EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31992R3002

Verordening (EEG) nr. 3002/92 van de Commissie van 16 oktober 1992 tot vaststelling van gemeenschappelijke bepalingen inzake de controle op het gebruik en/of de bestemming van produkten uit interventie

OJ L 301, 17.10.1992, p. 17–26 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT)
Special edition in Finnish: Chapter 03 Volume 045 P. 113 - 121
Special edition in Swedish: Chapter 03 Volume 045 P. 113 - 121
Special edition in Czech: Chapter 02 Volume 004 P. 297 - 306
Special edition in Estonian: Chapter 02 Volume 004 P. 297 - 306
Special edition in Latvian: Chapter 02 Volume 004 P. 297 - 306
Special edition in Lithuanian: Chapter 02 Volume 004 P. 297 - 306
Special edition in Hungarian Chapter 02 Volume 004 P. 297 - 306
Special edition in Maltese: Chapter 02 Volume 004 P. 297 - 306
Special edition in Polish: Chapter 02 Volume 004 P. 297 - 306
Special edition in Slovak: Chapter 02 Volume 004 P. 297 - 306
Special edition in Slovene: Chapter 02 Volume 004 P. 297 - 306
Special edition in Bulgarian: Chapter 02 Volume 005 P. 48 - 57
Special edition in Romanian: Chapter 02 Volume 005 P. 48 - 57

No longer in force, Date of end of validity: 14/12/2009; opgeheven door 32009R1130 . Latest consolidated version: 04/05/1996

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1992/3002/oj

31992R3002

Verordening (EEG) nr. 3002/92 van de Commissie van 16 oktober 1992 tot vaststelling van gemeenschappelijke bepalingen inzake de controle op het gebruik en/of de bestemming van produkten uit interventie

Publicatieblad Nr. L 301 van 17/10/1992 blz. 0017 - 0026
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 3 Deel 45 blz. 0113
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 3 Deel 45 blz. 0113


VERORDENING (EEG) Nr. 3002/92 VAN DE COMMISSIE van 16 oktober 1992 tot vaststelling van gemeenschappelijke bepalingen inzake de controle op het gebruik en/of de bestemming van produkten uit interventie

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,

Gelet op Verordening nr. 136/66/EEG van de Raad van 22 september 1966 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten (1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 2046/92 (2), en met name op artikel 12, lid 4, op artikel 26, lid 3, en op de overeenkomstige bepalingen van de overige verordeningen houdende een gemeenschappelijke ordening der markten voor landbouwprodukten,

Overwegende dat in de communautaire voorschriften voor verschillende sectoren die onder een gemeenschappelijke marktordening voor landbouwprodukten vallen, is bepaald dat een interventieregeling wordt toegepast;

Overwegende dat voor bepaalde, uit interventievoorraden uitgeslagen produkten een bijzonder gebruik en/of bijzondere bestemming kan worden voorgeschreven; dat een controlestelsel dient te worden ingevoerd om te garanderen dat deze produkten voor het voorgeschreven doel worden gebruikt en/of de voorgeschreven bestemming krijgen;

Overwegende dat bij Verordening (EEG) nr. 569/88 van de Commissie (3), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 2919/92 (4), gemeenschappelijke bepalingen inzake de controle op het gebruik en/of de bestemming van produkten uit interventie zijn vastgesteld; dat, met het oog op de afschaffing van de controles en formaliteiten aan de binnengrenzen en naar aanleiding van nieuwe wijzigingen in Verordening (EEG) nr. 569/88, alsmede ter wille van de duidelijkheid en de administratieve doelmatigheid, de betrokken voorschriften dienen te worden geherformuleerd;

Overwegende dat, indien twee of meer Lid-Staten bij de controle betrokken zijn, Verordening (EEG) nr. 2823/87 van de Commissie van 18 september 1987 betreffende de documenten die dienen te worden gebruikt met het oog op de toepassing van communautaire maatregelen die de controle op het gebruik en/of de bestemming van de goederen met zich brengen (5), dient te worden toegepast;

Overwegende dat naast de douanediensten ook andere instanties dienen te worden aangewezen voor de afgifte van het controle-exemplaar T 5 en voor de controle op het gebruik en/of de bestemming van interventiegoederen;

Overwegende dat eenvoudig- en doelmatigheidshalve dient te worden bepaald dat het controle-exemplaar T 5, nadat de nodige controles zijn uitgevoerd, rechtstreeks dient te worden toegezonden aan het interventiebureau waarbij de zekerheid is gesteld en dat, wanneer daarbij twee of meer Lid-Staten betrokken zijn, elke van deze Lid-Staten het controle-exemplaar T 5 rechtstreeks aan het interventiebureau waarbij de zekerheid is gesteld, dient toe te zenden;

Overwegende dat het met het oog op administratieve vereenvoudiging wenselijk is een soepeler procedure voor te schrijven dan de regeling inzake het controle-exemplaar wanneer het gaat om uitvoertransacties overeenkomstig de regeling als bedoeld in titel X, hoofdstuk I, van Verordening (EEG) nr. 1214/92 van de Commissie (6), waarin is bepaald dat, wanneer een vervoer binnen de Gemeenschap begint en buiten de Gemeenschap zal eindigen, bij het douanekantoor van het grensstation geen enkele formaliteit behoeft te worden vervuld;

Overwegende dat de bijlage bij Verordening (EEG) nr. 569/88 wegens het buitensporig aantal wijzigingen dient te vervallen; dat derhalve naar de vermeldingen in de onderscheiden verordeningen dient te worden verwezen;

Overwegende dat de in deze verordening vervatte maatregelen in overeenstemming zijn met het advies van alle betrokken Comités van beheer,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I Algemene bepalingen

Artikel 1

1. Onverminderd de specifieke uitzonderingen waarin bij de communautaire voorschriften voor bepaalde landbouwprodukten is voorzien, behelst deze verordening gemeenschappelijke nadere bepalingen inzake de controle op het gebruik en/of de bestemming van produkten die uit interventievoorraden worden uitgeslagen overeenkomstig:

