EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31997D0081

97/81/EG: Beschikking van de Commissie van 30 juli 1996 betreffende steun van de Oostenrijkse Regering aan Head Tyrolia Mares in de vorm van kapitaalinjecties (Slechts de tekst in de Duitse taal is authentiek) (Voor de EER relevante tekst)

OJ L 25, 28.1.1997, p. 26–43 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/1997/81(1)/oj

31997D0081

97/81/EG: Beschikking van de Commissie van 30 juli 1996 betreffende steun van de Oostenrijkse Regering aan Head Tyrolia Mares in de vorm van kapitaalinjecties (Slechts de tekst in de Duitse taal is authentiek) (Voor de EER relevante tekst)

Publicatieblad Nr. L 025 van 28/01/1997 blz. 0026 - 0043


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE van 30 juli 1996 betreffende steun van de Oostenrijkse Regering aan Head Tyrolia Mares in de vorm van kapitaalinjecties (Slechts de tekst in de Duitse taal is authentiek) (Voor de EER relevante tekst) (97/81/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 93, lid 2, eerste alinea,

Gelet op de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, inzonderheid op artikel 62, lid 1, onder a),

Na de belanghebbenden overeenkomstig genoemde artikelen te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken en gezien deze opmerkingen,

Overwegende hetgeen volgt:

1. Achtergrond

De Commissie ontving op 26 juni 1995 een brief van een Franse producent van wintersportartikelen (ski's, skischoenen, skibindingen) met het verzoek een onderzoek in te stellen naar vermoedelijke staatssteun van de staatsholding Austria Tabakwerke, hierna "AT" genoemd, aan de Oostenrijkse onderneming Head Tyrolia Mares, hierna "HTM" genoemd.

Sedert april 1995 verschenen in de pers berichten over reddingsmaatregelen van de aandeelhouder AT om de grote verliezen van HTM over de afgelopen drie jaren te dekken. In het bijzonder werd in april en augustus 1995 melding gemaakt van twee besluiten van AT om HTM nieuw kapitaal ter beschikking te stellen. Het tweede besluit zou door verscheidene kapitaalinjecties in de jaren 1995 tot en met 1997 worden uitgevoerd. In september werd bovendien gemeld, dat AT en een internationale groep van investeerders overeenstemming hadden bereikt over de privatisering van HTM.

Op 8 augustus 1995 zond de Oostenrijkse Regering de Commissie een schrijven waarin zij liet weten, dat AT voornemens was 1,5 miljard OS (111 miljoen ecu (1)) in HTM te steken en dat het in tegenstelling tot de negatieve berichten in de pers een louter zakelijke investering betrof.

De Commissie zond de Oostenrijkse Regering op 1 september 1995 een brief waarin zij om gedetailleerde inlichtingen verzocht over de beweerde steun, de economische en financiële situatie van HTM, alle reeds genomen of voorgenomen herstructureringsmaatregelen en de vooruitzichten van de onderneming. De Oostenrijkse Regering antwoordde hierop bij een schrijven van 21 september 1995. Op 27 september 1995 vond een eerste ontmoeting met vertegenwoordigers van de Oostenrijkse Regering plaats.

Op 6 en 16 oktober 1995 kwamen bij de Commissie voorts twee klachten van Oostenrijkse concurrenten van HTM binnen. Beide concurrenten verzochten de Commissie, de financiële steun van staatsbedrijf en mede-eigenaar AT aan HTM te onderzoeken. Bovendien deelde een in de overname van HTM geïnteresseerde marktdeelnemer de Commissie in mededelingen van 4, 10 en 18 oktober en 8 november 1995 en tijdens een ontmoeting op 23 november 1995 mede, dat AT zijn aanbod zonder duidelijke opgave van redenen had geweigerd. Op 29 november 1995 ontmoette de Commissie een klager, die mededeelde dat hem nooit voorgesteld was zich als overnamekandidaat voor HTM te melden en dat AT nooit op de blijken van zijn belangstelling had gereageerd.

De Oostenrijkse autoriteiten en de vertegenwoordigers van AT/HTM gaven, ondersteund door hun adviseurs, nadere informatie en uitleg in een aantal mededelingen op 6, 11, 13, 20, 25, 30 en 31 oktober 1995 en tijdens vergaderingen met ambtenaren van de Commissie op 27 september, 11 en 18 oktober en 7 en 21 november 1995.

Bij een telefaxbericht van 30 november 1995 verzocht de Oostenrijkse Regering de Commissie alle voor 1995 en tot en met juni 1996 voorgenomen kapitaalinjecties van AT in HTM als reddingssteun goed te keuren, nadat deze waren omgezet in leningen van AT tegen een jaarlijkse rente van 7,78 %.

De Commissie stelde Oostenrijk bij schrijven van 2 februari 1996 in kennis van haar besluit van 20 december 1995 om de procedure van artikel 93, lid 2, van het EG-Verdrag in te leiden en de kapitaalinjecties als reddingssteun toe te staan. Tijdens een ontmoeting op 14 februari 1996 en in het kader van verdere contacten werd met Oostenrijk overeenstemming bereikt over gevoelige passages in de tekst die uit de gepubliceerde versie zouden worden geschrapt.

Als gevolg van fouten in de Duitse vertaling van het besluit stelde de Commissie op 13 maart 1996 een gewijzigde versie vast, die op 26 maart 1996 aan Oostenrijk werd medegedeeld. Het nieuwe besluit werd op 27 april 1996 in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen gepubliceerd (PB nr. C 124, blz. 5).

De Commissie ontving opmerkingen van de Oostenrijkse Regering bij schrijven van 25 april 1996 en van drie belanghebbenden bij schrijven van 30 april en 21, 24 en 28 mei 1996. De opmerkingen van belanghebbenden werden Oostenrijk bij schrijven van 5 en 14 juni 1996 medegedeeld. Op 25 juni 1996 vond een ontmoeting plaats met vertegenwoordigers van de Oostenrijkse Regering, AT en HTM en op 27 juni 1996 met één van de klagers. De Oostenrijkse Regering reageerde op de opmerkingen van de belanghebbenden en op het verzoek van de Commissie om aanvullende informatie van 28 juni 1996 bij schrijven van 8 juli 1996.

2. Austria Tabakwerke en Head Tyrolia Mares

AT is voor 100 % eigendom van de Oostenrijkse Staat, die wordt vertegenwoordigd door het Ministerie van Financiën. Afgezien van activiteiten op de markt voor sportartikelen en in beperkte mate op de onroerend-goedmarkt houdt AT zich voornamelijk bezig met het beheer van het Oostenrijkse tabaksmonopolie. Overeenkomstig het Gemeenschapsrecht werd deze markt per 1 januari 1995 geliberaliseerd, met uitzondering van enkele activiteiten, zoals de distributie, waarbij AT nog enige tijd bijzondere rechten houdt.

HTM is de holding van een groep ondernemingen die zich bezighoudt met de productie en de verhandeling van sportartikelen, met name wintersport-, tennis- en duiksportartikelen. De omzet bedroeg in 1994 5 200 miljoen OS (386 miljoen ecu). De voornaamste afzetmarkten waren de Verenigde Staten, Japan en West-Europa. In juni 1995 telde het concern 2 700 werknemers.

AT verwierf in 1993 een meerderheidsbelang in HTM, die eigendom was van investeerders uit Zwitserland, de Verenigde Staten en Japan. Deze diversifiëring, die ook valt waar te nemen bij andere holdings in de tabakssector, zoals Phillip Morris of de groep Amer, werd ingegeven door de dalende omzet op de tabaksmarkt en de te verwachten afschaffing van het staatsmonopolie op tabak na de toetreding van Oostenrijk tot de EER.

Ten tijde van de overname had HTM hoge schulden ten gevolge van twee kort ervoor met vreemd kapitaal gefinancierde overnamepogingen, zodat het voor een zeer lage prijs kon worden overgenomen (20 miljoen USD - 16 miljoen ecu). Dit was ook de reden waarom HTM ingevolge een bepaling in het koopcontract meteen een kapitaalinjectie van 100 miljoen USD (80 miljoen ecu) kreeg alsmede een aandeelhouderslening van 85,25 miljoen DM (45 miljoen ecu).

Ondanks de aangekondigde plannen voor sanering, diversifiëring en nieuwe investeringen leed de groep HTM in 1993 en 1994 zware verliezen. Voor 1995 waren de vooruitzichten niet beter: er werd een negatieve winstmarge verwacht van 13 % van de omzet. Deze slechte resultaten zijn vooral het gevolg van de sterk teruglopende internationale skimarkt (in de afgelopen vijf jaar daalde de vraag met 45 %) en van de negatieve bedrijfsresultaten in bepaalde branches, zoals sportkleding en golfartikelen. Hoge financiële lasten alsmede herstructurerings- en buitengewone posten verzwakken de financiële prestatie nog verder.

In januari 1995 verzocht AT de handelsbank SBC Warburg mede te werken aan een reddingsplan voor HTM en in maart kreeg Warburg de opdracht een privatiseringsplan voor HTM op te stellen. In mei werd begonnen met een selectieprocedure voor potentiële kopers, die in juni werd uitgebreid. In het kader van deze procedure werden ongeveer 40 gegadigden aangeschreven.

Om de dreigende insolventie van HTM af te wenden, zag AT zich in april 1995 gedwongen nog eens een kapitaalinjectie van 400 miljoen OS (30 miljoen ecu) te geven en de lening van 1993 in eigen vermogen om te zetten.

In juli 1995 werd een herstructureringsplan uitgewerkt dat HTM in staat moest stellen voor 1997 opnieuw rendabel te worden en winst te maken. Dit plan hield in, dat de activiteiten werden geconcentreerd op ski's, skibindingen en skischoenen alsmede tennis- en duikartikelen en dat golfartikelen, sportkleding en sportschoenen (met uitzondering van tennisschoenen) zouden worden afgestoten. Om het plan te financieren en het gevaar van een nieuwe insolventieprocedure af te wenden, gaf het Ministerie van Financiën als vertegenwoordiger van de enige aandeelhouder van AT in augustus 1995 toestemming om nog eens een bedrag van 1,5 miljard OS (111 miljoen ecu) in de onderneming te steken. Dit bedrag zou in tranches worden betaald in de loop van 1995, 1996 en 1997. In augustus en september werd HTM 373 miljoen OS (28 miljoen ecu) betaald. AT nam het herstructureringsplan aan en zocht tegelijkertijd naar een koper voor HTM. In aansluiting op het besluit van AT en op voorwaarde dat AT het herstructureringsplan zou uitvoeren, werd bovendien met de voornaamste banken van HTM overeengekomen, dat zij afstand zouden doen van een deel van hun vorderingen (430 miljoen OS - 32 miljoen ecu), tot een schuldsanering zouden overgaan en van een deel van de rente (200 miljoen OS - 15 miljoen ecu) zouden afzien.

Tegelijkertijd trad de directie van AT af en werden twee interimbestuurders benoemd (die lid van de raad van commissarissen waren geweest). In september 1995 werd wegens de dramatische verslechtering van de situatie van HTM besloten de herstructurering te staken en tot onmiddellijke verkoop over te gaan. Het nieuwe bestuur van AT verklaarde niet in staat te zijn HTM te leiden. Bovendien zou een lange herstructureringsperiode betekenen, dat de Oostenrijkse Regering de voorgenomen privatisering van AT zou moeten uitstellen of dat deze minder zou opbrengen, omdat de op de markt geboden prijs zou dalen.

In september 1995 besloot het bestuur van AT op aanraden van Warburg het voorlopige aanbod van een groep internationale investeerders onder leiding van Johan Eliasch (hierna "Eliasch" genoemd) te accepteren en te onderhandelen over volledige en onmiddellijke privatisering van HTM.

