EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31986L0635

Richtlijn 86/635/EEG van de Raad van 8 december 1986 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen

OJ L 372, 31.12.1986, p. 1–17 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT)
Special edition in Finnish: Chapter 06 Volume 002 P. 136 - 149
Special edition in Swedish: Chapter 06 Volume 002 P. 136 - 149
Special edition in Czech: Chapter 06 Volume 001 P. 157 - 173
Special edition in Estonian: Chapter 06 Volume 001 P. 157 - 173
Special edition in Latvian: Chapter 06 Volume 001 P. 157 - 173
Special edition in Lithuanian: Chapter 06 Volume 001 P. 157 - 173
Special edition in Hungarian Chapter 06 Volume 001 P. 157 - 173
Special edition in Maltese: Chapter 06 Volume 001 P. 157 - 173
Special edition in Polish: Chapter 06 Volume 001 P. 157 - 173
Special edition in Slovak: Chapter 06 Volume 001 P. 157 - 173
Special edition in Slovene: Chapter 06 Volume 001 P. 157 - 173
Special edition in Bulgarian: Chapter 06 Volume 001 P. 156 - 172
Special edition in Romanian: Chapter 06 Volume 001 P. 156 - 172
Special edition in Croatian: Chapter 06 Volume 010 P. 28 - 44

In force: This act has been changed. Current consolidated version: 05/09/2006

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1986/635/oj

31986L0635

Richtlijn 86/635/EEG van de Raad van 8 december 1986 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen

Publicatieblad Nr. L 372 van 31/12/1986 blz. 0001 - 0017
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 6 Deel 2 blz. 0136
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 6 Deel 2 blz. 0136


RAAD - RICHTLIJN VAN DE RAAD van 8 december 1986 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen - (86/635/EEG)

II

(Besluiten waarvan de publikatie niet voorwaarde is voor de toepassing)

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 54, lid 3, onder g),

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

(1) PB nr. C 130 van 1.6.1981, blz. 1, PB nr. C 83 van 24.3.1984, blz. 6, en PB nr. C 83 van 24.3,1984, blz. 6, en PB nr. C 351 van 31.12.1985, blz 24.

Gezien het advies van het Europese Parlement (2),

(2) PB nr. C 242 van 12.9.1983, blz. 33, en PB nr. C 163 van 10,7.1978, blz. 60.

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),

(3) PB nr. C 112 van 3.5.1982, blz. 60.

Overwegende dat Richtlijn 78/660/EEG van de Raad van 25 juli 1978 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g), van het Verdrag betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (4), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 84/569/EEG (5), in afwachting van een latere cooerdinatie niet verplicht van toepassing is op banken en andere financiële instellingen, hierna "kredietinstellingen" te noemen; dat deze cooerdinatie, gelet op het feit dat deze instellingen binnen de Gemeenschap van zeer grote betekenis zijn, noodzakelijk is;

(4) PB nr. L 222 van 14.8.1978, blz. 11.

(5) PB nr. L 314 van 4.12.1984, blz. 28.

Overwegende dat Richtlijn 83/349/EEG van de Raad van 13 juni 1983 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g), van het Verdrag betreffende de geconsolideerde jaarrekening (6) voor kredietinstellingen bepaalde uitzonderingen kent die slechts gelden tot het verstrijken van de termijnen voor de toepassing van de onderhavige richtlijn; dat hieruit voortvloeit dat de onderhavige richtlijn tevens ten aanzien van de geconsolideerde jaarrekening bepalingen moet bevatten die speciaal gelden voor kredietinstellingen;

(6) PB nr. L 193 van 18.7.1983, blz. 1.

Overwegende dat het spoedeisende karakter van de cooerdinatie evenwel mede samenhangt met het feit dat steeds meer kredietinstellingen hun bedrijf ook over de grenzen heen uitoefenen; dat bijgevolg een betere vergelijkbaarheid van de jaarrekeningen en van de geconsolideerde jaarrekeningen van deze instellingen zowel voor crediteuren, debiteuren en aandeelhouders, als voor het publiek in het algemeen, van wezenlijk belang is;

Overwegende dat in vrijwel alle Lid-Staten van de Gemeenschap tal van rechtsvormen voorkomen bij de kredietinstellingen in de zin van Richtlijn 77/780/EEG van de Raad van 12 december 1977 tot cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (7), die elkaar in de kredietsector beconcurreren; dat het derhalve dienstig lijkt de cooerdinatie van deze kredietinstellingen niet te beperken tot de door Richtlijn 78/660/EEG genoemde rechtsvormen, maar om juist een toepassingsgebied vast te stellen dat alle in artikel 58, tweede alinea, van het Verdrag bedoelde vennootschappen omvat;

(7) PB nr. L 322 van 17.12.1977, blz. 30.

Overwegende dat het toepassingsgebied van de onderhavige richtlijn ten aanzien van financiële instellingen evenwel dient te worden beperkt tot die instellingen die een van de in Richtlijn 78/660/EEG genoemde rechtsvormen hebben; dat deze financiële instellingen die niet onder die richtlijn vallen, automatisch onder de onderhavige richtlijn moeten vallen;

Overwegende dat het aanknopen bij de cooerdinatie op het gebied van de kredietinstellingen noodzakelijk is, omdat sommige bepalingen betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening een weerslag zullen hebben op andere bij die cooerdinatie betrokken gebieden, zoals de toelatingsvoorwaarden en de ten behoeve van het toezicht opgestelde indicatoren;

Overwegende dat ook al leek het dienstig, gezien de bijzondere facetten van de kredietinstellingen, een afzonderlijke richtlijn betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van deze instellingen vast te stellen, zulks nog niet betekent dat deze nieuwe regelgeving daarmee haar verband met de bepalingen van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG verliest; dat zulks immers niet doelmatig is, noch in overeenstemming zou zijn met de grondbeginselen van de cooerdinatie van het vennootschapsrecht, omdat kredietinstellingen juist wegens het feit dat zij in de economie van de Gemeenschap een belangrijke rol spelen, niet buiten een voor alle ondernemingen ontworpen regeling mogen blijven; dat voor de kredietinstellingen derhalve alleen de voor die sector specifieke kenmerken in aanmerking zijn genomen, in die zin dat de onderhavige richtlijn slechts voorschriften bevat die afwijken van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG;

Overwegende dat de indeling en de inhoud van de balans van kredietinstellingen van Lid-Staat tot Lid-Staat verschillen; dat de onderhavige richtlijn bijgevolg voor de balansposten in dezelfde indeling, dezelfde omschrijvingen en dezelfde terminologie moet voorzien voor alle kredietinstellingen in de Gemeenschap; dat afwijkingen moeten kunnen worden toegestaan in verband met de rechtsvorm van een instelling of het bijzondere karakter van haar activiteiten;

Overwegende dat vergelijkbaarheid van jaarrekeningen en van de geconsolideerde jaarrekeningen vereist dat enkele fundamentele vraagstukken worden geregeld die verband houden met het opnemen in de balans en het buiten de balanstelling laten van diverse transacties;

Overwegende dat ter wille van een betere vergelijkbaarheid bovendien de inhoud van de onderscheiden posten op de balans en buiten de balanstelling nauwkeurig dient te worden vastgesteld;

Overwegende dat zulks ook geldt voor de indeling en de afbakening van de posten van de winst- en verliesrekening;

Overwegende dat de vergelijkbaarheid van de cijfers in de balans en in de winst- en verliesrekening voorts hoofdzakelijk afhangt van de waarde die aan de in balans opgenomen activa en passiva wordt toegekend;

Overwegende dat, gezien de bijzondere risico¢s die inherent zijn aan banktransacties en de noodzaak het vertrouwen te beschermen, moet worden voorzien in de mogelijkheid om onder de passiva van de balans een post op te nemen genaamd "Fonds voor algemene bankrisico¢s"; dat het om die redenen ook wenselijk leek om de Lid-Staten de mogelijkheid te bieden om kredietinstellingen, tot een latere cooerdinatie, een zekere beoordelingsmarge te laten, met name inzake de waardering van vorderingen en van bepaalde effecten; dat het in dat geval evenwel van belang is dat de Lid-Staten deze instellingen toestaan om dit "Fonds voor algemene bankrisico¢s" in te voeren; dat het voorts wenselijk werd geacht de Lid-Staten te machtigen om de kredietinstellingen de mogelijkheid te bieden om in de winst- en verliesrekening tot compensatie over te gaan;

Overwegende dat tevens bepaalde wijzigingen in de toelichting moeten worden aangebracht, waarbij met de bijzondere aard van kredietinstellingen tekening wordt gehouden;

Overwegende dat, ten einde een zo groot mogelijk aantal kredietinstellingen op gelijke voet te kunnen behandelen, zoals in Richtlijn 77/780/EEG is geschied, hier niet de in Richtlijn 78/660/EEG opgenomen versoepelingen zijn overgenomen ten behoeve van kleine en middelgrote kredietinstellingen; dat, mocht de ervaring uitwijzen dat daaraan wel behoefte bestaat, dergelijke versoepelingen bij een latere cooerdinatie alsnog kunnen worden opgenomen; dat om dezelfde redenen, de aan de Lid-Staten in Richtlijn 83/349/EEG geboden mogelijkheid om moederondernemingen te ontheffen van de consolidatieverplichting indien het geheel van ondernemingen dat in de consolidatie moet worden opgenomen een bepaalde omvang niet overschrijdt, hier voor de kredietinstellingen niet is overgenomen;