- artikel 12 van Verordening nr. 136/66/EEG (oliën en vetten),

- de artikelen 5 en 25 van Verordening (EEG) nr. 1418/76 van de Raad (7) (rijst),

- de artikelen 6 tot en met 9 van Verordening (EEG) nr. 804/68 van de Raad (8) (melk en zuivelprodukten),

- artikel 7 van Verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad (9) (rundvlees),

- artikel 7 van Verordening (EEG) nr. 727/70 van de Raad (10) (ruwe tabak),

- de artikelen 7, 8 en 28 van Verordening (EEG) nr. 2727/75 van de Raad (11) (granen),

- artikel 6 van Verordening (EEG) nr. 2759/75 van de Raad (12) (varkensvlees),

wanneer voor deze produkten een specifiek gebruik en/of specifieke bestemming is voorgeschreven.

2. Voor de toepassing van deze verordening wordt onder "verzending" verstaan, het verzenden van goederen van een Lid-Staat naar een andere Lid-Staat, en onder "uitvoer", het verzenden van goederen van een Lid-Staat naar een bestemming buiten het douanegebied van de Gemeenschap.

3. De bepalingen van deze verordening zijn tevens van toepassing op:

- overeenkomstig artikel 21 van Verordening (EEG) nr. 1035/72 van de Raad (13) (groenten en fruit) verkochte produkten,

- overeenkomstig artikel 8, lid 4, van Verordening (EEG) nr. 426/86 van de Raad (14) (op basis van groenten en fruit verwerkte produkten) verkochte produkten,

- overeenkomstig de artikelen 37 en 40 van Verordening (EEG) nr. 822/87 van de Raad (15) (wijn/alcohol) verkochte produkten.

4. Voor de toepassing van deze verordening wordt de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie (BLEU) als één Lid-Staat beschouwd.

Artikel 2

1. De in artikel 1 bedoelde produkten worden vanaf het tijdstip, waarop zij uit de interventievoorraden worden uitgeslagen tot op het moment waarop het aangegeven gebruik en/of de bestemming van die produkten is nagegaan, door de aangewezen controle-instanties, hierna "bevoegde controle-autoriteit" genoemd, onderworpen aan controle die fysieke controle, verificatie van documenten en boekhoudkundige controle omvat.

Ten einde elke vorm van discriminatie op grond van de oorsprong van produkten te voorkomen, wijst elke Lid-Staat voor elke specifieke maatregel of voor elk onderdeel ervan, één enkele controle-instantie aan ter verificatie of de produkten, ongeacht de oorsprong ervan (Gemeenschap of nationaal) voor het voorgeschreven doel zijn gebruikt en/of de voorgeschreven bestemming hebben gekregen.

2. De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat:

- de in lid 1 bedoelde controle wordt verricht,

- de interventieprodukten niet door andere produkten worden vervangen.

Bij die maatregelen wordt met name voorgeschreven dat:

- ondernemingen die in interventieprodukten of verwerkte interventieprodukten handelen, in die zin dat zij dergelijke produkten bij voorbeeld aankopen, verkopen, opslaan, vervoeren, overslaan, opnieuw verpakken, be- of verwerken, zich aan alle noodzakelijk geachte inspectie- en toezichtsmaatregelen dienen te onderwerpen, en een boekhouding dienen te voeren die het de autoriteiten mogelijk maakt de door hen noodzakelijk geachte controles te verrichten;

- de in het eerste streepje bedoelde produkten op zodanige wijze gescheiden van andere produkten dienen te worden opgeslagen en vervoerd, dat zij identificeerbaar zijn.

De Lid-Staten stellen de Commissie van de op grond van dit lid genomen maatregelen in kennis.

3. De in artikel 1 van Verordening (EEG) nr. 2823/87 bedoelde regeling betreffende het controle-exemplaar T 5 is van toepassing wanneer de in lid 1 bedoelde controle geheel of gedeeltelijk dient te worden uitgevoerd:

- in een andere Lid-Staat dan in die waar de produkten uit de interventievoorraden worden uitgeslagen,

of

- in een andere Lid-Staat dan in die waar de zekerheid is gesteld.

Tenzij in de onderhavige verordening anders is bepaald, wordt het controle-exemplaar T 5 afgegeven en gebruikt overeenkomstig het bepaalde in Verordening (EEG) nr. 2823/87.

4. Wanneer het interventiebureau dat de produkten verkoopt, geen controle-exemplaar T 5 afgeeft overeenkomstig artikel 3, lid 1, punt a), dient het een uitslagbewijs te verstrekken. De Lid-Staten mogen toestaan dat van die bewijzen uittreksels worden afgegeven.

Het uitslagbewijs of het uittreksel ervan dient door de belanghebbende aan de bevoegde controle-autoriteit te worden overgelegd.

Artikel 3

1. a) Het in artikel 2, lid 3, bedoelde controle-exemplaar T 5 wordt afgegeven door:

- het interventiebureau dat de produkten verkoopt, wanneer de interventieprodukten naar een andere Lid-Staat worden verzonden in de staat waarin zij zich bij de uitslag bevonden, hierna "in ongewijzigde staat" genoemd,

of

- de bevoegde controle-autoriteit, wanneer de interventieprodukten na verwerking naar een andere Lid-Staat worden verzonden,

of

- het douanekantoor van vertrek,

- tegen overlegging van een door het interventiebureau afgegeven uitslagbewijs, wanneer de interventieprodukten in ongewijzigde staat worden uitgevoerd en over het grondgebied van een of meer andere Lid-Staten dienen te worden vervoerd,

- tegen overlegging van een door de bevoegde controle-autoriteit afgegeven controledocument waarin is aangegeven dat de verwerking onder controle is geschied, wanneer de interventieprodukten na verwerking worden uitgevoerd en over het grondgebied van een of meer andere Lid-Staten dienen te worden vervoerd.

