, lid 3, van de basisverordening. Gelet op het grote aantal betrokken landen en partijen en de termijnen kon de Commissie evenwel geen afzonderlijk onderzoek instellen bij deze producenten/exporteurs omdat dit een te zware werklast zou vormen en een tijdige voltooiing van het onderzoek in de weg zou staan. Bovendien produceerde één producent/exporteur die om een dergelijk individueel onderzoek had verzocht uitsluitend moeren die, zoals eerder vermeld, voorlopig van het onderzoek zijn uitgesloten.

2.   Steekproef van EG-producenten

(29)

Gezien het grote aantal EG-producenten werd in het bericht van inleiding vermeld dat overwogen werd een steekproef samen te stellen overeenkomstig artikel 17, lid 1, van de basisverordening. De EG-producenten werd verzocht gegevens te verstrekken over de productie en verkoop van het betrokken product.

(30)

Acht EG-producenten hebben zich aangemeld en de gevraagde gegevens verstrekt binnen de bij artikel 17, lid 2, van de basisverordening vastgestelde termijn. Overeenkomstig artikel 17, lid 1, van de basisverordening heeft de Commissie vier ondernemingen in twee lidstaten — drie in Italië en één in Duitsland — voor de steekproef geselecteerd aangezien deze vier het grootste representatieve productievolume in de EG (ongeveer 50 %) vertegenwoordigden die binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs kon worden onderzocht. Overeenkomstig artikel 17, lid 2, van de basisverordening werd overleg gepleegd met de organisatie van EG-producenten die hiertegen geen bezwaar heeft gemaakt. Bovendien werd de overige vier producenten, die in België, Duitsland, Italië en het Verenigd Koninkrijk zijn gevestigd, verzocht enkele algemene gegevens te verstrekken voor het onderzoek naar de schade. Alle in de steekproef opgenomen EG-producenten en twee andere EG-producenten hebben aan het onderzoek meegewerkt en de vragenlijst binnen de gestelde termijn beantwoord. Eén van de twee, niet in de steekproef opgenomen meewerkende ondernemingen produceerde evenwel uitsluitend moeren en omdat die voorlopig van het onderzoek zijn uitgesloten, werd deze onderneming in het voorlopige stadium niet verder onderzocht.

3.   Steekproef van importeurs

(31)

Gezien het grote aantal importeurs in de EG werd in het bericht van inleiding vermeld dat overwogen werd een steekproef samen te stellen overeenkomstig artikel 17, lid 1, van de basisverordening. De Commissie heeft de importeurs in dat verband verzocht gegevens te verstrekken over de invoer en de verkoop van het betrokken product.

(32)

Op basis van de ontvangen gegevens heeft de Commissie vijf importeurs in vier lidstaten — twee in Duitsland, één in Italië, één in Zweden en één in het Verenigd Koninkrijk — voor de steekproef geselecteerd. Twee bekende organisaties van importeurs werden geraadpleegd. Deze importeurs vertegenwoordigden het grootste representatieve verkoopvolume in de EG (ongeveer 37 %) dat binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs kon worden onderzocht. Vier importeurs hebben aan het onderzoek meegewerkt en de vragenlijst beantwoord. De Zweedse importeur verleende geen medewerking en slechts twee importeurs hebben de vragenlijst volledig beantwoord en alle gevraagde gegevens verstrekt.

D.   DUMPING

1.   Behandeling als marktgericht bedrijf

(33)

Overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening wordt bij invoer uit landen zonder markteconomie de normale waarde vastgesteld overeenkomstig de leden 1 tot en met 6 van dat artikel voor producenten/exporteurs die voldoen aan de criteria van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening, met andere woorden die konden aantonen dat zij bij de vervaardiging en verkoop van het betrokken product op marktvoorwaarden werken. Teneinde gemakkelijk naar deze criteria te kunnen verwijzen worden deze hieronder kort samengevat:

1)

de bedrijven nemen hun besluiten en maken kosten als reactie op marktsignalen en zonder enige staatsinmenging van betekenis;

2)

de bedrijven beschikken over een basisboekhouding die door een onafhankelijke accountant wordt gecontroleerd in overeenstemming met de internationale boekhoudnormen en die alle terreinen bestrijkt;

3)

er zijn geen verstoringen van betekenis die nog voortvloeien uit het vroegere systeem zonder markteconomie;

4)

er zijn faillissements- en eigendomswetten die rechtszekerheid en stabiliteit verschaffen;

5)

de omrekening van munteenheden geschiedt tegen de marktkoers.

(34)

Twee Chinese producenten en één Vietnamese producent verzochten om een behandeling als marktgericht bedrijf overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening en hebben binnen de gestelde termijn de desbetreffende aanvraagformulieren ingevuld.

(35)

Één Chinese producent bevond zich in een opstartfase en had geen, al dan niet gecontroleerde, basisboekhouding. De Commissie concludeerde dat door het ontbreken van deze boekhouding niet kon worden vastgesteld of aan de criteria 2 en 3 was voldaan. De conclusie was daarom dat de onderneming niet voldeed aan de voorwaarden om als marktgericht bedrijf te worden behandeld. De onderneming werd hiervan in kennis gesteld en maakte geen bezwaar.

(36)

Voor de andere Chinese producent/exporteur heeft de Commissie alle gegevens die zij nodig had verzameld en de in het aanvraagformulier verstrekte gegevens ter plaatse gecontroleerd.

(37)

Bij de controle bleek dat de onderneming niet over een duidelijke basisboekhouding beschikte die was gevoerd en gecontroleerd overeenkomstig de internationale boekhoudnormen. Hoewel de boekhouding was gecontroleerd door een onafhankelijke accountant bleek deze nog steeds talrijke problemen en tegenstrijdigheden te bevatten. Tijdens het onderzoek heeft de onderneming verschillende versies van haar boekhouding voorgelegd die alle aanzienlijke gebreken bevatten zoals een slotbalans en een beginbalans van opeenvolgende boekjaren die niet met elkaar overeenstemden (internationale boekhoudnorm 1) of wijzigingen in de boekhouding die niet in overeenstemming waren met de gegevens in de rekeningen (internationale boekhoudnorm 8). Belangrijke gegevens, zoals de omzet, waren niet in overeenstemming met andere gegevens van de onderneming. Bovendien had de onderneming aanzienlijke winsten opgegeven, terwijl ze zware verliezen leek te maken en bevatten de voorgelegde rekeningen geen geconsolideerde omzetcijfers die betrekking hadden op al haar activiteiten. In de accountantsverslagen werd geen melding gemaakt van deze problemen.

Op grond van het bovenstaande werd geacht dat niet was voldaan aan het tweede criterium. Bijgevolg werd geconcludeerd dat de onderneming niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening.

(38)

Voor de Vietnamese producent heeft de Commissie alle door haar nodig geachte gegevens ingewonnen.

(39)

Er bleek niet te zijn voldaan aan het eerste criterium. Met name bleek dat het het exportvolume en het verkoopvolume op de binnenlandse markt aan beperkingen waren onderworpen. Deze beperking bleek uit de bedrijfsvergunning, de aanvraag om de afgifte van die vergunning en uit de statuten van de onderneming. Ten slotte waren alle besluiten in zaken die verband hielden met het pachten van grond uitdrukkelijk vastgelegd door de staat in de bedrijfsvergunning. De onderneming was ook vrijgesteld van het betalen van pacht tot haar basisbouwplannen waren gerealiseerd en gedurende een aantal jaren daarna. Derhalve werd geconcludeerd dat de onderneming niet had aangetoond dat zij besluiten nam en kosten maakte als reactie op marktsignalen en zonder staatsinmenging van betekenis op dat punt.

(40)

Tevens bleek ook aan het tweede criterium niet te zijn voldaan omdat het financiële verslag van 2002 niet tijdig was gepubliceerd en niet door een accountant was gecontroleerd, hetgeen in strijd is met de internationale boekhoudnorm 1.

(41)

Bijgevolg werd geconcludeerd dat de onderneming niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening.

(42)

De betrokken producenten/exporteurs in China en Vietnam en de EG-producenten werden in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken over de bovenstaande bevindingen.

(43)

Twee producenten/exporteurs waren het niet eens met de bevindingen en bleven erbij dat zij als een marktgericht bedrijf moesten worden behandeld.

(44)

De Chinese producent/exporteur voerde aan dat zijn boekhouding in overeenstemming was met de Chinese boekhoudnormen en -praktijken.

(45)

Overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening moet de Commissie echter nagaan of de basisboekhouding van de onderneming in overeenstemming met de internationale boekhoudnormen wordt gevoerd en door een onafhankelijke accountant is gecontroleerd. Of de boekhouding al dan niet overeenstemt met de Chinese normen is niet doorslaggevend voor het besluit een onderneming als marktgericht bedrijf te beschouwen. Voorts was bij de controle gebleken dat de boekhouding zelfs niet voldeed aan de basisboekhoudbeginselen of dat aanzienlijke wijzigingen in de boekhouding waren aangebracht die niet waren verklaard of met bewijsmateriaal gestaafd.

(46)

Bovendien wordt erop gewezen dat in artikel 155 van de Chinese wet inzake de bedrijfsboekhouding is bepaald dat ondernemingen hun boekhouding van volledige en gedetailleerde verklaringen moeten voorzien. Gezien het gebrek aan zinvolle verklaringen of toelichtingen in de boekhouding van de onderneming, voldeed de accountantscontrole niet alleen niet aan de internationale boekhoudnormen maar evenmin aan de Chinese normen.

(47)

De conclusie was derhalve dat de opmerkingen van de Chinese producent/exporteur niet terecht waren en dat hij niet als een marktgericht bedrijf kon worden behandeld.

(48)

De Vietnamese producent/exporteur voerde aan dat de in de bedrijfsvergunning vermelde verhouding tussen verkoop in binnen- en buitenland niet bindend is, maar slechts verwijst naar een bijzondere belastingregeling om investeringen aan te moedigen. Geen staat zou immers voorschrijven hoeveel een onderneming in het binnen- of buitenland mag verkopen.

(49)

In dit verband wordt opgemerkt dat er geen rechtstreeks verband is tussen de voorschriften inzake de afgifte van een vergunning en belastingregels en financiële regelingen. Bovendien bevatte de bedrijfsvergunning zelf geen aanwijzingen dat de uit te voeren hoeveelheid uitsluitend met belastingregelingen verband hielden.

(50)

In verband met het pachten van grond voerde de onderneming aan dat de werkwijze die terzake in Vietnam werd gevolgd niet strijdig was met de beginselen van een markteconomie en dat de bijzondere regelingen voor het pachten van grond prikkels van de Vietnamese overheid waren om buitenlandse investeringen aan te trekken. De producent/exporteur voerde aan dat het pachtgeld zelf een soort „belasting” was en dat hij de grond had gekocht van een andere onderneming die de „oorspronkelijke eigenaar” was.