Overwegende dat het voor de toepassing van de bepalingen betreffende de geconsolideerde jaarrekening op kredietinstellingen nodig is dat bepaalde regels die voor alle industriële en commerciële vennootschappen gelden, worden aangepast; dat voor gemengde groepen uitdrukkelijke regels werden vastgesteld en voor de vrijstelling van subconsolidatie aanvullende voorwaarden kunnen worden gesteld;

Overwegende dat het van belang is dat de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van een kredietinstelling waarvan het hoofdkantoor in een Lid-Staat is gevestigd - gelet op de omvang van de over de grenzen reikende banknetwerken die nog altijd toeneemt - in alle Lid-Staten waar deze instelling over een vestiging beschikt, openbaar worden gemaakt;

Overwegende dat de behandeling van de vraagstukken die zich op het terrein van deze richtlijn voordoen en in het bijzonder die, welke de toepassing van de onderhavige richtlijn betreffen, meebrengt dat de vertegenwoordigers van de Lid-Staten en die van de Commissie in een contactcomité met elkaar samenwerken; dat het, ten einde de toeneming van het aantal van dergelijke comités te vermijden, wenselijk is bedoelde samenwerking in het in Richtlijn 78/660/EEG, artikel 52, bedoelde contactcomité tot stand te brengen; dat wanneer evenwel met kredietinstellingen verband houdende vraagstukken worden behandeld, aan het contactcomité een daarop afgestemde samenstelling dient te worden gegeven;

Overwegende dat de ingewikkeldheid van deze materie ertoe noopt de kredietinstellingen waarvoor deze richtlijn geldt, een langere termijn dan gebruikelijk te gunnen om aan de richtlijn te voldoen;

Overwegende dat het dienstig is te bepalen dat een aantal bepalingen van deze richtlijn na een proefperiode van vijf jaar opnieuw worden bezien in het licht van de nagestreefde sterkere mate van doorzichtigheid en harmonisatie,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

AFDELING 1

INLEIDENDE BEPALINGEN EN TOEPASSINGSGEBIED

Artikel 1

1. De artikelen 2 en 3, artikel 4, leden 1, 3, 4 en 5, de artikelen 6, 7, 13 en 14, artikel 15, leden 3 en 4, de artikelen 16 tot en met 21, 29 tot en met 35, 37 tot en met 41, artikel 42, eerste zin, artikel 45, lid 1, de artikelen 46, 48, 49 en 50, artikel 51, lid 1, en de artikelen 54, 56 tot en met 59 en 61 van Richtlijn 78/660/EEG zijn, tenzij in de onderhavige richtlijn anders is bepaald, van toepassing op de in artikel 2 bedoelde instellingen.

2. Wanneer in Richtlijn 78/660/EEG en Richtlijn 83/349/EEG wordt verwezen naar de artikelen 9 en 10 (balans) of de artikelen 23 tot en met 26 (winst- en verliesrekening) van Richtlijn 78/660/EEG, dienen deze verwijzingen te worden aangemerkt als verwijzingen naar artikel 4 (balans), respectievelijk naar de artikelen 27 en 28 (winst- en verliesrekening) van de onderhavige richtlijn.

3. Verwijzingen in de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG naar de artikelen 31 tot en met 42 van Richtlijn 78/660/EEG dienen te worden aangemerkt als verwijzingen naar deze artikelen met inachtneming van de artikelen 35 tot en met 39 van de onderhavige richtlijn.

4. Wanneer de in dit artikel vermelde bepalingen van Richtlijn 78/660/EEG balansposten betreffen waarvoor in de onderhavige richtlijn geen equivalent voorkomt, dienen deze bepalingen te worden aangemerkt als betrekking hebbende op de posten van artikel 4 van de onderhavige richtlijn waarin de overeenkomstige vermogensbestanddelen voorkomen.

Artikel 2

1. De in de onderhavige richtlijn voorgeschreven cooerdinatiemaatregelen zijn van toepassing op:

a) kredietinstellingen in de zin van artikel 1, eerste streepje, van Richtlijn 77/780/EEG, die vennootschappen zijn in de zin van artikel 58, tweede alinea, van het Verdrag;

b) financiële instellingen met een van de in artikel 1, lid 1, van Richtlijn 78/660/EEG genoemde rechtsvormen die op grond van lid 2 van dat artikel niet aan die richtlijn onderworpen zijn.

In de onderhavige richtlijn omvat het begrip kredietinstelling mede financiële instellingen, tenzij uit de context het tegendeel blijkt.

2. De Lid-Staten behoeven de bepalingen van deze richtlijn niet toe te passen op:

a) de in artikel 2, lid 2, van Richtlijn 77/780/EEG genoemde kredietinstellingen;

b) de instellingen in een zelfde Lid-Staat die, op de wijze bepaald in artikel 2, lid 4, onder a) van Richtlijn 77/780/EEG, zijn aangesloten bij een centraal orgaan in die Lid-Staat. In dat geval moet, onverminderd de toepassing van de onderhavige richtlijn op het centrale orgaan, het geheel van dit orgaan en de daarbij aangesloten instellingen worden opgenomen in een geconsolideerde jaarrekening met jaarverslag, die moet worden opgemaakt, gecontroleerd en bekendgemaakt overeenkomstig de onderhavige richtlijn;

c) de volgende kredietinstellingen:

- in Griekenland: de ETEBA-instellingen (Nationale investeringsbank voor industriële ontwikkeling) en Trapeza Ependyseon (Investeringsbank);

- in Ierland: de "Industrial and Provident Societies";

- in het Verenigd Koninkrijk: de "Friendly Societies" en de "Industrial and Provident Societies".

3. Onverminderd de toepassing van artikel 2, lid 3, van Richtlijn 78/660/EEG kunnen de Lid-Staten tot een latere cooerdinatie:

a) voor kredietinstellingen in de zin van artikel 2, lid 1, onder a), van de onderhavige richtlijn die niet een van de in artikel 1, lid 1, van Richtlijn 78/660/EEG genoemde rechtsvormen hebben, regels voorschrijven die van de onderhavige richtlijn afwijken, voor zover afwijkende regels wegens de rechtsvorm van die instellingen noodzakelijk zijn;

b) voor gespecialiseerde kredietinstellingen regels voorschrijven die van de onderhavige richtlijn afwijken, voor zover die regels gezien de bijzondere aard van hun bedrijf noodzakelijk zijn.

Deze afwijkingen mogen alleen betrekking hebben op de indeling, de omschrijving, de terminologie en de inhoud van de posten van de balans en van de winst- en verliesrekening; zij mogen niet tot gevolg hebben dat de betrokken instellingen in hun jaarrekening minder informatie verstrekken dan de andere instellingen waarop deze richtlijn van toepassing is.

De Lid-Staten delen de Commissie binnen een termijn van zes maanden na het verstrijken van de in artikel 47, lid 2, bedoelde termijn, in voorkomend geval per groep, mede welke kredietinstellingen onder deze regeling vallen. Zij delen haar mee in welke afwijkingen is voorzien.

Deze afwijkingen zullen uiterlijk tien jaar na de kennisgeving van de onderhavige richtlijn opnieuw worden onderzocht. De Commissie zal in voorkomend geval passende voorstellen indienen. Voorts zal zij uiterlijk vijf jaar na kennisgeving van deze richtlijn een tussentijds verslag voorleggen.

AFDELING 2

ALGEMENE BEPALINGEN MET BETREKKING TOT DE BALANS EN DE WINST- EN VERLIESREKENING

Artikel 3

Bij kredietinstellingen mag samenvoeging van posten onder de in artikel 4, lid 3, onder a) en b), van Richtlijn 78/660/EEG genoemde voorwaarden slechts geschieden bij de van een kleine letter voorziene subposten van de balans en van de winst- en verliesrekening, hetgeen slechts binnen het kader van de door de Lid-Staten daartoe vastgestelde reglementering mag worden toegestaan.

AFDELING 3

INDELING VAN DE BALANS

Artikel 4

Voor de opstelling van de balans schrijven de Lid-Staten het volgende schema voor:

Activa

1. Kas, tegoeden bij centrale banken en bij postcheque- en girodiensten.

2. Overheidspapier en ander papier dat bij de centrale bank ter herfinanciering kan worden aangeboden:

a) overheidspapier en daarmee gelijkgesteld waardepapier;

b) ander papier dat bij de centrale bank ter herfinanciering kan worden aangeboden (tenzij dit papier overeenkomstig de nationale wetgeving onder de actiefposten 3 en 4 wordt opgenomen).

3. Vorderingen op kredietinstellingen:

a) onmiddellijk opeisbaar;

b) overige vorderingen.

4. Vorderingen op cliënten.

5. Obligaties en andere vastrentende waardepapieren:

a) van publiekrechtelijke emittenten;

b) van andere emittenten;

waaronder: eigen obligaties (tenzij eigen obligaties overeenkomstig het nationale recht in mindering worden gebracht op de passiva).

6. Aandelen en andere niet-vastrentende waardepapieren.

7. Deelnemingen, met afzonderlijke vermelding van:

deelnemingen in kredietinstellingen (tenzij deze overeenkomstig de nationale wetgeving in de toelichting moeten worden vermeld).

8. Aandelen in verbonden ondernemingen, met afzonderlijke vermelding van:

aandelen in kredietinstellingen (tenzij deze overeenkomstig de nationale wetgeving in de toelichting moeten worden vermeld).

