EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31987L0102

Richtlijn 87/102/EEG van de Raad van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake het consumentenkrediet

OJ L 42, 12.2.1987, p. 48–53 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT)
Special edition in Finnish: Chapter 15 Volume 007 P. 202 - 207
Special edition in Swedish: Chapter 15 Volume 007 P. 202 - 207
Special edition in Czech: Chapter 15 Volume 001 P. 326 - 331
Special edition in Estonian: Chapter 15 Volume 001 P. 326 - 331
Special edition in Latvian: Chapter 15 Volume 001 P. 326 - 331
Special edition in Lithuanian: Chapter 15 Volume 001 P. 326 - 331
Special edition in Hungarian Chapter 15 Volume 001 P. 326 - 331
Special edition in Maltese: Chapter 15 Volume 001 P. 326 - 331
Special edition in Polish: Chapter 15 Volume 001 P. 326 - 331
Special edition in Slovak: Chapter 15 Volume 001 P. 326 - 331
Special edition in Slovene: Chapter 15 Volume 001 P. 326 - 331
Special edition in Bulgarian: Chapter 15 Volume 001 P. 252 - 257
Special edition in Romanian: Chapter 15 Volume 001 P. 252 - 257

No longer in force, Date of end of validity: 10/06/2010; opgeheven door 32008L0048 . Latest consolidated version: 12/05/2010

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1987/102/oj

31987L0102

Richtlijn 87/102/EEG van de Raad van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake het consumentenkrediet

Publicatieblad Nr. L 042 van 12/02/1987 blz. 0048 - 0053
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 15 Deel 7 blz. 0202
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 15 Deel 7 blz. 0202


*****

RICHTLIJN VAN DE RAAD

van 22 december 1986

betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake het consumentenkrediet

(87/102/EEG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 100,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Europese Parlement (2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),

Overwegende dat er op het gebied van het consumentenkrediet grote verschillen in wetgeving tussen de Lid-Staten bestaan;

Overwegende dat deze verschillen in wetgeving kunnen leiden tot concurrentiedistorsies tussen de kredietgevers op de gemeenschappelijke markt;

Overwegende dat deze verschillen de consument beperken in zijn mogelijkheden om in andere Lid-Staten krediet op te nemen; dat zij omvang en aard van het gewenste krediet alsmede de aankoop van goederen en diensten nadelig beïnvloeden;

Overwegende dat deze verschillen dientengevolge het vrije verkeer van goederen en diensten die door middel van krediet binnen bereik van de consument komen, en aldus de werking van de gemeenschappelijke markt, rechtstreeks beïnvloeden;

Overwegende dat, gezien de toenemende omvang van het in de Gemeenschap aan de consumenten verleende krediet, de instelling van een gemeenschappelijke markt voor consumentenkrediet zowel voor de consument en de kredietgever als voor de fabrikanten, de groothandel en de kleinhandel en de dienstenindustrie gunstig zou zijn;

Overwegende dat in de programma's van de Europese Economische Gemeenschap voor een beleid inzake bescherming en voorlichting van de consument (4) onder andere wordt bepaald dat de consument moet worden beschermd tegen oneerlijke kredietvoorwaarden en dat een harmonisatie van de algemene voorwaarden met betrekking tot het consumentenkrediet een prioritaire taak is;

Overwegende dat deze verschillen in wetgeving en praktijk tot gevolg hebben dat de consumentenbescherming op het gebied van het consumentenkrediet van Lid-Staat tot Lid-Staat verschilt;

Overwegende dat in de laatste jaren de aard van de voor consumenten beschikbare en door hen gebruikte kredieten grote wijzigingen heeft ondergaan; dat nieuwe vormen van consumentenkrediet zijn opgekomen en zich verder ontwikkelen;