(51)

In Vietnam is er geen vrije markt voor grond. Volgens een door de onderneming voorgelegd rondschrijven van de overheid wordt de prijs van de grond bepaald door de staat. Het argument dat het land werd gekocht van de „oorspronkelijke eigenaar” is nogal misleidend aangezien particulieren in Vietnam geen grond kunnen bezitten. De onderneming verwees in feite naar een aan de vorige pachter betaalde vergoeding voor het recht om het land te gebruiken en die unilateraal door de staat was vastgesteld. Bovendien werd geen bewijsmateriaal voorgelegd waaruit zou blijken dat de pacht van de grond een soort „belasting” is. In ieder geval, zoals reeds vermeld in overweging 39, behoeft de onderneming gedurende een aantal jaren geen pacht voor de grond te betalen.

(52)

In verband met het tweede criterium voerde de onderneming aan dat de accountant had opgemerkt dat de onderneming haar financiële verslag voor 2002 later had gepubliceerd dan bij de internationale boekhoudnormen voorgeschreven, maar van het ministerie van Financiën toestemming voor deze afwijking had gekregen.

(53)

Deze bewering werd echter niet bevestigd in de accountantsverklaring. Integendeel, daarin werd beweerd dat de controle overeenkomstig de internationale boekhoudnormen was uitgevoerd en er werd geen voorbehoud gemaakt met betrekking tot de rekeningen of uitleg verschaft over het feit dat de onderneming van de internationale boekhoudnormen was afgeweken. Bovendien, indien het ministerie van Financiën bij een schrijven wettelijke voorschriften kan wijzigen of versoepelen, blijkt hieruit slechts dat de internationale boekhoudnormen in de praktijk niet worden toegepast.

(54)

Bijgevolg werd geconcludeerd dat niet was voldaan aan het eerste en het tweede criterium en dus geen behandeling als marktgerichte onderneming kon worden toegestaan.

2.   Individuele behandeling

(55)

Overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening wordt een voor het gehele land geldend recht vastgesteld voor landen waarop dat artikel van toepassing is, maar dat ondernemingen die aan de criteria van artikel 9, lid 5, van de basisverordening voldoen, daarvan kunnen worden uitgezonderd.

(56)

De beide meewerkende Chinese producenten/exporteurs die om een behandeling als marktgericht bedrijf hadden verzocht, hebben ook verzocht om een individuele behandeling indien zij niet als marktgericht bedrijf konden worden behandeld.

(57)

Op basis van de beschikbare gegevens werd vastgesteld dat de twee ondernemingen voldeden aan de criteria voor een individuele behandeling die zijn opgenomen in artikel 9, lid 5, van de basisverordening.

(58)

Derhalve werd geconcludeerd dat de volgende producenten/exporteurs in China een individuele behandeling moest worden toegestaan:

Tengzhou Tengda Stainless Steel Product Co., Ltd, Tengzhou City,

Tong Ming Enterprise (Jiaxing) Co. Ltd, Zhejiang.

(59)

De Vietnamese exporteur/producent die om een behandeling als marktgericht bedrijf had verzocht, had ook om een individuele behandeling verzocht indien hij niet als marktgericht bedrijf kon worden behandeld.

(60)

Op basis van beschikbare gegevens werd vastgesteld dat deze onderneming niet aan alle criteria voldeed voor een individuele behandeling die zijn opgenomen in artikel 9, lid 5, van de basisverordening.

Met name werd vastgesteld — zoals uit het bovenvermelde onderzoek met het oog op een behandeling als marktgericht bedrijf was gebleken — dat de uit te voeren hoeveelheden niet vrij door de onderneming konden worden vastgesteld, maar door de overheid in de bedrijfsvergunning waren vastgelegd. Derhalve werd geoordeeld dat de onderneming niet voldeed aan de voorwaarden voor een individuele behandeling.

(61)

Twee andere Vietnamese producenten/exporteurs hebben ook binnen de gestelde termijn om een individuele behandeling verzocht. De ene onderneming heeft de vragenlijst evenwel niet volledig en de andere zelfs in het geheel niet beantwoord.

Daar de twee ondernemingen de gevraagde gegevens noch een uitleg hebben verstrekt, was de conclusie van de Commissie dat deze ondernemingen niet aan de voorwaarden voor een individuele behandeling voldeden.

3.   Normale waarde

3.1.   Referentieland

(62)

Volgens artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening moet de normale waarde voor producenten/exporteurs in landen met een overgangseconomie die geen behandeling als marktgericht bedrijf kan worden toegestaan, worden vastgesteld aan de hand van de prijs of de geconstrueerde waarde in een referentieland.

(63)

In het bericht van inleiding werd India voorgesteld als referentieland voor het vaststellen van de normale waarde voor China en Vietnam. Belanghebbenden konden hierover opmerkingen maken.

Verschillende belanghebbenden hebben gereageerd en als referentieland Taiwan, Thailand, de Republiek Korea en Italië voorgesteld. De Commissie heeft contact opgenomen met de haar bekende ondernemingen in India, het land dat aanvankelijk als referentieland was voorgesteld. Van Indiase producenten werden evenwel geen antwoorden op de vragenlijsten of zinvolle reacties ontvangen. Belanghebbenden die de Republiek Korea en Italië hadden voorgesteld, hebben daarover geen specifieke gegevens verstrekt. Derhalve werden deze landen niet als referentieland in aanmerking genomen.

Wat Thailand betreft, bleek bij het onderzoek dat de meewerkende producenten het betrokken product op de binnenlandse markt niet in het kader van normale handelstransacties hadden verkocht, zodat ook Thailand niet als referentieland in aanmerking kon worden genomen.

Voor Taiwan, dat wereldwijd één van de grootste producenten van het betrokken product is, werd evenwel vastgesteld dat de binnenlandse markt representatief was en dat een ruim assortiment aan producten en een groot aantal aanbieders voldoende concurrentie waarborgden. De vier in de steekproef opgenomen producenten/exporteurs in Taiwan hebben aanzienlijke hoeveelheden van het betrokken product op de binnenlandse markt in het kader van normale handelstransacties verkocht.

(64)

Gelet op het voorgaande werd geconcludeerd dat Taiwan een geschikt referentieland was in de zin van artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening.

3.2.   Vaststelling van de normale waarde

3.2.1.   Algemene representativiteit

(65)

Overeenkomstig artikel 2, lid 2, van de basisverordening is de Commissie voor ieder exportland en voor iedere producent/exporteur eerst nagegaan of de binnenlandse verkoop van het betrokken product aan onafhankelijke afnemers representatief was, dit wil zeggen of de totale op de binnenlandse markt verkochte hoeveelheid ten minste 5 % bedroeg van de naar de EG uitgevoerde hoeveelheid.

3.2.2.   Vergelijkbaarheid per productsoort

(66)

Vervolgens heeft de Commissie vastgesteld welke productsoorten die waren verkocht door ondernemingen met een in het algemeen representatieve binnenlandse verkoop identiek waren of rechtstreeks vergelijkbaar waren met de naar de EG uitgevoerde soorten. Hierbij werden de volgende criteria gehanteerd: GN-code, gebruikte grondstof, DIN-nummer (codenummer waaronder het product in de DIN-nomenclatuur is ingedeeld), diameter in mm, lengte in mm.

3.2.3.   Representativiteit per productsoort

(67)

De binnenlandse verkoop van een bepaalde productsoort werd als voldoende representatief beschouwd wanneer van die soort in het onderzoektijdvak op de binnenlandse markt aan onafhankelijke afnemers een hoeveelheid was verkocht die ten minste 5 % bedroeg van de hoeveelheid die naar de EG was uitgevoerd.

3.2.4.   Verkoop in het kader van normale handelstransacties

(68)

De Commissie heeft vervolgens onderzocht of de binnenlandse verkoop van iedere onderneming in ieder exportland beschouwd kon worden als verkoop die had plaatsgevonden in het kader van normale handelstransacties overeenkomstig artikel 2, lid 4, van de basisverordening.

(69)

Hiertoe werd voor iedere uitgevoerde productsoort nagegaan welke hoeveelheid in het onderzoektijdvak op de binnenlandse markt met verlies aan onafhankelijke afnemers was verkocht.

a)

Voor iedere productsoort waarvan meer dan 80 % op de binnenlandse markt was verkocht tegen een prijs die niet lager was dan de kostprijs en waarvan de gewogen gemiddelde verkoopprijs gelijk was aan of hoger dan de gewogen gemiddelde productiekosten was de normale waarde het gewogen gemiddelde van alle binnenlandse verkoopprijzen van die soort.

b)

Voor iedere productsoort waaraan ten minste 10 %, maar niet meer dan 80 %, op de binnenlandse markt was verkocht tegen een prijs die niet lager was dan de kostprijs, was de normale waarde het gewogen gemiddelde van de binnenlandse verkoopprijzen van die soort die gelijk waren aan of hoger dan de kostprijs.

c)

Iedere productsoort waarvan minder dan 10 % op de binnenlandse markt was verkocht tegen een prijs die niet lager was dan de kostprijs werd beschouwd als een soort die niet in het kader van normale handelstransacties was verkocht. In dit geval werd de normale waarde geconstrueerd.

3.2.5.   Op de binnenlandse prijs gebaseerde normale waarde

(70)

Voor de door onderzochte ondernemingen naar de EG uitgevoerde soorten die voldeden aan de voorwaarden van punt 3.2.3 en 3.2.4 a) en b) werd de normale waarde gebaseerd op door onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt in het onderzoektijdvak betaalde of te betalen prijzen zoals bepaald in artikel 2, lid 1, van de basisverordening.

3.2.6.   Geconstrueerde normale waarde

(71)

Voor productsoorten waarop punt 3.2.4 c) van toepassing is en voor productsoorten die door de producent/exporteur niet in representatieve hoeveelheden op de binnenlandse markt waren verkocht zoals in punt 3.2.3 is bepaald, moest de normale waarde worden geconstrueerd.

Om de normale waarde te construeren overeenkomstig artikel 2, lid 6, van de basisverordening werden de verkoopkosten, algemene en administratieve kosten (hierna „de VAA-kosten” genoemd) en gewogen gemiddelde winst van de meewerkende producenten/exporteurs bij de binnenlandse verkoop van het betrokken product in het kader van normale handelstransacties in het onderzoektijdvak toegevoegd aan de gemiddelde fabricagekosten van deze exporteurs in die periode. Zo nodig werden de fabricagekosten en de VAA-kosten gecorrigeerd alvorens werd nagegaan of de verkoop in het kader van normale handelstransacties had plaatsgevonden en de normale waarde werd geconstrueerd.

Voor de exportlanden waarin geen producenten/exporteurs waren die het betrokken product of producten van dezelfde algemene categorie in het onderzoektijdvak op de binnenlandse markt in het kader van normale handelstransacties hadden verkocht, werd de normale waarde geconstrueerd door gebruik te maken van de, zo nodig gecorrigeerde fabricagekosten van de betrokken producent/exporteur. In het voorlopige stadium werd het passend geacht aan deze fabricagekosten de gewogen gemiddelde VAA-kosten en winst in het onderzoektijdvak toe te voegen die waren vastgesteld voor vier in de steekproef opgenomen Taiwanese producenten/exporteurs bij de binnenlandse verkoop van het betrokken product overeenkomstig artikel 2, lid 6, onder c), van de basisverordening.