9. Immateriële activa, bedoeld in artikel 9 van Richtlijn 78/660/EEG, onder B en C I, met afzonderlijke vermelding van:

- kosten van oprichting en uitbreiding, als omschreven in de nationale wetgeving, voor zover deze toestaat dat zij onder de activa worden opgenomen (tenzij deze overeenkomstig de nationale wetgeving in de toelichting moeten worden vermeld),

- goodwill, voor zover deze onder bezwarende titel is verkregen (tenzij deze overeenkomstig de nationale wetgeving in de toelichting moet worden vermeld).

10. Materiële activa, bedoeld in artikel 9 van Richtlijn 78/660/EEG, onder C II, met afzonderlijke vermelding van:

terreinen en gebouwen die door de kredietinstelling voor haar eigen activiteit worden gebruikt (tenzij deze overeenkomstig de nationale wetgeving in de toelichting moeten worden vermeld).

11. Geplaatst, niet gestort kapitaal, met afzonderlijke vermelding van:

opgevraagd (tenzij het opgevraagde kapitaal overeenkomstig de nationale wetgeving aan de passiefzijde wordt opgenomen. In dat geval wordt het opgevraagde, maar nog niet gestorte gedeelte van het kapitaal hetzij onder deze actiefpost, hetzij onder actiefpost 14 opgenomen).

12. Eigen aandelen (met vermelding van hun nominale waarde of, bij gebreke hiervan, hun fractiewaarde voor zover de nationale wetgeving toestaat dat zij op de balans worden opgenomen).

13. Overige activa.

14. Geplaatst, opgevraagd, doch niet gestort kapitaal (tenzij het opgevraagde kapitaal overeenkomstig de nationale wetgeving onder actiefpost 11 moet worden opgenomen).

15. Overlopende posten.

16. Verlies over het boekjaar (tenzij het verlies over het boekjaar overeenkomstig de nationale wetgeving onder passiefpost 14 moet worden opgenomen).

Totaal activa.

Passiva

1. Schulden aan kredietinstellingen:

a) onmiddellijk opeisbaar;

b) op termijn of met opzegging.

2. Schulden aan cliënten:

a) spaargelden/spaardeposito¢s, met afzonderlijke vermelding van:

onmiddellijk opeisbaar en op termijn of met opzegging voor zover de nationale wetgeving in een dergelijke uitsplitsing voorziet (tenzij zulks volgens de nationale wetgeving in de toelichting moet worden vermeld);

b) andere schulden:

ba) onmiddellijk opeisbaar;

bb) op termijn of met opzegging.

3. In schuldbewijzen belichaamde schulden:

a) obligaties en andere vastrente waardepapieren in omloop;

b) overige schuldbewijzen.

4. Overige schulden.

5. Overlopende posten.

6. Voorzieningen voor risico¢s en verplichtingen:

a) pensioen- en soortgelijke verplichtingen;

b) voorzieningen voor belastingen;

c) overige voorzieningen.

7. Winst over het boekjaar (tenzij deze winst overeenkomstig de nationale wetgeving onder passiefpost 14 moet worden opgenomen).

8. Achtergestelde schulden.

9. Geplaatst kapitaal (tenzij overeenkomstig de nationale wetgeving het opgevraagde kapitaal onder deze post moet worden opgenomen. In dat geval moeten de bedragen van het geplaatste kapitaal en van het gestorte kapitaal afzonderlijk worden vermeld).

10 Agio.

11. Reserves.

12. Herwaarderingsreserve.

13. Overgedragen resultaten.

14. Resultaat over het boekjaar (tenzij deze post overeenkomstig de nationale wetgeving onder actiefpost 16 of onder passiefpost 7 moet worden opgenomen).

Totaal passiva.

Posten buiten de balanstelling

1. Voorwaardelijke/Eventuele schulden, met afzonderlijke vermelding van:

- accepten en verplichtingen uit endossering van geherdisconteerde wissels;

- borgstellingen en tot zekerheid strekkende activa.

2. Verplichtingen, met afzonderlijke vermelding van:

verplichtingen uit cessie en retrocessie.

Artikel 5

Als subposten van de bedoelde posten moeten afzonderlijk worden opgenomen:

- de tot de actiefposten 2 tot en met 5 behorende, al dan niet in een waardepapier belichaamde vorderingen op verbonden ondernemingen,

- de tot de actiefposten 2 tot en met 5 behorende, al dan niet in een waardepapier belichaamde vorderingen op ondernemingen waarmede een deelnemingsverhouding bestaat,

- de tot de passiefposten 1, 2, 3 en 8 behorende, al dan niet in schuldbewijzen belichaamde schulden aan verbonden ondernemingen,

- de tot de passiefposten 1, 2, 3 en 8 behorende, al dan niet in schuldbewijzen belichaamde schulden aan ondernemingen waarmede een deelnemingsverhouding bestaat.

Artikel 6

1. De achtergestelde activa worden afzonderlijk opgenomen als subposten van de posten van de indeling en van de subposten op grond van artikel 5.

2. Achtergesteld zijn de al dan niet in een waardepapier belichaamde activa waaraan rechten verbonden zijn die bij vereffening of faillissement pas na die van de andere crediteuren mogen worden uitgeoefend.

Artikel 7

De Lid-Staten kunnen toestaan dat de in de artikelen 5 en 6 bedoelde gegevens, naar behoren uitgesplitst over de onderscheiden posten in de toelichting worden opgenomen.

Artikel 8

1. Activa welke door de kredietinstelling tot zekerheid voor eigen verplichtingen of tot zekerheid voor die van derden zijn verpand of anderszins tot zekerheid aan derden zijn verstrekt, worden onder de desbetreffende balansposten opgenomen.

2. Activa die aan de kredietinstelling zijn verpand of die haar anderszins tot zekerheid zijn verstrekt, worden slechts in de balans opgenomen, indien het deposito¢s in contanten bij die kredietinstelling zelf betreft.

Artikel 9

1. Bij leningen die door een verscheidene kredietinstellingen omvattend consortium of syndicaat worden verstrekt, dient elke der betrokken kredietinstellingen slechts haar eigen aandeel in de totale financiering te vermelden.

2. Indien bij een lening die door een consortium of syndicaat als bedoeld in lid 1 wordt verstrekt, het bedrag van het door een kredietinstelling gegarandeerde aandeel daarin hoger is dan de op deze lening verstrekte voorschotten, is de kredietinstelling verplicht het eventuele garantiecomplement als voorwaardelijke/eventuele schuld buiten de balanstelling (onder post 1, tweede streepje) op te nemen.

Artikel 10

1. Middelen welke door een kredietinstelling op eigen naam, doch voor rekening van een ander worden beheerd, moeten in de balans worden opgenomen, indien de kredietinstelling rechthebbende van de desbetreffende activa is. Het totale bedrag van bedoelde activa en schulden moet afzonderlijk worden vermeld dan wel in de toelichting worden opgenomen, uitgesplitst volgens de verschillende actief- of passiefposten. De Lid-Staten kunnen evenwel toestaan dat deze middelen buiten de balanstelling worden opgenomen, op voorwaarde dat er een bijzondere regeling bestaat om deze middelen van de boedel uit de sluiten en in geval van gerechtelijke vereffening van de kredietinstelling (of soortgelijke procedures).

2. Op naam en voor rekening van derden verworven activa worden niet in de balans opgenomen.

Artikel 11

Als onmiddellijk opeisbaar worden slechts bedragen aangemerkt welke te allen tijde zonder opzegging kunnen worden opgevraagd of waarvoor een looptijd of opzeggingstermijn van ten hoogste 24 uur of één werkdag is overeengekomen.

Artikel 12

1. Onder cessie en retrocessie wordt verstaan: transacties waarbij een kredietinstelling of een cliënt (cedent) activa in zijn bezit, bij voorbeeld wissels, vorderingen of effecten, aan een andere kredietinstelling of cliënt (cessionaris) overdraagt en waarbij wordt overeengekomen dat die activa door de cedent op een later tijdstip voor een bepaalde prijs worden teruggekocht.

2. Indien de cessionaris zich verbindt tot teruglevering van de activa op een tijdstip dat door de cedent wordt vastgesteld, betreft het een op een vaste verkoop- en inkoopovereenkomst stoelende cessie en retrocessie.

3. Indien de cessionaris de optie heeft maar niet verplicht is de activa op een toekomstig tijdstip tegen een vooraf overeengekomen prijs weer over te dragen, betreft het een op een vaste verkoopovereenkomst en een inkoopoptie stoelende cessie en retrocessie.

4. Bij de in lid 2 bedoelde transacties dienen de overgedragen activa in de balans van de cedent opgenomen te blijven; de door de cedent geïnde prijs wordt als schuld aan de cessionaris opgenomen. Het bedrag aan overgedragen activa moet door de cedent in een toelichting op zijn jaarrekening worden vermeld. De cessionaris mag de overgedragen activa niet in de balans opnemen; de door de cessionaris betaalde aankoopprijs moet worden opgenomen als een vordering op de cedent.

5. Bij de in lid 3 bedoelde cessie en retrocessie is het de cedent niet toegestaan de overgedragen activa in zijn balans op te nemen; deze worden onder de activa van de cessionaris opgenomen. De cedent moet buiten de balanstelling onder post 2 een bedrag vermelden dat gelijk is aan de voor inkoop overeengekomen prijs.

