EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31999D0449

1999/449/EG: Beschikking van de Commissie van 9 juli 1999 tot vaststelling van beschermende maatregelen met betrekking tot dioxineverontreiniging van bepaalde voor menselijke consumptie of vervoedering bestemde producten van dierlijke oorsprong (kennisgeving geschied onder nummer C(1999) 2110) (Voor de EER relevante tekst)

OJ L 175, 10.7.1999, p. 70–82 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/1999/449/oj

31999D0449

1999/449/EG: Beschikking van de Commissie van 9 juli 1999 tot vaststelling van beschermende maatregelen met betrekking tot dioxineverontreiniging van bepaalde voor menselijke consumptie of vervoedering bestemde producten van dierlijke oorsprong (kennisgeving geschied onder nummer C(1999) 2110) (Voor de EER relevante tekst)

Publicatieblad Nr. L 175 van 10/07/1999 blz. 0070 - 0082


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 9 juli 1999

tot vaststelling van beschermende maatregelen met betrekking tot dioxineverontreiniging van bepaalde voor menselijke consumptie of vervoedering bestemde producten van dierlijke oorsprong

(kennisgeving geschied onder nummer C(1999) 2110)

(Voor de EER relevante tekst)

(1999/449/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 89/662/EEG van de Raad van 11 december 1989 inzake veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne mark(1), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 92/118/EEG(2), en met name op artikel 9, lid 4,

Gelet op Richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt(3), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 92/118/EEG, en met name op artikel 10, lid 4,

(1) Overwegende dat Beschikking 1999/363/EG van de Commissie van 3 juni 1999 tot vaststelling van beschermende maatregelen met betrekking tot dioxineverontreiniging van voor menselijke consumptie of vervoedering bestemde dierlijke producten(4), laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 1999/419/EG(5), en Beschikking 1999/389/EG van de Commissie van 11 juni 1999 tot vaststelling van beschermende maatregelen met betrekking tot dioxineverontreiniging van voor menselijke consumptie of vervoedering bestemde van runderen en varkens verkregen producten en houdende intrekking van Beschikking 1999/368/EG(6), laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 1999/419/EG, ingrijpend zijn gewijzigd; dat, aangezien verdere wijzigingen vereist zijn, beide beschikkingen duidelijkheidshalve en redelijkheidshalve in een enkele beschikking moeten worden verwerkt;

(2) Overwegende dat de Belgische autoriteiten de Commissie op 27 mei 1999 in kennis hebben gesteld van een geval van zware dioxineverontreiniging van mengvoeder; dat dit voeder vanaf 15 januari 1999 aan een groot aantal kippenbedrijven in België (ongeveer 25 %) is geleverd;

(3) Overwegende dat de Belgische autoriteiten met ingang van 26 mei 1999 beperkende maatregelen hebben ingesteld voor alle kippenbedrijven die dit voeder hebben ontvangen; dat de Belgische autoriteiten het slachten van pluimvee met ingang van 1 juni 1999 hebben verboden; dat er nog steeds voor menselijke consumptie of vervoedering bestemde producten, afkomstig van vóór die datum in de betrokken bedrijven gehouden dieren, op de markt kunnen zijn;

(4) Overwegende dat de Belgische autoriteiten op 2 juni 1999 aan de Commissie hebben meegedeeld dat zij beperkende maatregelen hadden vastgesteld ten aanzien van ongeveer 500 varkenshouderijbedrijven waaraan verontreinigd diervoeder kon zijn geleverd; dat zij op 3 juni 1999 de Commissie ook hebben meegedeeld dat verontreinigd diervoeder kon zijn geleverd aan een aantal rundveehouderijbedrijven; dat de Belgische autoriteiten ten aanzien van varkens en runderen en daarvan afkomstige producten soortgelijke maatregelen hebben vastgesteld als voor pluimvee en dat zij met name voor runderen en varkens een slachtverbod hebben ingesteld met ingang van 3 juni 1999;