3.2.7.   Landen met een overgangseconomie

(72)

Overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening werd de normale waarde voor China en Vietnam vastgesteld op basis van de gecontroleerde gegevens van producenten in het referentieland, dit wil zeggen aan de hand van de prijzen die op de binnenlandse markt van Taiwan voor vergelijkbare productsoorten in het kader van normale handelstransacties waren betaald of moesten worden betaald, of aan de hand van een geconstrueerde normale waarde indien voor vergelijkbare productsoorten geen binnenlandse verkoop in het kader van normale handelstransacties had plaatsgevonden.

De normale waarde was dus de gewogen gemiddelde binnenlandse prijs van de vier in de steekproef opgenomen producenten in Taiwan bij verkoop aan onafhankelijke afnemers of was een geconstrueerde normale waarde, per soort.

3.3.   Vaststelling van de normale waarde

a)   Volksrepubliek China

(73)

Aangezien geen enkele onderneming als marktgericht bedrijf werd behandeld, werd de normale waarde voor China vastgesteld zoals beschreven in overweging 72.

b)   Indonesië

(74)

De enige meewerkende Indonesische producent/exporteur verkocht het betrokken product niet op de binnenlandse markt. De normale waarde werd derhalve geconstrueerd zoals beschreven in overweging 71.

(75)

Een andere Indonesische producent/exporteur had de vragenlijst van de Commissie beantwoord, maar had vervolgens zijn activiteiten gestaakt zodat zijn antwoorden niet konden worden gecontroleerd. Derhalve werd geconcludeerd dat deze onderneming niet langer aan het onderzoek meewerkte. De onderneming in kwestie en de Indonesische autoriteiten werden hiervan in kennis gesteld en hebben hierover geen opmerkingen gemaakt.

c)   Maleisië

(76)

De twee meewerkende Maleisische producenten/exporteurs, die in vrije zones waren gevestigd, bleken het betrokken product hoofdzakelijk in vrije zones of douane-entrepots te verkopen, dit wil zeggen om door andere onafhankelijke bedrijven te worden uitgevoerd.

Bijgevolg werd geconcludeerd dat deze producenten/exporteurs in het onderzoektijdvak geen representatieve binnenlandse verkoop hadden en de normale waarde diende derhalve te worden geconstrueerd zoals beschreven in overweging 71.

d)   Taiwan

(77)

Voor vier producenten/exporteurs werd de normale waarde vastgesteld volgens de methode die is beschreven in de overwegingen 65 tot en met 71.

(78)

In de loop van het onderzoek bleek dat twee van deze vier meewerkende producenten/exporteurs banden met elkaar hadden. Deze ondernemingen verkochten het betrokken product op de binnenlandse markt zowel via een gelieerde handelsmaatschappij als rechtstreeks aan onafhankelijke afnemers. Volgens artikel 2, lid 1, eerste alinea, van de basisverordening mag de verkoop aan een gelieerde handelsmaatschappij niet beschouwd worden als verkoop in het kader van normale handelstransacties. Derhalve werden de twee ondernemingen met het oog op de vaststelling van de normale waarde geruime tijd vóór de controle ter plaatse verzocht de prijzen mee te delen van de gelieerde onderneming bij verkoop aan de eerste onafhankelijke afnemer. Ter plaatse werd vastgesteld dat de twee meewerkende producenten deze informatie niet konden verstrekken. De handelsmaatschappij die de producten doorverkocht, kocht het betrokken product aan bij verschillende leveranciers, waaronder de twee producenten/exporteurs, en verkocht het vervolgens aan eindgebruikers, groothandelaren en distributeurs. De betrokken handelsmaatschappij kon aan de hand van haar boekhouding niet aantonen welke producten waren aangekocht bij de twee meewerkende producenten en kon derhalve niet meedelen wat haar wederverkoopprijzen waren bij verkoop aan onafhankelijke afnemers.

De voorlopige conclusie van de Commissie was dat de verkoop van het betrokken product op de binnenlandse markt via de gelieerde handelsmaatschappij niet in aanmerking kon worden genomen voor de berekening van de normale waarde, maar dat de overige binnenlandse verkoop nog steeds als representatief kon worden beschouwd.

(79)

De vijfde in de steekproef opgenomen Taiwanese producent/exporteur bleek het betrokken product niet op de binnenlandse markt te verkopen. De normale waarde werd derhalve geconstrueerd zoals beschreven in overweging 71. In de loop van het onderzoek bleek evenwel dat de verstrekte gegevens veel te wensen overlieten. Ten eerste had de onderneming de verschillende productsoorten niet ingedeeld volgens de duidelijke specificaties van de Commissie, zodat voor een groot aantal productsoorten geen vergelijking kon worden gemaakt met de binnenlandse verkoop van andere Taiwanese producenten. Ten tweede werden bij de controle ter plaatse verschillen vastgesteld tussen de productiekosten van het betrokken product zoals opgegeven als antwoord op de vragenlijst en de kosten die waren vermeld in de winst-en-verliestabel van de vragenlijst of in de boekhouding van de onderneming. Er kon evenmin een verband worden gelegd tussen de aankoop van de grondstoffen en de opgegeven productiekosten per productsoort. De onderneming heeft na de controle ter plaatse nieuwe gegevens over productiekosten verstrekt die echter niet gesteund konden worden door gecontroleerde gegevens.

Gelet op het voorgaande werd de onderneming overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening meegedeeld dat bepaalde gegevens niet konden worden gebruikt voor de dumpingberekening en dat voor de voorlopige bevindingen ten dele gebruik zou worden gemaakt van de beschikbare gegevens. Om de normale waarde te construeren heeft de Commissie derhalve gebruik gemaakt van de gecorrigeerde productiekosten van de uitgevoerde productsoorten die aan de hand van de beschikbare specificaties duidelijk geïdentificeerd konden worden. Aan deze productiekosten werden de gewogen gemiddelde VAA-kosten en de winst toegevoegd van de vier andere meewerkende Taiwanese producenten/exporteurs bij verkoop op de binnenlandse markt.

e)   Thailand

(80)

De vier Thaise meewerkende producenten/exporteurs bleken het betrokken product op de binnenlandse markt niet in representatieve hoeveelheden in het kader van normale handelstransacties te hebben verkocht. Derhalve moest de normale waarde worden geconstrueerd zoals beschreven in overweging 71.

f)   Vietnam

(81)

Aangezien geen enkele Vietnamese producent/exporteur als marktgericht bedrijf kon worden behandeld, werd de normale waarde voor Vietnam vastgesteld zoals beschreven in overweging 72.

4.   Exportprijs

a)   Volksrepubliek China

(82)

De twee producenten/exporteurs die een individuele behandeling hadden verkregen, exporteerden rechtstreeks naar onafhankelijke afnemers in de EG. De exportprijzen werden derhalve gebaseerd op de werkelijk betaalde of te betalen prijzen overeenkomstig artikel 2, lid 8 van de basisverordening.

b)   Indonesië

(83)

De enige meewerkende producent/exporteur voerde rechtstreeks uit naar onafhankelijke afnemers in de EG. De exportprijs werd derhalve gebaseerd op de werkelijk betaalde of te betalen prijzen overeenkomstig artikel 2, lid 8 van de basisverordening.

c)   Maleisië

(84)

Voor één producent/exporteur die rechtstreeks naar onafhankelijke afnemers in de EG uitvoerde, werd de exportprijs vastgesteld op basis van de werkelijk betaalde of te betalen prijs overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening.

(85)

De andere Maleisische producent/exporteur exporteerde rechtstreeks naar onafhankelijke afnemers en naar een gelieerde handelaar in de EG. In het eerste geval werd de exportprijs vastgesteld op basis van de betaalde of te betalen prijzen overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening. Bij uitvoer naar de gelieerde handelaar werd de exportprijs vastgesteld overeenkomstig artikel 2, lid 9 van de basisverordening, namelijk op basis van de prijzen waartegen het betrokken product voor het eerst werd doorverkocht aan een onafhankelijke afnemer. Er werden correcties toegepast om rekening te houden met alle kosten, inclusief rechten en heffingen, tussen invoer en wederverkoop en met de winst van de onafhankelijke importeur.

d)   Taiwan

(86)

De producenten/exporteurs hadden rechtstreeks naar onafhankelijke afnemers in de EG uitgevoerd of via in Taiwan gevestigde handelsmaatschappijen.

(87)

Bij de rechtstreekse uitvoer naar onafhankelijke afnemers in de EG werden de exportprijzen vastgesteld op basis van de werkelijk betaalde of te betalen prijs overeenkomstig artikel 2, lid 8 van de basisverordening.

(88)

Bij uitvoer via handelsmaatschappijen werden de exportprijzen vastgesteld op basis van de prijzen die de handelsmaatschappijen aan de betrokken producenten hadden betaald overeenkomstig artikel 2, lid 8 van de basisverordening.

(89)

Een producent/exporteur die het betrokken product ook via handelsmaatschappijen in Taiwan had verkocht, kon geen bewijsmateriaal voorleggen waaruit de bestemming bleek van de aan die maatschappijen verkochte producten. Met dergelijke verkoop werd derhalve geen rekening gehouden en de exportprijs werd in dit geval uitsluitend gebaseerd op de gegevens over de rechtstreekse uitvoer naar onafhankelijke afnemers in de EG.

e)   Thailand

(90)

De vier meewerkende producenten/exporteurs voerden rechtstreeks uit naar onafhankelijke afnemers in de EG. De exportprijs werd derhalve gebaseerd op de werkelijk betaalde of te betalen prijzen overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening.

f)   Vietnam

(91)

Zoals eerder vermeld in verband met de verzoeken om individuele behandeling heeft slechts één Vietnamese onderneming medewerking verleend, maar deze heeft geen individuele behandeling verkregen. Deze producent maakte het betrokken product op basis van een contract met een meewerkende Taiwanese onderneming. De Taiwanese onderneming was eigenaar van de grondstoffen en verrichte alle functies in verband met de export. Zij kon evenwel aan de hand van haar boekhouding niet aantonen dat de exportprijzen voor onafhankelijke afnemers die de Vietnamese contractant had opgegeven in antwoord op de vragenlijst van de Commissie betrekking hadden op producten die in Vietnam waren vervaardigd en naar de EG uitgevoerd. Deze prijzen konden derhalve niet worden beschouwd als de prijzen bij uitvoer uit Vietnam naar de EG. De onderneming werd hiervan op de hoogte gebracht. Aangezien er geen andere bronnen waren, werden de exportprijzen voor alle producenten/exporteurs voorlopig gebaseerd op de invoerstatistieken van Eurostat.

5.   Vergelijking

(92)

De normale waarde werd met de exportprijs vergeleken in het stadium af fabriek.

