EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32001R1358

Verordening (EG) nr. 1358/2001 van de Commissie van 4 juli 2001 tot vaststelling van specifieke maatregelen op het gebied van de communicatie in de sector rundvlees

OJ L 182, 5.7.2001, p. 34–37 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

No longer in force, Date of end of validity: 31/12/2002: This act has been changed. Current consolidated version: 06/11/2001

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2001/1358/oj

32001R1358

Verordening (EG) nr. 1358/2001 van de Commissie van 4 juli 2001 tot vaststelling van specifieke maatregelen op het gebied van de communicatie in de sector rundvlees

Publicatieblad Nr. L 182 van 05/07/2001 blz. 0034 - 0037


Verordening (EG) nr. 1358/2001 van de Commissie

van 4 juli 2001

tot vaststelling van specifieke maatregelen op het gebied van de communicatie in de sector rundvlees

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2826/2000 van de Raad van 19 december 2000 betreffende voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten op de binnenmarkt(1), en met name op de artikelen 12 en 16,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Bij Verordening (EG) nr. 2826/2000 zijn de bestaande regels voor de verschillende sectoren geharmoniseerd en vereenvoudigd. In de rundvleessector hebben die regels uitsluitend betrekking op de promotie voor kwaliteitsvlees en de informatie over het etiketteringssysteem.

(2) Inmiddels is de rundvleesconsumptie in verschillende lidstaten ten gevolge van de BSE-crisis sterk gedaald. Om het hoofd te bieden aan deze ernstige situatie moeten dringend specifieke maatregelen op het gebied van de communicatie worden getroffen, zodat het vertrouwen van de consument in het product kan worden hersteld.

(3) Met deze maatregelen wordt, ter wille van de doelmatigheid, afgeweken van de bestaande regelingen, met name doordat de werkingssfeer daarvan wordt verruimd en de procedure voor de goedkeuring van de programma's en de financieringsregels worden aangepast, een en ander om te zorgen voor de overgang naar de nieuwe regeling van Verordening (EG) nr. 2826/2000.

(4) Wegens de marktsituatie moeten de communicatieprogramma's van de beroeps- of bedrijfskolomorganisaties die een of alle segmenten van de bedrijfskolom bestrijken, waaronder het consumentenstadium, een eerste onderdeel "voorlichting" bevatten, bedoeld om de consument gerust te stellen via een complete voorlichting over de belangrijkste aspecten van de communautaire en nationale voorschriften inzake met name voedselveiligheid. De voorkeur gaat uit naar programma's die betrekking hebben op meerdere stadia van de bedrijfskolom, inclusief het verbruikersstadium.

(5) Verder kan, in een later stadium een onderdeel "promotie" worden geprogrammeerd. Deze maatregelen moeten rekening houden met de evaluatie van tevoren genomen promotiemaatregelen.

(6) Om elk gevaar voor concurrentievervalsing te voorkomen moeten criteria worden vastgesteld inzake de verwijzing naar de bijzondere oorsprong van het product waarop deze programma's betrekking hebben.

(7) De procedure voor de indiening van de programma's en de keuze van de uitvoeringsinstantie moet zo worden vastgesteld dat voor een zo ruim mogelijke concurrentie wordt gezorgd.

(8) Er dienen criteria te worden vastgesteld voor de beoordeling van de programma's door de lidstaten.

(9) Om de coherentie en de doeltreffendheid van deze programma's te garanderen moeten richtsnoeren worden vastgesteld met algemene aanwijzingen over de essentiële punten van deze programma's.

(10) Voor de rundvleesmarkt, die herhaaldelijk is verstoord, moet worden voorzien in de mogelijkheid voor de Commissie om de goedgekeurde programma's aan te passen zodat eventuele problemen in verband met de ontwikkelingen op de markt kunnen worden aangepakt.