Wanneer de produkten overeenkomstig het bepaalde in Verordening (EEG) nr. 1055/77 van de Raad (16) in een andere Lid-Staat worden opgeslagen dan in die waar het interventiebureau dat de produkten verkoopt, is gevestigd, wordt het controle-exemplaar T 5 rechtstreeks afgegeven door het interventiebureau dat de produkten verkoopt of wordt dat controle-exemplaar afgegeven onder verantwoordelijkheid van dat interventiebureau.

De Lid-Staten mogen:

- toestaan dat het controle-exemplaar T 5 door een voor dat doel aangewezen autoriteit wordt afgegeven in plaats van door het interventiebureau dat de produkten verkoopt;

- besluiten dat onder verantwoordelijkheid van het interventiebureau erkende opslaghouders van interventieprodukten het controle-exemplaar T 5 mogen afgeven. Deze machtiging wordt aan de opslaghouder verleend met overeenkomstige toepassing van de voorwaarden van de artikelen 17 tot en met 24 van Verordening (EEG) nr. 2823/87.

In beide gevallen geschiedt de afgifte van het controle-exemplaar T 5 tegen overlegging van een uitslagbewijs.

b) Het uitslagbewijs en het controledocument bedoeld in punt a), worden voorzien van een reeksnummer en bevatten de volgende informatie:

- een omschrijving van de produkten volgens de instructies voor het invullen van vak 31 van het in artikel 2, lid 3, bedoelde controle-exemplaar T 5 en, in voorkomend geval, alle andere voor controle-doeleinden benodigde gegevens,

- aantal, soort, merktekens en nummers van de colli,

- bruto- en nettomassa van de produkten,

- de referentie van de van toepassing zijnde verordening,

- de gegevens die in de vakken 104 en 106 van controle-exemplaar T 5 dienen te worden vermeld, waaronder het nummer van het met het interventiebureau gesloten koopcontract.

Het controledocument wordt voorzien van het nummer van het vorige controle-exemplaar T 5 of van het vorige uitslagbewijs.

Uitslagbewijs en controledocument worden door het kantoor van vertrek bewaard.

c) De belanghebbende maakt van het origineel van het controle-exemplaar T 5 twee kopieën. De autoriteit die het controle-exemplaar T 5 afgeeft, doet een kopie daarvan voor informatie toekomen aan het interventiebureau waarbij de zekerheid is gesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 5, en bewaart een kopie.

d) Het origineel van het controle-exemplaar T 5 wordt geretourneerd aan de belanghebbende of diens vertegenwoordiger, die het aan de bevoegde controle-autoriteit van de Lid-Staat van gebruik en/of bestemming overlegt.

2. Het origineel van het controle-exemplaar T 5 wordt, na door de bevoegde controle-autoriteit in de Lid-Staat van gebruik en/of bestemming van de nodige aantekeningen te zijn voorzien, rechtstreeks teruggezonden naar het interventiebureau waarbij de zekerheid als bedoeld in artikel 5 is gesteld. De belanghebbende vult in vak B van het controle-exemplaar T 5 de volledige naam en het volledig adres in van het interventiebureau waarbij de zekerheid is gesteld.

3. Wanneer de voorgeschreven bepalingen slechts voor een deel van de in het controle-exemplaar T 5 vermelde produkten in acht zijn genomen, geeft de bevoegde autoriteit in de rubriek "Controle van het gebruik en/of de bestemming" van het controle-exemplaar T 5 de hoeveelheid produkten aan waarvoor de bepalingen in acht zijn genomen en de datum of de data waarop de verrichting werd uitgevoerd.

Artikel 4

Het bewijs dat aan de in artikel 2, lid 1, opgenomen eisen inzake controle is voldaan, wordt geleverd:

a) voor produkten ten aanzien waarvan de controles betreffende de uitslag uit de interventievoorraden en het gebruik en/of de bestemming door de autoriteit van één enkele Lid-Staat zijn uitgevoerd, door overlegging van de door deze Lid-Staat voorgeschreven documenten;

b) voor produkten ten aanzien waarvan de controle betreffende het gebruik en/of de bestemming door de autoriteit van een of meer andere Lid-Staten dan die waar de produkten uit de interventievoorraden zijn uitgeslagen, is uitgevoerd, door overlegging van alle met het oog op de controle betreffende het gebruik en/of de bestemming door de bevoegde controle-autoriteiten afgegeven, naar behoren geviseerde en van aantekeningen voorziene controle-exemplaren T 5;

c) voor produkten ten aanzien waarvan de controle betreffende het gebruik en/of de bestemming door de autoriteit van zowel de Lid-Staat waar de produkten uit de interventievoorraden zijn uitgeslagen als van een of meer andere Lid-Staten is uitgevoerd, door overlegging van de documenten bedoeld onder a) met die bedoeld onder b);

d) voor produkten ten aanzien waarvan de uitvoerformaliteiten zijn vervuld in de Lid-Staat waar de laatste verwerking is geschied en de zekerheid is gesteld, en die het douanegebied van de Gemeenschap via die Lid-Staat hebben verlaten, door overlegging van het (de) door die Lid-Staat voorgeschreven document (-en), in zoverre het om een bewijs van de uitvoer gaat, en van de onder a) en/of b) bedoelde documenten, in zoverre deze betrekking hebben op de verwerking.

Artikel 5

1. Wanneer een zekerheid wordt geëist om te waarborgen dat de in artikel 1 bedoelde produkten voor het voorgeschreven doel worden gebruikt en/of de voorgeschreven bestemming krijgen, wordt deze zekerheid gesteld voordat de produkten worden overgenomen en wel,

- wanneer het produkten betreft die zijn bestemd om te worden verwerkt of om te worden verwerkt en uitgevoerd, bij het interventiebureau van de Lid-Staat waar de verwerking zal geschieden of, in voorkomend geval, zal beginnen;

- in alle overige gevallen, bij het interventiebureau dat de produkten verkoopt.