Volgens het koopcontract met Eliasch bedroeg de koopprijs 10 miljoen OS (0,7 miljoen ecu) en zou AT in totaal 1,19 miljard OS (88 miljoen ecu) in HTM steken volgens het volgende tijdschema: 400 miljoen OS op 30 september 1995 (in werkelijkheid werd in augustus en september 373 miljoen OS betaald), 250 miljoen OS op 31 december 1995, 250 miljoen OS op 30 juni 1996, 145 miljoen OS op 31 december 1997 en 145 miljoen OS op 31 maart 1998. Zodra AT alle tranches zou hebben betaald, zou Eliasch in 1998 nog eens 300 miljoen OS (22 miljoen ecu) inbrengen. (Deze overeenkomst werd later gedeeltelijk gewijzigd: Eliasch zou de eerste 25 miljoen OS (1,9 miljoen ecu) van dit bedrag reeds betalen zodra de Commissie de maatregelen van AT had goedgekeurd). Bovendien zou AT 15 % van de vervreemdingswinst verkrijgen die Eliasch bij volledige of gedeeltelijke verkoop van HTM aan derden door middel van de verkoop van aandelen of een openbaar verkoopaanbod behaalt. Ten slotte zou Eliasch de productie in de Oostenrijkse vestigingen nog ten minste drie jaar voortzetten en 50 % van het personeel in de vestiging te Schwechat en 80 % van het personeel in de vestigingen te Hörbranz en Kennelbach in dienst houden.

Daar de overeenkomst met de banken over de afstand van de vorderingen en de schuldsanering ten gevolge van deze ontwikkelingen kwam te vervallen, werden de onderhandelingen hervat.

AT heeft dus ten gunste van HTM de volgende maatregelen genomen:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Bovendien blijft onder de nieuwe eigenaren de regeling inzake belastingtegoeden in verband met eerder geleden verliezen van HTM bestaan. Deze verliezen werden per 31 december 1994 voor het gehele concern op ongeveer 370 miljoen USD (296 miljoen ecu) geraamd.

In de laatste week van november werd de Commissie meegedeeld, dat de kredietverlenende banken zich opnieuw bereid hadden verklaard, een - zij het iets geringere - bijdrage te leveren tot de herstructurering van HTM onder de nieuwe eigenaren door afstand van vorderingen (391 miljoen OS - 29 miljoen ecu) en verschuldigde rente (200 miljoen OS - 15 miljoen ecu) en door schuldsanering. Bovendien zou Eliasch volgens de nieuwe overeenkomst naast het in het koopcontract reeds vastgelegde bedrag van 10 miljoen OS (0,7 miljoen ecu) nog eens 25 miljoen OS (1,9 miljoen ecu) in HTM steken.

Begin februari werd de Commissie medegedeeld, dat de koopovereenkomst was uitgevoerd door de overdracht van de HTM-aandelen van AT aan Eliasch.

3. Concurrentiepositie, economische en financiële toestand van HTM

Medio 1995 bestond de groep HTM uit vijf ondernemingen: Head, Tyrolia, Mares, Brixia en Head Sportswear. Head produceert en verkoopt tennis-, squash- en racketbal-rackets, tennisschoenen, ski's en ski-uitrustingen alsmede golfartikelen. Tyrolia produceert en verkoopt ski's, skibindingen en skischoenen voor het alpineskiën alsmede skibindingen en skischoenen voor het langlaufen. Mares produceert en verkoopt zwem- en duikartikelen. Brixia produceert en verkoopt ski- en wandelschoenen (onder de merken San Marco en Munari). Head Sportswear ontwerpt, produceert en verkoopt sportkleding onder de merken Head en Tyrolia. HTM verkoopt bovendien tennisballen en -toebehoren onder het merk Penn en is in Italië distributeur van Puma-schoenen en Uvex-brillen.

De vestigingen van het concern bevinden zich in de Verenigde Staten en Europa (Duitsland, Oostenrijk, Italië, Tsjechië en Estland). De Oostenrijkse fabrieken bevinden zich in Kennelbach (536 werknemers), Hörbranz (279 werknemers), Schwechat (395 werknemers) en Neusiedl (80 werknemers).

In 1994 bedroeg de omzet van HTM 5,2 miljard OS (386 miljoen ecu). Het aandeel van de verschillende producten in de omzet is als volgt:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

In 1994 behaalde HTM 27,4 % van de omzet in de Verenigde Staten en Canada, 22,1 % in Japan en ongeveer 45 % in West-Europa (Duitsland 13,2 %, Italië en Spanje 10,6 %, Oostenrijk 7,8 % en Frankrijk 4,4 %).

In 1994 was het marktaandeel van HTM en de plaats onder de concurrenten in de voornaamste branches als volgt (op de Europese markt nam HTM min of meer dezelfde plaats in, behalve bij tennisartikelen waar Head met een aandeel van 18,8 % marktleider was.):

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

De onderstaande tabel geeft een beeld van de economische en financiële situatie van HTM en van de negatieve ontwikkeling van de bedrijfsresultaten.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Het verwachte zware nettoverlies over 1995 omvat een aantal eenmalige uitgaven en kosten in verband met de lopende herstructurering. Het verlies kan als volgt worden onderverdeeld (in miljoen USD):

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

De kapitaalinjecties van AT hebben HTM in staat gesteld, het grootste deel van de geleden verliezen te compenseren, weer tot een positief eigen vermogen te komen en de schuldenlast tot een acceptabel niveau terug te brengen.

4. Marktsituatie en markttrends

Op alle traditionele markten van HTM is de situatie sedert het einde van de jaren tachtig gespannen ten gevolge van de scherpe daling van de internationale vraag. Een uitzondering vormt de duiksport, waar een aanzienlijke groei valt waar te nemen.

Ski's

Hier gaat het om een verzadigde markt met een aanzienlijke overcapaciteit. De grootste markten zijn Japan en de Verenigde Staten. De wereldomzet is de afgelopen vijf jaren met 45 % gedaald. Naar verwachting zal de omzet zich stabiliseren rond de 5 miljoen ski's. De voornaamste oorzaken van deze ontwikkeling zijn de leeftijd van de skiërs, milieu-overwegingen, de concurrentie van snowboarden en andere vormen van wintertoerisme. De prijzen hebben zich op een laag niveau gestabiliseerd en zullen waarschijnlijk niet meer stijgen. Er zijn nog enkele attractieve marktsegmenten en nieuwe markten met potentiële groeimogelijkheden, maar in grote lijnen valt een concentratie in de richting van enkele grote producenten waar te nemen.

Skibindingen

Voor skibindingen geldt hetzelfde als voor ski's. Aangezien het gebruik van nieuwe technologieën zoals elektronika nog enige tijd op zich zal laten wachten, zijn skibindingen voorlopig nog gebruiksartikelen die samen met de ski's als "set" worden aangeboden, zodat de markten zich nauwelijks nog van elkaar onderscheiden.

Skischoenen

Deze markt ontwikkelt zich parallel met die voor ski's en skibindingen.

Tennis

Deze markt loopt sedert 1991 terug. Wereldwijd daalde de afzet met ongeveer 34 % tot 8 miljoen rackets, omdat de jongere generaties eerder voor modesporten kiezen en de oudere op andere sporten zoals golf overgaan. De prognoses zijn dat de markt zal blijven krimpen, al bestaan in bepaalde regio's nog groeimogelijkheden. Ook de prijzen zullen blijven dalen. Alleen bij een behoorlijke produktdifferentiatie zullen de producenten het prijsniveau kunnen handhaven of verhogen. De algemene trend gaat in de richting van globalisering van zowel produkten als producenten.

Duiksport

Deze markt vertoont vooral sedert het begin van de jaren negentig een permanente groei en voor de komende jaren worden groeipercentages van 3 tot 4 % verwacht.

5. Herstructurering van HTM

De Commissie ontving een omvattend plan voor de reorganisatie van HTM met de voor de herstructurering en financiering noodzakelijke maatregelen. Dit plan was opgesteld door Eliasch in samenwerking met de directie van HTM en met behulp van SBC Warburg, M & C Saatchi en Gutmann & Company.

Als strategie werd voorgesteld terug te keren tot de basisactiviteiten van HTM (tennis, ski's, skibindingen, skischoenen en duikartikelen) en in de komende tijd het zwaartepunt te leggen bij het merk Head, marketingactiviteiten, innovatieve en technologisch hoogwaardige produkten en de markt van de Verenigde Staten. Na de herstructurering moet op lange termijn worden gestreefd naar uitbreiding in de richting van nieuwe produkten (door het verkrijgen van licenties) en nieuwe geografische markten. Het herstructureringsplan moet leiden tot het bereiken van het evenwicht tussen kosten en uitgaven in 1996, het herstel van de rentabiliteit in 1997 en uiteindelijk tot een beursgang in 1998 of 1999.

Het herstructureringsplan bevat de volgende hoofdpunten:

- Aanpassing van de produktiecapaciteit aan de gedaalde vraag in de sectoren wintersport (ski's, skischoenen en skibindingen) en tennisrackets. Dit betekent uitbesteding en verplaatsing van arbeidsintensieve produktieprocessen naar Oosteuropese landen om de produktiekosten te drukken.

- Geleidelijke stopzetting van onrendabele produktielijnen en verkleining van de voorraden.

- Rationalisering en verlaging van de vaste kosten van distributie en administratie, onder meer door fusie van ondernemingen.

- Ontwikkeling en opzet van een logistiek systeem voor het centrale beheer van voorraden, goederenbestand en distributie alsmede de modernisering van de interne beheerssystemen en werkwijzen.

Voor de hoofdprodukten zijn de volgende maatregelen voorgesteld:

Skiproduktie (Kennelbach)

De onderneming beschikte in 1994 over een jaarlijkse produktiecapaciteit van [. . .] (2) ski's. In het verkoopseizoen 1996/1997 zullen enkele produktielijnen worden gesloten, waardoor de capaciteit met [. . .] ski's per jaar (-39 %) kan worden verminderd, voornamelijk door staking van procédés die op de sandwichtechniek en de PU-cap-sandwichtechniek berusten. Een reeds goedgekeurd project voor het opzetten van een PU-cap-produktie-installatie met een capaciteit van [. . .] eenheden zal niet worden uitgevoerd. HTM zal de produktiecapaciteit dienovereenkomstig verminderen. Tegelijkertijd wordt het personeel met [. . .] ([. . .] van het rechtstreeks bij de produktie betrokken personeel) verminderd. In 1996 zullen volgens het bedrijfsplan ongeveer [. . .] ski's worden afgezet (deels van andere producenten gekocht). In 1995 waren dit er nog 596 000. De bedrijfswinst voor aftrek van de vaste lasten werd geraamd op [. . .] van de omzet. HTM zal zich vooral concentreren op het merk Head, dat technologisch hoogwaardige produkten levert en in deze sector een sterke marktpositie heeft.

Skibindingen (Schwechat)

De huidige produktiecapaciteit van het bedrijf van [. . .] bindingen moet worden teruggebracht tot [. . .] (-59 %). De montageketen in Neusiedl wordt gesloten, waardoor het personeel met in totaal [. . .] zal afnemen ([. . .] van het rechtstreeks bij de produktie betrokken personeel). Voor 1996 wordt een afzet verwacht van [. . .] eenheden (tegen 1 371 000 in 1995) en voor 1997 een stijging tot [. . .] eenheden (gedeeltelijk door uitbesteding). De bedrijfswinst voor aftrek van de vaste lasten wordt geraamd op [. . .] % van de omzet. Het aangeboden assortiment zal aanzienlijk worden verminderd. Tyrolia wil gebruik maken van haar sterke technologische positie en zich toeleggen op hoogwaardige produkten, zodat zij bij het merkimage van Head past en van hogere winstmarges kan profiteren.

Skischoenen

Tot de belangrijkste maatregelen behoren de verplaatsing van de produktie naar de fabriek in Tallinn (Estland), de verbetering van de produktiviteit en de vermindering van het personeel. In Italië zal de produktie worden verlaagd van [. . .] paar schoenen in 1994 en 1995 tot [. . .] paar in 1997. Daar de produktiecapaciteit van de fabriek in Tallinn ongeveer [. . .] paar schoenen bedraagt, betekent dit dat de totale capaciteit met 9 % zal afnemen. Voor 1996 wordt een afzet verwacht van [. . .] paar skischoenen (in 1995 626 000). De winstmarge vóór aftrek van de vaste lasten wordt op [. . .] geraamd.