Overwegende dat de consument adequate informatie moet ontvangen over de kredietvoorwaarden en -kosten en over zijn verplichtingen; dat deze informatie onder andere betrekking moet hebben op het jaarlijkse kostenpercentage voor het krediet of, bij gebreke daarvan, op het totale bedrag dat hij aan krediet moet betalen; dat, zolang geen besluit is genomen betreffende een communautaire methode of methoden voor de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage, de Lid-Staten de bestaande methoden of gebruiken voor de berekening van dit percentage moeten kunnen handhaven, of, zo dit onmogelijk is, bepalingen moeten opstellen om het totale kostenpercentage van het krediet voor de consument aan te geven;

Overwegende dat de voorwaarden van de kredietovereenkomst ongunstig kunnen zijn voor de consument en dat een betere bescherming van de consumenten kan worden bereikt door het geven van bepaalde voorschriften die voor alle kredietvormen gelden;

Overwegende dat, gezien de aard van bepaalde kredietovereenkomsten of typen transacties, deze overeenkomsten en transacties geheel of gedeeltelijk van het toepassingsgebied van deze richtlijn moeten worden uitgesloten;

Overwegende dat aan de Lid-Staten de mogelijkheid moet worden geboden om in overleg met de Commissie bepaalde vormen van krediet van niet-commerciële aard die onder speciale omstandigheden worden toegekend, van de richtlijn vrij te stellen;

Overwegende dat de in bepaalde Lid-Staten bestaande gebruiken aangaande authentieke akten die ten overstaan van een notaris of rechter zijn opgemaakt, toepassing van sommige bepalingen van deze richtlijn op zulke akten overbodig maakt; dat het de Lid-Staten derhalve mogelijk moet zijn zulke akten van de toepassing van die bepalingen vrij te stellen;

Overwegende dat kredietovereenkomsten betreffende zeer grote bedragen vaak afwijken van de gewone overeenkomsten op het gebied van het consumentenkrediet; dat de toepassing van de bepalingen van deze richtlijn op overeenkomsten betreffende zeer kleine bedragen zowel voor de consument als voor de kredietgever onnodige administratieve lasten zou meebrengen; dat daarom overeenkomsten boven of beneden welomschreven financiële grenzen van de richtlijn moeten worden uitgesloten;

Overwegende dat vermelding van de kosten van het krediet in de reclame en in de bedrijfsruimte van de kredietgever of kredietbemiddelaar de consument de vergelijking tussen de verschillende aanbiedingen kan vergemakkelijken;

Overwegende dat de bescherming van de consument voorts nog wordt vergroot, indien de kredietovereenkomsten schriftelijk worden aangegaan en bepaalde minimumgegevens met betrekking tot de contractvoorwaarden bevatten;

Overwegende dat in geval van kredietverlening voor de verwerving van goederen de Lid-Staten de voorwaarden zouden moeten vaststellen waaronder goederen mogen worden teruggenomen, met name indien de consument zijn instemming niet heeft gegeven; dat na terugneming door de kredietgever van de goederen, de afrekening tussen de partijen zo moet geschieden dat de terugneming niet leidt tot ongerechtvaardigde verrijking;

Overwegende dat aan de consument de mogelijkheid moet worden gegeven om vervroegd aan zijn verplichtingen te voldoen; dat de consument in dat geval recht moet hebben op een billijke vermindering van de totale kosten van het krediet;

Overwegende dat de overdracht van de rechten van de kredietgever uit hoofde van een kredietovereenkomst de positie van de consument niet mag verzwakken;

Overwegende dat de Lid-Staten die de consumenten toestaan om ten aanzien van kredietovereenkomsten gebruik te maken van wisselbrieven, orderbriefjes of cheques, ervoor zorg moeten dragen dat de consument daarbij op passende wijze wordt beschermd;

