EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52011XG1220(02)

Conclusies van de Raad over de bescherming van kinderen in de digitale wereld

OJ C 372, 20.12.2011, p. 15–18 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

20.12.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 372/15


Conclusies van de Raad over de bescherming van kinderen in de digitale wereld

2011/C 372/04

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

HERINNEREND AAN de politieke achtergrond van dit vraagstuk, die in de bijlage bij deze conclusies wordt toegelicht,

NEEMT MET BELANGSTELLING KENNIS VAN:

Het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over de toepassing van de aanbeveling van de Raad van 24 september 1998 betreffende de bescherming van minderjarigen en de menselijke waardigheid (1) en van de aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende de bescherming van minderjarigen en de menselijke waardigheid en het recht op weerwoord in verband met de concurrentiepositie van de Europese industrie van audiovisuele en online-informatiediensten (2) — Bescherming van kinderen in de digitale wereld (3); en met name van het feit dat de huidige uitdagingen inzake de bescherming van minderjarigen in de online- en digitale media in het verslag worden besproken;

NEEMT NOTA VAN:

Het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (4);

BEKLEMTOONT DAT:

1.

Willen de audiovisuele media en het internet maximale kansen kunnen bieden, een veilige mediaomgeving voor minderjarigen nodig is, die de menselijke waardigheid, veiligheid en eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer als uitgangspunten heeft;

2.

Mediageletterdheid en bewustmaking belangrijke hulpmiddelen zijn die de digitale vaardigheden van kinderen, ouders en leerkrachten aanzienlijk kunnen verbeteren en hun kritische benadering van audiovisuele en online-inhoud kunnen ontwikkelen; gezien de snelle wijzigingen in de digitale omgeving is het echter belangrijk de inspanningen op dit gebied te intensiveren;

3.

Maatregelen tegen illegale online-inhoud, zoals kinderpornografie, een andere aanpak vergen dan maatregelen om kinderen te beletten in contact te komen met schadelijke online-inhoud;

4.

Het belangrijk is dat lidstaten, de Commissie, de audiovisuele industrie en de aanbieders van online-internetdiensten zich bewust zijn van de nieuwe uitdagingen inzake de bescherming en de weerbaarheid van minderjarigen die verband houden met de ontwikkelingen binnen de audiovisuele en online-informatiediensten, en dat zij tevens de bestaande instrumenten voor het aangaan van deze uitdagingen kennen;

5.

Het bevorderen van diverse maatregelen om minderjarigen een betere bescherming te bieden en weerbaarder te maken door de lidstaten weliswaar actief is nagestreefd, maar dat er nog steeds bezorgdheid heerst over een algemeen ontoereikend niveau van bescherming en mediageletterdheid en over het ontbreken van continuïteit met betrekking tot een aantal van deze maatregelen;

ERKENT HETGEEN VOLGT:

1.

De onafhankelijkheid van de media dient te worden geëerbiedigd, maar voor de media-industrie is een essentiële rol weggelegd bij de bewustmaking en de bescherming van minderjarigen in de digitale wereld en het vergroten van hun weerbaarheid;

2.

Bij het beschermen van minderjarigen en het bevorderen van de ontwikkeling van goede praktijken en normen in de media volgen de lidstaten verschillende benaderingen; zelfregulering en co-regulering behoren in dit verband tot de mogelijkheden;

3.

Technische systemen (zoals filters, leeftijdsverificatiesytemen, controlesystemen voor ouders) zijn weliswaar geen oplossingen op zich, maar kunnen, mits doeltreffend toegepast, een geschikt middel zijn om minderjarigen toegang te bieden tot op hun leeftijd afgestemde inhoud;

4.

Bewustmaking en mediageletterdheid zijn belangrijke instrumenten ter verbetering van het vermogen van kinderen om het hoofd te bieden aan mogelijke risico's waarmee zij in de digitale wereld worden geconfronteerd;

5.

Het actieplan voor een veiliger internet, en de daaruit gefinancierde projecten zoals EU Kids Online (5) of INSAFE (6), hebben hun waarde op het gebied van bewustmaking en onderzoek bewezen;

6.

Sociale netwerksites genieten onder minderjarigen een groeiende populariteit en bieden grote kansen in particuliere en onderwijskundige context, maar kennen ook een risico;

7.

Er zijn maatregelen genomen om illegale inhoud te verbieden en schadelijke inhoud aan te pakken, met name door vrijwillige verbintenissen van aanbieders van diensten en inhoud; dit is een succesvolle manier gebleken om de veiligheid van minderjarigen in de digitale wereld te verbeteren;

8.

Meldpunten voor illegale inhoud (hotlines (7)) kunnen helpen om illegale inhoud op te sporen en te vervolgen, en consumenten assertiever te maken bij het melden van dergelijke inhoud op het internet;

9.

De richtlijn audiovisuele mediadiensten bevat voorschriften voor de bescherming van minderjarigen, zowel ten aanzien van lineaire als ten aanzien van non-lineaire audiovisuele mediadiensten;

VERZOEKT DE LIDSTATEN, MET INACHTNEMING VAN DE VRIJHEID VAN MENINGSUITING, OM:

1.

De werkzaamheden inzake de bescherming van minderjarigen voort te zetten door het bevorderen van het grootschalig gebruik van bewustmakingscampagnes voor kinderen, ouders, leerkrachten en andere personen die met kinderen werken, alsmede van de consistentie van het onderricht in online-veiligheid en mediageletterdheid in scholen en in instellingen voor onderwijs en opvang voor jonge kinderen;

2.