6. Deviezentermijntransacties, termijntransacties ter beurze, alsmede emissietransacties waarbij de emittent zich ertoe verbindt alle obligaties of een gedeelte ervan terug te kopen voordat de looptijd ervan is verstreken en andere dergelijke transacties, vormen geen cessie en retrocessie in de zin van dit artikel.

AFDELING 4

VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE BEPAALDE BALANSPOSTEN

Artikel 13

Activa: post 1 - Kas, tegoeden bij centrale banken en bij postcheque- en girodiensten

1. De kas omvat wettige betaalmiddelen met inbegrip van in vreemde valuta luidende bankbiljetten en munten.

2. Onder deze post mogen uitsluitend de tegoeden worden vermeld welke worden gehouden bij de centrale bank en de postcheque- en girodiensten van het land of de landen waar de kredietinstelling is gevestigd. Over deze tegoeden moet te allen tijde kunnen worden beschikt. De overige vorderingen op bedoelde instellingen worden als vorderingen op kredietinstellingen (actiefpost 3) of als vorderingen op cliënten (actiefpost 4) opgenomen.

Artikel 14

Activa: post 2 - Overheidspapier en ander papier dat ter herfinanciering bij de centrale bank kan worden aangeboden

1. Deze post omvat onder a), overheidspapier en daarmee gelijkgesteld papier: schatkistpromessen, schatkistpapier en soortgelijke schuldbewijzen van publiekrechtelijke lichamen, voor zover deze ter herfinanciering kunnen worden aangeboden bij de centrale bank van het land of de landen waar de kredietinstelling is gevestigd. Schuldbewijzen van publiekrechtelijke lichamen die niet aan genoemde voorwaarden voldoen, worden onder actief-subpost 5 a) opgenomen.

2. Deze post omvat onder b), papier dat ter herfinanciering bij de centrale bank kan worden aangeboden: alle wissels in portefeuille die zijn gekocht van een kredietinstelling of een cliënt, voor zover zij op grond van de nationale wetgeving ter herfinanciering kunnen worden aangeboden bij de centrale bank van het land of de landen waar de kredietinstelling is gevestigd.

Artikel 15

Activa: post - Vorderingen op kredietinstellingen

1. Onder vorderingen op kredietinstellingen worden verstaan alle met de bedrijfsuitoefening van banken samenhangende vorderingen van de kredietinstelling die de jaarrekening opstelt, op binnen- en buitenlandse kredietinstellingen, ongeacht de benaming welke daarvoor in een gegeven geval wordt gebruikt.

Daarvan zijn slechts uitgezonderd de in obligaties of andere effecten belichaamde vorderingen die onder actiefpost 5 worden opgenomen.

2. In dit artikel worden onder kredietinstellingen alle ondernemingen verstaan die in de overeenkomstig artikel 3, lid 7, van Richtlijn 77/780/EEG in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen gepubliceerde lijst zijn opgenomen, evenals centrale banken en officiële nationale en internationale instellingen met een bankkarakter, alsmede particuliere of overheidsondernemingen die niet in de Gemeenschap zijn gevestigd en die aan de begripsomschrijving van artikel 1 van Richtlijn 77/780/EEG voldoen.

Vorderingen op ondernemingen die niet aan deze voorwaarden voldoen, worden onder actiefpost 4 opgenomen.

Artikel 16

Activa: post 4 - Vorderingen op cliënten

Onder vorderingen op cliënten worden verstaan alle tot de activa behorende vermogensbestanddelen die bestaan uit vorderingen op binnen- en buitenlandse cliënten, niet zijnde kredietinstellingen, ongeacht de benaming welke daarvoor in een gegeven geval wordt gebruikt.

Daarvan zijn slechts uitgezonderd de in obligaties of andere waardepapieren belichaamde vorderingen op cliënten die onder actiefpost 5 worden opgenomen.

Artikel 17

Activa: post 5 - Obligaties en andere vastrentende waardepapieren

1. Deze post omvat door kredietinstellingen, andere ondernemingen of publiekrechtelijke lichamen geëmitteerde, vastrentende, verhandelbare obligaties en andere vastrentende waardepapieren; door publiekrechtelijke lichamen geëmitteerde obligaties en andere vastrentende waardepapieren worden slechts onder deze post opgenomen, voor zover deze niet onder actiefpost 2 behoren te worden opgenomen.

2. Met obligaties en andere vastrentende waardepapieren worden gelijkgesteld waardepapieren met een variabele rentevoet die gekoppeld is aan een bepaalde parameter, zoals het Interbank-rentetarief of de Euro- deviezenmarktrente.

3. Onder subpost 5 b) mogen slechts de eigen obligaties worden opgenomen welke zijn teruggekocht en nog verhandelbaar zijn.

Artikel 18

Passiva: post 1 - Schulden aan kredietinstellingen

1. Onder schulden aan kredietinstellingen worden verstaan alle met de bedrijfsuitoefening van banken samenhangende schulden van de kredietinstelling die de jaarrekening opstelt, aan binnen- en buitenlandse kredietinstellingen, ongeacht de benaming welke daarvoor in een gegeven geval wordt gebruikt.

Daarvan zijn slechts uitgezonderd de in obligaties of andere schuldbewijzen belichaamde schulden die onder passiefpost 3 worden opgenomen.

2. In de zin van dit artikel worden onder kredietinstellingen alle ondernemingen verstaan die in de overeenkomstig artikel 3, lid 7, van Richtlijn 77/780/EEG in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen gepubliceerde lijst zijn opgenomen, evenals de centrale banken en officiële nationale en internationale instellingen met een bankkarakter, alsmede particuliere en overheidsondernemingen, die niet in de Gemeenschap zijn gevestigd en die aan de begripsomschrijving van artikel 1 van Richtlijn 77/780/EEG voldoen.

Artikel 19

Passiva: post 2 - Schulden aan cliënten

1. Deze post omvat de bedragen welke verschuldigd zijn aan crediteuren die geen kredietinstelling zijn in de zin van artikel 18, ongeacht de daarvoor in een gegeven geval gebruikte benaming.

Daarvan zijn slechts uitgezonderd de in obligaties of andere schuldbewijzen belichaamde schulden die onder passiefpost 3 worden opgenomen.

2. Onder spaargelden/spaardeposito¢s worden uitsluitend gelden/deposito¢s begrepen die aan de daaraan in de nationale wetgeving gestelde eisen voldoen.

3. Spaarbrieven worden slechts in de overeenkomstige subpost opgenomen indien zij niet zijn belichaamd in een overdraagbaar schuldbewijs.

Artikel 20

Passiva: post 3 - In schuldbewijzen belichaamde schulden

1. Deze post omvat zowel obligaties als in overdraagbare schuldbewijzen belichaamde schulden, met name depositocertificaten, kasbons, evenals eigen accepten en promessen aan order die in omloop zijn.

2. Onder eigen accept word uitsluitend een accept begrepen dat door de kredietinstelling voor haar eigen herfinanciering is uitgegeven en waarbij zij de eerste debiteur ("betrokkene") is.

Artikel 21

Passiva: post 8 - Achtergestelde schulden

Indien bij overeenkomst de rechten, welke aan al dan niet in schuldbewijzen belichaamde schulden zijn verbonden, bij vereffening of faillissement eerst na die van de overige crediteuren mogen worden uitgeoefend, worden deze schulden onder passiefpost 8 opgenomen.

Artikel 22

Passiva: post 9 - Geplaatst kapitaal

Deze post omvat, ongeacht de benaming die daarvoor in een gegeven geval wordt gebruikt, alle bedragen welke overeenkomstig de rechtsvorm van de betrokken kredietinstelling en overeenkomstig de nationale wetgeving als bij aandeelhouders of andere inbrengers geplaatste aandelen in het eigen vermogen van de kredietinstelling dienen te worden aangemerkt.

Artikel 23

Passiva: post 11 - Reserves

Deze post omvat alle in Richtlijn 78/660/EEG, artikel 9, Passiva, onder A IV, genoemde reserves volgens de daar gegeven definitie. De Lid- Staten kunnen bovendien andere reserves voorschrijven, indien dat voor kredietinstellingen met een niet onder Richtlijn 78/660/EEG vallende rechtsvorm nodig blijkt te zijn.

Met uitzondering van de herwaarderingsreserve, die in post 12 wordt opgenomen, worden de reserves afzonderlijk als subposten van passiefpost 11 in de balans van de kredietinstellingen opgenomen.

Artikel 24

Buiten de balanstelling: post 1 - Voorwaardelijke eventuele schulden

Deze post omvat alle transacties waarbij een instelling zich garant heeft gesteld voor de verplichtingen van een derde.

In de toelichting worden de aard en het bedrag vermeld van elke soort voorwaardelijke eventuele schuld die in verhouding tot de activiteiten van de instelling belangrijk is.

Verplichtingen uit endossering van geherdisconteerde wissels worden alleen onder deze post opgenomen indien de nationale wetgeving geen andere regeling dienaangaande behelst. Dit geldt ook voor andere accepten dan eigen accepten.

Borgstellingen en tot zekerheid strekkende activa omvatten de zekerheidstellingen en vermogensbestanddelen welke als zekerheid zijn verstrekt voor rekening van derden, met name borgtochten en onherroepelijke accreditieven.

Artikel 25

Buiten de balanstelling: post 2 - Verplichtingen

Deze post omvat alle onherroepelijke faciliteiten die tot een kredietrisico kunnen leiden.

De toelichting vermeldt de aard en het bedrag van elke soort verplichting die in verhouding tot de activiteiten van de instelling van belang is.