(5) Overwegende dat dit voeder, de daarmee gevoederde levende dieren en de producten van die dieren aan andere lidstaten en derde landen blijken te zijn geleverd; dat het verontreinigde voeder ook aan andere diersoorten kan zijn vervoederd; dat het onderzoek naar de verantwoordelijkheid voor deze verontreiniging nog steeds aan de gang is; dat bij een communautair inspectiebezoek aan België van 8 tot en met 11 juni 1999, en met name op basis van de beschikbare analyseresultaten, is geconcludeerd dat zich een massale verontreiniging heeft voorgedaan in een beperkte periode en dat het niet zou gaan om een terugkerend probleem;

(6) Overwegende dat, op grond van hetgeen voorafgaat, maatregelen moeten worden genomen om de gezondheid van de consument te beschermen; dat de maatregelen moeten gelden voor kippen, runderen en varkens die in België zijn gehouden in de periode sedert 15 januari 1999, en voor daarvan verkregen producten; dat de maatregelen niet van toepassing zijn op producten die zijn verkregen van dieren die niet zijn gehouden op bedrijven waarvoor de Belgische autoriteiten beperkende maatregelen hebben vastgesteld of waarvoor uit analyses is gebleken dat zij niet met dioxines zijn verontreinigd; dat moet worden bepaald dat die producten zo moeten worden vernietigd dat zij gegarandeerd buiten de voeder- en voedselketen worden gehouden; dat nog geen einddatum voor de toepassing van de maatregelen kan worden vastgesteld; dat, om verleggingen van het handelsverkeer te voorkomen, de maatregelen ook moeten gelden voor de uitvoer naar derde landen; dat alle relevante informatie moet worden meegedeeld aan de Commissie, de lidstaten en derde landen, eventueel via het systeem voor snelle uitwisseling van informatie in noodsituaties ("Rapid Alert System"), dat is ingesteld bij Richtlijn 92/59/EEG van de Raad van 29 juni 1992 inzake algemene productveiligheid(7); dat voor het intracommunautaire handelsverkeer en de uitvoer naar derde landen een certificeringsregeling moet worden ingesteld voor zendingen van oorsprong uit België; dat België en de lidstaten die producten, verkregen van dieren die zijn gehouden op bedrijven waarvoor beperkende maatregelen zijn vastgesteld, hebben ontvangen, een bewakingsplan moeten opstellen om de eventuele verontreiniging van producten van dierlijke oorsprong met dioxines/PCB's te evalueren; dat door de Commissie inspecties moeten worden uitgevoerd om toe te zien op de naleving van deze beschikking;

(7) Overwegende dat het moeilijk is gebleken de exacte oorsprong te traceren voor bepaalde Belgische producten, met name voor van kippen verkregen producten die zijn vervaardigd tussen 15 januari en 1 juni 1999, en voor van runderen en varkens verkregen producten die zijn vervaardigd tussen 15 januari en 3 juni 1999; dat de Belgische autoriteiten hebben ingestemd met de terugzending van die producten uit andere lidstaten overeenkomstig artikel 7 van Richtlijn 89/662/EEG; dat stringente en specifieke voorschriften moeten worden vastgesteld betreffende de procedure die moet worden gevolgd wanneer de producten naar België worden teruggezonden, teneinde te garanderen dat de producten niet opnieuw in de voedsel- of de voederketen worden gebracht voordat zij terdege op hun veiligheid zijn gecontroleerd; dat, aangezien de Belgische autoriteiten de Commissie in kennis hebben gesteld van problemen met het Animo-netwerk dat is ingesteld bij Richtlijn 91/398/EG van de Raad(8), de terugzending van producten rechtstreeks per faxbericht moet worden gemeld bij de centrale bevoegde autoriteit van België;

(8) Overwegende dat in artikel 15 van Richtlijn 97/78/EEG van de Raad van 18 december 1997 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht(9), specifieke voorschriften zijn vastgesteld voor de wederinvoer van door een derde land geweigerde partijen uit de Gemeenschap afkomstige producten; dat moet worden bepaald dat producten die uit derde landen naar België worden teruggezonden, niet opnieuw in de voedsel- of de voederketen mogen worden gebracht voordat zij terdege op hun veiligheid zijn gecontroleerd;

