EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52012AE1051

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Meer duurzame productie en consumptie in de EU” (verkennend advies)

OJ C 191, 29.6.2012, p. 6–10 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

29.6.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 191/6


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Meer duurzame productie en consumptie in de EU” (verkennend advies)

2012/C 191/02

Rapporteur: mevrouw LE NOUAIL MARLIERE

Het Deense EU-voorzitterschap heeft op 11 januari 2012 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, te raadplegen over het thema

Meer duurzame productie en consumptie in de EU

(verkennend advies).

De afdeling Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 10 april 2012 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 25 en 26 april 2012 gehouden 480e zitting (vergadering van 26 april) het volgende advies uitgebracht, dat met 124 stemmen vóór en 8 tegen, bij 5 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   Op verzoek van het Deense voorzitterschap is het EESC nagegaan welke instrumenten en maatregelen ingevoerd moeten worden om over te schakelen op duurzame productie- en consumptiemethoden. Het EESC is verheugd over de inspanningen en het blijk van bewustzijn van de EU-instellingen. Om tot een duurzame productie en consumptie te komen en de overschakeling billijk te laten verlopen pleit het EESC voor een nieuwe gemeenschappelijke visie op het economische model waarbij alle partijen van het georganiseerde maatschappelijke middenveld bijeen worden gebracht binnen een gespecialiseerd overlegforum, om doelstellingen en streefcijfers te bepalen en een geschikte nieuwe monitoringprocedure te ontwikkelen.

1.2   Het zou goed zijn om:

het beleid ten behoeve van een duurzame consumptie en productie en het Stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa (1) nauw op elkaar af te stemmen; de lidstaten aan te sporen om dit beleid door middel van het stappenplan en het Europees semester ten uitvoer te leggen;

gebruik te maken van een breed scala aan sectoroverstijgende implementatie- en stimuleringsinstrumenten, zoals geleidelijke eliminatie van niet-duurzame producten, ontwikkeling van een billijker fiscaal beleid, bevordering van groene overheidsopdrachten, geleidelijke afschaffing van subsidies die geen rekening houden met negatieve milieugevolgen, ondersteuning van onderzoek en eco-innovatie, doorberekening van milieukosten, ontwikkeling van andere marktgebaseerde stimuleringsinstrumenten en aansporing van consumenten en werknemers tot een actieve deelname aan het overgangsproces.

1.3   Ook het financiële stelsel (2) dient aangepast te worden, zodat het een economie op basis van een duurzame productie en consumptie ondersteunt. Daarbij dient de nadruk te liggen op die terreinen waar de ecologische voetafdruk het grootst is, zoals de voedingsmiddelenindustrie, landbouw, huisvesting, infrastructuur en vervoer.

1.4   Daarnaast zou men zich niet moeten beperken tot energie en de emissie van broeikasgassen, maar ook moeten kijken naar andere hulpbronnen en milieugevolgen, zoals waterbeheer en -bescherming, bodemgebruik, luchtverontreiniging en de algemene milieugevolgen van producten.

1.5   Door verbeteringen in productieprocessen en producten te ondersteunen kunnen consumenten en gebruikers goederen en diensten worden verschaft die hen in staat stellen gedrag en mentaliteit te veranderen.

1.6   Om duurzame consumptiepatronen en een duurzame levensstijl te bevorderen dient de rol van de consumentenorganisaties en van fairtradeproducenten versterkt te worden, om zo alternatieve consumptiepatronen waarbij geen roofbouw wordt gepleegd, te stimuleren en te beschermen en best practices te ondersteunen.

2.   Inleiding

2.1   In december 2011 heeft de Deense regering het EESC verzocht een verkennend advies op te stellen over het bevorderen van een duurzame consumptie en productie, waarin wordt aangetoond dat de uitweg uit de crisis, herstel, en EU-verbintenissen inzake de strijd tegen klimaatverandering hand in hand kunnen gaan. Onder verwijzing naar het Stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa en de daarin vastgelegde mijlpalen voor een duurzame consumptie en productie (3) heeft de Deense regering het EESC verzocht na te gaan welke instrumenten er moeten komen om de overschakeling van de Europese economie op een duurzame consumptie en productie in de EU mogelijk te maken.