De verplichtingen uit cessie en retrocessie omvatten de verplichtingen welke de kredietinstelling bij (op een vaste verkoopovereenkomst en een inkoopoptie stoelende) cessie en retrocessie als bedoeld in artikel 12, lid 3, heeft aangegaan.

AFDELING 5

INDELING VAN DE WINST- EN VERLIESREKENING

Artikel 26

Voor de opstelling van de winst- en verliesrekening schrijven de Lid-Staten een van beide of beide in de artikelen 27 en 28 opgenomen schema¢s voor. Indien een Lid-Staat beide schema¢s voorschrijft, kan hij de ondernemingen de keuze laten.

Artikel 27

Verticaal schema

1. Ontvangen rentebaten en soortgelijke baten, met afzonderlijke vermelding van:

interest uit vastrentende waardepapieren.

2. Rente en soortgelijke lasten.

3. Opbrengsten uit waardepapieren:

a) opbrengsten uit aandelen en andere niet- vastrentende waardepapieren;

b) opbrengsten uit deelnemingen;

c) opbrengsten uit aandelen in verbonden ondernemingen.

4. Ontvangen provisie.

5. Betaalde provisie.

6. Resultaat uit financiële transacties.

7. Overige bedrijfsopbrengsten.

8. Algemene beheerskosten:

a) personeelskosten, met afzonderlijke vermelding van:

- lonen en salarissen,

- sociale lasten met afzonderlijke vermelding van pensioenlasten;

b) andere beheerskosten.

9. Waardecorrecties op de bestanddelen van de actiefposten 9 en 10.

10. Overige bedrijfslasten.

11. Waardecorrecties op vorderingen en voorzieningen voor voorwaardelijke/eventuele schulden en verplichtingen.

12. Terugneming van waardecorrecties op vorderingen en van voorzieningen voor voorwaardelijke/eventuele schulden en verplichtingen.

13. Waardecorrecties op effecten die tot de financiële vaste activa behoren, op deelnemingen en op aandelen in verbonden ondernemingen.

14. Terugneming van waardecorrecties op effecten die tot de financiële vaste activa behoren, op deelnemingen en op aandelen in verbonden ondernemingen.

15. Belasting op het resultaat uit de normale bedrijfsuitoefening.

16. Resultaat uit de normale bedrijfsuitoefening, na belasting.

17. Buitengewone baten.

18. Buitengewone lasten.

19. Buitengewoon resultaat.

20. Belasting op het buitengewone resultaat.

21. Buitengezoon resultaat na belasting.

22. Belastingen, voor zover niet opgenomen onder de voorgaande posten.

23. Resultaat over het boekjaar.

Artikel 28

Horizontaal schema

A. Lasten

1. Rente en soortgelijke lasten.

2. Betaalde provisie.

3. Verliezen op financiële transacties.

4. Algemene beheerskosten:

a) personeelskosten, met afzonderlijke vermelding van:

- lonen en salarissen,

- sociale lasten met afzonderlijke vermelding van pensioenlasten;

b) andere beheerskosten.

5. Waardecorrecties op de bestanddelen van de actiefposten 9 en 10.

6. Overige bedrijfslasten.

7. Waardecorrecties op vorderingen en voorzieningen voor voorwaardelijke/eventuele schulden en verplichtingen.

8. Waardecorrecties op effecten die tot de financiële vaste activa behoren, op deelnemingen en op aandelen in verbonden ondernemingen.

9. Belastingen op het resultaat uit de gewone bedrijfsuitoefening.

10. Resultaat uit de gewone bedrijfsuitoefening, na belasting.

11. Buitengewone lasten.

12. Belasting op het buitengewoon resultaat.

13. Buitengewoon resultaat na belasting.

14. Overige belastingen welke niet onder de bovengenoemde posten zijn opgenomen.

15. Winst van het boekjaar.

B. Baten

1. Rentebaten en soortgelijke baten, met afzonderlijke vermelding van: baten uit vastrentende waardepapieren.

2. Opbrengsten uit waardepapieren:

a) opbrengsten uit aandelen en andere niet-vastrentende waardepapieren;

b) opbrengsten uit deelnemingen;

c) opbrengsten uit aandelen in verbonden ondernemingen.

3. Ontvangen provisie.

4. Winst uit financiële transacties.

5. Terugneming van waardecorrecties op vorderingen en van voorzieningen voor voorwaardelijke/eventuele schulden en verplichtingen.

6. Terugneming van waardecorrecties op effecten die tot de financiële vaste activa behoren, op deelnemingen en op aandelen in verbonden ondernemingen.

7. Overige bedrijfsopbrengsten.

8. Resultaat uit de gewone bedrijfsuitoefening, na belasting.

9. Buitengewone baten.

10. Buitengewoon resultaat na belasting.

11. Verlies van het boekjaar.

AFDELING 6

VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE BEPAALDE POSTEN VAN DE WINST- EN VERLIESREKENING

Artikel 29

Artikel 27, posten 1 en 2 (verticaal schema),

artikel 28, posten A 1 en B 1 (horizontaal schema)

Rentebaten en soortgelijke baten; rentekosten en soortgelijke kosten

Deze posten omvatten alle resultaten van de bankactiviteit, met name:

1. alle opbrengsten die voortvloeien uit de in de posten 1 tot en met 5 geboekte actiefbestanddelen van de balans, ongeacht de vorm waarin zij zijn berekend. Zij omvatten tevens alle opbrengsten uit de gespreide resultaatboeking van het agio op de activa die beneden het op de vervaldag te betalen bedrag zijn verkregen, en op de boven dit bedrag aangegane verplichtingen;

2. alle lasten met betrekking tot de verplichtingen van de passiefposten 1, 2, 3 en 8, ongeacht de vorm waarin zij zijn berekend. Zij omvatten tevens de lasten van de gespreide afschrijving van het disagio op de activa die boven het op de vervaldag te betalen bedrag zijn verkregen en op de verplichtingen die beneden dit bedrag zijn aangegaan;

3. de over de effectieve duur van de transactie gespreide baten en lasten welke voortvloeien uit gedekte termijntransacties en het karakter van rente hebben;

4. de naar looptijd of bedrag van de vordering of schuld berekende provisies die het karakter van rente hebben.

Artikel 30

Artikel 27, post 3 (verticaal schema),

artikel 28, post B 2 (horizontaal schema)

Opbrengsten uit aandelen en andere niet- vastrentende waardepapieren, opbrengsten van deelnemingen, opbrengsten uit aandelen in verbonden ondernemingen

Deze post omvat alle dividenden en andere opbrengsten uit niet- vastrentende waardepapieren, uit deelnemingen en uit aandelen in verbonden ondernemingen. De opbrengsten uit aandelen in beleggingsmaatschappijen worden eveneens onder deze post opgenomen.

Artikel 31

Artikel 27, posten 4 en 5 (verticaal schema),

artikel 28, posten A 2 en B 3 (horizontaal schema)

Ontvangen provisie en betaalde provisie

Onder ontvangen en betaalde provisie worden, onverminderd artikel 29, respectievelijk verstaan de opbrengsten uit hoofde van vergoeding van voor rekening van derden verrichte diensten en betalingen voor door derden verrichte diensten, in het bijzonder:

- provisie voor garanties, voor kredietbeheer voor rekening van andere kredietverleners, alsmede voor effectentransacties voor rekening van derden,

- provisie voor afwikkeling van betalingen en andere daarmee verband houdende lasten en opbrengsten, kosten voor het houden van rekeningen en voor effectenbeheer en -bewaring,

- valutaprovisie, provisie voor aan- en verkoop van munten en edele metalen voor rekening van derden,

- ontvangen provisie voor bemiddeling in krediettransacties, en voor spaar- of verzekeringscontracten.

Artikel 32

Artikel 27, post 6 (verticaal schema),

artikel 28, post A 3 of post B 4 (horizontaal schema)

Resultaat van financiële transacties

Deze post omvat:

1. het winst- of verliessaldo van transacties in waardepapier dat niet als financiële vaste activa wordt gehouden, alsmede de waardecorrecties op dergelijk waardepapier en de terugnemingen van deze waardecorrecties, rekening houdend in geval van toepassing van artikel 36, lid 2, met het hieruit voortvloeiende verschil; in de Lid-Staten die gebruik maken van de door artikel 37 geboden mogelijkheid, behoeven deze bedragen slechts te worden opgenomen indien zij betrekking hebben op waardepapier in de handelsportefeuille;

2. het winst- of verliessaldo van valutatransacties, onverminderd artikel 29, punt 3;

3. de winst- en verliessaldi van de overige aankoop- en verkooptransacties in financiële instrumenten, waaronder edele metalen.

Artikel 33

Artikel 27, posten 11 en 12 (verticaal schema),

artikel 28, posten A 7 en B 5 (horizontaal schema)

Waardecorrecties op vorderingen en voorzieningen voor voorwaardelijke/eventuele schulden en verplichtingen

en

terugnemingen van waardecorrecties op vorderingen en van voorzieningen voor voorwaardelijke/eventuele schulden en verplichtingen

1. Deze posten omvatten enerzijds de lasten wegens waardecorrecties op vorderingen welke onder de actiefposten 3 en 4 worden opgenomen en de voorzieningen voor voorwaardelijke/eventuele schulden en verplichtingen, welke in de posten 1 en 2 buiten de balanstelling worden opgenomen, en anderzijds de opbrengsten uit inning van afgeschreven vorderingen en terugneming van eerder uitgevoerde waardecorrecties en van eerder getroffen voorzieningen.