(93)

Om een billijke vergelijking te kunnen maken van de normale waarde met de exportprijs werden correcties toegepast om rekening gehouden met verschillen die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening. Voor alle producenten/exporteurs werden, wanneer van toepassing en gerechtvaardigd, correcties toegestaan voor verschillen in de kosten voor vervoer, verzekering, laden, lossen en aanverwante kosten, verpakking, krediet, garanties en commissielonen.

6.   Dumpingmarges

6.1.   Algemene werkwijze

(94)

Overeenkomstig artikel 2, leden 11 en 12 werden de dumpingmarges vastgesteld door per productsoort de gewogen gemiddelde normale waarde met de gewogen gemiddelde exportprijs te vergelijken, vastgesteld zoals hierboven beschreven.

(95)

De dumpingmarge voor meewerkende producenten/exporteurs die niet individueel werden onderzocht, was het gewogen gemiddelde van de dumpingmarges van de in de steekproef opgenomen ondernemingen overeenkomstig artikel 9, lid 6, van de basisverordening.

(96)

Voor producenten/exporteurs die zich niet hadden aangemeld of die de vragenlijst van de Commissie niet hadden beantwoord, werd de dumpingmarge vastgesteld aan de hand van de beschikbare gegevens overeenkomstig artikel 18, lid 1, van de basisverordening.

(97)

Om de dumpingmarge vast te stellen voor de producenten/exporteurs die geen medewerking verleenden, werd eerst het niveau van medewerking in een bepaald land vastgesteld. Hiertoe werden de naar de EG uitgevoerde hoeveelheden die de meewerkende producenten/exporteurs hadden opgegeven, vergeleken met de invoerstatistieken van Eurostat.

(98)

Wanneer het niveau van medewerking laag was, dat wil zeggen wanneer niet-meewerkende ondernemingen meer dan 20 % van de bedoelde export vertegenwoordigden, werd het passend geacht de dumpingmarge voor de niet-meewerkende producenten/exporteurs vast te stellen op een hoger niveau dan de hoogste dumpingmarge die voor een meewerkende producent/exporteur was vastgesteld. Er kon immers worden aangenomen dat het lage niveau van medewerking het gevolg was van het feit dat de niet-meewerkende producenten/exporteurs doorgaans in ernstiger mate dumping toepasten dan de meewerkende producenten/exporteurs. De dumpingmarge werd in dat geval gelijkgesteld met de gewogen gemiddelde dumpingmarge van de meest verkochte representatieve productsoort van een meewerkende producent/exporteur met de hoogste dumpingmarges.

(99)

Wanneer het niveau van medewerking hoog was, werd het passend geacht om de dumpingmarge voor niet-meewerkende producenten/exporteurs gelijk te stellen met de hoogste dumpingmarge die voor een meewerkende producent/exporteur in het betrokken land was vastgesteld, daar er geen reden was om aan te nemen dat de dumpingmarge voor een niet-meewerkende producent/exporteur lager zou zijn.

(100)

Het is een vaste praktijk van de Commissie om gelieerde producenten/exporteurs of producenten/ exporteurs die tot dezelfde groep behoren als één enkele entiteit te beschouwen en voor deze exporteurs één enkele dumpingmarge vast te stellen. Deze praktijk wordt met name toegepast omdat individuele antidumpingrechten voor dit soort ondernemingen ontduiking van de rechten in de hand kan werken — en dus de doeltreffendheid van die rechten kan verminderen — doordat ondernemingen naar de EG zouden kunnen uitvoeren via de met hen gelieerde onderneming waarvoor het laagste individuele antidumpingrecht geldt.

Overeenkomstig deze praktijk werden de twee Taiwanese producenten/exporteurs die tot dezelfde groep behoren beschouwd als één enkele entiteit en werd voor hen één enkele dumpingmarge vastgesteld. Voor deze producenten/exporteurs werd eerst één dumpingmarge per onderneming berekend en vervolgens een gewogen gemiddelde van beide dumpingmarges dat dan op beide ondernemingen van toepassing was.

6.2.   Dumpingmarges

a)   Volksrepubliek China

(101)

Het niveau van medewerking in China was zeer laag (niet-meewerkende exporteurs waren goed voor ongeveer 85 % van de uitvoer naar de EG).

(102)

De voorlopige dumpingmarges, in percenten van de invoerprijs, cif grens EG, vóór inklaring bedroegen:

Tengzhou Tengda Stainless Steel Product Co., Ltd, Tengzhou City 21,5 %

Tong Ming Enterprise (Jiaxing) Co. Ltd, Zhejiang 12,2 %

Alle andere ondernemingen 27,4 %

b)   Indonesië

(103)

Het niveau van medewerking in Indonesië was zeer laag (niet-meewerkende exporteurs waren goed voor ongeveer 60 % van de uitvoer naar de EG). De voorlopige dumpingmarges, in percenten van de prijs cif grens EG, vóór inklaring bedroegen:

PT. Shye Chang Batam Indonesia, Batam 9,8 %

Alle andere ondernemingen 24,6 %

c)   Maleisië

(104)

Alle producenten/exporteurs in Maleisië hebben medewerking verleend. Er werden voorlopig geen dumpingmarges vastgesteld voor de beide meewerkende producenten/exporteurs (Tigges Stainless Steel Fasteners (M) Sdn. Bhd., Ipoh, Chemor en Tong Heer Fasteners Co. Sdn., Bhd, Penang) en daarom behoeven geen voorlopige maatregelen ten aanzien van Maleisië te worden genomen. Indien deze bevindingen later worden bevestigd, wordt de procedure ten aanzien van Maleisië beëindigd.

d)   De Filipijnen

(105)

Zoals in overweging 14 vermeld, bleek bijna de gehele invoer uit de Filipijnen uit moeren te bestaan. Aangezien voorlopig werd geconcludeerd dat moeren van de omschrijving van het betrokken product moesten worden uitgesloten, werd geen dumpingmarge vastgesteld en worden geen voorlopige maatregelen genomen ten aanzien van de invoer uit de Filipijnen.

e)   Taiwan

(106)

Voor één in de steekproef opgenomen Taiwanese producent/exporteur werd voor de vaststelling van de dumpingmarge ten dele gebruik gemaakt van beschikbare gegevens overeenkomstig artikel 18, lid 1 van de basisverordening. Overeenkomstig artikel 9, lid 6, van de basisverordening werd geen rekening gehouden met deze dumpingmarge bij de berekening van de gewogen gemiddelde dumpingmarge voor de niet in de steekproef opgenomen meewerkende producenten/exporteurs.

(107)

Twee in de steekproef opgenomen producenten/exporteurs hadden banden met elkaar en daarom werd één enkele dumpingmarge voor beiden berekend.

(108)

Het niveau van medewerking in Taiwan was niet hoog (niet-meewerkende exporteurs waren goed voor ongeveer 22 % van de uitvoer naar de EG). De voorlopige dumpingmarges, in percenten van de prijs cif grens EG, vóór inklaring, zijn:

Arrow Fasteners Co. Ltd, Taipei 15,2 %

Jin Shing Stainless Ind. Co. Ltd, Tao Yuan 18,8 %

Min Hwei Enterprise Co. Ltd, Pingtung 16,1 %

Tong Hwei Enterprise, Co. Ltd, Kaohsiung 16,1 %

Yi Tai Shen Co. Ltd, Tainan 11,4 %

Niet in de steekproef opgenomen meewerkende producenten/exporteurs 15,8 %

Alle andere ondernemingen 23,6 %

f)   Thailand

(109)

Alle producenten/exporteurs in Thailand hebben medewerking verleend. De voorlopige dumpingmarges, in percenten van de prijs cif grens EG, vóór inklaring, zijn:

A.B.P. Stainless Fasteners Co. Ltd, Ayutthaya 15,9 %

Bunyat Industries 1998 Co. Ltd, Samutsakorn 10,8 %

Dura Fasteners Company Ltd, Samutprakarn 14,6 %

Siam Screws (1994) Co. Ltd, Samutsakorn 11,0 %

Alle andere ondernemingen 15,9 %

g)   Vietnam

(110)

De voorlopige dumpingmarge voor alle ondernemingen in Vietnam, in procenten van de prijs cif grens EG, vóór inklaring, is 7,7 %.

E.   SCHADE

1.   Productie van de EG

(111)

Uit het onderzoek met het oog op het samenstellen van de steekproef bleek dat het betrokken product in het onderzoektijdvak in de EG werd vervaardigd door zeven producenten (zie overweging 30). Twee daarvan verleenden evenwel geen verdere medewerking aan het onderzoek. Bovendien was de klacht mede ingediend door een aantal andere kleine EG-producenten die ook niet aan het onderzoek meewerkten.

(112)

De productie van de EG, in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening werd derhalve voorlopig berekend door aan de productie van de zeven producenten die uit het onderzoek met het oog op het samenstellen van de steekproef bekend zijn de productie toe te voegen van de andere kleine, niet-meewerkende producenten die in de klacht werden genoemd.

2.   Omschrijving van de bedrijfstak van de EG

(113)

De vijf in overweging 30 vermelde meewerkende producenten vertegenwoordigden 54 % van de totale productie van het betrokken product in de EG. Deze ondernemingen zijn derhalve de bedrijfstak van de EG in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening en worden hierna ook zo genoemd. Vier van deze ondernemingen, die goed zijn voor het grootste deel van de productie, werden in de steekproef opgenomen overeenkomstig artikel 17, lid 1, van de basisverordening. Zij worden „de in de steekproef opgenomen EG-producenten” genoemd.

(114)

De hieronder vermelde schade-indicatoren hebben deels betrekking op de gehele bedrijfstak van de EG en deels op de in de steekproef opgenomen EG-producenten. De schade-analyse wat betreft marktaandeel, productie, capaciteit en bezettingsgraad, verkoopvolume en waarde van de verkoop, groei, voorraden, werkgelegenheid en productiviteit is gebaseerd op gegevens over de gehele bedrijfstak van de EG. In de andere gevallen werd gebruik gemaakt van de gegevens van de in de steekproef opgenomen EG-producenten (verkoopprijzen, investeringen en rendement van investeringen, lonen, winstgevendheid, kasstroom en vermogen om kapitaal aan te trekken).

3.   Onderzoek van de situatie op de EG-markt

3.1.   Inleiding

(115)

Voor de beoordeling van de ontwikkeling van hoeveelheden en prijzen werd gebruik gemaakt van de statistieken van Eurostat voor de GN-7318 12 10, 7318 14 10, 7318 15 30, 7318 15 51, 7318 15 61 en 7318 15 70 alsmede van de gegevens in de gecontroleerde antwoorden van de bedrijfstak van de EG op de vragenlijst. Er wordt aan herinnerd dat moeren in het voorlopige stadium buiten de productomschrijving vallen. Gegevens over dit artikel (GN-code 7318 16 30) werden bij onderhavig onderzoek buiten beschouwing gelaten.

(116)

Gegevens over de bedrijfstak van de EG zijn afkomstig van de gecontroleerde antwoorden van de meewerkende EG-producenten op de vragenlijst.