Overwegende dat de consument met betrekking tot goederen of diensten ten aanzien waarvan hij zich heeft verbonden deze op krediet te kopen, in de hieronder omschreven omstandigheden tenminste rechten moet hebben tegenover de kredietgever die verder gaan dan zijn normale uit de overeenkomst voortvloeiende rechten jegens de kredietgever en de leverancier van goederen of diensten; dat de bovenbedoelde omstandigheden zich voordoen wanneer er tussen de kredietgever en de leverancier van goederen of diensten een vooraf bestaande overeenkomst is op grond waarvan uitsluitend door die kredietgever aan klanten van die leverancier krediet beschikbaar wordt gesteld voor het verwerven van goederen of diensten bij die leverancier;

Overwegende dat de Ecu is omschreven in Verordening (EEG) nr. 3180/78 (1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 2626/84 (2); dat de Lid-Staten tot een bepaalde hoogte de vrijheid moeten hebben de bedragen die uit de omrekening van de in deze richtlijn in Ecu uitgedrukte bedragen resulteren, in nationale valuta af te ronden; dat de bedragen in deze richtlijn in het licht van de economische en monetaire tendensen binnen de Gemeenschap periodiek moeten worden bestudeerd en zo nodig herzien;

Overwegende dat door de Lid-Staten passende maatregelen dienen te worden vastgesteld voor het verlenen van vergunningen aan personen die kredieten of bemiddeling tot het sluiten van kredietovereenkomsten aanbieden, dan wel voor de uitoefening van controle of toezicht op de werkzaamheid van personen die kredieten toekennen of daartoe bemiddelen, dan wel om de consumenten in staat te stellen klachten in te dienen over kredietovereenkomsten of kredietvoorwaarden;

Overwegende dat kredietovereenkomsten niet ten nadele van de consument mogen afwijken van de bepalingen die ter uitvoering van deze richtlijn zijn aangenomen of die met de bepalingen daarvan stroken; dat deze bepalingen door de wijze waarop de kredietovereenkomsten worden opgesteld, niet mogen worden ontdoken;

Overwegende dat deze richtlijn voorziet in een zekere mate van onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staten op het gebied van het consumentenkrediet en in een zekere mate van consumentenbescherming, doch dat deze richtlijn de Lid-Staten niet mag beletten strengere maatregelen ter bescherming van de consument vast te stellen of aan te nemen, een en ander met inachtneming van hun verplichtingen krachtens het Verdrag;

Overwegende dat de Commissie uiterlijk op 1 januari 1995 aan de Raad verslag moet uitbrengen over de werking van deze richtlijn,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

1. Deze richtlijn is van toepassing op kredietovereenkomsten.

2. In de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder:

a) »consument": een natuurlijk persoon die ten aanzien van de onder deze richtlijn vallende transacties handelt voor doeleinden buiten zijn bedrijf of beroep;

b) »kredietgever": een natuurlijk persoon of rechtspersoon of een groep van dergelijke personen, die in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep krediet verleent;

c) »kredietovereenkomst": een overeenkomst waarbij een kredietgever aan een consument in de vorm van uitstel van betaling, van een lening of van een andere soortgelijke financieringsregeling, krediet verleent of toezegt.

Overeenkomsten voor het op continubasis verlenen van diensten of het doen van leveringen waarbij de consument het recht heeft om gedurende de periode van dienstverlening respectievelijk levering in termijnen te betalen, vormen geen kredietovereenkomsten in de zin van deze richtlijn;

d) »totale kosten van het aan de consument verleende krediet": alle kosten van het krediet, met inbegrip van de rente en andere rechtstreeks met de kredietovereenkomst verband houdende kosten, berekend overeenkomstig de voorschriften of gebruiken die in de Lid-Staten bestaan of door hen zullen worden vastgesteld;

e) »jaarlijks kostenpercentage": de totale kosten van het aan de consument verleende krediet uitgedrukt in een percentage op jaarbasis van het verleende krediet en berekend volgens de in de Lid-Staten bestaande methoden.