2. In de Lid-Staten die gebruik maken van de door artikel 37 geboden mogelijkheid, bevat deze post ook het winst- verliessaldo van transacties in waardepapier dat is opgenomen onder de actiefposten 5 en 6 en niet behoort tot de financiële vaste activa zoals omschreven in artikel 35, lid 2, en niet in de handelsportefeuille is opgenomen, alsmede de waardecorrecties op dergelijk waardepapier en de terugneming van deze waardecorrecties, rekening houdend, in geval van toepassing van artikel 36, lid 2, met het hieruit voortvloeiende verschil. De benaming van deze post wordt dienovereenkomstig gewijzigd.

3. De Lid-Staten kunnen compensatie toestaan tussen kosten en opbrengsten die onder deze posten zijn begrepen, waardoor alleen het saldo (baten of lasten) wordt opgenomen.

4. De waardecorrecties op vorderingen op kredietinstellingen, op cliënten, op ondernemingen waarmee een deelnemingsverhouding bestaat en op verbonden ondernemingen moeten in de toelichting worden uitgesplitst wanneer dit onderscheid belangrijk is. Toepassing van deze regel is niet verplicht indien de Lid-Staat compensatie toestaat overeenkomstig lid 3.

Artikel 34

Artikel 27, posten 13 en 14 (verticaal schema),

artikel 28, posten A 8 en B 5 (horizontaal schema)

Waardecorrecties op effecten die tot de financiële vaste activa behoren, op deelnemingen en op aandelen in verbonden ondernemingen

en

terugneming van waardecorrecties op effecten die behoren tot de financiële vaste activa, deelnemingen en aandelen in verbonden ondernemingen

1. Deze posten omvatten enerzijds de lasten wegens waardecorrecties op vermogensbestanddelen welke onder de actiefposten 5 tot en met 8 worden opgenomen en anderzijds de terugneming van eerder uitgevoerde waardecorrecties, voor zover de lasten en baten betrekking hebben op effecten die behoren tot de financiële vaste activa zoals omschreven in artikel 35, lid 2, op deelnemingen en op aandelen in verbonden ondernemingen.

2. De Lid-Staten kunnen compensatie toestaan tussen kosten en opbrengsten die onder deze posten zijn begrepen, waardoor alleen het saldo (baten of lasten) wordt opgenomen.

3. Waardecorrecties op deze effecten, op deelnemingen en op aandelen in verbonden ondernemingen moeten in de toelichting worden uitgesplitst wanneer dit onderscheid belangrijk is. Toepassing van deze regel is niet verplicht indien de Lid-Staat compensatie toestaat overeenkomstig lid 2.

AFDELING 7

WAARDERINGSREGELS

Artikel 35

1. De actiefposten 9 en 10 moeten steeds als vaste activa worden gewaardeerd. De overige in de balans opgenomen vermogensbestanddelen dienen als vaste activa te worden gewaardeerd wanneer zij zijn bestemd om duurzaam voor de bedrijfsuitoefening te worden gebruikt.

2. Onder het begrip "financiële vaste activa", bedoeld in afdeling 7 van Richtlijn 78/660/EEG, worden in het geval van kredietinstellingen verstaan deelnemingen en aandelen in verbonden ondernemingen, alsmede waardepapieren die zijn bestemd om duurzaam voor de bedrijfsuitoefening te worden gebruikt.

3. a) Obligaties en andere vastrentende waardepapieren die tot de financiële vaste activa behoren, worden tegen aanschaffingswaarde in de balans opgenomen. De Lid- Staten kunnen evenwel toestaan of voorschrijven dat obligaties tegen aflossingswaarde in de balans worden opgenomen.

b) Wanneer de aanschaffingswaarde van deze waardepapieren hoger ligt dan de aflossingswaarde, wordt het verschil op de winst- en verliesrekening opgevoerd. De Lid-Staten kunnen echter toestaan of voorschrijven dat dit verschil in de tijd gespreid wordt afgeschreven en wel uiterlijk op het tijdstip van de aflossing van deze waardepapieren. Het verschil moet afzonderlijk in de balans of de toelichting worden vermeld.

c) Wanneer de aanschaffingswaarde van deze waardepapieren lager ligt dan de aflossingswaarde, kunnen de Lid-Staten toestaan of voorschrijven dat het verschil gedurende de gehele resterende looptijd gespreid als resultaat wordt opgevoerd. Het verschil moet afzonderlijk in de balans of in de toelichting worden vermeld.

Artikel 36

1. Wanneer effecten die niet tot de financiële vaste activa behoren, tegen de aanschaffingswaarde in de balans worden opgenomen, vermelden de kredietinstellingen in de toelichting het verschil tussen deze waarde en de hogere marktwaarde op de balansdatum.

2. De Lid-Staten kunnen evenwel toestaan of voorschrijven dat deze effecten tegen hun hogere marktwaarde op de balansdatum in de balans worden opgenomen. Het verschil tussen de aanschaffingswaarde en de hogere marktwaarde moet in de toelichting worden vermeld.

Artikel 37

1. Artikel 39 van Richtlijn 78/660/EEG is van toepassing op de waardering van door kredietinstellingen gehouden vorderingen, obligaties en andere vastrentende waardepapieren, alsmede aandelen en andere niet-vastrentende waardepapieren die niet behoren tot de financiële vaste activa.

2. Tot een latere cooerdinatie kunnen de Lid-Staten evenwel toestaan dat:

a) vorderingen op kredietinstellingen en cliënten (actiefposten 3 en 4), alsmede obligaties en andere vastrentende waardepapieren, en aandelen en andere niet-vastrentende waardepapieren welke in de actiefposten 5 en 6 worden opgenomen, niet behoren tot de financiële vaste activa in de zin van artikel 35, lid 2, en geen deel uitmaken van de handelsportefeuille, tegen een lagere waarde worden opgenomen dan die waartoe toepassing van artikel 39, lid 1, van Richtlijn 78/660/EEG zou leiden, indien zulks om redenen van voorzichtigheid wegens de bijzondere, met het bankbedrijf samenhangende risico¢s geboden is. Het verschil tussen deze twee waarden mag evenwel niet meer bedragen dan 4% van het totaalbedrag van deze activa na toepassing van voornoemd artikel 39;

b) de door toepassing van punt a) verkregen lagere waarde wordt aangehouden totdat de kredietinstelling besluit om deze aan te passen;

c) ingeval een Lid-Staat gebruik maakt van de door punt a) geboden keuzemogelijkheid, artikel 36, lid 1, van de onderhavige richtlijn en artikel 40, lid 2, van Richtlijn 78/660/EEG niet van toepassing zijn.

Artikel 38

1. Tot een latere cooerdinatie moeten de Lid-Staten die gebruik maken van de in artikel 37 geboden mogelijkheid, en kunnen de Lid-Staten die geen gebruik maken van deze mogelijkheid, toestaan dat onder de passiefposten van de balans een post 6 bis "Fonds voor algemene bankrisico¢s" wordt opgenomen. Deze post omvat de bedragen die de kredietinstelling besluit te bestemmen voor de dekking van dergelijke risico¢s, indien zulks om redenen van voorzichtigheid wegens de bijzondere, met het bankbedrijf samenhangende risico¢s geboden is.

2. Het saldo van de aan het "Fonds voor algemene bankrisico¢s" toegevoegde bedragen moet afzonderlijk worden geboekt in de winst- en verliesrekening.

Artikel 39

1. De activa en passiva in vreemde valuta worden omgerekend tegen de op de balansdatum geldende contante koers. De Lid-Staten kunnen echter toestaan of voorschrijven dat activa die tot de financiële vaste activa behoren, en materiële en immateriële activa worden omgerekend tegen de koers van de aanschaffingsdatum, voor zover deze activa niet of niet specifiek door contante of termijntransacties worden gedekt.

2. Niet afgewikkelde termijn- en contante transacties in vreemde valuta dienen tegen de op de balansdatum geldende contante koers te worden omgerekend.

De Lid-Staten kunnen evenwel voorschrijven dat termijntransacties moeten worden omgerekend tegen de op de balansdatum geldende termijnkoers.

3. Onverminderd artikel 29, punt 3, worden de verschillen tussen de boekwaarde van de activa, passiva en termijntransacties, enerzijds, en de bedragen die voortvloeien uit de overeenkomstig de leden 1 en 2 verrichte omrekening, anderzijds, in de winst- en verliesrekening opgenomen. De Lid- Staten kunnen evenwel toestaan of voorschrijven dat verschillen uit de omrekening overeenkomstig de leden 1 en 2 geheel of gedeeltelijk worden opgenomen in de niet-uitkeerbare reserves indien deze verschillen het resultaat zijn enerzijds van activa die tot de financiële vaste activa behoren, alsmede van materiële en immateriële activa, en anderzijds van transacties ter dekking van die activa.

4. De Lid-Staten kunnen voorschrijven dat positieve omrekeningsverschillen, die afkomstig zijn van termijntransacties, activa of passiva die niet of niet specifiek door andere termijntransacties of activa of passiva gedekt worden, niet in de winst- en verliesrekening worden opgenomen.

5. In geval van toepassing van één van de in artikel 59 van Richtlijn 78/660/EEG bedoelde methoden kunnen de Lid-Staten voorschrijven dat de omrekeningsverschillen geheel of gedeeltelijk rechtstreeks onder de reserves worden geboekt. De positieve en negatieve omrekeningsverschillen die aan de reserves worden toegevoegd, worden afzonderlijk in de balans of in de toelichting vermeld.