(9) Overwegende dat in Richtlijn 1999/29/EG van de Raad van 22 april 1999 inzake ongewenste stoffen en producten in diervoeding(10) is bepaald dat voedermiddelen in de Gemeenschap slechts in het verkeer mogen worden gebracht wanneer zij van gezonde handelskwaliteit zijn;

(10) Overwegende dat het Internationaal Agentschap voor kankeronderzoek (IARC) van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) op grond van de vele toxicologische en epidemiologische bewijzen TCCD als een carcinogeen van categorie 1 aanmerkt (hoogste categorie in de IARC-indeling); dat overeenkomstig de aanbevelingen van de WHO voor dioxine een aanvaardbare dagelijkse inname (ADI) van 1-4 pg/kg lichaamsgewicht/dag niet mag worden overschreden; dat voor afzonderlijke producten en levensmiddelen geen maxima voor dioxineverontreiniging zijn bepaald; dat er gegevens over achtergrondniveaus van verontreiniging voorhanden zijn; dat deze niveaus door de autoriteiten als referentiewaarden moeten worden gehanteerd, omdat op internationaal, communautair of nationaal niveau geen maximumdioxinegehalten zijn vastgesteld; dat voor het onderzoek op dioxines gesofisticeerde methoden vereist zijn die slechts in een beperkt aantal laboratoria in de lidstaten voorhanden zijn;

(11) Overwegende dat een werkgroep van de Commissie inzake PCB's als merkers voor dioxineverontreiniging op 11 juni 1999 tot de conclusie is gekomen dat de bepaling van het gehalte aan zeven persisterende polychloorbifenylen (PCB's) in eieren en producten van vlees van pluimvee een betrouwbaar alternatief is voor de opsporing van dioxines; dat de werkgroep bovendien tot de conclusie kwam dat een drempelwaarde van 200 ng PCB (totaal van 7 congeneren) per gram vet kan worden aangehouden voor pluimveeproducten; dat het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding op 16 juni 1999 advies heeft uitgebracht inzake dioxines in melk van runderen waaraan verontreinigd voeder is toegediend in België; dat het comité in dat advies beklemtoont dat melkmonsters van elk melkveebedrijf waarvoor de Belgische autoriteiten beperkende maatregelen hebben vastgesteld, ten minste op PCB's moeten worden onderzocht met gebruikmaking van een aangepaste bepaalbaarheidsgrens boven het achtergrondniveau als indicator voor een mogelijke dioxineverontreiniging; dat het comité heeft aanbevolen daartoe een drempelwaarde van 100 ng PCB (totaal van 7 congeneren) per gram vet aan te houden voor melk en melkproducten; dat deze drempelwaarde zou moeten worden toegepast bij de screening van rauwe melk van elk betrokken bedrijf afzonderlijk, van tankmelk van de zuivelfabrieken en van alle melkproducten die zijn vervaardigd sedert de datum waarop de verontreiniging van het diervoeder bekend is geworden; dat, wanneer de drempelwaarde van 100 ng PCB per gram vet wordt overschreden, tests op dioxines moeten worden verricht; dat het comité en de werkgroep van de Commissie met nadruk hebben verklaard dat die drempelwaarden alleen van toepassing zijn in het kader van de huidige bijzondere situatie in België en niet mogen worden gezien als een algemeen geldende norm voor het PCB-gehalte van de betrokken producten;

(12) Overwegende dat de Belgische autoriteiten, overeenkomstig bovengenoemd wetenschappelijk advies van 16 juni 1999, individuele analyses hebben verricht bij rauwe melk van elk van de 234 bedrijven waarvoor beperkende maatregelen zijn vastgesteld, bij de tankmelk van de zuivelfabrieken en bij alle producten die zijn vervaardigd sedert de datum waarop de verontreiniging van het diervoeder bekend is geworden; dat uit de resultaten van die analyses is gebleken dat, behalve voor negen bedrijven, zich voor geen enkel van de andere 225 bedrijven enig gezondheidsprobleem voor de consument heeft voorgedaan met de vroegere, noch met de huidige producten; dat het derhalve aangewezen is Beschikking 1999/389/EG niet langer van toepassing te laten zijn voor melk en melkproducten; dat het evenwel, overeenkomstig de aanbeveling van het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding, nodig is producten van melkveebedrijven waar de melk een PCB-gehalte heeft boven de vastgestelde drempelwaarde, te blijven blokkeren totdat uit de analyseresultaten is gebleken dat de melk niet met dioxines is verontreinigd;