2. Wanneer een zekerheid wordt gesteld bij het interventiebureau van een andere Lid-Staat dan die waar het interventiebureau dat de produkten verkoopt, is gevestigd, doet het interventiebureau waarbij de zekerheid is gesteld, aan het interventiebureau dat de produkten verkoopt, onverwijld een schriftelijke mededeling toekomen waarin worden aangegeven:

- het nummer van de desbetreffende verordening,

- de datum en/of het nummer van de inschrijving/verkoop,

- het contractnummer,

- de naam van de koper,

- het bedrag van de zekerheid in ecu,

- het produkt,

- de hoeveelheid produkt,

- de datum waarop de zekerheid is gesteld,

- het gebruik en/of de bestemming (in voorkomend geval).

Het interventiebureau dat de produkten verkoopt, verifieert de gegevens betreffende de zekerheid.

Artikel 6

1. Wanneer de bepalingen inzake het gebruik en/of de bestemming van de produkten als gevolg van overmacht niet in acht kunnen worden genomen, besluit de autoriteit van de Lid-Staat waar de zekerheid is gesteld of, indien geen zekerheid is gesteld, die van de Lid-Staat waar de produkten uit de interventievoorraden zijn uitgeslagen, op verzoek van de belanghebbende,

a) dat de voor de transactie voorgeschreven termijn met de op grond van de aangevoerde omstandigheden nodig geachte aanvullende periode wordt verlengd,

of

b) dat de controle wordt geacht te zijn verricht, indien de produkten onherroepelijk verloren zijn gegaan.

Evenwel doet de bevoegde autoriteit in die gevallen van overmacht waarin de onder a) en b) bedoelde maatregelen niet geëigend zijn, daarvan mededeling aan de Commissie, die volgens de procedure van artikel 38 van Verordening nr. 136/66/EEG en van de overeenkomstige artikelen van de overige verordeningen houdende een gemeenschappelijke ordening der markten de nodige maatregelen kan vaststellen.

2. Het in lid 1 bedoelde verzoek wordt ingediend uiterlijk dertig dagen na de dag waarop de belanghebbende kennis heeft gekregen van zich voorgedaan hebbende omstandigheden die mogelijk op overmacht duiden, doch in elk geval binnen de in de specifieke verordening aangegeven termijn voor overlegging van de met het oog op het vrijgeven van de zekerheid vereiste bewijsstukken.

3. De belanghebbende levert het bewijs van de omstandigheden die als overmacht worden aangevoerd.

TITEL II Produkten waarvoor een bepaald gebruik of een specifieke bestemming binnen de Gemeenschap is voorgeschreven

Artikel 7

1. Produkten worden geacht voor het voorgeschreven doel te zijn gebruikt en/of de voorgeschreven bestemming te hebben gekregen, wanneer wordt vastgesteld:

a) ten aanzien van produkten die zijn bestemd om te worden verwerkt en/of waarin andere produkten dienen te worden bijgemengd, hetgeen in beide gevallen hierna "verwerking" wordt genoemd, dat zij inderdaad zijn verwerkt;

b) ten aanzien van produkten die zijn bestemd om voor rechtstreekse consumptie als concentraat te worden verkocht, dat zij zijn geconcentreerd, voor de kleinhandel zijn verpakt en door de kleinhandel zijn overgenomen;

c) ten aanzien van produkten die zijn bestemd om door bepaalde instellingen of organisaties of door de strijdkrachten en daarmee gelijkgestelde eenheden te worden verbruikt, dat zij werkelijk zijn geleverd en door de belanghebbenden zijn overgenomen;

en, in voorkomend geval, dat de verrichtingen, vermeld onder a), b) en c), binnen de voorgeschreven termijn zijn gebeurd.

2. De in lid 1, onder a), b) en c), bedoelde voorwaarden zijn primaire eisen in de zin van artikel 20 van Verordening (EEG) nr. 2220/85 van de Commissie (17).

Artikel 8

1. Wanneer het controle-exemplaar T 5 wordt gebruikt, worden de vakken 103, 104, 106 en 107 van de rubriek "Bijzondere vermeldingen" ingevuld.

In de vakken 104 en 106 worden de in de desbetreffende verordening voorgeschreven vermeldingen aangebracht.

In vak 106 worden ook vermeld:

- het nummer van het met het interventiebureau gesloten verkoopcontract,

- en, in voorkomend geval, het nummer van het uitslagbewijs.

In vak 107 wordt het nummer van de desbetreffende verordening ingevuld.

2. Wanneer de produkten naar een derde Lid-Staat worden verzonden, is artikel 21 van overeenkomstige toepassing.

3. Wanneer twee of meer opeenvolgende verrichtingen in dezelfde Lid-Staat geschieden, is artikel 22 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 9

Vrijgave van de zekerheid geschiedt tegen overlegging van het in artikel 4 bedoelde bewijs.

Artikel 10

Wanneer een controle-exemplaar T 5 door omstandigheden buiten de wil van de belanghebbende niet binnen drie maanden

- na het verstrijken van de voor de uitvoering van de betrokken transactie vastgestelde termijn,

of

- na de afgifte, indien voor de uitvoering van de transactie geen termijn is vastgesteld,

door het in artikel 3, lid 2, bedoelde interventiebureau is ontvangen, kan de belanghebbende bij de bevoegde autoriteiten een met redenen omkleed en met bewijsstukken gestaafd verzoek indienen om andere documenten als gelijkwaardig te erkennen. Deze bewijsstukken dienen een verwijzing naar het controle-exemplaar T 5 te bevatten en zijn onder meer een verklaring van de bevoegde controle-autoriteit die de controle betreffende het gebruik van de produkten heeft uitgevoerd of heeft doen uitvoeren, waarin wordt bevestigd dat de produkten voor het voorgeschreven doel zijn gebruikt en de datum wordt aangegeven waarop de produkten voor het voorgeschreven doel zijn gebruikt en/of de voorgeschreven bestemming hebben gekregen.