6. De Lid-Staten kunnen toestaan of voorschrijven dat omrekeningsverschillen die bij consolidatie ontstaan door het opnieuw omrekenen van het aan het begin van het boekjaar aanwezige eigen vermogen van een verbonden onderneming, of van het op dat tijdstip gehouden aandeel in het eigen vermogen van een onderneming waarmee een deelnemingsverhouding bestaat, geheel of gedeeltelijk onder de geconsolideerde reserves worden geboekt, evenals de omrekeningsverschillen die ontstaan bij de omrekening van transacties ter dekking van dat eigen vermogen.

7. De Lid- Staten kunnen toestaan of voorschrijven dat de baten en lasten van de verbonden ondernemingen en de deelnemingen worden omgerekend tegen de tijdens het boekjaar geldende gemiddelde koers.

AFDELING 8

INHOUD VAN DE TOELICHTING

Artikel 40

1. Artikel 43, lid 1, van Richtlijn 78/660/EEG is, met inachtneming van artikel 37 van de onderhavige richtlijn en van de navolgende bepalingen, van toepassing.

2. Naast de op grond van artikel 43, lid 1, punt 5, van Richtlijn 78/660/EEG vereiste gegevens verstrekken kredietinstellingen de volgende gegevens met betrekking tot passiefpost 8 (achtergestelde schulden):

a) van elke lening die meer bedraagt dan 10% van het totale bedrag van de achtergestelde schulden:

i) het bedrag van de lening, de valuta waarin zij luidt, de rentevoet en de looptijd, dan wel een vermelding dat de looptijd onbepaald is;

ii) in voorkomend geval, de omstandigheden waaronder vervroegde aflossing vereist is;

iii) de voorwaarden van de achterstelling, het eventuele bestaan van bepalingen op grond waarvan de achtergestelde schuld kan worden omgezet in kapitaal of andere passiva en de daarvoor geldende bedingen;

b) met betrekking tot de overige leningen: in algemene zin de bepalingen die daarvoor gelden.

3. a) In plaats van de in artikel 43, lid 1, punt 6, van Richtlijn 78/660/EEG voorgeschreven gegevens vermelden de kredietinstellingen in de toelichting voor elk van de actiefposten 3 b) en 4), en de passiefposten 1 b), 2 a), 2 b) bb) en 3 b), het bedrag van deze vorderingen en schulden, als volgt uitgesplitst naar de nog resterende looptijd:

- tot drie maanden,

- meer dan drie maanden tot een jaar,

- meer dan een jaar tot vijf jaar,

- meer dan vijf jaar.

Voor actiefpost 4 moet bovendien het bedrag van de kredieten met onbepaalde looptijd worden vermeld.

Bij vorderingen of schulden met gespreide aflossing wordt onder resterende looptijd verstaan de periode tussen de balansdatum en de vervaldatum van elke betaling.

De Lid-Staten kunnen evenwel, gedurende een termijn van vijf jaar vanaf de in artikel 47, lid 2, bedoelde datum, toestaan of voorschrijven dat de in dit artikel bedoelde activa en passiva worden vermeld op basis van de oorspronkelijk overeengekomen looptijd, dan wel de oorspronkelijke opzeggingstermijn. In dat geval schrijven zij ten aanzien van niet in een schuldbewijs belichaamde leningen voor dat een instelling die een bestaande lening overneemt, deze op basis van de resterende looptijd op de overnamedatum indeelt. Voor de toepassing van deze alinea wordt onder overeengekomen looptijd van de lening verstaan, de periode tussen het eerste gebruik van de middelen en de aflossingsdatum; onder opzeggingstermijn wordt verstaan de periode tussen de datum waarop de opzegging wordt gedaan en de datum waarop de desbetreffende terugbetaling moet geschieden; bij vorderingen of schulden met gespreide aflossing is de overeengekomen looptijd de periode tussen de datum waarop de vordering of schuld ontstaat en de vervaldatum van de laatste betaling. Bovendien vermelden de kredietinstellingen voor de in dit punt bedoelde balansposten het bedrag van de actief- of passiefbestanddelen die in het op de balansdatum volgende jaar opeisbaar worden.

b) Bovendien vermelden de kredietinstellingen voor actiefpost 5 (obligaties en andere vastrentende waardepapieren) en de passiefpost 3 a) (obligaties en andere vastrentende waardepapieren in omloop) het bedrag van de actief- of passiefbestanddelen die in het op de balansdatum volgende jaar opeisbaar worden.

c) De Lid-Staten kunnen voorschrijven dat de onder a) en b) bedoelde gegevens in de balans worden opgenomen.

d) De kredietinstellingen verstrekken voorts nog gegevens over de vermogensbestanddelen welke zij tot zekerheid van hun eigen schulden of voor schulden van derden (voorwaardelijke/eventuele schulden inbegrepen) hebben verbonden, met dien verstande dat daaruit met betrekking tot elke passiefpost of post buiten de balanstelling het totale bedrag van de desbetreffende vermogensbestanddelen moet blijken.

4. Kredietinstellingen die de in artikel 43, lid 1, punt 7, van Richtlijn 78/660/EEG bedoelde gegevens in de posten buiten de balanstelling moeten opnemen, behoeven deze gegevens niet ook in de toelichting te vermelden.

5. In plaats van de in artikel 43, lid 1, punt 8, van Richtlijn 78/660/EEG voorgeschreven gegevens worden door de kredietinstellingen in de toelichting de opbrengsten vermeld bedoeld in de posten 1, 3, 4, 6 en 7 van artikel 27 of in de posten B 1, B 2, B 3, B 4 en B 7 van artikel 28, waarbij een geografische uitsplitsing wordt gemaakt voor zover deze markten, vanuit het oogpunt van de organisatie van de kredietinstelling, onderling aanzienlijk verschillen. Artikel 45, lid 1, onder b) van Richtlijn 78/660/EEG is van toepassing.

6. De verwijzing in artikel 43, lid 1, punt 9, van Richtlijn 78/660/EEG naar artikel 23, post 6, dient te worden aangemerkt als betrekking hebbende op artikel 27, post 8, of artikel 28, post A 4, van de onderhavige richtlijn.

7. In afwijking van artikel 43, lid 1, punt 13, van Richtlijn 78/660/EEG, rust op de kredietinstellingen slechts de verplichting melding te maken van de bedragen van de aan de leden van hun bestuurs-, leidinggevende en toezichthoudende organen verleende voorschotten en kredieten, alsmede de ten behoeve van deze personen aangegane garantieverplichtingen van welke aard ook. Deze gegevens moeten door middel van een totaalbedrag voor elke groep worden verstrekt.

Artikel 41

1. De in artikel 15, lid 3, van Richtlijn 78/660/EEG voorgeschreven gegevens worden tevens verlangd voor de actiefbestanddelen welke in de zin van artikel 35 van de onderhavige richtlijn als vaste activa worden aangemerkt. De verplichting de waardecorrecties afzonderlijk op te geven geldt evenwel niet wanneer een Lid-Staat krachtens artikel 34, lid 2, van de onderhavige richtlijn een compensatie tussen de waardecorrecties heeft toegestaan. In dit geval mogen de waardecorrecties met andere posten worden samengevoegd.

2. De Lid-Staten schrijven voor dat de kredietinstellingen in de toelichting bovendien de volgende gegevens verstrekken:

a) de onder de actiefposten 5 tot en met 8 opgenomen effecten, uitgesplitst naar genoteerde en niet-genoteerde effecten;

b) de onder de actiefposten 5 en 6 opgenomen effecten, uitgesplitst naar gelang zij uit hoofde van artikel 35 al dan niet als financiële vaste activa worden aangemerkt, alsmede het criterium dat werd gehanteerd om de twee categorieën effecten te onderscheiden;

c) het bedrag van de leasingtransacties, uitgesplitst volgens de desbetreffende balansposten;

d) actiefpost 13 en passiefpost 4, alsmede de posten 10 en 18 (verticaal schema) of A 6 en A 11 (horizontaal schema), en de posten 7 en 17 (verticaal schema) of B 7 en B 9 (horizontaal schema) van de winst- en verliesrekening, uitgesplitst over de voornaamste bestanddelen welke onder deze posten zijn begrepen, indien deze gegevens voor de beoordeling van de jaarrekening niet onbelangrijk zijn. Ook dienen het bedrag en de aard ervan te worden toegelicht;

e) de door de kredietinstelling in het boekjaar op achtergestelde schulden betaalde lasten;

f) het feit dat een instelling beheers- en bemiddelingsdiensten voor derden verricht, wanneer deze activiteiten in verhouding tot de activiteiten van de instelling als geheel een belangrijke omvang hebben;

g) het totale bedrag van de in buitenlandse valuta luidende actiefbestanddelen en van de in buitenlandse valuta luidende passiefbestanddelen, omgerekend in de valuta van de jaarrekening;

h) een overzicht van de categorieën op de balansdatum niet-afgewikkelde termijntransacties, waarbij voor elke categorie transacties met name wordt aangegeven of een belangrijk deel van deze transacties is aangegaan om zich in te dekken tegen de gevolgen van schommelingen van rentevoeten, wisselkoersen of marktprijzen, en of een belangrijk deel commerciële transacties betreft. Deze categorieën transacties omvatten alle transacties waarvan de opbrengsten of lasten moeten worden opgenomen onder post 6 van artikel 27, post A 3 of post B 4 van artikel 28 of onder punt 3 van artikel 29, bij voorbeeld deviezen, edele metalen, effecten, kasbons en andere zaken.