Tennisrackets (Hörbranz)

De produktie zal worden gereorganiseerd, deels door omschakeling van de traditionele produktiemethoden op thermodiffusie en deels door uitbreiding van de fabriek in Budweis (Tsjechische Republiek) en opvoering van de produktie aldaar. Gebruikmaking van thermodiffusie betekent dat kosten worden bespaard en de milieubelasting kleiner wordt. De produktiecapaciteit van Budweis zal worden verhoogd van [. . .] tot [. . .] rackets (109 %) terwijl de produktie in Hörbranz zal worden teruggebracht van [. . .] tot [. . .] stuks (-56 %). Hierdoor zal de totale capaciteit met [. . .] stuks (-38 %) afnemen. De kostenbesparing bij deze nieuwe produktiestructuur zal aanzienlijk zijn. Het rechtstreeks bij de produktie betrokken personeel zal met [. . .] afnemen. Head heeft haar hoogwaardige technologische produktie uitgebreid met de nieuwe dubbele-buizentechniek, die betere prestaties, lagere produktiekosten en hogere verkoopprijzen mogelijk maakt. Het marketingbeleid zal hierop worden afgestemd en vooral gericht zijn op de Verenigde Staten, die een sleutelmarkt vormen. Na een omzet van 1 030 000 stuks in 1995 gaat het bedrijfsplan voor 1996 uit van [. . .] rackets (een aanzienlijk deel van de produktie komt tot stand door onderaanbesteding). De winstmarge voor aftrek van de vaste lasten wordt geraamd op [. . .].

Duikmateriaal

In deze bloeiende sector staan geen grote herstructureringsplannen op het programma. Voor 1996 wordt gerekend op een afzet van [. . .]. De afzet moet in 1998 gestegen zijn tot [. . .]. De winstmarge vóór aftrek van de vaste lasten wordt geraamd op [. . .].

Overige produkten

De verlieslijdende handel in golfartikelen werd in 1995 beëindigd. Hetzelfde gebeurde met Head-sportkleding in de Verenigde Staten. In Europa gaat HTM verder met sportkleding. De omzet moet in de periode 1996-1998 stijgen van [. . .] tot [. . .] bij een winstmarge van ongeveer [. . .] voor aftrek van de vaste lasten.

Stroomlijning van verkoop en administratie

Rationalisering is hier het sleutelwoord. In de eerste plaats gaat het om fusies, sluiting van dochterondernemingen en verbetering van procedures en elektronische systemen. Vervolgens moeten de kosten voor de afdelingen Verkoop en Administratie verder worden beperkt door capaciteitsvermindering, sluiting van onrendabele produktielijnen en voorraadvermindering. In de Europese vestigingen moeten ongeveer 164 arbeidsplaatsten verdwijnen.

Herstructureringskosten

De kosten van de herstructureringsmaatregelen die tussen 1995 en 1997 moeten worden uitgevoerd, worden geraamd op 159 miljoen USD (127 miljoen ecu). De grootste kostenposten zijn de beëindiging van de produktie van golfartikelen, het afstoten van sportkleding, de vermindering van de produktiecapaciteit en de herstructurering van de fabrieken in Kennelbach, Schwechat en Hörbranz. Daarbij komen nog de kosten van de ontslagregelingen voor het personeel.

Financiële vooruitzichten

De onderstaande tabel geeft een beeld van de algemene financiële vooruitzichten voor HTM tot 1998 op basis van het herstructureringsprogramma:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Het herkapitaliseringsplan, dat deel uitmaakt van het herstructureringsprogramma, bevat behalve de bijdragen van AT en de afstand van vorderingen en rente door de banken nog twee kapitaalinjecties door Eliasch ten bedrage van 2,5 en 27,5 miljoen USD (respectievelijk 2 en 22 miljoen ecu) in de periode tot 1998 en een internationale openbare emissie met een verwachte opbrengst van 60 miljoen USD (48 miljoen ecu). Het voor 1998 geraamde aandeel van het eigen vermogen van HTM (7 %) wordt te laag geacht om de onderneming met succes aan de internationale concurrentie bloot te stellen. Daarom zijn de inbreng van vermogen door Eliasch en de beursgang essentieel om de vermogensstructuur van HTM te verbeteren, omdat de schulden van de onderneming daardoor verder verminderen.

6. Opmerkingen van de Oostenrijkse autoriteiten en belanghebbenden

Tijdens het voorlopige onderzoek en na de bekendmaking van het besluit de procedure in te leiden, ontving de Commissie opmerkingen van de Oostenrijkse autoriteiten, AT, HTM en enkele concurrenten en overige belanghebbenden.

6.1. Oostenrijkse autoriteiten, AT en HTM

6.1.1. Het steunkarakter van de kapitaalinjecties

Onafhankelijkheid en economisch verantwoord handelen van AT

Het Oostenrijkse staatsmonopolie voor tabak, AT, is voor 100 % eigendom van de Republiek Oostenrijk, die wordt vertegenwoordigd door het Ministerie van Financiën. De Oostenrijkse autoriteiten merken op, dat AT niet door de Staat is opgericht of aangewezen om subsidies uit openbare middelen te verstrekken. AT is volstrekt zelfstandig en handelt steeds onafhankelijk van de Regering. De maatregelen ten aanzien van HTM werden uit zakelijke overwegingen genomen met het oogmerk een zo groot mogelijke winst te behalen respectievelijk het verlies tot een minimum te beperken. Het feit dat AT eigendom van de Staat is, is op zich niet voldoende om de financiële middelen van AT te beschouwen als staatsmiddelen in de zin van artikel 92, lid 1. Hetzelfde geldt voor het recht van de Staat als enige aandeelhouder de leden van de raad van commissarissen te benoemen. AT heeft de rechtsvorm van een vennootschap gekregen om ervoor te zorgen dat zij zo onafhankelijk mogelijk van de eigenaren zou zijn. Het besluit kapitaalinjecties te geven, is door het bestuur genomen en (overeenkomstig het Oostenrijkse vennootschapsrecht) door de raad van commissarissen goedgekeurd; deze beide organen zijn verantwoordelijk voor dergelijke beslissingen. De toestemming van de aandeelhoudersvergadering is wettelijk niet verplicht. Alle door AT gebruikte middelen zijn eigen middelen die uit de onderneming stammen en geen staatsmiddelen.

Voorts werd aangevoerd, dat AT steeds winstgevend is geweest en aan de aandeelhouders in de afgelopen tien jaren behoorlijke dividenden van ten minste 14 % van het maatschappelijk kapitaal heeft uitgekeerd. In de periode 1991-1995 werd in totaal een bedrag van 3 040 miljoen OS (226 miljoen ecu) aan dividend uitbetaald. In 1994 werd voor het eerst een fors verlies geleden, dat te wijten was aan de negatieve resultaten van HTM. Er werden stukken voorgelegd om aan te tonen dat de minister van Financiën op het moment dat HTM werd overgenomen, zijn bezorgdheid hierover had geuit.

AT wees erop, dat overheidsbedrijven volgens het beginsel van de particuliere investeerder in de markteconomie een bepaalde vrijheid hebben bij het nemen van zakelijke beslissingen. Er moet worden onderscheiden tussen de kortetermijnafwegingen van een particuliere investeerder en de langetermijnafwegingen van een holding. Het herstel van de rentabiliteit van de dochteronderneming is in dit geval de beslissende factor. De met de ondersteuning gemoeide kosten mogen maximaal die van de opheffing van de onderneming zijn. Daarnaast moet ook worden gedacht aan het aanzien van de groep. De eerste twee betalingen moesten de tijd geven om mogelijke oplossingen uit te werken en een definitieve beslissing over de toekomst van HTM te kunnen nemen.

Ten bewijze dat AT zich inderdaad met de vereiste zorgvuldigheid met de ontwikkeling van HTM had beziggehouden, legde de Oostenrijkse Regering de Commissie een lijst voor van herstructureringsmaatregelen waartoe sedert de overname van de onderneming in 1993 was besloten. Verder werd erop gewezen dat, zelfs in geval van nalatigheid, particulier wanbeleid nog geen staatssteun betekent. De slechte resultaten van HTM waren voornamelijk het gevolg van de zware financiële lasten, terwijl de bedrijfsresultaten in de afgelopen jaren weliswaar slechter waren geworden, maar tot 1994 nog positief waren geweest.

Vergelijkbare gevallen

Om aan te tonen dat AT economisch verantwoord gehandeld heeft ten aanzien van HTM en met name bij de verkoop met een aanzienlijk verlies, legden de Oostenrijkse autoriteiten de Commissie een aantal voorbeelden voor van particuliere ondernemingen die op soortgelijke wijze hadden gehandeld. Deze voorbeelden zijn Trygg-Hansa (leidende Zweedse verzekeringsgroep), die een verlieslijdende deelneming in een Amerikaanse verzekeringsonderneming, Home Holding, afstootte; Hanson (Brits-Amerikaans concern met diverse activiteiten), die besloot 24 kleine dochterondernemingen in de Verenigde Staten zelfstandig te maken; AEG (afdeling elektronika van de groep Daimler-Benz), die in het kader van een omvangrijke herstructurering enkele afdelingen afstootte; Eemland (in Nederland ingeschreven consortium van internationale investeerders), die de fabrikant van scheerapparaten en toiletartikelen Wilkinson Sword met een balans zonder schulden verkocht; Schörghuber (Duitse groep in de sectoren onroerend goed en brouwerijen), die besloot de bouwonderneming Heilit & Woerner tegen een symbolische prijs te verkopen en nog een laatste kapitaalinjectie te geven; Klöckner-Humbold-Deutz (Duitse onderneming in de verwerkende industrie), die werd gesaneerd door een omvangrijke kapitaalinjectie van de grootste eigenaar, de Deutsche Bank; Dornier Luftfahrt (Duitse vliegtuigbouwer), die door de moedermaatschappij Daimler-Benz Aerospace na een laatste kapitaalinjectie van 80 % tegen een prijs van 0 DM werd verkocht.

Verkoop vergeleken met andere oplossingen

De Oostenrijkse autoriteiten wezen erop, dat de verkoop aan Eliasch voor AT en voor de Oostenrijkse staat de voordeligste oplossing was. Afgezien van het feit dat AT zelf niet over de nodige managementcapaciteiten beschikte om HTM te kunnen herstructureren, zou een dergelijke herstructurering ook nog eens 300 miljoen OS extra hebben gekost (het bedrag dat volgens de koopovereenkomst door Eliasch moet worden ingebracht), zonder dat AT de zekerheid zou hebben gehad deze middelen na de herstructurering in de vorm van een hogere vermogenswaarde van HTM terug te verdienen. Volgens AT heeft de verkoop plaatsgevonden in het kader van een uitgebreide openbare inschrijvingsprocedure, waarbij SBC Warburg meer dan 50 potentiële investeerders contacteerde. De keuze voor Eliasch werd gemaakt aan de hand van concrete feiten en op basis van economische overwegingen.

De verkoop van HTM betekent volgens AT niet, dat zonder meer van elk rendement van de geïnvesteerde bedragen wordt afgezien, omdat 15 % van de winst van een toekomstige verkoop van HTM door Eliasch aan AT moet worden uitbetaald. In 1998 zal de onderneming op de beurs worden genoteerd, hetgeen AT naar schatting ongeveer 2,25 tot 3 miljoen USD (1,8 tot 2,4 miljoen ecu) zal opleveren. De bepaling dat de vestigingen in Oostenrijk niet mogen worden gesloten, betekent volgens AT niet dat hier staatssteun is, maar op deze wijze wordt voorkomen dat de groep door Eliasch wordt opgeheven.