2.2   De economische ontwikkeling is tot op heden gebaseerd geweest op niet-hernieuwbare energiebronnen en grondstoffen, op grond van de opvatting dat de mens „heer en meester over de natuur” is. De productie van goederen en diensten wordt nog altijd gekenmerkt door externalisering van de kosten, die doorberekend zouden moeten worden in heffingen op het verbruik van niet-hernieuwbare natuurlijke hulpbronnen en op de uitstoot van broeikasgassen en verontreinigende stoffen in het milieu. In een markteconomie moet internalisering van deze kosten aan de marktpartijen worden opgelegd door middel van dwingende voorschriften, die zo algemeen mogelijk toegepast moeten worden.

2.3   Een duurzame consumptie en productie houdt in dat gebruik wordt gemaakt van diensten en producten die een hogere meerwaarde opleveren terwijl ze minder natuurlijke hulpbronnen verbruiken, en bezet daarmee een centrale plaats in strategieën die tot doel hebben de hulpbronnenefficiëntie te verbeteren en een groene economie te bevorderen. In 2008 heeft de Commissie haar eerste Actieplan goedgekeurd, dat een reeks maatregelen omvat om een duurzame consumptie en productie te bevorderen (4). Uitgaande van de vastgestelde mijlpalen werkt de Commissie momenteel aan een herziening van haar beleid inzake duurzame consumptie en productie voor 2012.

3.   Duurzame consumptie en productie: noodzakelijke instrumenten en beleid

3.1   Een hernieuwde gezamenlijke visie op het economische model

3.1.1   Een van de redenen waarom het beleid met betrekking tot duurzame consumptie en productie tot op heden nog maar weinig effect heeft gesorteerd, is het feit dat het concept duurzaamheid wel is opgenomen in de EU 2020-strategie, maar vaak over het hoofd wordt gezien in de tenuitvoerlegging van beleid. In het huidige economische model ligt de nadruk op het creëren van groei en het bevorderen van de consumptie, en worden de algemene prestaties beoordeeld op basis van het bbp. Voor de overgang naar duurzame consumptie en productie is een open en transparante discussie nodig over een zelfvoorzienend economisch model waarvan de prestaties geëvalueerd moeten worden op basis van indicatoren die verder gaan dan alleen het bbp en die de ecologische voetafdruk, het menselijke en sociale welzijn en de welvaart meten. Het EESC heeft de Commissie in eerdere adviezen voorgesteld om de handen ineen te slaan en een forum over duurzame consumptie op te zetten aan de hand waarvan bestudeerd kan worden welke waarden de grondslag kunnen vormen van een duurzame economie, welke factoren de burgers ervan weerhouden te kiezen voor duurzame consumptiepatronen, en wat we hebben geleerd op het gebied van levensstijlen met een zo laag mogelijke ecologische impact (5).

3.2   Doelstellingen formuleren en een follow-up uitwerken

3.2.1   Hierbij zijn vele beleidsterreinen betrokken. Om goed te kunnen bijhouden hoeveel vooruitgang er is geboekt met het realiseren van de doelstellingen voor duurzame consumptie en productie en om een beeld te kunnen schetsen van de huidige stand van zaken, moet een degelijke databank over de gevolgen voor het milieu van de productie en consumptie worden ingesteld, zodat de doeltreffendheid van de beleidsinstrumenten kan worden gemeten, strategieën en doelstellingen kunnen worden aangescherpt, prioriteiten kunnen worden bijgesteld en een follow-up kan worden uitgevoerd.

3.3   Het maatschappelijk middenveld in het proces betrekken

3.3.1   Het maatschappelijk middenveld op lokaal, nationaal en mondiaal niveau in het proces betrekken is cruciaal voor een geslaagde overgang naar een groene en duurzame economie. Een dergelijke overgang heeft alleen kans van slagen als duurzame consumptie en productie door bedrijven, consumenten en werknemers worden gezien als een wenselijke mogelijkheid en doelstelling. Er moeten op alle niveaus passende systemen voor dialoogvoering en democratische betrokkenheid worden ingesteld (6).