AFDELING 9

BEPALINGEN BETREFFENDE DE GECONSOLIDEERDE JAARREKENING

Artikel 42

1. Tenzij in deze afdeling anders is bepaald, moeten kredietinstellingen overeenkomstig Richtlijn 83/349/EEG een geconsolideerde jaarrekening en een geconsolideerd jaarverslag opstellen.

2. Indien een Lid-Staat geen gebruik heeft gemaakt van artikel 5 van Richtlijn 83/349/EEG, is lid 1 van het onderhavige artikel eveneens van toepassing op moederondernemingen die uitsluitend ten doel hebben het verkrijgen van deelnemingen in dochterondernemingen en het beheer en de exploitatie van deze deelnemingen wanneer deze dochterondernemingen uitsluitend of hoofdzakelijk kredietinstellingen zijn.

Artikel 43

1. Richtlijn 83/349/EEG is, behoudens artikel 1 van de onderhavige richtlijn en lid 2 van het onderhavige artikel, van toepassing.

2. a) De artikelen 4, 6, 15 en 40 van Richtlijn 83/349/EEG zijn niet van toepassing.

b) De Lid-Staten kunnen aan de toepassing van artikel 7 van Richtlijn 83/349/EEG de volgende aanvullende voorwaarden verbinden:

- de moederonderneming heeft zich garant verklaard voor de door de vrijgestelde onderneming aangegane verbintenissen; deze verklaring wordt in de jaarrekening van de vrijgestelde onderneming gepubliceerd;

- de moederonderneming is een kredietinstelling in de zin van artikel 2, lid 1, onder a) van de onderhavige richtlijn.

c) De in artikel 9, lid 2, van Richtlijn 83/349/EEG achter de eerste twee streepjes bedoelde gegevens betreffende:

- de omvang van de vaste activa,

- de netto-omzet,

worden vervangen door gegevens betreffende het totale resultaat van de posten 1, 3, 4, 6 en 7 van artikel 27 of van de posten B 1, B 2, B 3, B 4 en B 7 van artikel 28 van de onderhavige richtlijn.

d) Indien ingevolge de toepassing van artikel 13, lid 3, onder c), van Richtlijn 83/349/EEG, een dochteronderneming die een kredietinstelling is, niet in de geconsolideerde jaarrekening is opgenomen, maar de aandelen van deze onderneming tijdelijk worden gehouden wegens een financiële bijstandsoperatie ter sanering of redding van die onderneming, wordt de jaarrekening van die onderneming bij de geconsolideerde jaarrekening gevoegd en wordt aanvullende informatie gegeven in de toelichting betreffende de aard en de voorwaarden van de financiële bijstandsoperatie.

e) De Lid- Staten kunnen artikel 12 van Richtlijn 83/349/EEG eveneens toepassen wanner twee of meer kredietinstellingen, waartussen geen in artikel 1, lid 1 of lid 2, van die richtlijn beschreven betrekkingen bestaan, onder dezelfde centrale leiding staan zonder dat zulks uit een overeenkomst of de statuten voortvloeit.

f) Artikel 14 van Richtlijn 83/349/EEG is, met uitzondering van lid 2, van toepassing behoudens de navolgende bepaling:

Wanneer de moederonderneming een kredietinstelling is en een of meer te consolideren dochterondernemingen dit niet zijn, worden deze dochterondernemingen in de consolidatie opgenomen indien hun werkzaamheden rechtstreeks in het verlengde van het bankbedrijf liggen of bestaan uit nevendiensten van het bankbedrijf zoals leasing, factoring, beheer van beleggingsfondsen, beheer van diensten op het gebied van de gegevensverwerking of andere, soortgelijke werkzaamheden.

g) Met betrekking tot de indeling van de geconsolideerde jaarrekening:

- zijn de artikelen 3, 5 tot en met 26 en 29 tot en met 34 van de onderhavige richtlijn van toepassing;

- is de verwijzing in artikel 17 van Richtlijn 83/349/EEG naar artikel 15, lid 3, van Richtlijn 78/660/EEG van toepassing op vermogensbestanddelen die op grond van artikel 35 van de onderhavige richtlijn als vaste activa worden beschouwd.

h) Voor de inhoud van de toelichting op de geconsolideerde jaarrekening is artikel 34 van Richtlijn 83/349/EEG van toepassing, behoudens de artikelen 40 en 41 van de onderhavige richtlijn.

AFDELING 10

OPENBAARMAKING

Artikel 44

1. De wettig vastgestelde of goedgekeurde jaarrekening van kredietinstellingen wordt te zamen met het jaarverslag en het verslag van de met de controle op de jaarrekening belaste persoon, openbaar gemaakt op de in de nationale wetgeving overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 68/151/EEG (1), vastgestelde wijze.

(1) PB nr. L 65 van 14.3.1968, blz. 8.

De Lid-Staten kunnen evenwel in hun wetgeving toestaan dat het jaarverslag niet op de bovenbedoelde wijze openbaar wordt gemaakt. In dat geval wordt het jaarverslag ten kantore van de vennootschap in de betrokken Lid-Staat ter beschikking van het publiek gehouden. Op verzoek moet een volledig of gedeeltelijk afschrift verkrijgbaar zijn. De prijs van dat afschrift mag niet meer bedragen dan de daaraan verbonden administratieve kosten.

2.Lid 1 is tevens van toepassing op de overeenkomstig de wettig vastgestelde of goedgekeurde geconsolideerde jaarrekening en op het geconsolideerde jaarverslag, alsmede op het verslag van de met de controle van de jaarrekening belaste persoon.

3. Wanneer de kredietinstelling die de jaarrekening of de geconsolideerde jaarrekening heeft opgesteld, niet een van de in artikel 1, lid 1, van Richtlijn 78/660/EEG genoemde rechtsvormen heeft, en zij volgens haar nationale wetgeving ten aanzien van de in lid 1 en lid 2 van het onderhavige artikel genoemde stukken niet verplicht is tot een soortgelijke openbaarmaking als bedoeld in artikel 3 van Richtlijn 68/151/EEG, moet zij deze toch ten minste op haar hoofdkantoor ter beschikking van het publiek houden. Op verzoek moet een afschrift van deze stukken verkrijgbaar zijn. De prijs van dit afschrift mag niet meer bedragen dan de daaraan verbonden administratieve kosten.

4. De jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van de kredietinstellingen moeten openbaar worden gemaakt in iedere Lid-Staat waar deze instellingen bijkantoren in de zin van artikel 1, derde streepje, van Richtlijn 77/780/EEG heeft. Deze Lid-Staat kan de verplichting opleggen deze bescheiden in zijn officiële taal openbaar te maken.

5. De Lid-Staten stellen passende sancties vast voor het geval aan de voorschriften van dit artikel inzake openbaarmaking niet wordt voldaan.

AFDELING 11

CONTROLE

Artikel 45

Een Lid-Staat behoeft artikel 2, lid 1, onder b) iii), van Richtlijn 84/253/EEG (2) niet toe te passen op overheidsspaarbanken wanneer de wettelijke controle van de in artikel 1, lid 1, van genoemde richtlijn bedoelde bescheiden van die instellingen is voorbehouden aan een op het tijdstip van inwerkingtreding van de onderhavige richtlijn bestaande controle-instantie voor deze spaarbanken, waarvan de verantwoordelijke persoon ten minste voldoet aan de in de artikelen 3 tot en met 9 van genoemde richtlijn gestelde voorwaarden.

(2) PB nr. L 126 van 12.5.1984, blz. 20.

AFDELING 12

SLOTBEPALINGEN

Artikel 46

Het bij artikel 52 van Richtlijn 78/660/EEG ingestelde Contactcomité heeft in een daartoe passende samenstelling eveneens tot taak:

a) onverminderd de artikelen 169 en 170 van het Verdrag, een geharmoniseerde toepassing van deze richtlijn te bevorderen door regelmatig overleg over met name de concrete problemen die zich bij de toepassing daarvan voordoen;

b) zo nodig de Commissie van advies te dienen inzake aanvullingen op of wijzigingen van deze richtlijn.

Artikel 47

1. De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 31 december 1990 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

2. Een Lid-Staat kan bepalen dat de in lid 1 bedoelde bepalingen voor de eerste maal van toepassing zijn op jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen van het boekjaar dat op 1 januari 1993 of in de loop van 1993 begint.

3. De Lid-Staten delen de Commissie de tekst mee van de voornaamste bepalingen van intern recht die zij vaststellen op het door deze richtlijn bestreken gebied.

Artikel 48

Vijf jaar na de in artikel 47, lid 2, bedoelde datum gaat de Raad op voorstel van de Commissie over tot onderzoek naar en in voorkomend geval tot herziening van alle artikelen van deze richtlijn waarin aan de Lid-Staten een bepaalde keuzemogelijkheid wordt geboden, alsmede van artikel 2, lid 1, en van de artikelen 27, 28 en 41, zulks in het licht van de ervaring die is opgedaan bij de toepassing van de onderhavige richtlijn, en met name van de in deze richtlijn nagestreefde grotere doorzichtigheid en harmonisatie.

Artikel 49

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

Gedaan te Brussel, 8 december 1986.

Voor de Raad

De Voorzitter

N. LAWSON

Top