This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52017DP0232
European Parliament decision of 1 June 2017 on the request for waiver of the immunity of Béla Kovács (2016/2266(IMM))
Besluit van het Europees Parlement van 1 juni 2017 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Béla Kovács (2016/2266(IMM))
Besluit van het Europees Parlement van 1 juni 2017 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Béla Kovács (2016/2266(IMM))
PB C 307 van 30.8.2018, pp. 188–190
(BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
|
30.8.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 307/188 |
P8_TA(2017)0232
Verzoek om opheffing van de immuniteit van Béla Kovács
Besluit van het Europees Parlement van 1 juni 2017 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Béla Kovács (2016/2266(IMM))
(2018/C 307/31)
Het Europees Parlement,
|
— |
gezien het verzoek om opheffing van de immuniteit van Béla Kovács, dat op 19 september 2016 werd ingediend door dr. Péter Polt, procureur-generaal van Hongarije, in verband met een strafrechtelijke procedure die tegen Béla Kovács is ingesteld door het Hongaarse openbaar ministerie, en van de ontvangst waarvan op 3 oktober 2016 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven, |
|
— |
gezien het feit dat dhr. Kovács is uitgenodigd om op 12 januari, 30 januari en 22 maart 2017 te worden gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement, |
|
— |
gezien de artikelen 8 en 9 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, |
|
— |
gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013 (1), |
|
— |
gezien artikel 4, lid 2, van de grondwet van Hongarije, de artikelen 10, lid 2, en 12, lid 1, van Wet LVII van 2004 betreffende de wettelijke status van de Hongaarse leden van het Europees Parlement en artikel 74, leden 1 en 3, van Wet XXXVI van 2012 betreffende de Nationale Vergadering, |
|
— |
gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement, |
|
— |
gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0203/2017), |
|
A. |
overwegende dat de procureur-generaal van Hongarije verzocht heeft om opheffing van de immuniteit van Béla Kovács, lid van het Europees Parlement, om strafrechtelijk onderzoek naar hem te kunnen instellen in verband met mogelijke vervolging wegens begrotingsfraude met aanzienlijke financiële schade, overeenkomstig artikel 369, lid 1, onder a), van het Hongaarse wetboek van strafrecht en wegens meervoudig gebruik van valse privédocumenten overeenkomstig artikel 345 van het wetboek van strafrecht. overwegende dat op grond van dat artikel eenieder die gebruikmaakt van een vervalst of nagemaakt privédocument of een privédocument waarvan de inhoud onwaar is als bewijs voor het bestaan, de wijziging of de beëindiging van een recht of een verplichting, schuldig is aan een overtreding en veroordeeld wordt tot gevangenisstraf van ten hoogste één jaar; |
|
B. |
overwegende dat in artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie is bepaald dat de leden van het Europees Parlement op hun eigen grondgebied de immuniteiten genieten die aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun staat worden verleend; |
|
C. |
overwegende dat de leden van het parlement krachtens artikel 4, lid 2, van de Hongaarse grondwet immuniteit genieten; overwegende dat leden van het Europees Parlement op grond van artikel 10, lid 2, van Wet LVII van 2004 inzake de status van Hongaarse leden van het Europees Parlement dezelfde immuniteiten genieten als de leden van de Hongaarse Nationale Vergadering, en dat in artikel 12, lid 1, is bepaald dat het Europees Parlement bevoegd is om een besluit nemen over de opheffing van de immuniteit van een lid van het Europees Parlement; overwegende in artikel 74, lid 1, van Wet XXXVI van 2012 betreffende de Nationale Vergadering is bepaald dat tegen leden alleen een strafrechtelijke procedure kan worden ingeleid, of indien niet vrijwillig afstand wordt gedaan van de immuniteit, alleen een procedure wegens een overtreding kan worden ingeleid na voorafgaande toestemming van de Nationale Vergadering; overwegende dat krachtens artikel 74, lid 3, van dezelfde wet de procureur-generaal voorafgaand aan de formele inbeschuldigingstelling een verzoek moet indienen om opheffing van de immuniteit; |