3.3.2   In dat opzicht moet er een einde komen aan het tegen elkaar uitspelen van industriële investeringen, de concurrentiepositie van Europese ondernemingen en de koopkracht van consumenten. De Europese interne markt zal zeker worden gestimuleerd als de consument meer eisen gaat stellen; daarbij moet de nadruk worden gelegd op de resultaten van Europees onderzoek en moeten de doelstellingen voor milieubescherming worden nagekomen. Ook is het nodig dat investeringen in Europa blijven.

3.4   Het beleid voor duurzame consumptie en productie en het stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa goed op elkaar afstemmen

3.4.1   De Commissie heeft met haar vlaggenschipinitiatief en het Stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa  (7) de bevordering van een efficiënt gebruik van hulpbronnen tot een primordiale kwestie voor de Europese economieën gemaakt. De tenuitvoerlegging van het stappenplan is opgenomen in de EU 2020-strategie en het Europees semester. Het EESC adviseert om de herziening van het actieplan voor duurzame consumptie en productie nauw af te stemmen op de tenuitvoerlegging van het stappenplan en het 7e milieuactieprogramma (8) opdat het beleid voor duurzame consumptie en productie kan profiteren van het toegenomen politieke belang van het efficiënte gebruik van hulpbronnen en van het kader voor de follow-up van het Europees semester. Door bepaalde indicatoren van duurzame consumptie en productie toe te voegen aan de indicatoren voor een efficiënt gebruik van hulpbronnen wordt het fundament gelegd voor de doelstellingen en follow-upsystemen op het gebied van duurzame consumptie en productie.

3.5   De lidstaten aansporen

3.5.1   De eerder voorgestelde doelstellingen voor duurzame consumptie en productie zouden kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van de beleidslijnen die de lidstaten op dit gebied hanteren. Zij kunnen ervan profiteren als het beleid voor duurzame consumptie en productie wordt ingepast in de tenuitvoerlegging van het stappenplan en de door het Europees semester verstrekte follow-up.

3.6   Een breed scala aan beleidsinstrumenten voor duurzame consumptie en productie

3.6.1   Gezien de transversale aard van het beleid ten gunste van duurzame consumptie en productie en de vele aspecten die in aanmerking moeten worden genomen, moet op verschillende niveaus een breed scala aan beleidsinstrumenten vastgesteld of ingezet worden opdat de productie- en consumptiemodellen zich in de richting van duurzaamheid kunnen ontwikkelen. Er is actief beleid nodig op Europees, nationaal en lokaal niveau. De belangrijkste instrumenten moeten bestaan uit zowel regelgeving als vrijwillige maatregelen, met name regelgeving die erop gericht is niet-duurzame producten geleidelijk uit te bannen, instrumenten voor een billijker belastingbeleid, de bevordering van groene overheidsopdrachten, de geleidelijke afschaffing van subsidies waarbij geen rekening wordt gehouden met de nadelige gevolgen voor het milieu, onderzoek en eco-innovatie, de internalisering van milieukosten en andere marktstimulansen die berusten op een actieve bijdrage van consumenten en werknemers aan het overgangsproces (9).

3.6.2   Het actieplan 2008 voor duurzame consumptie en productie van de Europese Commissie was gebaseerd op deze gemengde politieke benadering en moet worden gehandhaafd in het kader van het herzieningsproces. Er zou niettemin overwogen kunnen worden om de ambities naar boven bij te stellen en de instrumenten aan te passen met het oog op de te realiseren doelstellingen, de geringe vooruitgang die tot op heden is geboekt en de mogelijkheden die door de overgang naar een economie met een laag koolstofverbruik en een geringer gebruik van niet-hernieuwbare hulpbronnen biedt om de crisis te boven te komen.

3.6.3   De instrumenten die gebruikt worden in het kader van duurzame consumptie en productie zijn grotendeels vrijwillig en gebaseerd op gegevens (milieukeur, EMAS, campagnes voor de bewustmaking van de consument, enz.). Er maken nog maar weinig bedrijven en consumenten gebruik van deze instrumenten, alleen bepaalde sectoren en segmenten van de maatschappij doen dat. Het zal niet gemakkelijk worden om dit gebruik te toen toenemen en verder te gaan op de ingeslagen weg. Regelgevingsinstrumenten zijn onmisbaar om niet-duurzame consumentenproducten en consumptiemodellen geleidelijk uit te bannen.