Vergeleken met de verschillende vormen van opheffing (faillissement, liquidatieakkoord, voortzettingsakkoord, liquidatie zonder insolventie) was de verkoop van HTM voor AT de beste oplossing. Opheffing van HTM door middel van een faillissement, het minst kostbare alternatief, achtte AT om drie redenen minder gunstig. In de eerste plaats zou de privatisering van AT hierdoor worden vertraagd; in de tweede plaats zouden de financieringscondities van de AT-groep hierdoor verslechteren en in de derde plaats zou AT eventueel aansprakelijk worden gesteld voor de verplichtingen van HTM.

1. Volgens AT zouden oplossingen als herstructurering of opheffing van HTM de privatisering van AT ongeveer 2 ¾ jaar vertragen. Bij een vergelijking van de potentiële rente op de privatiseringsopbrengst met de dividenden voor de Oostenrijkse Staat in dezelfde periode kwam AT tot een verrekend verlies van [. . .].

2. Volgens AT zou een faillissement van dochteronderneming HTM nadelig zijn voor het aanzien van AT. In dit geval zouden de banken gaan twijfelen aan de financiële gezondheid van AT zelf, hetgeen tot gevolg zou hebben dat AT voor haar eigen leningen bij de banken een hogere rente zou moeten betalen. AT verwees nogmaals naar de zaak Schörghuber waarbij de Commissie de toekomstige kredietwaardigheid en het aanzien van de onderneming als redelijke indirecte economische overwegingen accepteerde. De bijkomende kosten voor de komende jaren werden door AT op [. . .] geraamd.

3. AT achtte de kans groot dat zij bij een faillissement aansprakelijk zou worden gesteld voor de financiële verplichtingen van HTM. Hoewel hiertoe volgens AT geen enkele grond bestaat, brengen procedures niettemin bepaalde risico's mede. Deze moeilijk te kwantificeren verplichtingen, een vertraagde privatisering en de hogere rentes zouden volgens AT meer kosten dan de verkoop aan Eliasch.

Houding van de banken

De Oostenrijkse regering merkte bovendien op dat de banken met hun bereidheid afstand te doen van een deel van hun vorderingen, een belangrijke financiële bijdrage tot de kosten voor de sanering en de herstructurering van HTM leveren. Dit betekent, dat het particuliere aandeel in de totale investering aanzienlijk is. De door AT gekozen financiering kan dus worden beschouwd als in overeenstemming zijnde met het beginsel van een investeerder in een markteconomie. De Commissie werd een lijst van banken overgelegd, die HTM leningen hadden verstrekt en van het uitstaande bedrag van de leningen. Op verzoek van de Commissie werden nadere inlichtingen over de eigenaren van de banken verstrekt. Hieruit bleek dat 70 % van de schulden van HTM zich bij banken bevond, die onder zeggenschap van de Staat staan. AT bracht daartegen in, dat banken onder zeggenschap van de Staat onafhankelijk handelen en hun verrichtingen niet als staatsmaatregelen kunnen worden beschouwd. Zij handelden niet alleen, maar in het kader van een consortium van tien Oostenrijkse banken, die alle met de afstand van de vorderingen hadden ingestemd.

Financieel risico voor Eliasch

Ten slotte betoogden de Oostenrijkse autoriteiten, dat Eliasch veel meer in HTM heeft gestoken dan de oorspronkelijke koopprijs van 10 miljoen OS (0,7 miljoen ecu). Dit bedrag is naderhand verhoogd door inbreng van nog eens 25 miljoen OS (1,9 miljoen ecu). Bovendien heeft Eliasch zich ertoe verplicht in de komende drie jaren nog eens 275 miljoen OS (20 miljoen ecu) in te brengen. Ingeval betaling uitblijft, mag Eliasch geen dividend ontvangen noch de ondernemingen gedeeltelijk of geheel verkopen. Voorts bevestigden de Oostenrijkse autoriteiten een onherroepelijke borgstelling ten bedrage van [. . .] van Eliasch ten gunste van AT. Voorlopig bedraagt het financiële risico van Eliasch in deze zaak meer dan [. . .] en het zal toenemen tot in totaal [. . .].

Prijs voor de licentie

De Oostenrijkse Regering wees erop, dat de beweerde betaling van AT aan HTM van 50 miljoen OS voor het gebruik van de merknaam "Head" niet juist is. In werkelijkheid is een redelijk bedrag betaald, namelijk 101 000 OS (7 500 ecu).

6.1.2. Artikel 92, lid 3, onder c)

De Oostenrijkse Regering is van mening, dat de maatregelen van AT, zelfs wanneer deze als staatssteun worden beschouwd, kunnen worden goedgekeurd uit hoofde van artikel 92, lid 3, onder c), van het EG-Verdrag. Door de herstructurering wordt HTM weer rendabel. Voor 1998 wordt een positief nettoresultaat verwacht, hoewel de schulden hoog blijven. De beursgang in 1998 of 1999 zal de financiële structuur van de onderneming verbeteren. De capaciteitsvermindering van HTM zal een bijdrage leveren tot de herstructurering van de sector. De kapitaalinjecties zijn tot een minimum beperkt en zullen zeker geen overschot aan liquiditeiten scheppen.

6.2. Overige belanghebbenden en klagers

6.2.1. Eerste belanghebbende en klager

Een concurrent van HTM beweerde van de inschrijvingsprocedure voor HTM te zijn uitgesloten. De concurrent was niet uitgenodigd om een aanbod te doen en had zelfs geen gelegenheid gekregen om onderhandelingen te openen, toen hij het Ministerie van Financiën in juli 1995 en AT in augustus 1995 van zijn belangstelling blijk had gegeven. De concurrent verzekerde de Commissie dat hij ook nu nog bereid was een hogere prijs voor HTM te betalen dan de openbaar gemaakte koopprijs.

Ten aanzien van het steunkarakter van de maatregelen van AT wees de concurrent erop dat AT het tabaksmonopolie van de Staat bezit en daarmee grote winsten boekt, die als staatsmiddelen moeten worden beschouwd. Daar de Staat deze winsten niet afroomt, was AT in staat HTM te kopen. De bepaling dat de vestigingen in Oostenrijk open moeten blijven, is overigens een duidelijk bewijs van de invloed van de Regering op de beslissing van AT.

De verkoop was kennelijk niet de voordeligste oplossing voor AT. Een particuliere holding zou de verliezen van een dochteronderneming slechts dragen, wanneer zij op middellange termijn een redelijke opbrengst verwachtte. Bij verkoop van de onderneming was dit niet het geval. Het eventuele aandeel van 15 % in de opbrengst van een toekomstige verkoop van HTM staat niet in verhouding tot de geïnvesteerde bedragen. Bovendien hoeft AT niet bezorgd te zijn om haar reputatie, omdat deze op grond van haar monopolie niet belangrijk is. Los van het besluit ten aanzien van HTM kan de onderneming hoge winsten boeken met de basisactiviteiten.

De schuldeisers van HTM, merendeels staatsbanken, steunden HTM door een groot deel van hun vorderingen te laten vallen. Dit is geschied zonder dat verdere garanties werden gegeven voor de nog openstaande leningen of aanzienlijke bedragen aan bijkomend kapitaal door Eliasch waren betaald.

HTM heeft jarenlang in een moeilijke situatie verkeerd, maar kon wegens het algemene vertrouwen in de verliescompensatie door AT in bedrijf blijven en haar capaciteit in stand houden. Door het lage-prijzenbeleid van HTM werden de omstandigheden voor andere concurrenten moeilijker. Zij zagen zich genoopt, hun activiteiten op eigen kosten te herstructureren en in te krimpen. Indien de herstructurering van HTM met overheidsgeld wordt gefinancierd, is duidelijk sprake van concurrentievervalsing. Bovendien wordt de ontwikkeling van deze branche door de steun eerder in gevaar gebracht dan gestimuleerd. Door te garanderen dat een bepaalde hoeveelheid arbeidsplaatsen in Oostenrijk gehandhaafd blijft, wordt de concurrentie tussen de Lid-Staten vervalst. Aangezien de handel in sportartikelen een sterk internationaal karakter heeft, heeft dit zonder meer gevolgen voor de handel binnen de Gemeenschap.

6.2.2. Tweede belanghebbende

Een tweede concurrent wees erop dat AT HTM in 1993 niet gekocht had om uit economische overwegingen haar bedrijvigheid te diversifiëren, maar om een in moeilijkheden geraakte Oostenrijkse onderneming te steunen. Voor de kapitaalinjecties bestaat geen economische reden en daarom moeten zij als staatssteun worden beschouwd.

De markt voor wintersportartikelen wordt in de afgelopen jaren gekenmerkt door dalende omzet- en vraagcijfers. Alle ondernemingen vechten om te overleven en moeten hun capaciteit verminderen. De betrokken concurrent heeft de kosten van dergelijke herstructureringen zelf betaald. Indien de kosten van de herstructurering van HTM door de Staat worden betaald, zou dit duidelijk tot vervalsing van de mededinging leiden.

6.2.3. Derde belanghebbende en klager

Een derde concurrent wees erop, dat de markt voor wintersportartikelen wordt gekenmerkt door overcapaciteit. Staatssteun aan HTM zou de markt verder destabiliseren en de mededinging vervalsen. De capaciteitsverminderingen van HTM zijn gunstig voor de branche, maar mogen niet door de Staat worden gefinancierd.

De aanwezigheid van staatssteun blijkt uit een aantal feiten: er bestaat geen kans dat het kapitaal iets oplevert. Het besluit om HTM te verkopen is voor AT niet de voordeligste oplossing en de kapitaalinjecties kunnen niet worden gerechtvaardigd door de verkoopprijs. Voorts is 70 % van de steun door staatsbanken verleend.

Het is zeer de vraag of de staatssteun in overeenstemming is met het Verdrag. Volgens het herstructureringsplan wil HTM zich concentreren op technologisch hoogwaardige produkten. Volgens de betrokken concurrent is het de vraag of voldoende technologie aanwezig is en moet deze vraag ontkennend worden beantwoord. Voorts is de steun onevenredig met de omvang van HTM.

6.2.4. Vierde belanghebbende en klager

Een vierde concurrent betoogde dat de maatregelen die AT in de afgelopen jaren ten gunste van HTM heeft genomen, de mededinging vervalsen en deze werking door de bij de verkoop van HTM verleende kapitaalinjectie nog wordt versterkt.

6.2.5. Vijfde belanghebbende en klager

Een vijfde belanghebbende merkte op, dat hij HTM had willen overnemen tegen voor AT gunstiger voorwaarden, maar dat AT zijn aanbod niet voldoende in overweging had genomen.

7. Beoordeling van de maatregelen van AT - Aanwezigheid van staatssteun

7.1. Staatsmiddelen

Zoals reeds opgemerkt, heeft AT volgens de Oostenrijkse Regering steeds onafhankelijk van de Staat gehandeld. Bovendien zou AT voortdurend winst hebben gemaakt en in de afgelopen tien jaar steeds dividend aan de Staat hebben uitgekeerd, behalve in 1994 toen AT wegens de negatieve resultaten van HTM een aanzienlijk verlies moest incasseren. Voorts zijn de verliezen van HTM in 1995 opnieuw sterk gestegen, zodat AT opnieuw met negatieve resultaten rekening moet houden.

De Commissie blijft op het standpunt staan, dat AT voor 100 % een staatsbedrijf is. De leden van de raad van commissarissen worden door de openbare aandeelhouder, het Ministerie van Financiën, benoemd. De raad van commissarissen benoemt vervolgens de bestuursleden. Voor bepaalde besluiten van het bestuur, zoals bij voorbeeld de verwerving of vervreemding van deelnemingen, is de toestemming van de raad van commissarissen vereist. Het bestuur kan bepaalde zaken ter goedkeuring aan de aandeelhoudersvergadering voorleggen.

Daar het vermogen van AT als openbare eigendom is aan te merken, zou dit vermogen, voor zover het niet uitsluitend op basis van economische criteria wordt gebruikt en ter beschikking gesteld (3), als staatsmiddelen in de zin van artikel 92, lid 1, van het EG-Verdrag kunnen worden aangemerkt. De lucratieve bezigheden van AT leverden de overheid regelmatig dividenden op, die uit het tabaksmonopolie stamden. Van de gerealiseerde nettowinst werd een deel als dividend uitgekeerd en de rest als vermogensreserve geboekt. Niet uitgekeerde winst moet evenals het eigen vermogen van AT volgens de beginselen van de markteconomie worden gebruikt. Is dit niet het geval, dan kan er staatssteun zijn.