TITEL III In ongewijzigde staat uit de Gemeenschap uitgevoerde produkten

Artikel 11

1. Geacht wordt dat de produkten de voorgeschreven bestemming hebben gekregen, wanneer wordt vastgesteld:

a) dat zij het douanegebied van de Gemeenschap in ongewijzigde staat hebben verlaten; voor de toepassing van deze verordening wordt geacht, dat produkten die uitsluitend zijn bestemd om te worden verbruikt op boor- of produktieplatforms of op de daarbij behorende installaties voor dienstverlening, die zich binnen het gebied van het Europees continentaal plat of van het continentaal plat van het niet-Europese deel van de Gemeenschap bevinden, doch buiten een zone van drie mijl vanaf de basislijn waarvan voor de afbakening van de territoriale wateren van een Lid-Staat wordt uitgegaan, het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten,

b) dat zij, in het in artikel 34, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie (18) bedoelde geval, hun bestemming hebben bereikt,

of

c) dat zij in een overeenkomstig artikel 38 van Verordening (EEG) nr. 3665/87 erkend bevoorradingsdepot zijn opgeslagen,

dan wel

d) dat de douaneformaliteiten voor invoer tot verbruik in een bepaald derde land zijn vervuld wanneer het produkten betreft, die voor invoer in dat land zijn bestemd,

en, in voorkomend geval, dat de verrichtingen, vermeld onder a) tot en met d), binnen de voorgeschreven termijn zijn gebeurd.

2. De in lid 1, onder a) tot en met d), bedoelde voorwaarden zijn primaire eisen in de zin van artikel 20 van Verordening (EEG) nr. 2220/85.

3. Wanneer produkten in een bevoorradingsdepot zijn opgeslagen als bedoeld in lid 1, onder c), zijn de artikelen 38 tot en met 41 van Verordening (EEG) nr. 3665/87 van toepassing, met uitzondering van artikel 40, lid 3, ook al is geen restitutie van toepassing.

4. Artikel 4, lid 3, tweede alinea, van Verordening (EEG) nr. 3665/87 is van toepassing.

Artikel 12

1. Wanneer interventieprodukten zijn bestemd om in ongewijzigde staat te worden uitgevoerd, dient de uitvoeraangifte te worden aanvaard door de douane-autoriteiten van de Lid-Staat waar de produkten zijn uitgeslagen.

2. Op de uitvoeraangifte en op elk, op grond van de Gemeenschapsvoorschriften vereist begeleidend document, wordt, naar gelang van het geval, de volgende vermelding opgenomen:

- "Interventieprodukten met restitutie - Verordening (EEG) nr. 3002/92"

of

- "Interventieprodukten zonder restitutie - Verordening (EEG) nr. 3002/92".

3. Zelfs wanneer op de voor uitvoer bestemde produkten geen restitutie van toepassing is, wordt geacht, dat zij, na de aanvaarding van de desbetreffende uitvoeraangifte, niet meer onder artikel 9, lid 2, van het Verdrag vallen en geldt voor het verkeer van deze produkten het bepaalde in artikel 3, lid 2, onder c), van Verordening (EEG) nr. 2726/90 van de Raad (19).

4. De voorwaarden ten aanzien van de termijn waarbinnen de restitutie moet zijn toegekend en het daartoe vereiste bewijs moet zijn overgelegd, gelden alleen voor de vrijgave van de zekerheid.

Artikel 13

1. Wanneer het controle-exemplaar T 5 wordt gebruikt, worden de vakken 103, 104, 106 en 107 en, in voorkomend geval, vak 105 van de rubriek "Bijzondere vermeldingen" ingevuld.

In de vakken 104 en 106 worden de in de desbetreffende verordening voorgeschreven vermeldingen aangebracht.

In vak 106 worden eveneens vermeld:

- het nummer van het met het interventiebureau gesloten koopcontract,

en

- het nummer van het uitslagbewijs.

In vak 107 wordt het nummer van de desbetreffende verordening ingevuld.

2. Wanneer het controle-exemplaar T 5 ten bewijze dat de goederen zijn uitgevoerd, met het oog op de vrijgave van de in artikel 5 bedoelde zekerheid en de betaling van de restitutie, dient te worden overgelegd, doet de bevoegde autoriteit waarbij de zekerheid is gesteld, onverwijld een voor eensluidend gewaarmerkte kopie van het controle-exemplaar T 5 rechtstreeks aan de voor de betaling van de restitutie bevoegde autoriteit toekomen.

In dat geval brengt de belanghebbende in vak 106 van het controle-exemplaar T 5 de volgende vermelding aan:

"Restitutie te betalen door . . . (volgt de volledige naam en het volledig adres van de voor de betaling van de restitutie bevoegde autoriteit)."

3. Wanneer de in artikel 47, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 3665/87 vastgestelde termijn van twaalf maanden voor de overlegging van het bewijs van uitvoer met het oog op de betaling van de restitutie niet in acht kan worden genomen omdat bij de toezending van het controle-exemplaar T 5 door het interventiebureau waarbij de zekerheid is gesteld, aan de met de betaling van de restitutie belaste instantie administratieve vertraging is ontstaan, wordt de datum van ontvangst van het controle-exemplaar bij dit interventiebureau als de ontvangstdatum van het document bij de restitutie-instantie aangemerkt.

Artikel 14

1. Wanneer produkten onmiddellijk nadat de uitvoeraangifte door de douaneautoriteiten is aanvaard, onder één van de in titel X, hoofdstuk 1, van Verordening (EEG) nr. 1214/92 vastgestelde regelingen worden geplaatst om naar een station van bestemming buiten het douanegebied van de Gemeenschap te worden vervoerd of aan een geadresseerde buiten dat douanegebied te worden geleverd, wordt geacht dat zij zijn uitgevoerd zodra zij onder de betrokken regeling worden geplaatst.