(13) Overwegende dat een werkgroep van de Commissie inzake PCB-/dioxineverontreiniging van Belgische levensmiddelen op 28 en 29 juni 1999 heeft nagegaan of het wel aangewezen is te bepalen dat levensmiddelen waarvoor de Beschikkingen 1999/363/EG en 1999/389/EG normaal van toepassing zijn, buiten de werkingssfeer van die beschikkingen vallen wanneer het vetgehalte minder dan 2 % bedraagt; dat de werkgroep tot de conclusie is gekomen dat, in het licht van bovengenoemd advies van het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding en met inachtneming van de momenteel beschikbare gegevens inzake PCB's en dioxines in Belgische producten, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat, wanneer producten voor minder dan 2 % bestaan uit eiproducten met minder dan 10 % eivet, zulks waarschijnlijk niet resulteert in een stijging van de inname van PCB's en dioxines tot ver boven bovengenoemde achtergrondniveaus;

(14) Overwegende dat de Commissie, op grond van artikel 9, lid 4, van Richtlijn 89/662/EEG en artikel 10, lid 4, van Richtlijn 90/425/EEG vrijwaringsmaatregelen kan vaststellen voor de in artikel 1 bedoelde dieren en producten en, als dat gezien de omstandigheden nodig is, voor de producten van oorsprong of de daarvan afgeleide producten; dat deze maatregelen in bepaalde gevallen ook kunnen gelden voor producten die niet zijn opgenomen in bijlage I bij het Verdrag; dat de situatie met betrekking tot de dioxineverontreiniging dergelijke maatregelen verantwoord maakt;

(15) Overwegende dat in artikel 3 van Beschikking 1999/363/EG en artikel 3 van Beschikking 1999/389/EG maatregelen zijn vastgesteld voor lidstaten die onder die beschikkingen vallende producten van oorsprong uit België hebben ontvangen; dat uit besprekingen met de lidstaten is gebleken dat er problemen zijn bij de toepassing en interpretatie van die bepalingen en dat derhalve enige verduidelijking noodzakelijk is;

(16) Overwegende dat de in deze beschikking vervatte maatregelen in overeenstemming zijn met het advies van het Permanent Veterinair Comité,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

1. A. België verbiedt het in de handel brengen, inclusief de levering aan de eindconsument, het handelsverkeer en de uitvoer naar derde landen van de onderstaande voor menselijke consumptie of vervoedering bestemde producten, verkregen van kippen die in België zijn gehouden tussen 15 januari en 1 juni 1999 en van runderen en varkens die in België zijn gehouden tussen 15 januari en 3 juni 1999:

- vers vlees van pluimvee, als omschreven in Richtlijn 71/118/EEG van de Raad(11);

- vers vlees, als omschreven in Richtlijn 64/433/EEG van de Raad(12);

- separatorvlees;

- gehakt vlees en vleesbereidingen, als omschreven in Richtlijn 94/65/EG van de Raad(13);

- vleesproducten en andere producten van dierlijke oorsprong, als omschreven in Richtlijn 77/99/EEG van de Raad(14);

- voor menselijke consumptie bestemde producten die andere van runderen, varkens of pluimvee verkregen producten bevatten, als omschreven in Richtlijn 77/99/EEG, met meer dan 2 % dierlijk vet, met uitzondering van melkvet;

- eieren;

- eiproducten, als omschreven in Richtlijn 89/437/EEG van de Raad(15), met uitzondering van eiwit;

- voor menselijke consumptie bestemde producten die voor meer dan 2 % uit eieren bestaan of voor meer dan 2 % uit eiproducten met meer dan 10 % eivet;

- gesmolten vet, als bedoeld in Richtlijn 92/118/EEG;

- verwerkte dierlijke eiwitten, als bedoeld in Richtlijn 92/118/EEG;

- grondstoffen voor de vervaardiging van voeder voor dieren, als bedoeld in Richtlijn 92/118/EEG;

- mengvoeders en voormengsels.