(11) Met het oog op de aanvulling en ontwikkeling van de acties van de beroeps- of bedrijfskolomorganisaties of van de Commissie, met name in de lidstaten waar de sector niet goed is georganiseerd, moeten de lidstaten voorlichtingsprogramma's kunnen presenteren in het kader waarvan vooral conferenties, studiebijeenkomsten en informatienetwerken worden georganiseerd. Ook is het dienstig dat de lidstaten de Commissie informeren over de op nationaal vlak genomen initiatieven inzake met name de coördinatie tussen de diensten van de Commissie en de beroeps- of bedrijfskolomorganisaties met het oog op het opzetten van informatienetwerken.

(12) Er moeten criteria voor de financiering van de bedoelde maatregelen worden vastgesteld. In de regel is het wenselijk de maatregelen slechts gedeeltelijk door de Gemeenschap te laten financieren, om zodoende de organisaties die voorstellen indienen en de betrokken lidstaten medeverantwoordelijk te maken. De kosten van de door een onafhankelijk orgaan uit te voeren evaluatie van de resultaten van de programma's die door de organisaties zijn ingediend, zouden echter geheel door de Gemeenschap moeten worden gefinancierd.

(13) Het administratief en financieel beheer van de contracten voor afzetbevordering die zijn gesloten met de organisaties die voorstellen hebben ingediend, valt onder Verordening (EG) nr. 481/1999 van de Commissie van 4 maart 1999 tot vaststelling van algemene uitvoeringsbepalingen voor het beheer van de programma's om de afzet van bepaalde landbouwproducten te bevorderen(2). Die voorschriften moeten, behoudens enkele aanpassingen, worden toegepast op de in deze verordening bedoelde contracten.

(14) De financiële betrekkingen tussen de Commissie en de lidstaten die voorlichtingsacties uitvoeren moeten via een overeenkomst worden geregeld.

(15) De vergadering van de gezamenlijke comités van beheer voor de promotie van landbouwproducten heeft geen advies uitgebracht binnen de door zijn voorzitter vastgestelde termijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De Gemeenschap kan deelnemen aan de financiering van communicatieprogramma's die een coherente reeks van voorlichtingsacties over rundvlees bevatten en die door voor de betrokken markt representatieve beroeps- of bedrijfskolomorganisaties zijn gepresenteerd.

De voorkeur gaat uit naar de programma's die de hele sector of verschillende segmenten daarvan bestrijken.

De looptijd van deze programma's is twaalf maanden.

Artikel 2

De financiële bijdrage van de Gemeenschap bedraagt 60 % van de reële kosten van het programma. De overige 40 % komt ten laste van de organisaties die de programma's voorstellen.

Artikel 3

De in de programma's bedoelde acties mogen niet op handelsmerken worden afgestemd en mogen de oorsprong van een product niet als argument gebruiken om aan te zetten tot verbruik ervan.

Elke verwijzing naar de oorsprong van de producten moet ondergeschikt zijn aan de hoofdboodschap van de campagne. De oorsprong van een product mag wel worden aangegeven wanneer het gaat om een aanduiding in het kader van de communautaire regelgeving, of om een element dat verband houdt met de voorbeeldproducten waarmee de acties worden geïllustreerd.

Artikel 4

Met inachtneming van de richtsnoeren in de bijlage moeten de in artikel 1 bedoelde programma's bestaan uit een onderdeel "voorlichting", dat voorziet in verspreiding van de belangrijkste informatie over de communautaire en de nationale bepalingen inzake de veiligheid uit gezondheidsoogpunt en de voedingsaspecten van het product. In een later stadium kan een onderdeel "promotie" worden geprogrammeerd.

Artikel 5

1. De programma's worden uiterlijk op 15 augustus 2001 ingediend bij de bevoegde instantie van de lidstaat waar de organisatie die het programma heeft ingediend haar hoofdzetel heeft.

In deze programma's wordt de uitvoeringsinstantie vermeld die via een door de lidstaat gecontroleerde selectieprocedure is gekozen door de organisatie die het programma heeft ingediend.