2. Wanneer het bepaalde in lid 1 van toepassing is, ziet het douanekantoor van vertrek dat de uitvoeraangifte aanvaardt, erop toe, dat op het document dat als bewijs van uitvoer wordt afgegeven, één van de vermeldingen van, al naar gelang van het geval, artikel 7, lid 4, of artikel 7, lid 5, van Verordening (EEG) nr. 3665/87 wordt aangebracht.

3. Het douanekantoor van vertrek mag slechts toestaan dat de vervoerovereenkomst zo wordt gewijzigd dat het vervoer binnen de Gemeenschap wordt beëindigd, wanneer vaststaat:

- dat, indien bij een interventiebureau een zekerheid is gesteld als garantie dat uitvoer daadwerkelijk geschiedt, deze zekerheid niet is vrijgegeven, of

- dat een nieuwe zekerheid is gesteld.

Indien echter de zekerheid is vrijgegeven ter uitvoering van lid 1 maar het produkt het douanegebied van de Gemeenschap niet binnen de voorgeschreven termijn daadwerkelijk heeft verlaten, stelt het douanekantoor van vertrek het interventiebureau dat voor de vrijgave van de zekerheid verantwoordelijk is, daarvan in kennis, waarbij zo spoedig mogelijk ook alle nodige gegevens worden verstrekt. In dergelijke gevallen wordt de zekerheid geacht ten onrechte te zijn vrijgegeven en dient een bedrag te worden teruggevorderd dat gelijk is aan de zekerheid.

Artikel 15

Vrijgave van de zekerheid geschiedt tegen overlegging van de in artikel 4 bedoelde bewijsstukken, en

- wanneer de produkten zijn bestemd om in een specifiek derde land te worden ingevoerd,

of

- wanneer de produkten zijn bestemd om uit de Gemeenschap te worden uitgevoerd, en er ernstige twijfel bestaat omtrent de werkelijke bestemming ervan,

tegen overlegging van het in de artikelen 17 en 18 van Verordening (EEG) nr. 3665/87 bedoelde bewijs.

De bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten kunnen bijkomende bewijsstukken verlangen om genoegzaam aan te tonen dat de produkten in het derde land van invoer daadwerkelijk op de markt zijn gebracht.

Wanneer ernstige twijfel bestaat omtrent de werkelijke bestemming van de produkten, kan de Commissie de Lid-Staten verzoeken de bepalingen van het onderhavige artikel toe te passen.

Artikel 16

1. Wanneer artikel 2, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 754/76 van de Raad (20) van toepassing is,

- wordt de in artikel 5, lid 1, bedoelde zekerheid verbeurd indien zij nog niet is vrijgegeven,

- wordt, indien de zekerheid reeds is vrijgegeven, een bedrag teruggevorderd, dat gelijk is aan de zekerheid.

2. Indien bij uitvoer, uit het douanegebied van de Gemeenschap, van produkten waarvoor een zekerheid als bedoeld in artikel 5, lid 1, is gesteld, de formaliteiten met het oog op de toekenning van een restitutie niet zijn vervuld, wordt geacht dat voor de toepassing van Verordening (EEG) nr. 754/76 deze formaliteiten zijn vervuld, en is lid 1 van toepassing.

3. Het bedrag van de in de leden 1 en 2 bedoelde zekerheid wordt beschouwd als verbeurd, in de zin van artikel 2 van Verordening (EEG) nr. 352/78 van de Raad (21).

4. De belanghebbende legt aan de bevoegde autoriteit een door het betrokken interventiebureau afgegeven verklaring over ten bewijze dat lid 1 in acht is genomen of dat geen zekerheid is gesteld.

Artikel 17

Wanneer een controle-exemplaar T 5 dat als bewijs moet dienen dat de produkten de voorgeschreven bestemming als bedoeld in artikel 11, lid 1, hebben gekregen, door omstandigheden buiten de wil van de belanghebbende niet binnen drie maanden na de afgifte door het in artikel 3, lid 2, bedoelde interventiebureau is ontvangen, kan de belanghebbende overeenkomstig artikel 47, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 3665/87 bij de bevoegde autoriteit een met redenen omkleed en met bewijsstukken gestaafd verzoek indienen om andere documenten als gelijkwaardig te erkennen.

TITEL IV Na verwerking uit de Gemeenschap uitgevoerde produkten

Artikel 18

Geacht wordt dat produkten voor het voorgeschreven doel zijn gebruikt en de voorgeschreven bestemming hebben gekregen, wanneer wordt vastgesteld dat aan de in de artikelen 7 en 11 vervatte eisen is voldaan.

Artikel 19

Wanneer de produkten zijn bestemd om na verwerking te worden uitgevoerd, wordt de uitvoeraangifte aanvaard door de douaneautoriteiten van de Lid-Staat waar de laatste verwerking is gebeurd.

Artikel 20

1. Wanneer de produkten zijn bestemd om in ongewijzigde staat te worden verzonden voor verwerking, gevolgd door uitvoer, wordt het controle-exemplaar T 5 afgegeven door het interventiebureau dat de produkten verkoopt, en worden de vakken 103, 104, 106 en 107 van de rubriek "Bijzondere vermeldingen" ingevuld.

In de vakken 104 en 106 worden de in de desbetreffende verordening aangegeven vermeldingen aangebracht.

In vak 106 worden eveneens aangebracht:

- het nummer van het met het interventiebureau gesloten koopcontract,

- in voorkomend geval, het nummer van het uitslagbewijs;

- en de vermelding: "Bij uitvoer onder de regeling extern communautair douanevervoer te plaatsen interventieprodukten".

In vak 107 wordt het nummer van de desbetreffende verordening ingevuld.