3.7   Concentreren op de gebieden met de grootste ecologische voetafdruk

3.7.1   De meeste nadelige gevolgen voor het milieu worden veroorzaakt door de consumptie van levensmiddelen en dranken, huisvesting, infrastructuur en mobiliteit plus de industriële en energieproductie. Het toekomstige beleid voor duurzame consumptie en productie moet zich daarom richten op al deze verschillende vlakken. Gezien het feit dat de grote impact op het milieu van de consumptie van levensmiddelen en dranken sterk verband houdt met de landbouwsector, dient het beleid op dit gebied te worden afgestemd op het beleid ten behoeve van duurzame landbouw.

3.7.2   Duurzame landbouw houdt in dat er doordacht gebruik gemaakt wordt van natuurlijke input, dat biologische bedrijven worden gesteund en dat de voedingsmiddelenindustrie garandeert gezonde en niet-vervuilde voedingsmiddelen te leveren aan tussen- en eindverbruikers. Voor het EESC is de sleutel voor een duurzame landbouw het behoud van een kwantitatief toereikende, kwalitatief hoogwaardige en regionaal gedifferentieerde, overal bedreven en milieuvriendelijke voedingsmiddelenproductie, die het Europese platteland beschermt en in stand houdt, geen bedreiging vormt voor de veelheid aan en de specifieke kenmerken van producten, en de rijk geschakeerde Europese cultuurlandschappen met grote soortenvariatie alsmede de landelijke gebieden in Europa tot bloei laat komen (10).

3.8   Verder kijken dan alleen naar energie en de uitstoot van broeikasgassen om ook aandacht te besteden aan andere hulpbronnen en gevolgen voor het milieu

3.8.1   De afgelopen jaren is er in het kader van het beleid voor duurzame consumptie en productie bijzonder veel aandacht besteed aan zaken als energieverbruik en de uitstoot van broeikasgassen. Productie en consumptie hebben echter ook nog andere, niet te verwaarlozen gevolgen op gebieden als het beheer en de bescherming van water, grondgebruik en luchtvervuiling. Het toekomstige beleid ten gunste van duurzame consumptie en productie zou er daarom voor moeten zorgen dat beleidsinstrumenten voor het gebruik van hulpbronnen ook voor andere gebieden dan elektriciteit worden gebruikt, waarbij rekening wordt gehouden met het algemene milieueffect.

3.9   Verbetering van productieprocessen en producten

3.9.1   Om producenten ertoe aan te zetten de milieuprestaties van hun producten tijdens de hele levenscyclus te verbeteren, moet het beginsel van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid zoals dat is vastgelegd in de wetgeving worden uitgeroepen tot algemeen beginsel en fungeren als grondslag voor de juridische aansprakelijkheid van bedrijven.

3.9.2   Om het streefdoel van duurzame producten dichterbij te brengen is een tweesporenbeleid nodig. Het onderzoek naar milieuvriendelijke producten en de ontwikkeling daarvan moet worden bevorderd via overheidsfinanciering en op innovatie gerichte stimuleringsmaatregelen. Daarnaast moet regelgeving zoals de richtlijn inzake ecologisch ontwerp worden gebruikt om niet-duurzame producten geleidelijk aan af te schaffen. Dit houdt in dat het toepassingsgebied van deze richtlijn wordt uitgebreid en dat er vaart wordt gezet achter de uitvoering ervan.

3.9.3   Transparantie op het gebied van de milieuprestaties van producten en diensten is cruciaal om bedrijven en consumenten ertoe te bewegen te kiezen voor duurzaamheid. Het Comité kan zich vinden in het voorstel van de Commissie (in het kader van de raadpleging over het beleid inzake duurzame consumptie en productie) om in dit verband gebruik te maken van de methodes om de ecologische voetafdruk van een product te bepalen. Om de gegevens over duurzaamheid tijdens alle fases van de bevoorrading beter te verspreiden zijn daarnaast ook andere instrumenten nodig (sociale criteria die verder reiken dan het bbp bv.).