In het geval van een winstgevend staatsbedrijf zoals AT betekent de investering in HTM in de vorm van een kapitaalinjectie die niets zal opleveren, dat de totale winst van AT (dividend en niet uitgekeerde winst) kleiner wordt en dat dus ook de deelneming van de Staat in AT minder oplevert. Dit komt overeen met ondersteuning van HTM uit staatsmiddelen.

Voorts is het beheer van het tabaksmonopolie in Oostenrijk de voornaamste activiteit van AT. De positieve resultaten van AT komen dus niet onverwachts. Hoewel deze markt per 1 januari 1995 is geliberaliseerd (zij het niet volledig), is zonder meer duidelijk dat de investeringen en verliezen van HTM met de inkomsten uit het tabaksmonopolie werden gefinancierd. Wanneer financiële middelen uit een beschermde sector van de overheid naar een verlieslijdende sector worden overgeheveld, kan volgens de Commissie van staatssteun worden gesproken, met name wanneer noch op lange termijn een rentabiliteitsherstel wordt verwacht, noch - zoals bij HTM blijkbaar het geval is - een nettowinst voor de AT-groep in haar geheel kan worden verwacht.

7.2. Het beginsel van de investeerder in een markteconomie

De Commissie baseert zich op het beginsel van de investeerder in een markteconomie om vast te stellen, of het bij de financiële steun aan een onderneming door de Staat om staatssteun gaat of om risicodragend kapitaal, dat een particuliere investeerder op dezelfde wijze ter beschikking zou hebben gesteld (4).

Aan bepaalde besluiten ten aanzien van HTM liggen overwegingen ten grondslag die niet gebruikelijk zijn voor een investeerder in een markteconomie. Het laatste besluit, te weten HTM met een "toegift" te verkopen in plaats van haar op te heffen of te herstructureren, lijkt hoofdzakelijk te zijn ingegeven door de wens AT zo snel mogelijk te privatiseren. Hieruit blijkt duidelijk, dat de plannen van de Oostenrijkse Regering de besluiten van AT sterk beïnvloed hebben. Ook de bepaling dat de Oostenrijkse vestigingen van HTM in de komende drie jaren niet mogen worden gesloten, kan moeilijk als een besluit van een particuliere investeerder worden aangemerkt. Het gaat eerder om een verplichting die is bedoeld om de fabrieken in Oostenrijk in stand te houden.

7.2.1. Rentabiliteit

De kapitaalinjectie van 400 miljoen OS (30 miljoen ecu) had uitsluitend ten doel de insolventie van HTM te voorkomen. Er was geen herstructureringsplan en evenmin waren andere maatregelen voorzien om de precaire positie van HTM te verbeteren. Kennelijk bestonden alleen plannen voor dergelijke maatregelen. AT moest plotseling een grote reddingsactie uitvoeren, omdat de financiële situatie van HTM onhoudbaar was geworden. In de zaak ENI/Lanerossi (5) ging het Hof van Justitie er weliswaar van uit, dat een moederonderneming gedurende een bepaalde tijd ook de verliezen van een dochteronderneming kan dragen, onder meer wanneer het waarschijnlijk is dat indirecte materiële winst wordt gemaakt, zij de activiteiten van het concern wil heroriënteren, door bij voorbeeld een dochteronderneming tegen de beste voorwaarden te beëindigen of wanneer zij het aanzien van de groep wil behouden. Wel moet echter op lange termijn de mogelijkheid bestaan winst te maken.

Een particuliere kapitaalverstrekker zou echter veel eerder hebben gezien hoe de situatie van HTM werkelijk was. De Oostenrijkse Regering heeft een lijst met besluiten overgelegd die sedert 1993 genomen waren om in de situatie van HTM verbetering te brengen. Hiertoe behoorden wijzigingen in het management, nieuwe marketingconcepten, programma's om de capaciteit en de kosten te verminderen, e.d. Kennelijk ging het om halfhartige besluiten die zich herhaalden en blijkbaar niet goed werden uitgevoerd. Een particuliere moederonderneming zou bij het uitblijven van verbeteringen waarschijnlijk al veel eerder drastische maatregelen hebben getroffen en de verliezen, als gevolg van het te late optreden hebben voorkomen.

Ook de kapitaalinjectie van 400 miljoen OS in augustus en september had enkel ten doel insolventie te voorkomen. Dit bedrag behoort tot de "toegift" die deel uitmaakte van de voorwaarden voor de verkoop van HTM door AT aan Eliasch. Het gaat hier om een kapitaalverstrekking waarvan geen enkele opbrengst werd verwacht.

AT wees erop, dat maar weinig tijd is verstreken tussen de eerste kapitaalverstrekking om het bedrijf te redden en het besluit om HTM af te stoten (minder dan zes maanden). Een dergelijke periode was volgens AT passend en nodig om een goed plan voor HTM te kunnen uitwerken en uiteindelijk tot verkoop te besluiten. Desondanks had AT veel eerder kunnen en moeten ingrijpen om het verder toenemen van de enorme verliezen en de met de uiteindelijke beslissing gemoeide kosten te voorkomen.

Wanneer bij een privatisering kapitaal wordt ingebracht en verliezen worden gecompenseerd, wordt dit in het algemeen als staatssteun aangemerkt, tenzij de verkoopprijs die de overheid krijgt, compensatie biedt. In het laatste geval zou de financiële balans van de operatie positief zijn. In het geval van HTM is de verkoopprijs vergeleken met de kapitaalverstrekkingen en bijdragen die AT heeft betaald of nog moet betalen, onbetekenend, hetgeen betekent dat de uiteindelijke verkoopwaarde duidelijk negatief is. Bovendien moet de betekenis van de in de koopovereenkomst vastgelegde bepaling, dat AT recht heeft op 15 % van de winst die Eliasch bij een toekomstige verkoop van HTM zou maken, worden gerelativeerd. In de eerste plaats is het onzeker of, wanneer en tegen welke prijs HTM zal kunnen worden verkocht. In de tweede plaats valt het aandeel van AT (1,8 - 2,4 miljoen ecu) ten opzichte van de kapitaalinjecties ter hoogte van 1 190 miljoen respectievelijk 1 590 miljoen OS (88 respectievelijk 118 miljoen ecu) niet als redelijke opbrengst te beschouwen, zelfs niet wanneer HTM zoals voorzien in 1998 of in 1999 voor 15 - 20 miljoen USD (12 - 16 miljoen ecu) wordt verkocht. In het financieringsplan wordt ervan uitgegaan dat het eigen vermogen zich in 1998 ongeveer op het huidige niveau zal bevinden.

7.2.2. Naar beweerd vergelijkbare gevallen

De Commissie gaat ervan uit, dat de kapitaalverstrekking van 400 miljoen OS (30 miljoen ecu) in april 1995, die haars inziens te laat kwam, een voorlopige maatregel was om een oplossing voor HTM te vinden. Het besluit om HTM te verkopen en van een "toegift" van 1 190 miljoen OS (88 miljoen ecu) te voorzien, is derhalve een maatregel om de financiële problemen van HTM definitief op te lossen. De Oostenrijkse autoriteiten betogen dat ook particuliere holdings soms dergelijke pijnlijke beslissingen treffen en dochterondernemingen tegen een negatieve prijs verkopen. Zij legden de Commissie een lijst van voorbeelden voor. Hoewel enkele voorbeelden inderdaad als bewijs zouden kunnen worden beschouwd, dat de verkoop van staatsbedrijven tegen een "negatieve prijs" niet automatisch als staatssteun wordt uitgelegd, is dit niet voldoende om in het geval van HTM te concluderen dat geen staatssteun is verstrekt. De weinige beschikbare informatie doet het vermoeden rijzen dat de omstandigheden in deze gevallen wezenlijk anders dan die in casu waren.

In de zaak Trygg-Hansa verkocht de holding een verlieslijdende dochteronderneming uit de verzekeringssector aan een concurrent, met wie een intensieve zakelijke samenwerking werd overwogen. Hanson besloot afstand te doen van 34 kleine dochterondernemingen en deze samen te voegen in een vennootschap, waarvan het maatschappelijke vermogen onder de aandeelhouders van Hanson werd verdeeld, zodat het contact met deze ondernemingen bleef bestaan.

AEG, de holding van een concern dat zich in ernstige financiële moeilijkheden bevond, verkocht enkele onderdelen in het kader van een coherent herstructureringsplan, waarbij het gehele concern was betrokken. Er is niets bekend over eventuele verkopen van AEG-dochters met verlies.

Het besluit van Eemland om Wilkinson met een schuldenvrije balans te verkopen, en de financiële verplichtingen onder de eigen aandeelhouders te verdelen, is nog het beste met het optreden van AT te vergelijken. Bij deze verkoop speelden echter blijkbaar ook nog andere factoren een rol, zoals het feit dat Gillette (dat in dezelfde sector werkzaam is als Wilkinson) van de Duitse kartelautoriteiten instructie had gekregen, de deelneming in Eemland op te geven, omdat Gillette hiermee de mededingingsregels schond.

Daimler-Benz Aerospace stak 300 miljoen DM (157 miljoen ecu) in de verlieslijdende dochter Dornier Luftfahrt en stootte vervolgens 80 % van zijn aandelen in Fairchild Aircraft af, zonder een koopprijs te verlangen. In tegenstelling tot AT bleef Daimler-Benz Aerospace aandeelhouder van Dornier Luftfahrt, waardoor het nog steeds belang heeft bij het overleven van deze onderneming. Bovendien blijft Daimler-Benz met de dochteronderneming Aerospace in deze branche werkzaam. Voorts hebben wellicht nog andere aspecten, die door de Oostenrijkse Regering niet genoemd zijn, zoals bij voorbeeld bestaande verplichtingen tegenover vroegere eigenaren, een rol gespeeld.

Klöckner-Humbold-Deutz werd uit een zeer precaire situatie gered, die plotseling was opgetreden toen duidelijk werd dat de directie had geknoeid. Als grootste aandeelhouder verstrekte de Deutsche Bank ongeveer de helft van de middelen die nodig waren voor de reddingsactie (deels door afstand van vorderingen). In tegenstelling tot AT bleef de Deutsche Bank aandeelhoudster van KHD. De mogelijkheid blijft dus bestaan dat de Deutsche Bank op den duur een rendement zal ontvangen, zelfs wanneer een positieve ontwikkeling op dit moment niet valt te verwachten.

Het geval van HTM vertoont echter enige gelijkenis met dat van Neue Maxhütte Stahlwerke, waarover de Commissie onlangs een beschikking heeft gegeven (6). De Regering van Beieren wilde de onderneming tegen een symbolische prijs verkopen en tegelijkertijd een laatste kapitaalinjectie geven, omdat ook een particuliere investeerder naar haar mening zo zou handelen en een negatieve prijs zou accepteren ter wille van de reputatie, de maatschappelijke verantwoordelijkheid en de marktpositie van het concern. De Commissie heeft in dezen besloten, dat het geleden verlies als staatssteun moet worden beschouwd, omdat de Regering van Beieren ook op lange termijn geen enkel financieel voordeel kon verwachten en bovendien niets gedaan had om de te verwachten verliezen te beperken.

Naar aanleiding van de beschikking inzake Neue Maxhütte Stahlwerke wezen de Oostenrijkse autoriteiten nog op een ander geval van een particuliere onderneming, te weten Schörghuber Gruppe/Heilit & Wörner Bau AG die naar hun mening met het geval HTM was te vergelijken. Schörghuber (werkzaam in de sectoren onroerend goed en brouwerijen) besloot zich terug te trekken uit Heilit & Wörner en de bouwsector geheel te verlaten. Heilit & Wörner werd tegen een symbolische prijs aan een bouwonderneming verkocht, waarbij Schörghuber nog een laatste kapitaalbijdrage van 50 miljoen DM (26 miljoen ecu) gaf. De omstandigheden waaronder deze operatie plaatsvond, verschillen volgens de Commissie wezenlijk van het geval HTM. Dit geldt met name voor de verhouding tussen de afgestoten activiteiten en de overblijvende hoofdactiviteiten van de groep (Schörghuber bleef in de onroerend-goedsector werkzaam en was derhalve in goede betrekkingen met de andere ondernemingen in deze branche geïnteresseerd).