|
D. |
overwegende dat de leden op grond van artikel 21, leden 1 en 2, van Besluit 2005/684/EG, Euratom van het Europees Parlement van 28 september 2005 houdende aanneming van het Statuut van de leden van het Europees Parlement (2) recht hebben op assistentie door persoonlijke medewerkers die door hen vrijelijk worden aangewezen en dat het Parlement de werkelijke kosten draagt die door de tewerkstelling van deze personen ontstaan; |
|
E. |
overwegende dat op grond van artikel 34, lid 4, van het Besluit van het Bureau van het Europees Parlement van 19 mei en 9 juli 2008 houdende de uitvoeringsbepalingen van het Statuut van de leden van het Europees Parlement ook de kosten verbonden aan stageovereenkomsten overeenkomstig de door het Bureau vastgestelde voorwaarden in aanmerking kunnen komen voor vergoeding; |
|
F. |
overwegende dat de leden van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 1, lid 1, van het besluit van het Bureau van 19 april 2010 betreffende stagiairs van de leden, om bij te dragen aan het onderwijs en de beroepsopleidingen in Europa en met het oog op een beter begrip van de werking van deze instelling, stages kunnen aanbieden ten tijde van de plenaire vergaderingen in Brussel en Straatsburg of bij het uitvoeren van hun activiteiten als parlementslid in het land waar zij gekozen zijn; |
|
G. |
overwegende dat in artikel 5, leden 1 en 2, van deze regels inzake stagiairs van de leden is bepaald dat bijzondere afspraken met betrekking tot de stage vermeld moeten worden in een stageovereenkomst die door het lid en de stagiair moet worden ondertekend; overwegende dat in deze stageovereenkomst de uitdrukkelijke bepaling moet worden opgenomen dat het Europees Parlement in geen geval als partij bij de overeenkomst kan worden aangemerkt; overwegende dat op grond van artikel 5, lid 4, uitgaven in verband met de stage, waaronder beurzen en de kosten van verzekeringskosten voor zover door het lid betaald, worden bekostigd uit de vergoeding voor parlementaire assistentie, zoals bepaald in artikel 33, lid 4, van de uitvoeringsbepalingen, binnen de grenzen van die vergoeding; |
|
H. |
overwegende dat volgens het bepaalde in de laatste zin van artikel 1, lid 1, van de regels inzake stagiairs de aan een stagiaire toe te kennen beurs geen verkapte bezoldiging mag zijn; overwegende dat overeenkomstig artikel 7, lid 1, stagiairs voor de gehele stageperiode onder de verantwoordelijkheid vallen van het lid bij wie zij stage lopen; |
|
I. |
overwegende dat er naar het oordeel van het Parlement geen reden is om aan te nemen dat er sprake is van fumus persecutionis, dat wil zeggen een voldoende ernstig en nauwkeurig vermoeden dat de zaak aanhangig is gemaakt met de bedoeling het lid politieke schade toe te brengen; |
|
J. |
overwegende dat het besluit van de voormalig voorzitter van het Parlement om dhr. Kovács te berispen wegens schending van artikel 1, onder a), van de Gedragscode voor de leden van het Europees Parlement (3) niet kan worden gelijkgesteld aan een gerechtelijke uitspraak met kracht van gewijsde met betrekking tot de feiten in verband waarmee het openbaar ministerie een strafprocedure heeft ingeleid; overwegende dat er derhalve geen sprake is van schending van het „ne bis in idem”-beginsel; overwegende dat de sanctie die door de voormalig voorzitter van het Europees Parlement op grond van de Gedragscode is vastgesteld niet in de weg staat aan het inleiden of voeren van een strafrechtelijke procedure in Hongarije om vast te stellen of hij beschuldigd kan worden van een strafbaar feit; |
|
1. |
besluit de immuniteit van Béla Kovács op te heffen; |
|
2. |
verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteit van Hongarije en aan Béla Kovács. |
(1) Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440; arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, ECLI:EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23
(2) PB L 262 van 7.10.2005, blz. 1.
(3) Zie bijlage I van de Gedragscode voor de leden van het Europees Parlement inzake financiële belangen en belangenconflicten.