Artikel 2

1. Deze richtlijn is niet van toepassing op:

a) kredietovereenkomsten of krediettoezeggingen:

- die hoofdzakelijk bestemd zijn voor de verwerving of het behoud van eigendomsrechten op grond of een bestaand of nog op te trekken gebouw;

- die bestemd zijn voor de renovatie of de verbetering van een gebouw als zodanig;

b) huurovereenkomsten, behalve wanneer daarin bepaald is dat het eigendomsrecht uiteindelijk aan de huurder wordt overgedragen;

c) kredieten die verleend of ter beschikking gesteld worden zonder dat daarbij rente of andere kosten verschuldigd zijn;

d) kredietovereenkomsten waarbij geen rente in rekening wordt gebracht op voorwaarde dat de consument ermee akkoord gaat het krediet in één keer terug te betalen;

e) kredieten in de vorm van een door een krediet- of financiële instelling toegestane debetstand van een rekening-courant anders dan kredieten op kredietkaartrekeningen.

Niettemin zijn de bepalingen van artikel 6 van toepassing op zulke kredieten;

f) kredietovereenkomsten waarbij het om bedragen van minder dan 200 of meer dan 20 000 Ecu gaat;

g) kredietovereenkomsten waarbij de kredietnemer het krediet moet terugbetalen:

- hetzij binnen ten hoogste drie maanden;

- hetzij in ten hoogste vier betalingen binnen ten hoogste twaalf maanden.

2. Een Lid-Staat kan, in overleg met de Commissie, vrijstelling van toepassing van deze richtlijn verlenen voor bepaalde soorten van krediet:

- toegekend tegen een kostenpercentage dat lager is dan gebruikelijk op de markt en

- die in het algemeen niet aan het publiek worden aangeboden.

3. De bepalingen van artikel 4 en van de artikelen 6 tot en met 12 zijn niet van toepassing op kredietovereenkomsten of krediettoezeggingen die worden gedekt door een hypotheek op onroerend goed, voor zover deze niet reeds krachtens lid 1, onder a), van dit artikel van de toepassing van deze richtlijn zijn uitgesloten.

4. De Lid-Staten kunnen kredietovereenkomsten in de vorm van een voor een notaris of rechter gesloten authentieke akte van de toepassing van de bepalingen van de artikelen 6 tot en met 12 vrijstellen.

Artikel 3

Onverminderd de bepalingen van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad van 10 september 1984 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake misleidende reclame alsook de regels en beginselen inzake oneerlijke reclame (1) moet in iedere reclamemededeling, en in ieder aanbod dat in bedrijfsruimten is aangebracht, waarin iemand zich bereid verklaart krediet te verlenen of te bemiddelen bij de totstandbrenging van kredietovereenkomsten en waarin de rente of enige andere cijfers worden genoemd met betrekking tot de kosten van het krediet, door middel van een representatief voorbeeld indien andere methoden niet uitvoerbaar zijn, ook het jaarlijkse kostenpercentage worden aangegeven.

Artikel 4

1. Kredietovereenkomsten worden schriftelijk aangegaan. De consument ontvangt een exemplaar van de schriftelijke overeenkomst.

2. De schriftelijke overeenkomst bevat:

a) een opgave van het jaarlijkse kostenpercentage;

b) een opgave van de voorwaarden waaronder het jaarlijkse kostenpercentage kan worden gewijzigd.

Wanneer het niet mogelijk is het jaarlijkse kostenpercentage aan te geven, moet de consument in de schriftelijke overeenkomst behoorlijk worden voorgelicht. Deze voorlichting moet tenminste de in artikel 6, lid 1, tweede streepje, voorgeschreven gegevens bevatten.

3. De schriftelijke overeenkomst moet voorts de andere essentiële contractvoorwaarden bevatten.

Bij wijze van voorbeeld is in de bijlage van deze richtlijn een lijst opgenomen van voorwaarden die de Lid-Staten als zijnde essentieel, verplicht kunnen stellen voor de schriftelijke overeenkomst.