(117)

Van september 1997 tot en met februari 2003 waren antidumpingmaatregelen van toepassing op roestvrijstalen bevestigingsmiddelen uit China, India, Maleisië, de Republiek Korea, Taiwan en Thailand (3).

3.2.   Verbruik in de EG

(118)

Voor de berekening van het zichtbare verbruik van het betrokken product in de EG heeft de Commissie de volgende hoeveelheden opgeteld:

de totale in de EG ingevoerde hoeveelheden van het betrokken product volgens Eurostat,

de totale in de EG verkochte hoeveelheden van het betrokken product die door de bedrijfstak van de EG werden vervaardigd,

de door de andere bekende EG-producenten in de EG verkochte hoeveelheden van het betrokken product, geraamd op basis van de gegevens in de klacht.

Zoals blijkt uit onderstaande tabel steeg het verbruik van het betrokken product in de EG in de beoordelingsperiode met 24 %.

 

2001

2002

2003

Onderzoektijdvak

Verbruik in de EG

63 907 918

70 113 833

75 854 601

79 427 756

Index

100

110

119

124

3.3.   Invoer van het betrokken product in de EG

3.3.1.   Samenvoeging van de invoer uit de betrokken landen

(119)

De invoer met dumping van het betrokken product uit China, Indonesië, Taiwan, Thailand en Vietnam (hierna „de betrokken landen” genoemd) werd cumulatief beoordeeld overeenkomstig artikel 3, lid 4, van de basisverordening. Er wordt aan herinnerd dat uit Maleisië niet met dumping werd ingevoerd en dat uit de Filipijnen uitsluitend moeren werden ingevoerd die voorlopig van de procedure werden uitgesloten. Deze invoer werd derhalve niet samen met de invoer met dumping onderzocht. De dumpingmarges die werden vastgesteld bij de invoer uit elk betrokken land waren meer dan minimaal (2 % van de exportprijs) in de zin van artikel 9, lid 3, van de basisverordening. Het invoervolume uit elk betrokken land overschreed de in artikel 5, lid 7, van de basisverordening genoemde drempel van 1 % marktaandeel. De gemiddelde invoerprijzen van het betrokken product uit alle betrokken landen daalden in de beoordelingsperiode voortdurend. Bovendien waren de betrokken producten uit de betrokken landen in alle opzichten gelijkaardig; zij waren onderling verwisselbaar en werden in de EG via vergelijkbare verkoopkanalen en op vergelijkbare voorwaarden verkocht zodat zij dus met elkaar en met het betrokken EG-product concurreerden. Derhalve wordt voorlopig geconcludeerd dat de gevolgen van de invoer cumulatief moeten worden beoordeeld.

3.3.2.   Invoervolume, prijs en marktaandeel

(120)

Het invoervolume steeg in de beoordelingsperiode aanmerkelijk. In het onderzoektijdvak werd 96 % meer ingevoerd dan in 2001.

 

2001

2002

2003

Onderzoektijdvak

Gemiddelde invoerprijs per kg

(in EUR)

3,53

2,90

2,50

2,41

Index

100

82

71

68

(121)

De gemiddelde invoerprijs van het betrokken product daalde in de beoordelingsperiode voortdurend. In het onderzoektijdvak waren de prijzen 32 % lager dan in 2001.

 

2001

2002

2003

Onderzoektijdvak

Marktaandeel EG

21,9 %

20,4 %

29,6 %

34,5 %

Index

100

93

135

158

(122)

Het aandeel van de betrokken landen op de EG-markt daalde van 2001 op 2002 met 7 %. Vanaf 2003 voerden de betrokken landen hun activiteiten op de EG-markt in snel tempo sterk op, hetgeen leidde tot een groei van het marktaandeel met 58 % in de beoordelingsperiode.

3.3.3.   Prijsonderbieding

(123)

Voor de vaststelling van de prijsonderbieding werden de prijzen in het onderzoektijdvak onderzocht. De prijzen af fabriek van de bedrijfstak van de EG bij verkoop aan onafhankelijke afnemers werden vergeleken met de cif invoerprijzen van de producenten/exporteurs uit de betrokken landen bij verkoop aan de eerste onafhankelijke afnemer in de EG; in beide gevallen na aftrek van kortingen, commissielonen, heffingen en rechten.

(124)

De verkoopprijzen van de bedrijfstak van de EG en de cif-invoerprijzen van de producenten/exporteurs werden vergeleken in hetzelfde handelsstadium, namelijk dat van de handelaren/distributeurs in de EG, en aan de hand van gewogen gemiddelden. De vergelijking vond plaats per soort bevestigingsmiddel en per gebruikte soort roestvrij staal. In het onderzoektijdvak vond bijna alle verkoop van de producenten/exporteurs in de EG plaats via handelaren/distributeurs.

(125)

Bij deze vergelijking werden aanzienlijke onderbiedingsmarges gevonden (tot 59,2 % van de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de EG in het onderzoektijdvak). Deze prijsonderbiedingsmarges wijzen erop dat de invoer uit de betrokken landen druk op de prijzen op de EG-markt uitoefende.

(126)

De onderbiedingsmarges waren als volgt:

Land

Onderbiedingsmarge

China

van 8,6 % tot 59,2 %

Indonesië

van 28 % tot 31,9 %

Taiwan

van 7 % tot 38,9 %

Thailand

van 13,1 % tot 44,4 %

Vietnam

28,2 %

3.4.   Economische situatie van de bedrijfstak van de EG

3.4.1.   Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad

(127)

Na een stijging van de productie met 31 % in 2002, die de groei van het verbruik in de EG in relatieve termen overschreed, begon de productie te dalen om vanaf 2003 stabiel te blijven op een niveau dat 15 % hoger was dan het niveau van 2001. Er wordt op gewezen dat de productie geen gelijke tred hield met het verbruik in de EG dat in de beoordelingsperiode met 24 % steeg.

(128)

De productiecapaciteit van de bedrijfstak van de EG steeg met 24 % en bereikte in 2002 een piek; dit stemde overeen met de investeringen die de in de steekproef opgenomen EG-producenten hadden gedaan.

(129)

Na een geringe verbetering in 2002 daalde de bezettingsgraad van de bedrijfstak van de EG; over de gehele beoordelingsperiode bedroeg de daling 7 %.

3.4.2.   Verkoopvolume, verkoopprijs, marktaandeel en groei

(130)

De verkoop van de bedrijfstak van de EG steeg in de beoordelingsperiode met 7 %. Na een stijging met 22 % in 2002 daalde de verkoop van de bedrijfstak van de EG echter voortdurend. Bovendien was deze stijging aanzienlijk lager dan de groei van het verbruik in de EG met 24 % en veel lager dan de stijging van de invoer uit de betrokken landen die in de beoordelingsperiode 96 % bedroeg.

(131)

De gemiddelde verkoopprijzen van de bedrijfstak van de EG stegen in de beoordelingsperiode met 6 %. Na een daling met 13 % van 2001 op 2002 zijn de prijzen voortdurend blijven stijgen.

(132)

Over de gehele beoordelingsperiode daalde het marktaandeel van de bedrijfstak van de EG met 14 %. Na een stijging met 12 % van 2001 op 2002 is dit marktaandeel voortdurend blijven dalen. Het marktaandeel was in het onderzoektijdvak 26 % lager dan in 2002. Terzelfder tijd is het marktaandeel van het betrokken product uit de betrokken landen sterk toegenomen.

(133)

De indicatoren „productie” en „verkoop” van de EG-bedrijfstak geven in de beoordelingsperiode in absolute termen een stijging te zien, maar vanaf 2002 kon toch een daling worden waargenomen. Bovendien kromp het marktaandeel in de beoordelingsperiode wat erop wees dat de bedrijfstak van de EG in relatieve termen, dit wil zeggen in vergelijking met concurrenten, niet groeide.

3.4.3.   Winstgevendheid

(134)

In de beoordelingsperiode verbeterde de winstgevendheid van de in de steekproef opgenomen EG-producenten. Na bescheiden winsten in 2001 daalde de winstgevendheid en in 2002 was er sprake van verlies. Van 2002 op 2003 verbeterde de winstgevendheid, maar was de bedrijfstak van de EG nog steeds verlieslatend. In het onderzoektijdvak was de winstgevendheid het hoogst en werd een gemiddelde winst van 4,3 % geboekt. Op het eerste zicht lijkt dit positief, maar deze ontwikkeling moet in de juiste context worden gezien.

(135)

In feite behaalden de in de steekproef opgenomen EG-producenten zelfs in het onderzoektijdvak gemiddeld niet de minimumwinst die in afwezigheid van dumping passend en haalbaar wordt geacht, namelijk 5 % (zie overweging 178) en waren zij ver verwijderd van de winst van 9,1 % (4) die de bedrijfstak van de EG in 1995 maakte, voordat het betrokken product met dumping werd ingevoerd.

(136)

Bovendien moet erop worden gewezen dat deze verbeterde winstgevendheid in het onderzoektijdvak i) bereikt werd ten koste van een dalend marktaandeel en ii) hoofdzakelijk het gevolg was van een sterke speculatieve stijging van de prijs van het belangrijkste kostenelement, namelijk roestvrij staal. Door de verwachte stijging van de prijs van het roestvrij staal kon de bedrijfstak van de EG hogere prijzen realiseren door gebruik te maken van de voorraden betrekkelijk goedkoop roestvrij staal die vóór de prijsstijging waren aangelegd. Aan dit kostenvoordeel kwam evenwel een eind zodra de voorraden waren uitgeput en nieuw staal moest worden aangekocht tegen aanzienlijk hogere prijzen. Bovendien blijft een dergelijke speculatieve fase in het algemeen niet duren wanneer afnemers, met name grote distributeurs die zich in een sterke onderhandelingspositie bevinden, opnieuw sterke druk uitoefenen op de prijzen zodra zij merken dat de staalprijzen stagneren of dalen. Bijgevolg is de gestegen winstgevendheid, hoofdzakelijk het gevolg van de zeer gunstige marktomstandigheden voor de bedrijfstak van de EG, hoofdzakelijk in de tweede fase van het onderzoektijdvak, maar die niet duurzaam waren.

3.4.4.   Voorraden

(137)

De eindejaarsvoorraden van de bedrijfstak van de EG daalden in de beoordelingsperiode sterk, namelijk met 52 %. Dit kan worden verklaard door: i) een grotere productie „op bestelling” (in dat geval zijn voorraden niet zeer belangrijk) en ii) een daling van de productie sedert 2002.

3.4.5.   Investeringen, opbrengst van investeringen, kasstroom en vermogen om kapitaal aan te trekken

(138)

Van 2001 tot in 2003 investeerden de in de steekproef opgenomen EG-producenten steeds meer, met name om oudere machines en uitrusting te vervangen. In het onderzoektijdvak waren de investeringen 35 % lager dan in het begin van de beoordelingsperiode. Deze daling in het onderzoektijdvak kan evenwel ten dele worden verklaard door de aanzienlijke investeringen in de voorafgaande jaren. Investeringen in de productie van het betrokken product zijn noodzakelijk om het concurrentievermogen te handhaven en te verbeteren en beter te voldoen aan milieu- en veiligheidsnormen.

