EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31997D0488

97/488/EG: Beschikking van de Commissie van 28 juli 1997 tot machtiging van de lidstaten om voor aardbeiplanten (Fragaria L.), bestemd voor opplant, met uitzondering van zaden, van oorsprong uit de Republiek Zuid-Afrika, afwijking van sommige bepalingen van Richtlijn 77/93/EEG van de Raad toe te staan

OJ L 208, 2.8.1997, p. 49–51 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

No longer in force, Date of end of validity: 31/08/1997

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/1997/488/oj

31997D0488

97/488/EG: Beschikking van de Commissie van 28 juli 1997 tot machtiging van de lidstaten om voor aardbeiplanten (Fragaria L.), bestemd voor opplant, met uitzondering van zaden, van oorsprong uit de Republiek Zuid-Afrika, afwijking van sommige bepalingen van Richtlijn 77/93/EEG van de Raad toe te staan

Publicatieblad Nr. L 208 van 02/08/1997 blz. 0049 - 0051


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE van 28 juli 1997 tot machtiging van de lidstaten om voor aardbeiplanten (Fragaria L.), bestemd voor opplant, met uitzondering van zaden, van oorsprong uit de Republiek Zuid-Afrika, afwijking van sommige bepalingen van Richtlijn 77/93/EEG van de Raad toe te staan (97/488/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 77/93/EEG van de Raad van 21 december 1976 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (1), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 97/14/EG (2), en met name op artikel 14, lid 1,

Gelet op het door het Verenigd Koninkrijk ingediende verzoek,

Overwegende dat op grond van het bepaalde in Richtlijn 77/93/EEG aardbeiplanten (Fragaria L.), bestemd voor opplant, met uitzondering van zaden, van oorsprong uit andere dan mediterrane niet-Europese landen, uit Australië, uit Nieuw-Zeeland, uit Canada en uit de continentale staten van de Verenigde Staten van Amerika in beginsel niet in de Gemeenschap mogen worden binnengebracht;

Overwegende dat er belangstelling is voor de teelt, in de Republiek Zuid-Afrika, van planten van Fragaria L., bestemd voor opplant, met uitzondering van zaden, uit planten die door een lidstaat worden geleverd, teneinde het teeltseizoen van de planten te verlengen; dat deze planten achteraf opnieuw naar de Gemeenschap kunnen worden uitgevoerd om daar voor de fruitproductie te worden aangeplant;

Overwegende dat, wat de invoer van de bedoelde planten in de Gemeenschap betreft, uit de door de betrokken lidstaat verstrekte informatie blijkt dat de bedoelde aardbeiplanten in het district Elliot, in het noordoosten van de Kaapprovincie, Republiek Zuid-Afrika, onder uit fytosanitair oogpunt adequate omstandigheden kunnen worden geteeld;

Overwegende dat, luidens de thans beschikbare informatie, onder dergelijke omstandigheden geen gevaar bestaat voor insleep van schadelijke organismen die planten van Fragaria L. aantasten, op voorwaarde dat aan bepaalde specifieke technische voorwaarden wordt voldaan;

Overwegende dat de Commissie erop zal toezien dat de Republiek Zuid-Afrika alle technische informatie beschikbaar blijft stellen die nodig is om te beoordelen of de teelt van aardbeiplanten in de Republiek Zuid-Afrika aan de fytosanitaire voorschriften voldoet;

Overwegende dat de in deze beschikking vervatte maatregelen in overeenstemming zijn met het advies van het Permanent Plantenziektekundig Comité,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

1. De lidstaten worden hierbij gemachtigd om voor aardbeiplanten (Fragaria L.) bestemd voor opplant, met uitzondering van zaden, van oorsprong uit de Republiek Zuid-Afrika, een afwijking van artikel 4, lid 1, van Richtlijn 77/93/EEG toe te staan wat de eisen in bijlage III, deel A, punt 18, betreft mits aan de in lid 2 genoemde voorwaarden wordt voldaan.