Artikel 5

In afwijking van artikel 3 en artikel 4, lid 2, en zolang er geen besluit is genomen over de invoering van een communautaire methode of methoden voor de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage, stellen de Lid-Staten waarin op het tijdstip van kennisgeving van deze richtlijn vermelding van het jaarlijkse kostenpercentage niet is voorgeschreven of waarin geen vaste methode voor de berekening daarvan bestaat, tenminste de vermelding verplicht van de totale kosten van het aan de consument verleende krediet.

Artikel 6

1. Niettegenstaande de uitzondering bedoeld in artikel 2, lid 1, onder e), dient de consument, bij een overeenkomst tussen een krediet- of financiële instelling en de consument inzake kredietverlening in de vorm van een debetstand van rekening-courant, niet zijnde een kredietkaartrekening, bij of vóór het sluiten van de overeenkomst in kennis te worden gesteld:

- van de eventuele kredietlimiet;

- van het jaarlijkse rentepercentage, de kosten welke bij het sluiten van de overeenkomst van toepassing zijn en de voorwaarden waaronder die kunnen worden gewijzigd;

- van de wijze waarop de overeenkomst kan worden beëindigd.

Deze informatie moet schriftelijk worden bevestigd.

2. Voorts dient de consument gedurende de looptijd van de overeenkomst in kennis te worden gesteld van iedere wijziging van het jaarlijkse rentepercentage en van de kosten, op het ogenblik waarop deze wijziging zich voordoet. Deze informatie kan worden verstrekt in een rekeningafschrift dan wel op een andere wijze die voor de Lid-Staten aanvaardbaar is.

3. In de Lid-Staten waar stilzwijgend aanvaarde debetstanden zijn toegestaan, dragen de betrokken Lid-Staten er zorg voor dat de consument wordt ingelicht over het jaarlijkse rentepercentage en de kosten, alsmede eventuele wijzigingen daarvan, indien de debetstand langer dan drie maanden voortduurt.

Artikel 7

In geval van kredietverlening voor de verwerving van goederen stellen de Lid-Staten de voorwaarden vast waaronder goederen mogen worden teruggenomen, met name indien de consument zijn instemming niet heeft gegeven. Voorts zien zij erop toe dat, indien de kredietgever de goederen terugneemt, de afrekening tussen de partijen zo geschiedt dat de terugneming niet leidt tot een ongerechtvaardigde verrijking.

Artikel 8

De consument heeft het recht vervroegd aan zijn verplichtingen uit hoofde van een kredietovereenkomst te voldoen. In dit geval heeft de consument overeenkomstig de door de Lid-Staten vastgestelde bepalingen recht op een billijke vermindering van de totale kosten van het krediet.

Artikel 9

Wanneer de rechten die een kredietgever uit hoofde van een kredietovereenkomst heeft aan een derde worden overgedragen, kan de consument jegens de derde de excepties en verweermiddelen doen gelden die hem jegens de oorspronkelijke kredietgever ter beschikking stonden, met inbegrip van het beroep op schuldvergelijking indien deze rechtsfiguur in de betrokken Lid-Staat is toegestaan.

Artikel 10

De Lid-Staten die de consument toestaan om ten aanzien van kredietovereenkomsten:

a) betalingen te doen door middel van wisselbrieven, met inbegrip van orderbriefjes;

b) zekerheden te stellen door middel van wisselbrieven, met inbegrip van orderbriefjes en cheques,

zorgen ervoor dat de consument daarbij op passende wijze wordt beschermd.

Artikel 11

1. De Lid-Staten dragen er zorg voor dat het bestaan van een kredietovereenkomst op geen enkele wijze afbreuk doet aan de rechten van de consument jegens de leverancier van goederen of diensten die door middel van een dergelijke overeenkomst zijn aangekocht, wanneer de goederen of diensten niet worden geleverd of om andere redenen niet aan de voorwaarden van de desbetreffende overeenkomst voldoen.