2. a) Wanneer de produkten, na te zijn verwerkt in de Lid-Staat waar zij uit de interventievoorraden zijn uitgeslagen, zijn bestemd om te worden verzonden voor verdere verwerking, gevolgd door uitvoer, wordt het controle-exemplaar T 5 afgegeven door de autoriteit die de controle betreffende de verwerking heeft uitgevoerd.

b) De vakken 103, 104, 106 en 107 van de rubriek "Bijzondere vermeldingen" van het controle-exemplaar T 5 worden ingevuld.

In de vakken 104 en 106 worden de in de desbetreffende verordening aangegeven vermeldingen aangebracht.

In vak 106 worden eveneens aangebracht:

- het nummer van het met het interventiebureau gesloten koopcontract en

- de vermelding: "Bij uitvoer onder de regeling extern communautair douanevervoer te plaatsen interventieprodukten".

In vak 107 wordt het nummer van de desbetreffende verordening ingevuld.

3. a) Wanneer de produkten zijn bestemd om te worden uitgevoerd na te zijn verwerkt en over het grondgebied van een of meer andere Lid-Staten moeten worden vervoerd, wordt het controle-exemplaar T 5 door het douanekantoor van vertrek afgegeven tegen overlegging van een document dat door de autoriteit die de controle betreffende de verwerking heeft uitgevoerd, wordt opgesteld. Dit document wordt door het douanekantoor van vertrek bewaard.

Dit document behoeft evenwel niet te worden overgelegd wanneer het douanekantoor van vertrek de controle betreffende de verwerking heeft uitgevoerd.

b) De vakken 103, 104, 106 en 107 en, in voorkomend geval, vak 105 van de rubriek "Bijzondere vermeldingen" van het controle-exemplaar T 5 worden ingevuld.

In de vakken 104 en 106 worden de in de desbetreffende verordening aangegeven vermeldingen aangebracht.

In vak 106 worden eveneens vermeld:

- het nummer van het met het interventiebureau gesloten verkoopcontract,

- en, in voorkomend geval, het nummer van het onder a) bedoelde document.

In vak 107 wordt het nummer van de desbetreffende verordening ingevuld.

4. Wanneer het controle-exemplaar T 5 ten bewijze dat de goederen zijn uitgevoerd, met het oog op de vrijgave van de in artikel 5 bedoelde zekerheid en de betaling van de restitutie dient te worden overgelegd, doet de bevoegde autoriteit waarbij de zekerheid is gesteld, onverwijld een voor eensluidend gewaarmerkte kopie van het controle-exemplaar T 5 rechtstreeks aan de voor de betaling van de restitutie bevoegde autoriteit toekomen.

In dat geval brengt de belanghebbende in vak 106 van het controle-exemplaar T 5 de volgende vermelding aan:

"Restitutie te betalen door . . . (volgt de opgave van de Lid-Staat en de volledige naam en het volledig adres van de voor de betaling van de restitutie bevoegde autoriteit)".

Artikel 21

1. Wanneer de produkten met het oog op verwerking naar een andere Lid-Staat zijn verzonden en de verwerkte produkten

- zijn bestemd om voor verdere verwerking naar een derde Lid-Staat of naar nog een andere Lid-Staat te worden verzonden,

of

- zijn bestemd om over het grondgebied van een derde Lid-Staat of van nog een andere Lid-Staat te worden uitgevoerd,

worden door de in artikel 20, lid 2 of lid 3, bedoelde bevoegde autoriteit een of meer controle-exemplaren T 5 afgegeven.

De controle-exemplaren T 5 worden ingevuld:

- in het in de eerste alinea, eerste streepje, bedoelde geval, overeenkomstig artikel 20, lid 2, onder b),

- in het in de eerste alinea, tweede streepje, bedoelde geval, overeenkomstig artikel 20, lid 3, onder b),

met inachtneming van de in het oorspronkelijke controle-exemplaar T 5 vermelde gegevens. Bovendien worden in vak 106 van het, respectievelijk de controle-exempla(a)r(en) T 5 het registratienummer en de datum van afgifte van het vorige document alsmede de naam van de autoriteit van afgifte vermeld.

2. In het in lid 1 bedoelde geval zendt de bevoegde autoriteit die de controle betreffende de verrichting heeft uitgevoerd, het oorspronkelijke controle-exemplaar T 5, na het van de nodige vermeldingen te hebben voorzien, onverwijld en rechtstreeks aan het in artikel 3, lid 2, bedoelde interventiebureau terug en vermeldt zij in de rubriek "Controle voor het gebruik en/of de bestemming" van het oorspronkelijke controle-exemplaar T 5 dat het produkt met het oog op verdere verwerking, verpakking, overname of uitvoer, naar een andere Lid-Staat is verzonden. Op het oorspronkelijke controle-exemplaar T 5 worden de registratienummers van de in dat verband afgegeven controle-exemplaren T 5 of een verwijzing naar die controle-exemplaren vermeld.

3. In het in artikel 4, onder a), bedoelde document worden dezelfde vermeldingen aangebracht als bedoeld in lid 2.

Artikel 22

1. Wanneer twee of meer opeenvolgende verrichtingen (zoals verwerking, verpakking, overname), behalve uitvoer, in dezelfde Lid-Staat gebeuren, kan die Lid-Staat besluiten dat deze verrichtingen als één enkele verrichting worden beschouwd. In dit geval wordt geen volgend controle-exemplaar T 5 afgegeven alvorens alle betrokken verrichtingen zijn geschied.

Het oorspronkelijk controle-exemplaar T 5 wordt naar het in artikel 3, lid 2, bedoelde interventiebureau teruggezonden nadat de controles betreffende alle betrokken verrichtingen zijn uitgevoerd. De Lid-Staten nemen de geëigende maatregelen om te waarborgen dat deze regeling behoorlijk functioneert.