De bevoegde instantie onderzoekt het programma en stuurt het, vergezeld van een gemotiveerd advies, uiterlijk op 10 september 2001 door naar de Commissie.

2. In elk gemotiveerd advies onderzoekt de lidstaat de programma's aan de hand van de volgende criteria:

a) een analyse ex-ante waarbij wordt nagegaan of de voorgestelde acties in overeenstemming zijn met de doelstellingen van het programma en met de richtsnoeren in de bijlage; deze analyse moet een motivering bevatten van de verdeling van de begrotingsmiddelen, zodat de coherentie van dat programma en de doeltreffendheid ervan in het licht van de marktsituatie zijn gewaarborgd;

b) naleving van de geldende communautaire en nationale wetgeving;

c) identificatie van de voor het communicatieprogramma verantwoordelijke dienst voor elke actie;

d) kwaliteit van de voorgestelde acties, en verband tussen die acties en de door de Commissie en de overheidinstanties in de lidstaten gevoerde voorlichtingsacties;

e) te verwachten effect van de uitvoering van deze acties in de vorm van een stijging van de vraag naar de betrokken producten;

f) beoordeling van de doeltreffendheid en de representativiteit van de beroeps- of bedrijfskolomorganisatie(s);

g) beoordeling van de technische capaciteit en de doeltreffendheid van de voorgestelde uitvoeringsinstantie.

3. Na de programma's - eventueel met behulp van technische bijstand - te hebben beoordeeld, keurt de Commissie ze uiterlijk op 20 oktober 2001 goed volgens de in artikel 13, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2826/2000 bedoelde procedure.

Artikel 6

1. De beroeps- of bedrijfskolomorganisatie die het geselecteerde programma heeft ingediend, is verantwoordelijk voor de goede uitvoering ervan.

2. Tijdens de uitvoering van de goedgekeurde programma's kan de Commissie na overleg met de verantwoordelijke organisaties en na informatie van de betrokken lidstaten besluiten ze aan te passen met de bedoeling ze beter te laten aansluiten op de feitelijke marktsituatie zonder dat dit extra financiële verplichtingen voor de betrokken organisaties met zich brengt.

Artikel 7

1. De bepalingen van de artikelen 2 tot en met 5 en de artikelen 7 en 8 van Verordening (EG) nr. 481/1999 zijn van toepassing op de in artikel 1 bedoelde programma's.

2. De Commissie kiest, volgens een openbare of niet-openbare aanbestedingsprocedure, het orgaan dat of de organen die met de evaluatie van de resultaten van de uitgevoerde acties is/zijn belast.

3. De Commissie financiert de in het vorige lid bedoelde acties volledig.

Artikel 8

De lidstaten delen de Commissie zo spoedig mogelijk, en uiterlijk 15 augustus 2001, mede welke nationale initiatieven zijn genomen met betrekking tot de voorlichting van de consument over de markt voor de betrokken producten. Zij informeren de Commissie geregeld over alle nauwe maatregelen in dat verband.

Artikel 9

1. Elke lidstaat kan bij de Commissie een programma indienen met voorlichtingsacties die zijn bedoeld om de door de Commissie uitgevoerde en de in artikel 4, bedoelde acties aan te vullen en verder uit te werken, en communautaire financiering van 60 % van de reële kosten van de acties aanvragen. In het programma moet de communautaire dimensie de nodige aandacht krijgen.

De overige kosten van deze programma's komen ten laste van de lidstaten.

2. De in lid 1 bedoelde programma's kunnen met name het volgende inhouden:

- organisatie van conferenties en studiebijeenkomsten over de voedselveiligheid en de aspecten betreffende waarde uit voedingsoogpunt van rundvlees,

- totstandbrenging van adequate informatienetwerken zoals Internet en een groene telefoon.

3. Deze programma's worden uiterlijk op 10 september 2001 aan de Commissie gepresenteerd.

De Commissie neemt, na de in artikel 13 van Verordening (EG) nr. 2826/2000 bedoelde comités van beheer te hebben geïnformeerd, uiterlijk op 20 oktober 2001 een besluit over de keuze van de programma's.