2. Indien:

a) de consument met het oog op de aankoop van goederen of het verkrijgen van diensten een kredietovereenkomst sluit met een andere persoon dan de leverancier; en

b) er tussen de kredietgever en de leverancier van de goederen of diensten een vooraf bestaand akkoord is op grond waarvan uitsluitend door die kredietgever aan klanten van die leverancier krediet beschikbaar wordt gesteld voor het verwerven van goederen of diensten bij die leverancier; en

c) de onder a) bedoelde consument zijn krediet verkrijgt krachtens dat vooraf bestaande akkoord; en

d) de onder de kredietovereenkomst vallende goederen of diensten niet worden geleverd of slechts gedeeltelijk worden geleverd of niet aan de voorwaarden van de leveringsovereenkomst voldoen; en

e) de consument de leverancier heeft aangesproken maar niet de genoegdoening heeft gekregen waarop hij recht heeft,

kan de consument rechten doen gelden jegens de kredietgever. De Lid-Staten bepalen in welke mate en onder welke voorwaarden die rechten kunnen worden uitgeoefend.

3. Lid 2 is niet van toepassing indien met de betrokken afzonderlijke transactie een bedrag van minder dan het equivalent van 200 Ecu gemoeid is.

Artikel 12

1. De Lid-Staten:

a) zien erop toe dat personen die kredieten of bemiddeling bij het sluiten van kredietovereenkomsten aanbieden, daartoe een overheidsvergunning behoeven, hetzij specifiek, hetzij als leverancier van goederen en diensten; of

b) zien erop toe dat een instelling of officiële instantie toezicht uitoefent op de werkzaamheid van personen die kredieten verlenen of daarbij bemiddelen; of

c) bevorderen de oprichting van instanties die kennis kunnen nemen van de klachten over kredietovereenkomsten of kredietvoorwaarden en de consumenten daaromtrent informatie of advies kunnen verstrekken.

2. De Lid-Staten kunnen bepalen dat de in lid 1, onder a), bedoelde vergunning niet vereist is wanneer de personen die aanbieden kredietovereenkomsten te sluiten of daarbij te bemiddelen voldoen aan de omschrijving in artikel 1 van de eerste richtlijn van de Raad van 12 december 1977 tot cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (1), en overeenkomstig die richtlijn een vergunning hebben ontvangen.

Indien personen die kredieten verlenen of daarbij bemiddelen zowel uit hoofde van lid 1, onder a), van dit artikel als uit hoofde van voornoemde richtlijn een specifieke vergunning hebben verkregen en laatstbedoelde vergunning vervolgens ingetrokken wordt, dient de bevoegde autoriteit die uit hoofde van lid 1, onder a), verantwoordelijk is voor het verlenen van de specifieke vergunning om krediet te verlenen, hiervan in kennis te worden gesteld en te besluiten of de betrokken personen voort mogen gaan met het verlenen van kredieten of het daarbij bemiddelen, of dat de specifieke vergunning uit hoofde van lid 1, onder a), moet worden ingetrokken.

Artikel 13

1. De Ecu in de zin van deze richtlijn is die welke in Verordening (EEG) nr. 3180/78, gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 2626/84, is vastgesteld. De tegenwaarde in de nationale munt is aanvankelijk die welke geldt op de dag waarop deze richtlijn wordt aangenomen.

De Lid-Staten kunnen de bedragen in nationale munteenheid die uit de omrekening van de bedragen in Ecu resulteren afronden, mits het verschil met het exacte bedrag niet groter is dan 10 Ecu.

2. De Raad gaat om de vijf jaar en voor het eerst in 1995 op voorstel van de Commissie over tot onderzoek naar, en in voorkomend geval, tot herziening van de in deze richtlijn genoemde bedragen, rekening houdend met de economische en monetaire ontwikkelingen in de Gemeenschap.

Artikel 14

1. De Lid-Staten dragen er zorg voor dat de kredietovereenkomsten niet, ten nadele van de consument, afwijken van de bepalingen van het nationale recht die uitvoering geven aan of overeenstemmen met deze richtlijn.