B. België handhaaft de beperkende maatregelen voor rauwe melk die na 12 juni 1999 is opgehaald bij bedrijven waarvoor uit de laboratoriumtests is gebleken dat niet aan de in bijlage A vastgestelde maximumgehalten werd voldaan, alsmede voor van die melk verkregen warmtebehandelde melk en producten op basis van melk, totdat uit de analyseresultaten is gebleken dat de melk niet met dioxines is verontreinigd.

2. Het in lid l, onder A vastgestelde verbod is niet van toepassing wanneer:

a) de producten niet zijn verkregen van dieren die zijn gehouden op bedrijven waarvoor de Belgische autoriteiten beperkende maatregelen hebben vastgesteld,

of

b) uit de resultaten van analyses blijkt dat de producten niet met dioxines zijn verontreinigd of dat het in bijlage A vastgestelde PCB-gehalte niet wordt overschreden.

3. België verbiedt het in de handel brengen, het handelsverkeer en de uitvoer naar derde landen van levende kippen die zijn gehouden tussen 15 januari en 1 juni 1999, van broedeieren die door de hierboven bedoelde kippen in die periode zijn gelegd, en van runderen en varkens die zijn gehouden tussen 15 januari en 3 juni 1999, tenzij de dieren niet zijn gehouden en de eieren niet zijn geproduceerd in bedrijven waarvoor de Belgische autoriteiten beperkende maatregelen hebben vastgesteld.

4. België ziet erop toe dat alle in lid 1 bedoelde producten die aan geen van de in lid 2 vastgestelde voorwaarden voldoen, met gebruikmaking van een door de bevoegde autoriteiten goedgekeurde methode worden vernietigd op zodanige wijze dat zij gegarandeerd buiten de voedsel- en de voederketen worden gehouden.

5. België brengt een en ander onmiddellijk ter kennis van de Commissie en de lidstaten, eventueel overeenkomstig Richtlijn 92/59/EEG ("Rapid Alert System"), en van derde landen die levende dieren, broedeieren als bedoeld in lid 3 of producten als bedoeld in lid 4 van dit artikel hebben ontvangen.

6. België stelt een onderzoek in naar:

a) eventueel resterende voorraden verontreinigde diervoeders,

en

b) de eventuele levering van met dioxines verontreinigd diervoeder voor vervoedering aan andere landbouwhuisdieren of de mogelijke distributie ervan in andere lidstaten en derde landen.

België stelt de Commissie, de andere lidstaten en de betrokken derde landen onmiddellijk in kennis van de resultaten van dat onderzoek.

7. België bewaakt het dioxinegehalte in Belgische producten van dierlijke oorsprong.

Daartoe dient België onverwijld een bewakingsplan in bij de Commissie.

8. België stelt de Commissie en de andere lidstaten in kennis van de resultaten van het onderzoek naar de bron van de verontreiniging van diervoeders met dioxine.

Artikel 2

1. In het kader van het intracommunautaire handelsverkeer en van de uitvoer naar derde landen moet elke partij in artikel 1, lid 1, onder A, genoemde producten van oorsprong uit België, afgezien van het vereiste handelsdocument of het officiële certificaat, vergezeld gaan van een door de bevoegde autoriteit van België ondertekend officieel certificaat volgens het model in bijlage B.

2. In het kader van het intracommunautaire handelsverkeer en van de uitvoer naar derde landen moet het vereiste gezondheidscertificaat waarvan elke partij levende kippen en daarvan verkregen broedeieren, van oorsprong uit België, vergezeld gaat, bovendien vergezeld gaan van een door de bevoegde autoriteit van België ondertekende officiële verklaring volgens het model in bijlage C.

3. In het kader van het intracommunautaire handelsverkeer en van de uitvoer naar derde landen moet het vereiste gezondheidscertificaat waarvan elke partij runderen en varkens, van oorsprong uit België, vergezeld gaat, bovendien vergezeld gaan van een door de bevoegde autoriteit van België ondertekende officiële verklaring volgens het model in bijlage D.