(139)

Het rendement van investeringen verbeterde in de beoordelingsperiode, hetgeen in overeenstemming is met de betere winstgevendheid van de in de steekproef opgenomen EG-producenten in het onderzoektijdvak, en de juistheid van de besluiten tot investeren bevestigt. Zoals reeds vermeld bij de analyse van de winstgevendheid kan deze verbeterde winstgevendheid echter grotendeels worden verklaard door bijzondere omstandigheden van tijdelijke aard (speculatieve stijging van de staalprijs in het onderzoektijdvak). Bovendien wordt de relatief betere evolutie van de indicator „opbrengst van de investeringen” ten opzichte van de indicator „winstgevendheid” verklaard door het feit dat een deel van de in de steekproef opgenomen EG-producenten steeds meer geleasde machines hebben gebruikt.

(140)

Hoewel de kasstroom van de in de steekproef opgenomen EG-producenten die gegenereerd werd door de verkoop van het betrokken product sedert 2002 verbeterde, daalde deze kasstroom over de gehele beoordelingsperiode met 36 %.

(141)

De in de steekproef opgenomen EG-producenten ondervonden geen beduidende moeilijkheden om kapitaal aan te trekken zoals blijkt uit hun vermogen om in de beoordelingsperiode te investeren.

3.4.6.   Werkgelegenheid, productiviteit en lonen

(142)

De werkgelegenheid in de bedrijfstak van de EG steeg in 2002, maar daalde daarna voortdurend, voor de beoordelingsperiode als geheel met 5 %. Deze negatieve ontwikkeling viel samen met de daling van de productie vanaf 2002.

(143)

De productiviteit, in geproduceerde kg per werknemer, steeg in de beoordelingsperiode met 22 %, hetgeen wijst op de wil en het vermogen om het concurrentievermogen te handhaven en te verbeteren.

(144)

Het loon per werknemer steeg in de beoordelingsperiode met 10 %, als beloning voor de gestegen productiviteit en als compensatie voor de inflatie. Bovendien kon sedert 2002 in absolute termen een daling van de loonkosten worden vastgesteld.

3.4.7.   Omvang van de dumping en herstel van eerdere dumping

(145)

Gelet op de met dumping ingevoerde hoeveelheden uit de betrokken landen kunnen de gevolgen van de vastgestelde dumpingmarges niet als verwaarloosbaar worden beschouwd.

(146)

Tot begin 2003 golden antidumpingmaatregelen ten aanzien van het betrokken product uit China, India, Maleisië, de Republiek Korea, Taiwan en Thailand. De bedrijfstak van de EG kon zich evenwel niet volledig herstellen van de dumping die in het verleden had plaatsgevonden, zoals met name blijkt uit de ontwikkeling van het marktaandeel, de omvang van de verkoop en de werkgelegenheid. Dit werd bijzonder duidelijk na het vervallen van de vorige antidumpingmaatregelen.

3.4.8.   Conclusie

(147)

In de beoordelingsperiode was de bedrijfstak van de EG in staat productie en verkoopvolume te doen stijgen, de voorraden te verminderen en voortdurend te investeren. Hij ondervond geen moeilijkheden om kapitaal aan te trekken en de productiviteit verbeterde. In absolute termen daalden de arbeidskosten. Bovendien kon de bedrijfstak van de EG zijn prijzen in het onderzoektijdvak verhogen, zodat de winstgevendheid en de opbrengst van investeringen verbeterde.

(148)

Deze positieve resultaten dienen evenwel in de juiste context te worden geplaatst. De hogere prijzen en de verbeterde winstgevendheid gingen ten koste van aanzienlijke verliezen aan marktaandeel, namelijk met 14 % over de gehele beoordelingsperiode en zelfs met 26 % sedert 2002. Met name door de beschikbaarheid van goedkope ingevoerde dumpingproducten kozen de afnemers voor andere leveranciers, zodat de bedrijfstak van de EG zijn marktaandeel niet kon behouden.

(149)

Bovendien – en deze bevindingen lopen gelijk met de bevindingen in verband met het marktaandeel – hield de bedrijfstak van de EG in de beoordelingsperiode met een groei van de productie (met 15 %) en van de verkoop (met 7 %) geen gelijke tred met de beduidend gunstiger ontwikkeling van het verbruik in de EG (+ 24 %). De werkgelegenheid in de bedrijfstak van de EG daalde met 5 %, hetgeen de lagere arbeidskosten verklaart. Bovendien kan de winstgevendheid van de in de steekproef opgenomen EG-producenten in het algemeen niet als bevredigend worden beschouwd. Voor het grootste deel van de beoordelingsperiode was de winst duidelijk ontoereikend (verliezen of onvoldoende winst). Hoewel de winstgevendheid van de in de steekproef opgenomen EG-producenten in het onderzoektijdvak verbeterde (4,3 % winstmarge) i) is de winst nog steeds lager dan de minimumwinst van 5 % die in afwezigheid van schadelijke dumping waarschijnlijk kan worden gemaakt en ii) kan de winst grotendeels worden toegeschreven aan tijdelijke gevolgen van de gestegen staalprijzen. De negatieve situatie van de bedrijfstak van de EG komt verder tot uiting in de ontwikkeling van de kasstroom.

(150)

Daar de negatieve indicatoren zwaarder doorwegen dan de positieve wordt voorlopig geconcludeerd dat de bedrijfstak van de EG aanmerkelijke schade heeft geleden in de zin van artikel 3, lid 1 van de basisverordening.

F.   OORZAKELIJK VEBAND

1.   Inleiding

(151)

Volgens artikel 3, leden 6 en 7, van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of de bedrijfstak van de Gemeenschap aanmerkelijke schade heeft geleden door de invoer met dumping van het betrokken product uit de betrokken landen. Andere bekende factoren dan de invoer met dumping waardoor de bedrijfstak van de Gemeenschap terzelfdertijd schade kon hebben geleden werden eveneens onderzocht om te voorkomen dat mogelijke schade door deze andere factoren aan de invoer met dumping werd toegeschreven.

2.   Gevolgen van de invoer met dumping

(152)

De betrokken landen hebben hun marktpositie sedert 2003 sterk verbeterd. Er kan duidelijk worden vastgesteld dat de stijging van hun marktaandeel met 58 % samenvalt met een daling van het marktaandeel van de bedrijfstak van de EG. Bovendien was de stijging van het invoervolume uit de betrokken landen (met 96 %) veel sterker dan de stijging van het verbruik op de EG-markt (24 %). En ten slotte was de gemiddelde prijs bij invoer uit de betrokken landen sedert 2003, tengevolge van de onbillijke handelspraktijken in de vorm van dumping na het vervallen van de antidumpingmaatregelen, aanmerkelijk lager dan de prijs van de bedrijfstak van de EG zodat de prijzen onder druk stonden.

Derhalve werd voorlopig vastgesteld dat de invoer met dumping uit de betrokken landen aanzienlijke negatieve gevolgen had voor de situatie van de bedrijfstak van de EG in de beoordelingsperiode, met name in termen van marktaandeel en verkoopvolume.

3.   Gevolgen van andere factoren

3.1.   Invoer uit andere derde landen

(153)

De invoer van het betrokken product uit andere landen dan de betrokken landen daalde in het algemeen. Het marktaandeel van het betrokken product uit andere dan de bij deze procedure betrokken landen daalde in de beoordelingsperiode met 20 %. Bovendien was de gemiddelde prijs bij invoer uit die andere landen aanmerkelijk hoger dan de prijs bij invoer uit de betrokken landen.

(154)

Twee exporteurs voerden aan dat het oorzakelijke verband dat zou bestaan tussen de aanmerkelijke schade die de bedrijfstak van de EG leed en de invoer met dumping uit de betrokken landen verbroken werd door de invoer uit India, de Republiek Korea en Noorwegen.

(155)

Op basis van de gegevens waarover de Commissie beschikt, kan de invoer uit de Republiek Korea (onderzoektijdvak: 221 t tegen gemiddeld 2,72 EUR/kg) en Noorwegen (onderzoektijdvak: 438 t tegen gemiddeld 2,89 EUR/kg), gezien de geringe hoeveelheden en de toegepaste prijzen, niet de schade verklaren die de bedrijfstak van de EG ondervond. Voorts is de invoer uit Noorwegen in de beoordelingsperiode met 36 % gedaald.

(156)

De invoer uit India is echter vanaf 2003 aanmerkelijk gestegen (onderzoektijdvak: 1 147,6 t) terwijl de prijzen laag waren (gemiddeld 1,91 EUR/kg). Het kan niet worden uitgesloten dat deze invoer in het onderzoektijdvak een negatieve invloed heeft gehad op de situatie van de bedrijfstak van de EG, met name in de vorm van een druk op de prijzen. Gezien echter de betrekkelijk geringe invoer uit India in vergelijking met de invoer uit de betrokken landen (27 400 t tegen gemiddeld 2,41 EUR/kg) werd geoordeeld dat de invoer uit India (marktaandeel in het onderzoektijdvak: 1,4 %) het oorzakelijke verband niet heeft verbroken tussen de invoer met dumping uit de betrokken landen en de aanmerkelijke schade. De invoer uit India, op zich, kan het aanzienlijke verlies aan marktaandeel van de bedrijfstak van de EG niet verklaren en evenmin de veel geringere stijging van het verkoopvolume ten opzichte van de stijging van het verbruik.

(157)

In tegenstelling tot hetgeen twee exporteurs hebben beweerd, is er geen sprake van een discriminerende behandeling in de zin van artikel 9, lid 5, van de basisverordening, omdat de invoer uit India niet in kader van onderhavig onderzoek werd behandeld. De invoer uit India was in de beoordelingsperiode, tot het onderzoektijdvak, verwaarloosbaar in de zin van artikel 5, lid 7, van de basisverordening. De invoer ging pas stijgen in het onderzoektijdvak, maar zelfs toen bleef deze invoer tamelijk bescheiden (1,4 % marktaandeel). Bovendien wordt erop gewezen dat de Commissie op het ogenblik dat deze procedure werd ingeleid niet over bewijsmateriaal beschikte dat het betrokken product met dumping uit India werd ingevoerd.