Een vergelijkbare verhouding bestaat in het geval AT/HTM niet, omdat AT werkzaamheden overdraagt die geen verband houden met haar overige werkzaamheden. De twijfel of AT zich als een particuliere investeerder heeft gedragen, kan door deze vergelijking derhalve niet worden weggenomen.

Integendeel, AT heeft zich naar het oordeel van de Commissie niet als een particuliere investeerder gedragen, in het bijzonder niet ten aanzien van het definitieve besluit om HTM te verkopen of op te heffen. De Commissie herinnert eraan, dat het Gerecht van eerste aanleg in de zaak Hytasa/Imepiel/Intelhorce (7) heeft geoordeeld, dat een particuliere aandeelhouder die naar rentabiliteit op lange termijn streeft, niet bereid zou zijn na een aantal jaren met verlies een kapitaalinbreng te doen die niet alleen duurder blijkt dan liquidatie van de activa, maar bovendien is gekoppeld aan de verkoop van de onderneming, waardoor elk vooruitzicht op winst, ook op termijn, verdwijnt.

7.2.3. Afweging tussen faillissement en kapitaalverstrekking

De Commissie is in tegenstelling tot de Oostenrijkse Regering van mening, dat de verkoop van HTM voor AT niet de voordeligste oplossing was.

Aansprakelijkheid

Enerzijds stelt AT, dat een faillissement van HTM een aanzienlijk financieel risico zou betekenen, daar AT dan juridische stappen van banken en andere schuldeisers zou mogen verwachten. Ter staving van dit argument werden verscheidene documenten overgelegd. Anderzijds is AT echter van mening, dat er geen enkele geldige reden bestaat om AT aansprakelijk te houden. Gelet op alle bronnen van mogelijke aansprakelijkheid van AT en de adviezen van de advocaten en specialisten die AT hierover heeft geraadpleegd, komt de Commissie tot de conclusie, dat deze kosten, ook samen met de andere twee door AT genoemde kostenposten, niet zo groot zouden zijn als de voorgenomen kapitaalinjecties.

Bovendien zouden de risico's die volgens AT kunnen ontstaan, niet worden veroorzaakt door het faillissement van HTM, maar door het feit dat AT heeft verzuimd de schuldeisers op de hoogte te stellen van het plan de dochteronderneming af te stoten. Deze kosten mogen derhalve bij vergelijking van de kosten van een faillissement met de kosten van de verkoopovereenkomst niet in aanmerking worden genomen.

Financieringskosten

AT voert aan, dat bij liquidatie van HTM nog andere kosten zouden kunnen ontstaan. Zo zouden de financiële lasten van het concern aanzienlijk kunnen toenemen ten gevolge van de aantasting van het aanzien van het concern en het verlies aan geloofwaardigheid. Het argument dat het aanzien zou kunnen worden geschaad, is niet overtuigend, omdat AT zich volledig uit de sportsector wil terugtrekken en alle industriële, commerciële en financiële banden met deze sector wil verbreken. De vrees dat dit besluit zou doorwerken in de andere sectoren van het concern, is dan ook ongegrond. Een verlies aan kredietwaardigheid zou mogen worden verwacht, wanneer het AT-concern in deze sector of sectoren aanwezig zou blijven of enkele belangen zou blijven houden. Schuldeisers weten dat de financiële verantwoordelijkheid van een moederonderneming voor de hoofdactiviteiten anders is dan die voor andere investeringen. Het is zeer onwaarschijnlijk dat de verkoop van HTM tegen een negatieve prijs minder schadelijk is voor het aanzien van AT dan de vereffening van de onderneming. Het is integendeel aannemelijker dat de kredietwaardigheid van AT zonder kapitaalinjecties aan HTM groter zou zijn, omdat de desbetreffende middelen dan nog deel zouden uitmaken van de onderneming en de financiële basis sterker zou zijn.

Afgezien daarvan kan aan de juistheid van de raming op [. . .] worden getwijfeld. In de eerste plaats lijkt een verslechtering van de rente met 1,5 % hoog geschat. In de tweede plaats wordt bij de berekening geen onderscheid gemaakt tussen de kredietwaardigheid van AT zelf, die van haar dochterondernemingen in de tabaksindustrie en die van de overige deelnemingen. In de derde plaats gaat AT ervan uit, dat de hogere rente slechts gedurende drie jaar door de banken wordt toegepast en geleidelijk wordt verminderd, zodat het niet begrijpelijk is waarom de schuldeisers zo zouden reageren. In de vierde plaats wees AT op de minder gunstige voorwaarden in het betalingsverkeer met de tabakshandelaren in Oostenrijk. Er bestaat echter geen reden om aan te nemen, dat de banken hun voorwaarden zouden verscherpen wegens het faillissement van een dochteronderneming.

In een sector als deze (tabak) waarin behoorlijke en regelmatige inkomsten kunnen worden verkregen, is een negatieve "HTM-werking" onwaarschijnlijk. Al met al is de Commissie van oordeel dat de financiële voorwaarden in dit geval niet zouden zijn verslechterd. Integendeel, er zij nogmaals op gewezen, dat AT zonder kapitaalinjecties aan HTM een grotere financiële reserve en daarmee een grotere kredietwaardigheid zou hebben gehad.

Privatisering van AT

Het argument dat uitstel van de privatisering van AT voor de Staat een schadepost van [. . .] zou hebben opgeleverd, moet worden afgewezen. Bij vrijwillige of gerechtelijke liquidatie (liquidatieakkoord, voortzettingsakkoord, liquidatie zonder insolventie), zelfstandige herstructurering en privatisering ontstaan verliezen die door AT moeten worden gedragen. Behalve bij een faillissement zou de waarde van AT einde 1996 daarom in ieder geval met het negatieve bedrag van HTM worden verminderd, hetgeen betekent dat de voordeligste oplossing ook de beste beslissing is ten aanzien van de privatisering van AT. Alleen bij een faillissement zou AT geen kosten hebben en zou de waarde van de onderneming zo veel hoger zijn.

Het faillissement van een dochteronderneming behoeft niet altijd een negatieve uitwerking te hebben op de marktwaarde van de moederonderneming of van de groep. Een voorbeeld hiervan is het geval Daimler-Benz en Fokker. Daimler-Benz stak jarenlang grote sommen in de verlieslijdende dochteronderneming Fokker, totdat uiteindelijk het besluit werd genomen de steun te staken. Bij de aankondiging van deze maatregel daalde de koers van de aandelen van deze onderneming slechts met 1 % om in de erop volgende drie maanden met 6 % te stijgen. Hieruit blijkt, dat de beëindiging van een onrendabele deelneming niet onmiddellijk leidt tot waardevermindering van de moederonderneming of van de groep. Beleggers beschouwen dit juist als een voorbeeld van verstandig economisch handelen van de onderneming.

De vermogenswaarde van AT wordt geschat op [. . .]. Uitstel van de privatisering zou volgens de Oostenrijkse Regering leiden tot renteverlies van 7 % op de privatiseringsopbrengst. Deze renteopbrengst wordt vergeleken met de mogelijke dividenden in dezelfde periode. Dit argument is volgens de Commissie niet juist, omdat de toename van de vermogenswaarde van AT bij deze berekening buiten beschouwing wordt gelaten. De Oostenrijkse Regering beweerde dat de deelneming in AT een lucratieve investering was, die altijd veel had opgeleverd, hetgeen ook, maar niet uitsluitend, bleek uit de hoge dividenduitkeringen. Deze berekening zou dan ook alleen opgaan, wanneer AT nu minder winst zou boeken dan in het verleden. Wanneer echter, zoals de Oostenrijkse Regering betoogt, er geen reden is om aan te nemen dat de rentabiliteit van AT zonder HTM wezenlijk anders is dan in het verleden, zal deze in ieder geval hoger zijn dan 7 %. Uitstel van de privatisering van AT zou daarom voor de Staat niet verlies opleveren, maar veeleer winst. In de praktijk worden dergelijke verschillen tussen rentabiliteit en marktwaarde door de optie-, termijn- en risicomarkt gecompenseerd.

De vraag blijft, of dergelijke overwegingen voor een particulier investeerder normaal zouden zijn. Wordt het beginsel van een investeerder in een markteconomie op AT toegepast, dan kunnen overwegingen om de holding te privatiseren niet in aanmerking worden genomen, daar een particuliere holding dergelijke overwegingen in een vergelijkbare situatie niet zou hebben. De beoogde verkoop van de holding is voor AT zelf niet belangrijk. Hieruit blijkt, dat bij het besluit HTM financieel te steunen, rekening is gehouden met de doelstellingen van de eigenaar (de Staat). Dit is in strijd met de verklaring van de Oostenrijkse Regering, dat AT onafhankelijk zou handelen en sterkt de Commissie in haar overtuiging dat de beslissingen van AT in verband kunnen worden gebracht met de Staat ten aanzien van artikel 92, lid 1.

Wanneer het beginsel van een particuliere investeerder in een markteconomie rechtstreeks op de Oostenrijkse Regering als aandeelhoudster van AT en uiteindelijk ook van HTM wordt toegepast, dan blijkt volgens de Commissie opnieuw dat de Oostenrijkse Regering veel eerder had moeten ingrijpen om een zo sterke waardedaling van haar investering te voorkomen.

Al met al moet worden vastgesteld, dat eventuele kosten uit de drie genoemde bronnen in hoge mate moeten worden betwijfeld ofwel volledig moeten worden ontkend. In ieder geval zou dit bedrag veel lager zijn dan de steun die AT aan HTM heeft gegeven. De verkoop aan Eliasch kan dus niet als de voordeligste oplossing voor AT worden beschouwd.

7.2.4. De houding van de banken

Ten aanzien van de rol van de banken bij de redding van HTM merkt de Commissie op, dat van de afstand van vorderingen ten bedrage van 630 miljoen OS (47 miljoen ecu) door de Oostenrijkse banken, 70 % voor rekening kwam van banken onder zeggenschap van de Staat, zoals de Creditanstalt-Bankverein (48,6 % van het aandelenkapitaal, maar 70 % van het stemgerechtigde kapitaal in handen van de Staat) en de bank Austria (20 % staatskapitaal en 46 % indirect door de stad Wenen verschaft kapitaal). Ook de concurrenten kwamen in hun opmerkingen met kritiek op de houding van de banken in handen van de Staat.

Niettemin valt niet te loochenen, dat de banken bij een faillissement een hoger percentage van de verstrekte leningen zouden hebben verloren. Bovendien is tijdens het onderzoek gebleken, dat de houding van de staatsbanken niet afweek van die van de deelnemende particuliere banken. Enerzijds hebben buitenlandse banken soortgelijke maatregelen genomen als de afschrijving door de Oostenrijkse financiële instellingen, en anderzijds treden de Oostenrijkse staatsbanken op in het kader van een consortium van tien (staats- en particuliere) Oostenrijkse banken die bij HTM zijn betrokken. Aangezien iedere bank een vetorecht bezit, werd het besluit over de kwijtschelding van schulden en rente met eenparigheid van stemmen getroffen, dat wil zeggen met instemming van de deelnemende particuliere banken. Aangezien op geen enkele manier kan worden bewezen dat de staatsbanken niet uit economische overwegingen hebben gehandeld, concludeert de Commissie dat bij de transacties van de staatsbanken geen staatssteun aanwezig is.