4. Het officiële certificaat en de officiële verklaringen, als bedoeld in de leden 1, 2 en 3, worden opgesteld op de datum van lading, in de taal of de talen van de lidstaat van verzending en in de officiële taal van de lidstaat van bestemming, en zij bestaan uit één enkel blad.

Artikel 3

Lidstaten die diervoeders waarvan vermoed wordt dat ze met dioxines zijn verontreinigd, levende dieren of broedeieren die zijn gehouden of geproduceerd op bedrijven waarvoor de Belgische autoriteiten beperkende maatregelen hebben vastgesteld en/of onder artikel 1, lid 4, vallende producten van oorsprong uit België, hebben ontvangen, dienen onmiddellijk de volgende maatregelen te treffen:

a) een onderzoek instellen naar de distributie van die diervoeders en naar eventueel resterende voorraden;

b) alle betrokken dieren en de daarvan verkregen broedeieren en producten opsporen en blokkeren;

c) alle producten die zijn verkregen van dieren waaraan die diervoeders zijn vervoederd, alsmede alle voor menselijke of dierlijke consumptie bestemde producten als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder A, die dergelijke producten bevatten, opsporen;

d) alle producten van oorsprong uit België, waarop deze beschikking van toepassing is, alsmede alle voor menselijke of dierlijke consumptie bestemde producten als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder A, die dergelijke producten van oorsprong uit België bevatten, opsporen;

e) erop toezien dat de onder a) tot en met d) bedoelde producten worden vernietigd met gebruikmaking van een door de bevoegde autoriteit goedgekeurde methode, op zodanige wijze dat zij gegarandeerd buiten de voedsel- en de voederketen worden gehouden, tenzij kan worden aangetoond dat zij niet met dioxines zijn verontreinigd of dat het in bijlage A vastgestelde PCB-gehalte niet wordt overschreden;

f) de Commissie en de lidstaten, eventueel overeenkomstig Richtlijn 92/59/EEG ("Rapid Alert System"), en de betrokken derde landen onmiddellijk in kennis stellen van de resultaten van het onderzoek en van de eventueel getroffen maatregelen;

g) het dioxinegehalte in producten van dierlijke oorsprong bewaken.

De betrokken lidstaten leggen in dit verband onmiddellijk een bewakingsplan voor aan de Commissie.

Artikel 4

Op verzoek van een lidstaat die of een derde land dat vóór 12 juni 1999 levende dieren, broedeieren of in artikel 1, lid 1, onder A, en artikel 1, lid 3, genoemde producten heeft ontvangen, dient België, voorzover het over de betrokken gegevens beschikt, een verklaring af te geven over de status van het bedrijf van oorsprong volgens het model in bijlage E.

Artikel 5

1. In afwijking van artikel 3, onder e), en overeenkomstig artikel 7 van Richtlijn 89/662/EEG mogen de lidstaten producten van oorsprong uit België, waarop artikel 1, lid 1, onder A, van toepassing is, naar België terugzenden voorzover het, overeenkomstig artikel 4, onmogelijk is gebleken met zekerheid de inrichting van oorsprong in België te traceren, en voorzover de producten niet op dioxines of PCB's zijn onderzocht.

2. Het bepaalde in lid 1 is alleen van toepassing indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) België moet schriftelijk toestemming hebben gegeven om de producten terug te zenden met vermelding van het exacte adres van de inrichting waarnaar de producten moeten worden teruggezonden;

b) de producten moeten vergezeld gaan van een officieel certificaat volgens het model in bijlage F bij deze beschikking en van een kopie van het handelsdocument of het gezondheidscertificaat waarvan de producten vergezeld gingen bij verzending uit België naar de betrokken lidstaat;

c) de producten moeten worden vervoerd in containers of voertuigen die door de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat op zodanige wijze zijn verzegeld dat de zegels worden verbroken wanneer de container of het voertuig wordt geopend;

d) de producten moeten rechtstreeks worden vervoerd naar de onder a) bedoelde inrichting;