2. Behalve aan de eisen in deel A van de bijlagen I, II en IV bij Richtlijn 77/93/EEG moeten de aardbeiplanten voldoen aan de volgende specifieke voorwaarden:

a) De planten moeten voor de fruitproductie in de Gemeenschap bestemd zijn en moeten

i) uitsluitend zijn gekweekt uit moederplanten die in het kader van een erkende certificeringsregeling van een lidstaat zijn gecertificeerd en uit een lidstaat zijn ingevoerd,

ii) zijn gekweekt op grond die:

- gelegen is in het district Elliot in het noordoosten van de Kaapprovincie

- zich in een van de commerciële aardbeienteelt geïsoleerd gebied bevindt

- zich bevindt op ten minste 1 km van de dichtstbijzijnde, voor de productie van fruit of uitlopers bestemde aanplant van aardbeien die niet aan de in deze beschikking vastgestelde voorwaarden voldoet

- zich bevindt op ten minste 200 m van andere, niet aan de in deze beschikking vastgestelde voorwaarden beantwoordende planten van het geslacht Fragaria en

- vóór de aanplant en in de periode nadat de vorige oogst van de grond is verwijderd, volgens adequate methoden is getest of behandeld om te garanderen dat hij vrij is van grondbesmettende schadelijke organismen, inclusief Globodera pallida (Stone) Behrens en Globodera rostochiensis (Wollenweber) Behrens,

iii) door de plantenziektekundige dienst van de Republiek Zuid-Afrika ten minste driemaal in het groeiseizoen en voorafgaand aan de uitvoer officieel zijn geïnspecteerd op de aanwezigheid van zowel de in deel A van de bijlagen I en II bij Richtlijn 77/93/EEG vermelde schadelijke organismen, in het bijzonder:

- Aphelenchoides besseyi Christie

- Arabis mosaic virus

- Colletotrichum acutatum Simmonds

- Globodera pallida (Stone) Behrens

- Globodera rostochiensis (Wollenweber) Behrens

- Strawberry crinkle virus

- Strawberry mild yellow edge virus

- Xiphinema americanum Cobb sensu lato (niet-Europese populaties),

als de volgende schadelijke organismen die, voor zover bekend, niet voorkomen in de Gemeenschap:

- Eremnus setulosus (Boheman)

- Graphognathus leucoloma (Boheman)

- Heteronychus arator (Fabricius),

iv) bij de onder iii) bedoelde inspecties vrij zijn bevonden van de in dat punt bedoelde schadelijke organismen,

v) vóór de uitvoer:

- door schudden zijn vrijgemaakt van grond of een ander groeimedium

- zijn geschoond (d.w.z. vrij gemaakt van plantenresten) en geen bloemen en vruchten dragen.

b) De voor de Gemeenschap bestemde planten dienen vergezeld te gaan van een fytosanitair certificaat dat in de Republiek Zuid-Afrika is afgegeven overeenkomstig de artikelen 7 en 12 van Richtlijn 77/93/EEG, op basis van het in die richtlijn bedoelde onderzoek met betrekking tot de daarin vastgestelde voorwaarden, in het bijzonder het vrij zijn van de onder a), iii), vermelde schadelijke organismen, en met betrekking tot de onder a), i), ii), iv) en v) gespecificeerde eisen.

Op het certificaat dienen te worden vermeld:

- in de rubriek "Bestrijdings- en/of ontsmettingsbehandeling": de laatste vóór de uitvoer toegepaste behandeling(en)

- in de rubriek "Aanvullende verklaring", de vermelding "Deze zending voldoet aan de in Beschikking 97/488/EG vastgestelde voorwaarden", alsmede de rasnaam en de certificeringsregeling van de lidstaat waaronder de moederplanten zijn gecertificeerd.

c) De planten moeten worden ingevoerd via de door de betrokken lidstaat met het oog op deze afwijkende regeling aangewezen plaatsen van binnenkomst op zijn grondgebied.

d) Elke invoer in de Gemeenschap moet tien dagen van tevoren door de importeur zijn gemeld aan de verantwoordelijke officiële instanties van de lidstaat van binnenkomst; deze lidstaat stuurt de gemelde gegevens door aan de Commissie, waarbij hij aangeeft:

- het soort materiaal

- de hoeveelheid

- de datum waarop de invoer zal plaatsvinden en de bevestiging van de plaats van binnenkomst

- de namen en adressen van de onder f) bedoelde bedrijven waar de planten zullen worden aangeplant.