7.2.5. Verloop van de verkoopprocedure

In maart 1995 kreeg SBC Warburg de opdracht AT te adviseren bij de privatisering en bij het zoeken naar oplossingen voor de deelneming van AT in HTM. SBC Warburg stelde een herstructureringsplan op en legde de eerste contacten met enkele potentiële investeerders om te polsen of zij belangstelling hadden voor een investering in HTM. In juni werd de procedure uitgebreid en werden meer dan 40 investeerders aangeschreven. Slechts drie van hen toonden belangstelling en twee kwamen met een aanbod om de onderneming te kopen. Aan de hand van deze offertes besloot de raad van commissarissen van AT het aanbod van Eliasch als meest gunstige aanbod voor AT te accepteren.

Tijdens het voorlopig onderzoek van de Commissie verklaarde een belanghebbende dat hij belangstelling voor HTM had getoond, maar dat zijn aanbod door AT niet eerlijk was behandeld. Deze marktdeelnemer gaf de Commissie een toelichting op zijn plannen. Na inzage van de overgelegde stukken komt de Commissie echter tot de conclusie, dat zij geen bewijs leveren voor een eventueel oneerlijk optreden van AT bij de selectie.

Zoals reeds gezegd, verklaarde één der concurrenten, dat hij geen gelegenheid had gekregen om mee te dingen naar de onderneming. Hij zou geen inlichtingen over de verkoop hebben gekregen en niet in staat zijn gesteld onderhandelingen te openen. De Oostenrijkse Regering kon aantonen dat deze concurrent in werkelijkheid al in mei 1995 en vervolgens in juni 1995 op de hoogte was gesteld van de plannen van AT om HTM te verkopen, maar geen belangstelling had getoond. Destijds beweerde hij volledig in beslag te zijn genomen door andere projecten en geen managementcapaciteit beschikbaar te hebben om zich met HTM bezig te houden.

De Commissie is van mening, dat de verkoopprocedure, ondanks het feit dat de plannen van AT om HTM te verkopen niet openbaar werden gemaakt, ruim was opgezet en daardoor vergelijkbaar was met een normale openbare inschrijving. AT heeft uiteindelijk het beste aanbod aangenomen. Daarom is de Commissie van oordeel, dat de privatisering op zich geen element van staatssteun bevat.

7.2.6. Garanties inzake handhaving van de werkgelegenheid

In de koopovereenkomst met Eliasch is bepaald, dat de in Oostenrijk gelegen produktievestigingen behouden blijven en dat het personeel op een bepaald niveau wordt gehandhaafd. De Oostenrijkse Regering merkt op, dat AT dit wel moest bedingen om te voorkomen dat de schuldeisers van HTM na de verkoop AT voor de rechter zouden dagen. Volgens AT hadden ook de vorige eigenaren van HTM deze voorwaarden bij de verkoop gesteld. Het is echter allerminst zeker, of dit de reden is geweest om in de koopovereenkomst met Eliasch bovengenoemde bepalingen op te nemen en met name de bepaling dat het personeel op een bepaald niveau moet worden gehandhaafd. De zaak ligt hier anders, omdat de vorige koper, het staatsbedrijf AT, met deze bepaling wellicht uitvoering gaf aan zijn werkgelegenheidsbeleid. Dit is eventueel zelfs een aanwijzing voor het bestaan van staatssteun bij deze koop in 1993.

AT betoogde, dat deze produktievestigingen en het personeel in ieder geval nodig waren geweest voor de voortzetting van HTM en voor de sanering en dat de toezegging van Eliasch dus geen echte toezegging was. Dit betoog is echter in strijd met de overeenkomst. Wanneer dit zo geweest was, zou opneming van deze bepaling in de overeenkomst immers overbodig zijn geweest.

Bij koopbeslissingen is een op de markt gerichte investeerder niet geïnteresseerd in het behoud van arbeidsplaatsen, tenzij hiervoor duidelijke economische redenen bestaan. Zonder genoemde bepaling zou een potentieel koper dus veel meer ondernemersvrijheid hebben. De waarde van HTM zou groter zijn en daarmee ook de verkoopprijs, zodat AT minder kapitaal had behoeven te verstrekken. De bepaling wijst derhalve zonder meer in de richting van politieke overwegingen om het werkgelegenheidsniveau op bepaalde plaatsen in Oostenrijk te handhaven. Hiermee ondersteunt deze bepaling de mening van de Commissie, dat de Oostenrijkse Regering het besluitvormingsproces bij AT heeft beïnvloed.

Als voorbeeld voor een particuliere onderneming die aan de verkoop van een dochteronderneming eveneens voorwaarden betreffende de instandhouding van het personeel heeft verbonden, noemt AT de zaak Dornier Luftfahrt. Het verschil tussen beide gevallen is echter dat Daimler-Benz Aerospace Dornier Luftfahrt weliswaar verkocht, maar een deelneming erin bleef houden en dus nog steeds belang had bij het voortbestaan van de produktie. Voorts bestonden kennelijk verplichtingen tegenover de vroegere eigenaren van Dornier Luftfahrt, waardoor Daimler-Benz Aerospace gedwongen was deze voorwaarden te stellen. De Oostenrijkse Regering heeft hiervan echter geen gewag gemaakt.

7.3. Conclusie

Gezien de omstandigheden waaronder HTM financiële steun heeft gekregen en nog steeds krijgt, mag worden aangenomen dat de financiering voor een deel is aan te merken als staatssteun in de zin van artikel 92, lid 1, van het EG-Verdrag. Een investeerder die onder normale marktvoorwaarden handelt, zou in een dergelijke situatie geen financiële middelen ter beschikking hebben gesteld. De steun stamt uit de activa van AT, dit wil zeggen uit staatsmiddelen en begunstigt een bepaalde onderneming. Met deze steun wordt het faillissement van HTM voorkomen, de voortzetting van het bedrijf gewaarborgd en de mededinging op de markt van de betreffende sportartikelen vervalst. Aangezien HTM hoofdzakelijk buiten Oostenrijk en binnen de Gemeenschap opereert (45 % van de omzet werd in 1994 in West-Europa gemaakt), beïnvloeden deze maatregelen de handel in de gemeenschappelijke markt.

8. Verenigbaarheid van de steun

Daar de Commissie van mening is dat deze maatregelen staatssteun vormen, moet worden onderzocht, of een of meer van de in artikel 92 van het EG-Verdrag voorziene uitzonderingen van toepassing zijn. Gezien de aard van de steun, die bestaat in kapitaalverstrekkingen voor verliescompensatie en herstructureringskosten, kan de steun enkel aan artikel 92, lid 3, onder a) en c), van het EG-Verdrag worden getoetst.

De steun die deel uitmaakt van de kapitaalinbreng in HTM, kan echter niet worden aangemerkt als steun ter bevordering van de economische ontwikkeling van de streken in de zin van artikel 92, lid 3, onder a), van het EG-Verdrag, omdat HTM vestigingen in verschillende gebieden heeft en de steun niet werd verstrekt voor een investering of voor de schepping van arbeidsplaatsen. Alleen de kleine HTM-fabriek voor skibindingen in Neusiedl ligt in een streek zoals bedoeld in artikel 92, lid 3, onder a); het herstructureringsplan voorziet echter in sluiting van deze fabriek. Om dezelfde redenen kan ook artikel 92, lid 3, onder c), niet worden toegepast, omdat dit betrekking heeft op de ontwikkeling van bepaalde regionale economieën.

Deze steun zou alleen kunnen worden gerechtvaardigd met het betoog dat hij de ontwikkeling van een bepaalde vorm economische bedrijvigheid vergemakkelijkt zonder dat de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt, zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. Gezien zijn aard moet de steun eerder worden beschouwd als reddings- en herstructureringssteun aan een onderneming in moeilijkheden. De Commissie heeft al geruime tijd geleden vastgelegd, welke criteria gelden voor de vrijstelling van deze vorm van steun krachtens artikel 92, lid 3, van het EG-Verdrag (8).

Tijdelijke steun aan ondernemingen in moeilijkheden kan door de Commissie alleen worden toegestaan, indien bij de herstructurering de volgende basisvoorwaarden vervuld zijn: in de eerste plaats moet de levensvatbaarheid van de onderneming op lange termijn binnen een redelijk tijdsbestek worden hersteld; vervolgens mag geen buitensporige vervalsing van de mededinging plaatsvinden en ten slotte moet de steun in verhouding staan tot de kosten en de baten van de herstructurering en tot het strikt noodzakelijke minimum beperkt blijven; bovendien moet de begunstigde een belangrijke bijdrage uit eigen middelen leveren. Slechts wanneer aan deze voorwaarden is voldaan, mag worden aangenomen dat de gevolgen van de steun het gemeenschappelijk belang niet schaden in de zin van artikel 92, lid 3, onder c).

8.1. Herstel van de rentabiliteit

Volgens de communautaire kaderregeling dient een herstructureringsplan de levensvatbaarheid en de gezondheid van een onderneming op lange termijn binnen een redelijk tijdsbestek en op grond van realistische veronderstellingen inzake de omstandigheden waaronder deze in de toekomst zal functioneren, te herstellen. De herstructurering van HTM is gebaseerd op een uitgebreid bedrijfs- en financieringsplan dat in punt 5 beschreven is. Dit plan werd opgesteld door de nieuwe eigenaren van de onderneming in samenwerking met een onafhankelijk adviesbureau.

Het herstructurerings- en saneringsplan werd door de Commissie grondig bestudeerd, zulks vooral gelet op de volgende elementen:

- de verwachtingen voor de externe en interne ontwikkelingen,

- het herstel van de levensvatbaarheid van de onderneming,

- de ontwikkeling van de concurrentiepositie van de onderneming op de diverse markten,

- de vermindering van de produktiecapaciteit en het personeel,

- de geschiktheid van de steun voor de herstructurering,

- de ontwikkeling van de voornaamste financiële en economische cijfers en

- de bijdrage van de begunstigde van de steun aan de financiering van het herstructureringsplan.

Aan de hand van het onderzoek en van de vorderingen die in de eerste maanden gemaakt zijn bij de uitvoering van het herstructureringsplan komt de Commissie tot de conclusie, dat het plan zowel ten aanzien van de externe ontwikkelingen (bij voorbeeld marktaandelen, verkoopprijzen voor de produkten) als ten aanzien van de interne maatregelen (bij voorbeeld bezuinigingen, vermindering van arbeidsplaatsen) is gebaseerd op realistische veronderstellingen. Op het programma staan drastische interne herstructureringsmaatregelen, onder meer de terugbrenging van de produktie- en vaste kosten, de capaciteit en het aantal arbeidsplaatsen alsmede de verbetering van het interne management. De bedrijfsvoering zal worden gerationaliseerd en de verlieslijdende sectoren golf- en sportkleding worden beëindigd. HTM wil zich gaan concentreren op een enkele kernmarkten en -produkten, hoofdzakelijk in het bovenste kwaliteits- en prijssegment. Tot 1996 zal de totale omzet dalen om vervolgens weer licht te stijgen. Niettemin zal de omzet in 1998 nog steeds onder het niveau van 1994 liggen. Globaal gezien berust dit plan dus niet op een agressief verkoopbeleid.

Zoals reeds opgemerkt, heeft Eliasch een onherroepelijke borgtocht gesteld voor een groot bedrag. Dit betekent een groter financieel risico voor Eliasch en is een bewijs voor de serieuze belangstelling die Eliasch voor HTM heeft. Uit deze toezegging blijkt, dat Eliasch overtuigd is van de sanering van HTM.

De vaste kosten zullen voortdurend worden verlaagd, waardoor in 1996 het evenwicht tussen inkomsten en uitgaven kan worden bereikt. In 1998 zal de onderneming opnieuw rendabel zijn. De in 1998 of 1999 geplande beursgang van HTM is een duidelijk bewijs voor het geslaagde keerpunt in de ontwikkeling van de onderneming en voor haar gunstige perspectieven op lange termijn. Vanuit deze invalshoek is de openbare emissie van HTM doorslaggevend voor het herstel van de levensvatbaarheid op lange termijn.

In de loop van de procedure ontving de Commissie van de Oostenrijkse Regering bescheiden waaruit bleek dat de herstructurering van HTM naar tevredenheid en zelfs sneller dan voorzien verliep. De resultaten van het eerste halfjaar 1996 laten zien, dat het herstructureringsplan gebaseerd is op realistische veronderstellingen. De Commissie is ervan overtuigd, dat het herstructureringsplan de gezondheid op lange termijn van HTM zal herstellen.