e) lidstaten die producten naar België terugzenden, moeten de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor de onder a) bedoelde inrichting, per faxbericht in kennis stellen van de plaats van oorsprong en de plaats van bestemming van de teruggezonden producten, met vermelding van alle gegevens die zijn vastgesteld in de bijlage bij Beschikking 91/637/EEG van de Commissie(16). De woorden "Producten teruggezonden overeenkomstig artikel 4 van Beschikking 1999/449/EG" moeten zijn vervat in het faxbericht;

f) België moet per faxbericht de bevoegde autoriteit van de lidstaat die de producten heeft teruggezonden, ervan in kennis stellen dat de betrokken partij is aangekomen;

g) België moet erop toezien dat de teruggezonden producten worden geblokkeerd totdat de producten met gebruikmaking van een door de bevoegde autoriteit goedgekeurde methode worden vernietigd of totdat uit de analyseresultaten is gebleken dat zij niet met dioxines zijn verontreinigd of dat het in bijlage A bij Beschikking 1999/449/EG vastgestelde PCB-gehalte niet wordt overschreden.

3. België registreert alle gegevens aan de hand waarvan kan worden aangetoond dat aan het bepaalde in lid 2 wordt voldaan.

Artikel 6

België ziet erop toe dat alle producten van oorsprong uit België die uit derde landen weer in België worden ingevoerd op grond van artikel 15 van Richtlijn 97/78/EG, worden geblokkeerd totdat de producten met gebruikmaking van een door de bevoegde autoriteit goedgekeurde methode worden vernietigd of totdat uit de analyseresultaten is gebleken dat zij niet met dioxines zijn verontreinigd of dat het in bijlage A vastgestelde PCB-gehalte niet wordt overschreden.

België registreert alle gegevens aan de hand waarvan kan worden aangetoond dat aan het bepaalde in dit artikel wordt voldaan.

Artikel 7

De Commissie kan inspecties verrichten om de tenuitvoerlegging van deze beschikking te controleren.

Artikel 8

De lidstaten brengen de maatregelen die zij ten aanzien van het handelsverkeer toepassen, in overeenstemming met deze beschikking. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Artikel 9

Deze beschikking kan opnieuw worden bezien in het licht van de resultaten van de inspecties van de Commissie en van de informatie die de lidstaten hebben verstrekt.

Artikel 10

Beschikking 1999/363/EG en Beschikking 1999/389/EG worden ingetrokken.

Artikel 11

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 9 juli 1999.

Voor de Commissie

Emma BONINO

Lid van de Commissie

(1) PB L 395 van 30.12.1989, blz. 13.

(2) PB L 62 van 15.3.1993, blz. 49.

(3) PB L 224 van 18.8.1990, blz. 20.

(4) PB L 141 van 4.6.1999, blz. 24.

(5) PB L 159 van 25.6.1999, blz. 60.

(6) PB L 147 van 12.6.1999, blz. 26.

(7) PB L 228 van 11.8.1992, blz. 24.

(8) PB L 221 van 9.8.1991, blz. 30.

(9) PB L 24 van 30.1.1998, blz. 9.

(10) PB L 115 van 4.5.1999, blz. 32.

(11) PB L 55 van 8.3.1971, blz. 23.

(12) PB 121 van 29.7.1964, blz. 2012/64

(13) PB L 368 van 31.12.1994, blz. 10.

(14) PB L 26 van 31.1.1977, blz. 85.

(15) PB L 212 van 22.7.1989, blz. 87.

(16) PB L 343 van 13.12.1991, blz. 46.

BIJLAGE A

Maximumgehalte aan PCB's voor bepaalde in artikel 1, lid 1, genoemde producten

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE B

>PIC FILE= "L_1999175NL.007602.EPS">

>PIC FILE= "L_1999175NL.007701.EPS">

BIJLAGE C

>PIC FILE= "L_1999175NL.007802.EPS">

BIJLAGE D

>PIC FILE= "L_1999175NL.007902.EPS">

BIJLAGE E

>PIC FILE= "L_1999175NL.008002.EPS">

BIJLAGE F

>PIC FILE= "L_1999175NL.008102.EPS">

>PIC FILE= "L_1999175NL.008201.EPS">

Top