2. De Lid-Staten zien er verder op toe dat de door hen ter uitvoering van deze richtlijn vast te stellen bepalingen niet kunnen worden omzeild door een overeenkomst een bijzondere vorm te geven, met name door het kredietbedrag over verschillende overeenkomsten te verdelen.

Artikel 15

Deze richtlijn belet de Lid-Staten niet om, met inachtneming van hun verplichtingen voortvloeiend uit het Verdrag, verderreikende voorschriften ter bescherming van de consument te handhaven of aan te nemen.

Artikel 16

1. De Lid-Staten treffen de maatregelen die nodig zijn om uiterlijk op 1 januari 1990 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

2. De Lid-Staten delen de Commissie alle belangrijke bepalingen van nationaal recht mede, die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 17

Uiterlijk op 1 januari 1995 brengt de Commissie bij de Raad verslag uit over de werking van deze richtlijn.

Artikel 18

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

Gedaan te Brussel, 22 december 1986.

Voor de Raad

De Voorzitter

G. SHAW

(1) PB nr. C 80 van 27. 3. 1979, blz. 4, en

PB nr. C 183 van 10. 7. 1984, blz. 4.

(2) PB nr. C 242 van 12. 9. 1983, blz. 10.

(3) PB nr. C 113 van 7. 5. 1980, blz. 22.

(4) PB nr. C 92 van 25. 4. 1975, blz. 1, en

PB nr. C 133 van 3. 6. 1981, blz. 1.

(1) PB nr. L 379 van 30. 12. 1978, blz. 1.

(2) PB nr. L 247 van 16. 9. 1984, blz. 1.

(1) PB nr. L 250 van 19. 9. 1984, blz. 17.

(1) PB nr. L 322 van 17. 12. 1977, blz. 30.

BIJLAGE

LIJST VAN GEGEVENS BEDOELD IN ARTIKEL 4, LID 3

1. Kredietovereenkomsten die de levering van bepaalde goederen of het verrichten van bepaalde diensten betreffen:

1.2 // i) // een beschrijving van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft; // ii) // de prijs bij contante betaling en de bij de kredietovereenkomst bedongen prijs; // iii) // het bedrag van de eventuele aanbetaling, het aantal en het bedrag van de aflossingen en de data waarop zij vervallen, of de methode van vaststelling van deze gegevens wanneer deze op het tijdstip van sluiting van de overeenkomst onbekend zijn; // iv) // vermelding dat de consument, zoals bepaald in artikel 8, bij vervroegde aflossing recht heeft op vermindering; // v) // vermelding wie de eigenaar van de goederen is (indien het eigendomsrecht niet onmiddellijk wordt overgedragen aan de consument) en de voorwaarden waaronder de consument eigenaar van de goederen wordt; // vi) // een beschrijving van de eventueel verlangde zekerheden; // vii) // de eventuele bedenktijd; // viii) // een aanduiding van de eventueel verlangde verzekering(en) en vermelding van de verzekeringskosten wanneer de consument de verzekeraar niet zelf mag kiezen.

2. Kredietovereenkomsten waarbij gebruik wordt gemaakt van kredietkaarten:

1.2 // i) // de eventuele kredietlimiet; // ii) // de voorwaarden voor terugbetaling of de wijze om deze vast te stellen; // iii) // de eventuele bedenktijd.

3. Kredietovereenkomsten in de vorm van een doorlopend krediet die niet anderszins onder de richtlijn vallen:

1.2 // i) // de eventuele kredietlimiet of de methode voor de vaststelling daarvan; // ii) // de voorwaarden voor besteding en terugbetaling; // iii) // de eventuele bedenktijd.

4. Andere onder de richtlijn vallende kredietovereenkomsten:

1.2 // i) // de eventuele kredietlimiet; // ii) // de vermelding van de eventueel verlangde zekerheden; // iii) // de terugbetalingsvoorwaarden; // iv) // de eventuele bedenktijd; // v) // de vermelding dat de consument, zoals bepaald in artikel 8, bij vervroegde aflossing recht heeft op vermindering.

Top