(158)

Aangezien de invoer uit de Filipijnen en Maleisië van het onderzoek werd uitgesloten, werd nagegaan of deze invoer het oorzakelijke verband tussen de invoer met dumping en de aanmerkelijke schade voor de bedrijfstak van de EG kon hebben verbroken. Na de uitsluiting van moeren van de productomschrijving was de invoer van andere roestvrijstalen bevestigingsmiddelen uit de Filipijnen duidelijk verwaarloosbaar (marktaandeel in het onderzoektijdvak 0,1 %) terwijl de prijzen vrij hoog waren (3,47 EUR/kg). Daarom kon niet worden beweerd dat de invoer uit de Filipijnen schade veroorzaakte. De invoer uit Maleisië was ook gering en ook de prijzen van het betrokken product uit Malesië waren gemiddeld vrij hoog (onderzoektijdvak: 1 456 tegen 2,70 EUR/kg) in vergelijking met het betrokken product uit de betrokken landen. Bovendien was het marktaandeel van het betrokken product uit Maleisië in de beoordelingsperiode met 6 % gedaald. Bijgevolg wordt voorlopig geoordeeld dat, hoewel de invoer uit Maleisië negatieve gevolgen voor de situatie van de bedrijfstak van de EG kan hebben gehad, deze gevolgen niet van dien aard waren dat zij de schadelijke gevolgen neutraliseerden van de invoer met dumping uit de betrokken landen.

(159)

Derhalve werd voorlopig geconcludeerd dat de invoer uit andere landen dan de betrokken landen het oorzakelijk verband tussen de aanmerkelijke schade voor de bedrijfstak van de EG en de invoer met dumping uit de betrokken landen niet hebben verbroken.

3.2.   Ontwikkeling van het verbruik op de EG-markt

(160)

Het verbruik van het betrokken product op de EG-markt steeg in de beoordelingsperiode met 24 %. De schade voor de bedrijfstak van de EG kon derhalve niet worden toegeschreven aan een inkrimping van de vraag op de EG-markt.

3.3.   Concurrentievermogen van de bedrijfstak van de EG

(161)

De bedrijfstak van de EG is een belangrijke aanbieder van het betrokken product zoals blijkt uit zijn marktaandeel en heeft voortdurend geïnvesteerd om de laatste technische ontwikkelingen te volgen. De productiviteit per werknemer verbeterde in de beoordelingsperiode zelfs met 22 %. Hoewel vier exporteurs het tegendeel beweerden, blijkt uit deze verbeterde productiviteit, die samenvalt met de investeringen, dat de aanmerkelijke schade die de bedrijfstak van de EG heeft geleden niet veroorzaakt werd door zijn investeringsbeleid. Integendeel, gezien de verbeterde productiviteit, hebben de investeringen de schade beperkt. Er waren dus geen aanwijzingen dat het oorzakelijke verband tussen de invoer uit de betrokken landen en de schade door een gebrek aan concurrentievermogen is verbroken.

4.   Conclusie

(162)

De voorlopige conclusie is derhalve dat de bedrijfstak van de EG aanmerkelijke schade heeft geleden door de invoer uit de vijf betrokken landen samen. Er werden geen andere factoren gevonden die dit oorzakelijke verband konden hebben verbroken.

G.   BEDRIJFSTAK VAN DE EG

1.   Inleiding

(163)

Er werd nagegaan of er dwingende redenen waren die tot de conclusie leiden dat het in dit geval niet in het belang van de EG was om voorlopige maatregelen te nemen. Hiertoe werden de mogelijke gevolgen van maatregelen voor alle belanghebbenden onderzocht overeenkomstig artikel 21, lid 1, van de basisverordening. In dit verband werd een vragenlijst toegezonden aan de bedrijven die het betrokken product gebruiken en importeurs van het betrokken product alsmede de toeleveranciers van de EG-producenten.

2.   Belang van de bedrijfstak van de EG

(164)

Uit het onderzoek is gebleken dat de bedrijfstak van de EG gezond en concurrerend is indien de marktvoorwaarden billijk zijn. Zoals eerder vermeld beschikt de bedrijfstak van de EG over een omvangrijke overcapaciteit. Benutting van deze overcapaciteit zou gunstig zijn voor de verbetering van verkoop en marktaandeel, voor de toename van het aantal arbeidsplaatsen en — door schaalvoordelen — een duurzame en bevredigende winstgevendheid. Deze verbeteringen worden evenwel vooral verhinderd door de voortdurende prijsdruk door invoer met dumping. Door antidumpingmaatregelen zou deze onbillijke prijsdruk worden verlicht.

(165)

Geoordeeld wordt dat de bedrijfstak van de EG, indien geen maatregelen worden genomen om de negatieve gevolgen van de invoer met dumping te corrigeren, verder te kampen zal hebben met prijsonderbieding, en dus met prijsdruk en de negatieve gevolgen daarvan, met name voor marktaandeel en verkoop. Het voortbestaan van de bedrijfstak van de EG zou hierdoor in gevaar kunnen komen. Bijgevolg wordt geoordeeld dat het in het belang van de bedrijfstak van de EG is dat antidumpingmaatregelen worden genomen.

3.   Belang van de importeurs/distributeurs

(166)

De rol van importeurs/distributeurs beperkt zich bijna uitsluitend tot die van tussenpersoon tussen producenten (in en buiten de EG) en verwerkende bedrijven. Hun onderhandelingspositie en hun vermogen om grote voorraden van het betrokken product aan te leggen hebben grote gevolgen voor de prijzen van dat product.

(167)

Vier in de steekproef opgenomen importeurs/distributeurs hebben de vragenlijst beantwoord, maar slechts twee daarvan volledig. Deze twee importeurs waren in het onderzoektijdvak goed voor ongeveer 14 % van de invoer van het betrokken product uit de betrokken landen. Bovendien heeft een organisatie van Duitse importeurs/distributeurs opmerkingen gemaakt. De importeurs/distributeurs en deze organisatie werden ook gehoord.

(168)

De importeurs/distributeurs in de EG zijn geen voorstander van antidumpingmaatregelen. De meewerkende importeurs en hun organisatie voerden aan dat antidumpingmaatregelen de prijzen voor de verwerkende bedrijven zal verhogen, terwijl het betrokken product uit de betrokken landen en dat van de bedrijfstak van de EG niet steeds vergelijkbaar zijn. Bovendien zouden antidumpingmaatregelen ongunstig zijn voor hun ondernemingen en werknemers.

(169)

Op basis van de verstrekte gegevens blijkt evenwel dat de importeurs/distributeurs het betrokken product bij verschillende leveranciers in en buiten de EG, met inbegrip van de bedrijfstak van de EG, aankopen. Aangezien er geen essentiële verschillen zijn in kwaliteit of in soort tussen het betrokken product uit de betrokken landen en dat van andere leveranciers, wordt voorlopig geoordeeld dat de importeurs/distributeurs in de EG geen moeilijkheden zullen ondervinden om dit product aan te kopen indien antidumpingmaatregelen van toepassing zijn, met name vanwege het grote aantal andere leveranciers. Bovendien konden de importeurs niet aantonen dat antidumpingmaatregelen aanzienlijke gevolgen zouden hebben voor de werkgelegenheid, daar hun importactiviteiten niet arbeidsintensief zijn. Wat de prijsstijging als gevolg van antidumpingrechten betreft, wordt erop gewezen dat de antidumpingmaatregelen die van 1997 tot in 2003 van toepassing waren de economische situatie van de importeurs/distributeurs niet in gevaar hebben gebracht. Bovendien blijkt uit de antwoorden op de vragenlijst dat de winsten van de importeurs in de beoordelingsperiode groter waren dan die van de bedrijfstak van de EG. Derhalve wordt niet verwacht dat een prijsstijging tengevolge van de instelling van maatregelen automatisch aan de verwerkende bedrijven wordt doorberekend.

(170)

Hoewel de importeurs/distributeurs geen voorstander zijn van maatregelen blijkt uit de beschikbare gegevens dat het voordeel dat zij hebben bij het achterwege blijven van maatregelen niet opweegt tegen het belang van de bedrijfstak van de EG bij een correctie van de onbillijke en schadelijke handelspraktijken.

4.   Belangen van de toeleveranciers

(171)

Om de mogelijke gevolgen na te gaan van de antidumpingmaatregelen voor de toeleveranciers van de bedrijfstak van de EG werd deze leveranciers een vragenlijst toegezonden. Er werden negen vragenlijsten verzonden, maar slechts één antwoord ontvangen. Deze toeleverancier, een producent van roestvrij staal, is voorstander van antidumpingmaatregelen. Hoewel de bedrijfstak van de EG niet een van de belangrijkste afnemers is, draagt deze toch bij aan zijn werkgelegenheid en winstgevendheid. Indien de bedrijfstak van de EG de vervaardiging van het betrokken product zou beperken of zelfs stopzetten, zouden de toeleveranciers hierdoor toch enige schade lijden.

(172)

Bij gebrek aan bewijs van het tegendeel, wordt derhalve geconcludeerd dat antidumpingmaatregelen in het belang van de toeleveranciers zijn.

5.   Belang van de verwerkende bedrijven en de consument

(173)

Consumentenbonden hebben zich niet aangemeld noch gegevens verstrekt overeenkomstig artikel 21, lid 2, van de basisverordening. Aangezien het betrokken product hoofdzakelijk wordt gebruikt voor de assemblage van andere producten, werd het onderzoek beperkt tot de gevolgen van de maatregelen voor de bedrijven die dit product gebruiken. Het betrokken product wordt in een groot aantal sectoren gebruikt, zoals de automobielindustrie, de scheepsbouw, de bouw, de chemische, farmaceutische en medische industrie en de levensmiddelensector. De Commissie heeft twaalf bedrijven in de EG die het betrokken product gebruiken een vragenlijst toegezonden, waarin onder meer werd gevraagd of antidumpingmaatregelen in het belang van de EG zouden zijn en of deze maatregelen voor hen gevolgen zouden hebben. Een fabrikant van rollend materieel heeft de vragenlijst beantwoord. Voor hem maakte het betrokken product minder dan 1 % uit van de kosten van zijn eindproduct.

(174)

Daar de verwerkende bedrijven het betrokken product niet alleen in de betrokken landen kunnen aankopen maar ook bij andere leveranciers en gezien de beperkte invloed van het betrokken product op de kosten van de stroomafwaartse producten, was de conclusie dat antidumpingmaatregelen geen negatieve gevolgen van belang zullen hebben voor deze bedrijven.

6.   Conclusie

(175)

Na onderzoek van de verschillende betrokken belangen wordt voorlopig geconcludeerd dat geen enkel ander belang opweegt tegen het belang van de bedrijfstak van de EG bij maatregelen om een einde te maken aan de handelsverstorende gevolgen van invoer met dumping.

H.   VOORLOPIGE ANTIDUMPINGMAATREGELEN

(176)

Gelet op de conclusies inzake dumping, schade, oorzakelijk verband en het belang van de EG, wordt het dienstig geacht voorlopige antidumpingmaatregelen vast te stellen om te voorkomen dat de bedrijfstak van de EG tengevolge van invoer met dumping schade blijft lijden. Bij het bepalen van het niveau van deze maatregelen werd rekening gehouden met de voor het onderzoektijdvak vastgestelde dumpingmarges en schademarges.

1.   Schademarge

(177)

De prijsverhoging die nodig is om verdere schade te voorkomen, werd per onderneming vastgesteld door de gewogen gemiddelde invoerprijs te vergelijken met de niet-schadelijke prijs bij verkoop door de bedrijfstak van de EG op de EG-markt. Het prijsverschil werd uitgedrukt in procenten van de cif-prijs bij invoer.