Artikel 10

Voor de op grond van artikel 9 geselecteerde programma's wordt tussen de Commissie en de begunstigde lidstaat een overeenkomst gesloten waarin de uit het subsidiebesluit van de Commissie voortvloeiende rechten en verplichtingen worden geregeld.

Artikel 11

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Zij is van toepassing tot en met 31 december 2002.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 4 juli 2001.

Voor de Commissie

Franz Fischler

Lid van de Commissie

(1) PB L 328 van 23.12.2000, blz. 2.

(2) PB L 57 van 5.3.1999, blz. 8.

BIJLAGE

RICHTSNOEREN VOOR HET COMMUNICATIEPROGRAMMA

I. DOELSTELLINGEN

Het communicatieprogramma is bedoeld om via een gecoördineerd optreden in de betrokken lidstaten het vertrouwen van de consument in de rundvleesmarkt te herstellen. Het programma moet flexibel zijn. De doelstellingen en de structuur zijn voor alle lidstaten dezelfde, maar de specifieke combinatie van de verschillende elementen ervan en het tijdschema zullen per lidstaat verschillen, afhankelijk van de situatie. Er is consistentie nodig maar geen uniformiteit. Het betreft een programma dat de hele rundvleesmarkt bestrijkt.

Elke lidstaat wijst de instantie aan die verantwoordelijk is voor het programma. Er moet worden gezorgd voor een contactpunt.

Consumenten moeten een antwoord krijgen op hun vragen en zij moeten worden gerustgesteld wat het eten van rundvlees betreft.

De voorlichtingscampagne

Het gaat er vooral om de consument gerust te stellen. De consument moet weten dat er Europese en nationale wetgeving bestaat waardoor wordt toegezien op de veiligheid (bv. traceerbaarheid, etikettering) en wordt gezorgd voor een doeltreffende controle gedurende het hele productieproces.

De campagne loopt op drie niveaus: Europese Unie, nationale overheden en particuliere sector.

De informatie op en de betekenis van nationale en particuliere labels moet worden toegelicht.

Op al het materiaal moeten de Europese en de nationale website worden vermeld.

II. ESSENTIËLE PUNTEN

- Rundvlees is veilig en voedzaam.

- Er worden scherpere veiligheidsmaatregelen toegepast, met inbegrip van controles.

- De etikettering van vlees is bedoeld om de consument gerust te stellen.

- Er is meer informatie verkrijgbaar als de consument dat wenst.

III. BELANGRIJKSTE DOELGROEPEN

A. Individuele consumenten

- In de eerste plaats vrouwen in de stad, tussen 25 en 45 jaar oud, met kinderen. Deze vrouwen vormen de belangrijkste groep klanten op de voedingsmiddelenmarkt.

- In de tweede plaats alleenstaanden en stellen onder de 35 jaar die over de nodige middelen beschikken en die bij het kopen van voedingsmiddelen producten kiezen die praktisch en lekker zijn.

B. Instellingen als scholen, ziekenhuizen, horeca, restaurants enz.

Verder zijn de gespecialiseerde pers en de consumentenverenigingen rechtstreeks betrokken als schakels in de communicatie.

IV. BELANGRIJKSTE HULPMIDDELEN

- elektronische hulpmiddelen (Internet),

- telefonische informatie via info-lijn,

- contacten met de media (bv. journalisten die zijn gespecialiseerd in consumentenaangelegenheden, wetenschappelijke en gespecialiseerde pers), conferenties, vraag-en-antwoordsessies onder leiding van deskundigen op het gebied van voedselveiligheid. Hierbij zijn handelaren, consumentengroeperingen en andere grootverbruikers als scholen, ziekenhuizen, e.d. betrokken,

- Pers en drukwerk (bv. consumentenbladen, regionale pers, folders, brochures enz.),

- visuele media (bv. affiches, reclamemateriaal op verkooppunten, TV),

- radio.

Top