3.9.4   Er moet meer aandacht uitgaan naar nieuwe handelsmodellen, waarin het accent wordt verplaatst van de materiaalstromen naar het creëren van waarde en welzijn. Zo is het bv. beter een product te leasen dan te kopen, moet autodelen worden gepromoot en moet het aantal lege ritten van vrachtwagens worden teruggebracht door verbetering van de logistieke samenwerking tussen bedrijven.

3.10   Het promoten van duurzame consumptiemodellen en een duurzame manier van leven

3.10.1   Meer dan in het verleden moet aandacht worden besteed aan veranderingen in het consumptiepatroon. Het is de bedoeling dat consumptie steeds meer wordt losgekoppeld van negatieve milieugevolgen. Om consumenten aan te zetten tot duurzaam gedrag, dat rekening houdt met de duur van de herstelcycli van hulpbronnen en de grenzen daaraan en met de wereldwijde impact (import en export) van de Europese interne markt, moet een hele waaier aan beleidsinstrumenten worden ingezet.

3.10.2   Bij het uitstippelen van het beleid inzake duurzame consumptie en productie mag niet worden vergeten dat de consument pas duurzame keuzes kan maken als er betaalbare duurzame producten en diensten op de markt zijn, hij over duidelijke en betrouwbare informatie beschikt, en de nodige economische stimulansen krijgt. M.n. zijn dus maatregelen nodig om de voorlichting aan de consument te verbeteren, zodat hij geen tegenstrijdige informatie krijgt, en om „green-washing” tegen te gaan.

3.10.3   De maatregelen moeten erop gericht zijn de rol van consumentenverenigingen als motor achter verandering te versterken en de maatschappelijke dialoog over een duurzame manier van leven aan te zwengelen door het oprichten van discussiefora waar standpunten, ervaringen en best practices kunnen worden uitgewisseld.

3.10.4   Om de overschakeling op een duurzame manier van leven mogelijk te maken moet worden geïnvesteerd in de nodige openbare infrastructuur: zo kan het openbaar vervoer pas echt een alternatief bieden voor de auto als een modern openbaarvervoerssysteem wordt uitgebouwd, vereist duurzaam vervoer, waarbij gebruik wordt gemaakt van elektriciteit en biobrandstoffen, de nodige infrastructuur, en is een kringloopeconomie ondenkbaar zonder efficiënte terugnamesystemen en de inzameling van afgedankte producten.

3.10.5   Het EESC heeft er eerder al op gewezen hoe belangrijk voorlichting is om mensen consequent voor duurzaamheid te doen kiezen. Het wil er hier nogmaals op wijzen dat dergelijke voorlichtingsprogramma's niet beperkt mogen blijven tot scholen en jongeren - hoe belangrijk ook - maar gericht moeten zijn op alle burgers, ongeacht hun leeftijd en sociale achtergrond. Bijzondere aandacht moet uitgaan naar het feit dat sommige groepen in diverse opzichten blootgesteld zijn aan milieurisico's en –schade.

3.10.6   Of consumenten duurzame keuzes maken wordt in grote mate bepaald door de expediteurs, de detailhandel en de andere schakels van de bevoorradingsketen; de productie wereldwijd, de logistiek, enz. verlopen immers op hún voorwaarden. De Commissie heeft in het verleden samengewerkt met de belangrijkste Europese detailhandelaars in het kader van een detailhandelsforum. Zij zou kunnen overwegen ook expediteurs, de logistieke sector, enz. daarbij te betrekken.

3.10.7   Groene overheidsopdrachten zijn de drijvende kracht achter de ontwikkeling van de markten voor duurzame producten. Het is dan ook zaak na te gaan hoe het beleid inzake groene overheidsopdrachten nog efficiënter kan.