(178)

De niet-schadelijke prijs werd verkregen door aan de gewogen gemiddelde productiekosten van de bedrijfstak van de EG een winstmarge van 5 % toe te voegen. Een winst van 5 % wordt voorlopig geacht de winst te zijn die de bedrijfstak van de EG in afwezigheid van dumping kan maken. Deze winst stemt overeen met de winst die de bedrijfstak van de EG kan maken op soortgelijke producten die niet aan oneerlijke concurrentie zijn blootgesteld, dit wil zeggen bevestigingsmiddelen die niet onder de GN-codes vallen waarop dit onderzoek van toepassing is.

2.   Hoogte van de voorlopige antidumpingrechten

(179)

Gelet op het voorgaande wordt geoordeeld dat overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de basisverordening voorlopige antidumpingrechten moeten worden ingesteld op het betrokken product uit de betrokken landen. Dit recht moet worden afgestemd op de dumpingmarges of, indien deze lager zijn, op de schademarges (artikel 7, lid 2, van de basisverordening).

(180)

Voor twee meewerkende producenten/exporteurs (een in Taiwan en een in China), voor wie de schademarge lager was dan de dumpingmarge, moest het recht worden beperkt tot de schademarge. In alle andere gevallen moest het recht overeenstemmen met de dumpingmarge. Daarom moeten de volgende dumpingrechten worden toegepast:

Land

Producent/exporteur

Antidumpingrecht

China

Tengzhou Tengda Stainless Steel Product Co., Ltd, Tengzhou City

11,4 %

Tong Ming Enterprise (Jiaxing) Co. Ltd, Zhejiang

12,2 %

Alle andere ondernemingen

27,4 %

Indonesië

PT. Shye Chang Batam Indonesia, Batam

9,8 %

Alle andere ondernemingen

24,6 %

Taiwan

Arrow Fasteners Co. Ltd, Taipei

15,2 %

Jin Shing Stainless Ind. Co. Ltd, Tao Yuan

8,8 %

Min Hwei Enterprise Co. Ltd, Pingtung

16,1 %

Tong Hwei Enterprise, Co. Ltd, Kaohsiung

16,1 %

Yi Tai Shen Co. Ltd, Tainan

11,4 %

Meewerkende producenten/exporteurs die niet in de steekproef zijn opgenomen

15,8 %

Alle andere ondernemingen

23,6 %

Thailand

A.B.P. Stainless Fasteners Co. Ltd, Ayutthaya

15,9 %

Bunyat Industries 1998 Co. Ltd, Samutsakorn

10,8 %

Dura Fasteners Company Ltd, Samutprakarn

14,6 %

Siam Screws (1994) Co. Ltd, Samutsakorn

11,0 %

Alle andere ondernemingen

15,9 %

Vietnam

Alle ondernemingen

7,7 %

(181)

De in deze verordening vermelde antidumpingrechten voor bepaalde ondernemingen werden vastgesteld aan de hand van de bevindingen van onderhavig onderzoek. Zij weerspiegelen dus de situatie die in het kader van dit onderzoek voor deze ondernemingen werd vastgesteld. Deze rechten (in tegenstelling tot het voor het gehele land geldende recht dat voor „alle andere ondernemingen” geldt) zijn dus uitsluitend van toepassing op het betrokken product uit de betrokken landen dat vervaardigd is door de specifiek vermelde juridische entiteiten. Op producten die door andere ondernemingen zijn vervaardigd die niet specifiek in het dispositief van deze verordening zijn vermeld, met inbegrip van entiteiten die banden hebben met de specifiek vermelde ondernemingen, zijn deze rechten niet van toepassing. Deze zijn onderworpen aan het recht dat voor „alle andere ondernemingen” geldt.

(182)

Verzoeken in verband met de toepassing van deze voor bepaalde ondernemingen geldende antidumpingrechten (bv. na de naamswijziging van een onderneming of na de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen) dienen aan de Commissie (5) te worden gericht, onder opgave van alle relevante gegevens, met name indien deze naamswijziging of de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen verband houdt met wijzigingen in de activiteiten van de onderneming op het gebied van de productie en de verkoop in binnen- en buitenland. Indien zij dit gerechtvaardigd acht, zal de Commissie, na raadpleging van het raadgevend comité, de verordening wijzigen door bijwerking van de lijst van ondernemingen die voor een individueel recht in aanmerking komen.

I.   SLOTBEPALING

(183)

Gelet op de beginselen van een behoorlijk bestuur, dient een termijn te worden vastgesteld waarbinnen de belanghebbenden die zich hebben aangemeld binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn, schriftelijk opmerkingen kunnen maken en kunnen vragen te worden gehoord. Voorts dient erop te worden gewezen dat alle bevindingen betreffende de instelling van rechten in het kader van deze verordening voorlopig zijn en herzien kunnen worden voordat de Commissie eventueel definitieve maatregelen voorstelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Er wordt een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan, ingedeeld onder de GN-codes 7318 12 10, 7318 14 10, 7318 15 30, 7318 15 51, 7318 15 61, en 7318 15 70, uit de Volksrepubliek China, Indonesië, Taiwan, Thailand en Vietnam.

2.   Het voorlopige recht, dat van toepassing is op de nettoprijs, vrij grens EG, vóór inklaring, is 15,8 % voor de in lid 1 bedoelde producten die zijn vervaardigd door de in de bijlage vermelde Taiwanese producenten/exporteurs (aanvullende Taric-code A649).

3.   Op de in lid 1 bedoelde producten die door onderstaande ondernemingen zijn vervaardigd, zijn de voorlopige antidumpingrechten, van toepassing op de nettoprijs vrij grens EG, vóór inklaring, als volgt:

Land

Producent/exporteur

Antidumpingrecht (%)

Aanvullende Taric-code

Volksrepubliek China

Tengzhou Tengda Stainless Steel Product Co., Ltd, Tengzhou City

11,4

A650

Tong Ming Enterprise (Jiaxing) Co. Ltd, Zhejiang

12,2

A651

Alle andere ondernemingen

27,4

A999

Indonesië

PT. Shye Chang Batam Indonesia, Batam

9,8

A652

Alle andere ondernemingen

24,6

A999

Taiwan

Arrow Fasteners Co. Ltd, Taipei

15,2

A653

Jin Shing Stainless Ind. Co. Ltd, Tao Yuan

8,8

A654

Min Hwei Enterprise Co. Ltd, Pingtung

16,1

A655

Tong Hwei Enterprise, Co. Ltd, Kaohsiung

16,1

A656

Yi Tai Shen Co. Ltd, Tainan

11,4

A657

Alle andere ondernemingen dan bovenstaande ondernemingen en de ondernemingen die in de bijlage zijn opgenomen

23,6

A999

Thailand

A.B.P. Stainless Fasteners Co. Ltd, Ayutthaya

15,9

A658

Bunyat Industries 1998 Co. Ltd, Samutsakorn

10,8

A659

Dura Fasteners Company Ltd, Samutprakarn

14,6

A660

Siam Screws (1994) Co. Ltd, Samutsakorn

11,0

A661

Alle andere ondernemingen

15,9

A999

Vietnam

Alle ondernemingen

7,7

4.   De in lid 1 bedoelde producten kunnen uitsluitend in het vrije verkeer worden gebracht indien daarvoor zekerheid wordt gesteld voor een bedrag dat gelijk is aan het bedrag van het voorlopige recht.

5.   Tenzij anders vermeld, zijn de bepalingen inzake douanerechten op dit recht van toepassing.

Artikel 2

Onverminderd artikel 20 van Verordening (EG) nr. 384/96 kunnen belanghebbenden binnen een maand na de inwerkingtreding van deze verordening verzoeken in kennis te worden gesteld van de voornaamste feiten en overwegingen op grond waarvan deze verordening werd vastgesteld, schriftelijk opmerkingen maken en vragen door de Commissie te worden gehoord.

Overeenkomstig artikel 21, lid 4, van Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad kunnen belanghebbenden binnen een maand na de inwerkingtreding van deze verordening opmerkingen maken over de toepassing van deze verordening.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 1 van deze verordening is zes maanden van toepassing.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 mei 2005.

Voor de Commissie

Peter MANDELSON

Lid van de Commissie


(1)  PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 461/2004 (PB L 77 van 13.3.2004, blz. 12).

(2)  PB C 212 van 24.8.2004, blz. 2.

(3)  Verordening (EG) nr. 393/98 van de Raad (PB L 50 van 20.2.1998, blz. 1).

(4)  PB L 243 van 5.9.1997, blz. 17, overweging 69.

(5)

Europese Commissie

Directoraat-generaal Handel

Directoraat B

J-79 5/17

Wetstraat 200

B-1049 Brussel.


BIJLAGE

(Aanvullende TARIC-code A649)

A-STAINLESS INTERNATIONAL CO LTD, Taipei

BOLTUN CORPORATION, Tainan

CHAEN WEI CORPORATION, Taipei

CHIAN SHYANG ENT CO LTD, Chung-Li City

CHONG CHENG FASTENER CORP., Tainan

DIING SEN FASTENERS & INDUSTRIAL CO LTD, Taipei

DRAGON IRON FACTORY CO LTD, Kaohsiung

EXTEND FORMING INDUSTRIAL CORP. LTD, Lu Chu

FORTUNE BRIGHT INDUSTRIAL CO LTD, Lung Tan Hsiang

FWU KUANG ENTERPRISES CO LTD, Tainan

HSIN YU SCREW ENTERPRISE CO LTD, Taipin City

HU PAO INDUSTRIES CO LTD, Tainan

J C GRAND CORPORATION, Taipei

JAU YEOU INDUSTRY CO LTD, Kangshan

JOHN CHEN SCREW IND CO LTD, Taipei

KUOLIEN SCREW INDUSTRIAL CO LTD, Kwanmiao

KWANTEX RESEARCH INC, Taipei

LIH LIN ENTERPRISES & INDUSTRIAL CO LTD, Taipei

LIH TA SCREW CO LTD, Kweishan

LU CHU SHIN YEE WORKS CO LTD, Kaohsiung

M & W FASTENER CO LTD, Kaoshsiung

MULTI-TEK FASTENERS & PARTS MANIFACTURER CORP., Tainan

NATIONAL AEROSPACE FASTENERS CORP., Ping Jen City

QST INTERNATIONAL CORP., Tainan

SEN CHANG INDUSTRIAL CO LTD, Ta-Yuan

SPEC PRODUCTS CORP., Tainan

SUMEEKO INDUSTRIES CO LTD, Kaoshiung

TAIWAN SHAN YIN INTERNATIONAL CO LTD, Kaohsiung

VIM INTERNATIONAL ENTERPRISE CO LTD, Taichung

YEA-JANN INDUSTRIAL CO LTD, Kaohsiung

ZONBIX ENTERPRISE CO LTD, Kaohsiung

ZYH YIN ENTERPRISE CO LTD, Kaohsiung


Top