2. Wanneer de Lid-Staten besluiten de in lid 1 bedoelde werkwijze niet te volgen, geeft de bevoegde autoriteit na iedere verrichting een controle-exemplaar T 5 af. De bevoegde autoriteit die de controle betreffende de verrichting heeft uitgevoerd, geeft in de rubriek "Controle van het gebruik en/of de bestemming" aan dat het produkt voor verdere verwerking, verpakking, overname of uitvoer, binnen de Lid-Staat is verzonden. Op het oorspronkelijk controle-exemplaar T 5 worden de registratienummers van de voor dat doel afgegeven controle-exemplaren T 5 of een verwijzing naar die controle-exemplaren vermeld.

3. In het in artikel 4, onder a), bedoelde document worden dezelfde vermeldingen aangebracht als bedoeld in lid 2.

Artikel 23

Artikel 10, artikel 12, leden 2, 3 en 4, artikel 13, lid 3, en de artikelen 14 tot en met 17 zijn op deze titel van toepassing.

TITEL V Slotbepalingen

Artikel 24

1. Elke Lid-Staat doet mededeling aan de Commissie van de volledige naam en het volledig adres van de in artikel 2, lid 1, bedoelde bevoegde controle-autoriteit. De Commissie deelt deze gegevens aan de andere Lid-Staten mede.

2. De Lid-Staten stellen de Commissie elk kwartaal in kennis van de gevallen waarin zij artikel 6, lid 1, hebben toegepast waarbij over de aangevoerde omstandigheden, de betrokken hoeveelheden en de getroffen maatregelen nader bijzonderheden worden vermeld.

3. De Lid-Staten doen de Commissie jaarlijks op 1 maart en op 1 september opgave van de aantallen aanvragen in het kader van artikel 10 of artikel 17, van de redenen, voor zover bekend, waarom het controle-exemplaar T 5 niet is teruggezonden, van de betrokken hoeveelheden en van de aard van de als gelijkwaardig aanvaarde documenten.

Artikel 25

1. Verordening (EEG) nr. 569/88 wordt hierbij ingetrokken. Zij blijft evenwel van toepassing voor transacties in het kader waarvan de produkten vóór of op 31 december 1992 uit de interventievoorraden zijn uitgeslagen.

De bijlage bij Verordening (EEG) nr. 569/88 blijft evenwel van toepassing voor de overgangsperiode waarin in de specifieke besluiten van de Gemeenschap nog naar die bijlage wordt verwezen. Verwijzingen naar het "enig administratief document" in de bedoelde bijlage of naar het document waaruit de communautaire oorsprong van de produkten blijkt als bedoeld in artikel 2, lid 4, van Verordening (EEG) nr. 569/88 dienen als verwijzingen naar het controle-exemplaar T 5 te worden gelezen.

2. Voor transacties als bedoeld in artikel 2, lid 3, waarbij de produkten uiterlijk op 31 december 1992 uit de interventievoorraden worden uitgeslagen en die vermoedelijk op of na 1 januari 1993 voor het voorgeschreven doel worden gebruikt en/of de voorgeschreven bestemming krijgen, wordt op de begeleidende documenten één van de volgende vermeldingen aangebracht:

- Aplicación del procedimiento establecido en el Reglamento (CEE) no 569/88

- Anvendelsesprocedure forordning (EOEF) nr. 569/88

- Anwendung des Verfahrens gemaess der Verordnung (EWG) Nr. 569/88

- Efarmogi tis diadikasias toy kanonismoy (EOK) arith. 569/88

- Application of Procedure under Regulation (EEC) No 569/88

- Application de la procédure du règlement (CEE) no 569/88

- Applicazione del procedimento secondo il regolamento (CEE) n. 569/88

- Toepassing procedure Verordening (EEG) nr. 569/88

- Aplicaçao do procedimento previsto no Regulamento (CEE) no 569/88.

Artikel 26

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Deze verordening is van toepassing voor produkten die op of na 1 januari 1993 uit de interventievoorraden worden uitgeslagen. Artikel 25, lid 2, is echter met ingang van 1 november 1992 van toepassing.

Onverminderd het bepaalde in artikel 25 worden verwijzingen naar Verordening (EEG) nr. 1687/76 van de Commissie (22) en naar Verordening (EEG) nr. 569/88 of naar bepaalde artikelen daarvan als verwijzingen naar de onderhavige verordening of naar de overeenkomstige artikelen van de onderhavige verordening aangemerkt. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Gedaan te Brussel, 16 oktober 1992. Voor de Commissie

Ray MAC SHARRY

Lid van de Commissie

(1) PB nr. 172 van 30. 9. 1966, blz. 3025/66. (2) PB nr. L 215 van 30. 7. 1992, blz. 1. (3) PB nr. L 55 van 1. 3. 1988, blz. 1. (4) PB nr. L 292 van 8. 10. 1992, blz. 11. (5) PB nr. L 270 van 23. 9. 1987, blz. 1. (6) PB nr. L 132 van 16. 5. 1992, blz. 1. (7) PB nr. L 166 van 25. 6. 1976, blz. 1. (8) PB nr. L 148 van 28. 6. 1968, blz. 13. (9) PB nr. L 148 van 28. 6. 1968, blz. 24. (10) PB nr. L 94 van 28. 4. 1970, blz. 1. (11) PB nr. L 281 van 1. 11. 1975, blz. 1. (12) PB nr. L 282 van 1. 11. 1975, blz. 1. (13) PB nr. L 118 van 20. 5. 1972, blz. 1. (14) PB nr. L 49 van 27. 2. 1986, blz. 1. (15) PB nr. L 84 van 27. 3. 1987, blz. 1. (16) PB nr. L 128 van 24. 5. 1977, blz. 1. (17) PB nr. L 205 van 3. 8. 1985, blz. 5. (18) PB nr. L 351 van 14. 12. 1987, blz. 1. (19) PB nr. L 262 van 26. 9. 1990, blz. 1. (20) PB nr. L 89 van 2. 4. 1976, blz. 1. (21) PB nr. L 50 van 22. 2. 1978, blz. 1. (22) PB nr. L 190 van 14. 7. 1976, blz. 1.

Top