3.11   Opnemen van economische stimulansen in het fiscaal beleid

3.11.1   Het effect van de maatregelen ter bevordering van duurzame productie en consumptie kan nog worden versterkt als bedrijfsleven en consumenten ertoe worden aangezet consequent voor duurzaamheid te kiezen via economische stimulansen, die vanzelfsprekend niet alleen betrekking hebben op de marktprijzen. Het beleid inzake duurzame productie en consumptie moet dan ook hand in hand gaan met een vergroening van het belastingstelsel. Zo zouden economische stimulansen moeten worden ingevoerd om ervoor te zorgen dat alle partijen – grote bedrijven en MKB, en burgers, ondernemingen en consumenten – in gelijke mate bijdragen aan een succesvolle overgang. Daarnaast moeten subsidies die schadelijk zijn voor het milieu stapsgewijs worden afgeschaft. Deze inspanningen zullen evenwel niets opleveren als niet zeker is dat de opbrengst van een nieuwe belasting op niet-duurzame hulpbronnen daadwerkelijk naar de financiering van de sociale zekerheid zal gaan. Een dergelijke ontwikkeling zou gevaarlijk, duur en zinloos zijn. Hoe dan ook zijn belastingen een nationale aangelegenheid, en het aanwakkeren van de fiscale concurrentie tussen de lidstaten zal de duurzaamheid niet ten goede komen.

3.12   Een eerlijke overgang verzekeren

3.12.1   De overgang naar een groene economie kan pas blijvend zijn als zogenoemde „groene” banen worden gecreëerd en de productieprocessen milieuvriendelijker worden gemaakt. We denken dan aan de productie van hernieuwbare energie, duurzaam vervoer en energie-efficiënte woningen. Willen we de vruchten kunnen plukken van deze overgang dan moet worden gewerkt aan de bevordering van de sociale dialoog, waarbij moet worden gestreefd naar fatsoenlijke kwaliteitsbanen (wat betreft salaris, arbeidsvoorwaarden en carrièremogelijkheden). Groene economische activiteiten en markten moeten actief worden bevorderd en er moet steun worden verleend aan beroepsopleiding en omscholing, zodat mensen de nodige vakbekwaamheid kunnen opdoen (11); daarbij dient de gendergelijkheid, alsook de gelijke deelname van mannen en vrouwen aan het overgangsproces, bevorderd te worden.

Brussel, 26 april 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  COM(2011) 571 final.

(2)  EESC-advies over Reguleren van financiële diensten ter bevordering van duurzame groei, rapporteur: de heer IOZIA, PB C 107 van 6.4.2011, blz. 21, en EESC-advies over Naar een intensivering van de economische beleidscoördinatie ten behoeve van stabiliteit, groei en werkgelegenheid – Instrumenten voor een krachtigere economische governance van de EU, rapporteur: de heer PALMIERI, PB C 107 van 6.4.2011, blz. 7.

(3)  COM(2011) 571 final, blz. 6 en 7.

(4)  COM(2008) 397 final.

(5)  EESC-advies over Werken aan een duurzame economie: ons consumptiepatroon veranderen, rapporteur mevr. DARMANIN, PB C 44 van 11.2.2011, blz. 57; en EESC-advies over Het bbp en verder – Het maatschappelijk middenveld betrekken in het proces voor de selectie van aanvullende indicatoren (initiatiefadvies), rapporteur: de heer PALMIERI (nog niet gepubliceerd in het PB).

(6)  PB C 44 van 11.02.2011, p. 57.

(7)  COM(2011) 571 final, EESC-advies over het Stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa, rapporteur: mevrouw EGAN (nog niet gepubliceerd in het PB).

(8)  EESC-advies over het Zevende milieuactieprogramma en de follow-up van het zesde MAP, rapporteur: de heer RIBBE, Zie bladzijde 1van dit Publicatieblad.

(9)  Zie ook het EESC-advies over Het standpunt van het EESC inzake de voorbereiding van de VN-conferentie over duurzame ontwikkeling (Rio+20), rapporteur: de heer WILMS, PB C 143 van 22 mei 2012, blz. 2012.

(10)  EESC-advies over Rio+20: naar een groene economie en betere governance, Rapporteur: de heer WILMS, PB C 376 van 22 december 2011, blz. 102-109.

(11)  EESC-advies over Bevordering van duurzame groene banen in het kader van het EU-energie- en klimaatveranderingspakket, rapporteur: de heer IOZIA, PB C 44 van 11.2.2011, blz. 110.


Top