Op het ogenblik van invoer bevestigt de importeur de gegevens van bovenbedoelde voorafgaande melding. De importeur dient vóórdat hij de producten binnenbrengt officieel in kennis te zijn gesteld van de onder a), b), c), d), e) en f) vastgestelde voorwaarden.

e) De op grond van artikel 12 van Richtlijn 77/93/EEG vereiste inspecties en, zo nodig, tests moeten worden uitgevoerd door de in genoemde richtlijn bedoelde verantwoordelijke officiële instanties van de lidstaten die van deze afwijkende regeling gebruik maken, in voorkomend geval in samenwerking met genoemde instanties van de lidstaat waar de planten zullen worden aangeplant. Onverminderd de controlevoorschriften als bedoeld in artikel 19 bis, lid 3, tweede streepje, eerste mogelijkheid, van Richtlijn 77/93/EEG bepaalt de Commissie in hoeverre de inspecties als bedoeld in artikel 19 bis, lid 3, tweede streepje, tweede mogelijkheid, van genoemde richtlijn moeten worden geïntegreerd in het overeenkomstig artikel 19 bis, lid 5, onder c) van die richtlijn vast te stellen inspectieprogramma.

f) De planten mogen alleen worden aangeplant op bedrijven waarvan naam van de eigenaar en de ligging van het stuk grond door de persoon die de op grond van deze beschikking ingevoerde planten wil aanplanten, zijn medegedeeld aan de genoemde verantwoordelijke officiële instanties van de lidstaat waar het bedrijf is gelegen; indien de plaats waar de planten zullen worden aangeplant, is gelegen in een andere lidstaat dan die welke van de afwijkende regeling gebruikmaakt, moeten de genoemde verantwoordelijke officiële instanties van de lidstaat die van deze afwijkende regeling gebruikmaakt, op het moment van ontvangst van de bovenbedoelde voorafgaande melding van de importeur, de genoemde verantwoordelijke officiële instanties van de lidstaat waar de planten zullen worden aangeplant de naam en het adres melden van de bedrijven waar de planten zullen worden aangeplant.

g) In de groeiperiode na het binnenbrengen van de planten moet op daartoe geschikte tijdstippen, op de onder f) bedoelde bedrijven een voldoende aantal planten worden gecontroleerd door de genoemde verantwoordelijke officiële instanties van de lidstaat waar de planten worden aangeplant.

Artikel 2

Telkens wanneer de lidstaten gebruik maken van de in artikel 1 bedoelde machtiging, delen zij dat aan de andere lidstaten en de Commissie mede. Zij doen de Commissie en de overige lidstaten vóór 1 november 1997 gegevens toekomen betreffende de op grond van deze beschikking ingevoerde hoeveelheden, alsmede een gedetailleerd technisch verslag van het in artikel 1, lid 2, onder e), bedoelde officiële onderzoek. Bovendien doen alle lidstaten waar de planten worden aangeplant de Commissie en de overige lidstaten ieder jaar vóór 1 maart van het jaar volgende op dat van invoer een gedetailleerd technisch verslag over het in artikel 1, lid 2, onder g), bedoelde officiële onderzoek toekomen.

Artikel 3

De bij artikel 1 verleende machtiging geldt in de periode van 1 augustus 1997 tot en met 31 augustus 1997. Zij wordt ingetrokken indien wordt vastgesteld dat de in artikel 1, lid 2, vervatte voorwaarden ontoereikend zijn om de insleep van schadelijke organismen te voorkomen of dat aan deze voorwaarden niet is voldaan.

Artikel 4

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 28 juli 1997.

Voor de Commissie

Franz FISCHLER

Lid van de Commissie

(1) PB nr. L 26 van 31. 1. 1977, blz. 20.

(2) PB nr. L 87 van 2. 4. 1997, blz. 17.

Top