8.2. Vermijding van ontoelaatbare mededingingsvervalsing door de steun

Er zijn maatregelen genomen om de nadelige gevolgen van de herstructureringssteun voor de concurrenten zoveel mogelijk te compenseren. Normaal verzekerde de Commissie in het geval van overcapaciteit ter bevordering van de ontwikkeling van de betrokken sector dat de steunontvangende onderneming haar produktiecapaciteit vermindert. Het herstructureringsplan voor HTM voorziet in een aanzienlijke vermindering van de produktiecapaciteit in de sectoren ski's, skibindingen, skischoenen en tennisrackets, waar een structurele overcapaciteit is ontstaan ten gevolge van de daling van de vraag in de afgelopen jaren. De capaciteitsvermindering varieert van 9 tot 59 %. De vermindering vindt voornamelijk plaats in het eerste jaar van de herstructurering. Aangezien het hier officieel niet om in moeilijkheden verkerende sectoren gaat, kan worden gesteld dat er een aanzienlijke capaciteitsvermindering is, die in verhouding staat tot de omvang van de steun.

Bij ski's en skibindingen is het marktaandeel van HTM op de wereldmarkt in de periode 1994-1996 teruggegaan. In de komende jaren zal het op dit lage niveau stagneren. Bij tennisrackets is het aandeel van HTM op de wereldmarkt (in hoeveelheid) niet gewijzigd en voor de komende jaren wordt verwacht dat het marktaandeel in de Verenigde Staten ten gevolge van intensievere marketing licht zal stijgen.

Met de capaciteitsvermindering wordt een bijdrage geleverd tot de herstructurering van de gehele sector. Doordat de marktaandelen van HTM op de wereldmarkten kleiner zijn geworden, kunnen de concurrenten hun activiteiten uitbreiden. Bovendien heeft HTM geen toegang tot nieuwe markten, zoals inline-skating of snowboards, omdat het in beslag genomen wordt door de herstructurering en zich thans concentreert op enkele hoofdmarkten. De heroriëntering van de bedrijfsactiviteiten, die onder meer inhoudt dat HTM zich terugtrekt uit bepaalde segmenten, zoals bijvoorbeeld langlaufski's en huurski's, stelt met name kleine concurrenten in staat, zich op deze deelmarkten te vestigen en hun marktpositie te versterken.

Bepaalde activiteiten zijn of worden door HTM geheel opgegeven, hetgeen een verlies van 245 miljoen USD (196 miljoen ecu) aan omzet betekent. In deze sectoren kan dus uiteraard geen vervalsende werking voor de concurrenten ontstaan.

De omvang van de steun is redelijk, gezien de directe herstructureringskosten (vermindering van de produktiecapaciteit, stopzetting van bepaalde produktielijnen, sluiting van vestigingen) van 159 miljoen USD (127 miljoen ecu) in de periode 1995-1997. Het herstructureringsplan bevat geen maatregelen voor de sector duikartikelen, die winstgevend is. Hieruit kan worden geconcludeerd, dat de steun uitsluitend bestemd is voor de sectoren waarin herstructurering inderdaad noodzakelijk is en dat deze steun niet dient voor uitbreiding van de produktiecapaciteit in de sector duikartikelen die al winstgevend is.

Tenslotte zij eraan herinnerd, dat op de betrokken markten drie tot vier grote concurrenten werkzaam zijn. Zou HTM komen te verdwijnen, dan zouden er nog kleinere oligopolies of zelfs duopolies ontstaan die een negatieve invloed op de structuur van de markt zouden hebben. Door HTM te laten overleven, wordt dus een bijdrage geleverd aan de instandhouding van een marktstructuur waarin mededinging mogelijk blijft.

8.3. Steun in verhouding tot de kosten en baten van de herstructurering

De steun moet tot het voor de uitvoering van de herstructurering strikt noodzakelijke minimum worden beperkt. Van de begunstigde wordt verwacht dat hij met eigen middelen een belangrijke bijdrage tot de herstructurering levert. Om marktvervalsende activiteiten die geen verband houden met het herstructureringsproces te voorkomen, is bepaald dat de steun niet mag worden gebruikt om de onderneming de beschikking over extra middelen te geven of om de financiële lasten van de onderneming door buitensporige verbetering van haar financiële positie op ontoelaatbare wijze te verlichten.

Zoals reeds vermeld, hebben de Oostenrijkse autoriteiten stukken overgelegd ten bewijze, dat de nieuwe eigenaar van HTM, Eliasch, een aanzienlijke bijdrage tot de herstructureringskosten levert. Naast de kapitaalinjectie van 25 miljoen OS (1,9 miljoen ecu) die na goedkeuring van de steun door de Commissie werd gegeven, zal tot eind 1998 nog eens 275 miljoen OS (20 miljoen ecu) door Eliasch worden ingebracht. Bovendien heeft Eliasch ook reeds een onherroepelijke borgtocht gesteld voor een omvangrijke som.

Daar HTM meer dan een derde van de herstructureringskosten uit eigen middelen bekostigt (gebruik van cash-flow en vermindering van het vlottend kapitaal), kan worden gesteld dat de onderneming een redelijke bijdrage tot deze kosten levert.

Volgens de financiële prognoses die deel uitmaken van het herstructureringsplan van HTM, is de steun van AT essentieel om met name de kortlopende schulden van HTM te verminderen. De steun wordt in verschillende tranches uitbetaald en leidt niet tot een overschot aan liquide middelen. Ondanks de steun van AT zal het eigen vermogen van HTM niet royaal zijn: het aandeel van het eigen vermogen gaat van 8 % eind 1995 naar slechts 7 % per 31 december 1998. Hiermee bevindt het eigen vermogen zich op een dusdanig niveau dat de beloofde kapitaalverstrekking door Eliasch in 1998 en de openbare emissie in dezelfde periode onmisbaar zijn om de onderneming op lange termijn te laten overleven. Ook de adviseurs van HTM zijn van mening dat deze structurele verbetering van het eigen vermogen met behulp van nieuwe kapitaalverstrekkingen voor de toekomstige ontwikkeling van de onderneming doorslaggevend is. Daarom moeten deze twee kapitaalverstrekkingen ook werkelijk plaatsvinden.

De Commissie herinnert eraan, dat in de communautaire kaderregeling wordt bepaald dat vrijstellingen in de zin van artikel 92, lid 3, van het EG-Verdrag slechts onder de volgende voorwaarden worden verstrekt: "Indien steun wordt gebruikt voor de kwijtschelding van schulden die zijn ontstaan uit vroegere verliezen, moeten belastingfaciliteiten in verband met deze verliezen worden ingetrokken en mogen de verliezen niet worden aangehouden om toekomstige winst te compenseren of worden verkocht of overgedragen aan derden. In een dergelijk geval zou de onderneming immers twee keer herstructureringssteun ontvangen." Om deze reden moet ervoor worden gezorgd dat de in het verleden geleden verliezen tot het steunbedrag, dit wil zeggen 1 590 miljoen OS (118 miljoen ecu), niet ter vermindering van de belastingplichtige inkomsten worden gebruikt.

8.4. Conclusie

Zoals uit het bovenstaande blijkt, voldoen de maatregelen aan de voorwaarden van de communautaire kaderregeling. De levensvatbaarheid en de gezondheid van de onderneming worden op lange termijn gewaarborgd, er ontstaat geen ontoelaatbare mededingingsvervalsing, de steun staat in verhouding tot de kosten en baten van de herstructurering en de steunontvanger levert een belangrijke bijdrage tot het herstructureringsplan.

Van het totale bedrag van 1 590 miljoen OS (118 miljoen ecu) heeft de Commissie in haar beschikking ter inleiding van de procedure van artikel 93, lid 2, van het EG-Verdrag reeds 1 273 miljoen OS (95 miljoen ecu) goedgekeurd,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De bijdragen van Austria Tabakwerke aan Head Tyrolia Mares in de vorm van kapitaalinjecties ter hoogte van 1 590 miljoen OS (118 miljoen ecu) worden beschouwd als staatssteun in de zin van artikel 92, lid 1, van het EG-Verdrag; deze steun wordt krachtens artikel 92, lid 3, onder c), verenigbaar met de gemeenschappelijke markt geacht, daar hij de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid vergemakkelijkt, zonder dat de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor zodanig worden veranderd, dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad.

Van het totale bedrag van 1 590 miljoen OS is reeds 1 273 miljoen OS (95 miljoen ecu) door de Commissie voorwaardelijk goedgekeurd als reddingssteun. Van de totale steun werd in april 1995 reeds 400 miljoen OS uitgekeerd, tot 30 september 1995 373 miljoen OS (alsmede een gepland, maar nog niet betaald bedrag van 27 miljoen OS) en tot 31 december 1995, en tot 30 juni 1996, 250 miljoen OS; tot 31 december 1997 zal 145 miljoen OS worden betaald en tot 31 maart 1998 145 miljoen OS.

Artikel 2

Om te waarborgen dat de steun verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt moet de Oostenrijkse Regering ervoor zorgen, dat aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan:

- Het herstructureringsplan moet worden uitgevoerd in de vorm waarin het aan de Commissie is voorgelegd. Tot 1999 moet HTM twee keer per jaar, einde augustus en einde februari, verslag uitbrengen over de bij de herstructurering gemaakte vorderingen. Dit verslag moet gegevens bevatten omtrent de economische ontwikkeling en de financiële resultaten van de onderneming en aantonen dat deze overeenstemmen met het herstructureringsplan. Voorts moet de onderneming in de periode van 1995 tot en met 1999 steeds uiterlijk einde juni een jaarverslag voorleggen over de resultaten van de ondernemingen van de groep in het voorgaande jaar.

- De in het herstructureringsplan voorziene capaciteitsvermindering moet onherroepelijk worden uitgevoerd.

- De kapitaalverstrekking van Eliasch aan HTM ten bedrage van 25 miljoen OS moet binnen een maand na dagtekening van deze beschikking plaatsvinden.

- De kapitaalverstrekking van Eliasch aan HTM ten bedrage van 275 miljoen OS moet vóór 31 december 1998 plaatsvinden.

- Een verdere verhoging van het eigen vermogen van ten minste 600 miljoen OS moet door een internationale openbare emissie of met soortgelijke middelen uiterlijk einde 1999 plaatsvinden.

- Van de in het verleden geleden verliezen mag een bedrag van 1 590 miljoen OS niet worden gebruikt ter vermindering van de belastingplichtige winst.

Artikel 3

Deze beschikking is gericht tot de Republiek Oostenrijk.

Gedaan te Brussel, 30 juli 1996.

Voor de Commissie

Erkki LIIKANEN

Lid van de Commissie

(1) In deze beschikking worden de volgende wisselkoersen gehanteerd: 1 ecu = 13,36 OS = 1,25 USD = 1,91 DM.

(2) In de gepubliceerde versie van deze beschikking moeten de tussen haken vermelde zakelijke gegevens worden weggelaten.

(3) Zie zaak C-303/88 (Italië/Commissie), Jurisprudentie 1991, blz. I-1433; zie ook zaak C-305/89 (Italië/Commissie), Jurisprudentie 1991, blz. I-1603.

(4) Mededeling van de Commissie over de toepassing van de artikelen 92 en 93 van het EG-Verdrag en van artikel 5 van Richtlijn 80/723/EEG op openbare bedrijven in de industriesector (PB nr. C 307 van 13. 11. 1993, blz. 3)

(5) Zaak C-303/88 (Italië/Commissie), Jurisprudentie 1991, blz. I-1433.

(6) PB nr. L 253 van 21. 10. 1995, blz. 22.

(7) Gevoegde zaken C-278/92, C-279/92, C-280/92 (Spanje/Commissie), Jurisprudentie 1994, blz. I-4103.

(8) Communautaire kaderregeling voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (PB nr. C 368 van 23. 12. 1994, blz. 12).

Top