De aanbieders van onlinemedia-inhoud, aanbieders van internetdiensten, sociale netwerksites en onlinediscussiefora aan te moedigen om bij het opzetten van hun diensten ten volle rekening te houden met de bescherming van minderjarigen en gedragscodes op dit gebied uit te werken en te onderschrijven;

3.

De ontwikkeling en etikettering van, en de toegang tot kwalitatief hoogwaardige, geschikte inhoud voor minderjarigen aan te moedigen;

4.

Het gebruik van passende technologische hulpmiddelen voor de bescherming van minderjarigen (zoals speciale zoekmachines, ouderlijk toezicht) aan te moedigen en te garanderen dat deze instrumenten ruim beschikbaar en gebruikersvriendelijk zijn;

5.

De bestaande maatregelen ter bestrijding van illegale en schadelijke inhoud te monitoren om de doeltreffendheid ervan te garanderen;

6.

Ervoor te zorgen dat zelfregulerende classificatiesystemen (met name PEGI en PEGI Online) ruimer en frequenter worden toegepast op online- en offlinevideospellen, en dat de detailhandelsmarkt strakker de hand houdt aan leeftijdsclassificaties teneinde te voorkomen dat online- en offlinevideospellen aan te jonge kinderen verkocht worden;

7.

De samenwerking met betrekking tot illegale en schadelijke internetinhoud van oorsprong uit andere lidstaten en landen buiten de EU te verbeteren, bijvoorbeeld door overeenkomsten met derde landen te sluiten met betrekking tot illegale inhoud, alsmede door de uitwisseling van beste praktijken met betrekking tot schadelijke inhoud;

8.

Vóór 2013 (8) nog meer hotlines te installeren voor de rapportage van illegale online-inhoud, de efficiëntie van deze hotlines te verbeteren, bijvoorbeeld door het ondersteunen van het uitwisselen van beste werkmethoden voor interacties met rechthandhavingsinstanties, deze bekender en toegankelijker te maken voor internetgebruikers, en deze hotlines nauwlettend te controleren;

MOEDIGT DE BELANGHEBBENDEN AAN OM:

1.

De gebruikers en, waar van toepassing, de overheid verder te betrekken bij de opstelling of herziening van zelfreguleringsinstrumenten (gedragscodes) door de audiovisuele industrie en de ISP-verenigingen, en op de toepassing ervan toe te zien;

2.

Richtsnoeren zoals de „Safer Social Networking Principles for the EU” te onderschrijven, deze consequent toe te passen en toe te zien op de toepassing ervan, alsmede te zorgen voor een wijder verbreid gebruik van de „standaard privacy”-instellingen voor kinderen die sociale netwerksites gebruiken, teneinde de veiligheid van minderjarigen te beschermen;

3.

Zelfreguleringsinstrumenten verder te ontwikkelen en toe te passen die, bij het opzetten van hun diensten en in de hulpmiddelen die in dit verband ter beschikking van hun gebruikers worden gesteld, ten volle rekening houden met de bescherming van minderjarigen, en voorts gedragcodes ter bescherming van minderjarigen uit te werken, te onderschrijven en toe te passen;

4.

Een pan-Europese gedragscode op te stellen voor de verkoop van videospellen aan minderjarigen, met volledige inachtneming van de nationale regelgevingen op dit gebied;

VERZOEKT DE COMMISSIE:

1.

Voort te bouwen op lopende financiering en acties op dit gebied, vooral in het kader van het actieplan voor een veiliger internet, met het oog op het tot stand brengen, op Europees niveau, van passende infrastructuur en diensten voor het delen van de middelen en instrumenten om minderjarigen te beschermen en kinderen, ouders, leerkrachten en andere zorgverstrekkers weerbaar te maken, zodat zij een veilig en verantwoord gebruik kunnen maken van het internet en nieuwe technologieën;

2.

Zich te beraden op een dialoog met de betrokkenen, in samenwerking met de lidstaten, over het vervolg dat moet worden gegeven aan het verslag van de Commissie over de opvolging van de aanbevelingen van 1998 en 2006 op dit gebied;

3.

Gebruik te maken van de bevindingen van het verslag van de Commissie over de opvolging van de aanbevelingen betreffende de bescherming van minderjarigen van 1998 en 2006 in de context van de binnenkort verwachte initiatieven met betrekking tot de bescherming van minderjarigen, met name ten aanzien van onlinemedia;

VERZOEKT DE LIDSTATEN EN DE COMMISSIE OM BINNEN HUN RESPECTIEVE BEVOEGDHEDEN:

1.

De rechthandhavingsinstanties te ondersteunen bij het verbeteren van de procedures voor het identificeren, melden en van het internet verwijderen van webpagina's die kinderpornografie bevatten of verspreiden door, waar van toepassing, te zorgen voor passende financiële en personele middelen, alsmede opleiding van personeel (9);

2.

Met behulp van enquêtes en onderzoeken een beter inzicht trachten te verwerven in de positieve en negatieve gevolgen van het gebruik van online- en digitale media, met inbegrip van videospellen, voor kinderen;

3.

Bewustmaking en onderwijs met betrekking tot online-veiligheid op scholen, alsmede in instellingen voor onderwijs en opvang voor jonge kinderen te bevorderen;

4.

Mediageletterdheid en de „digitale competentie” als sleutelcompetentie voor een leven lang leren (10) te bevorderen, zowel binnen als buiten de scholen;

5.

Het verrichte werk te actualiseren en de richtsnoeren voor kwalitatief hoogwaardige online-inhoud voor kinderen in het kader van publiek-private partnerschappen doortastender toe te passen, mede door het bevorderen van activiteiten op het gebied van mediageletterdheid;

6.

In Europa samenhangender leeftijdsclassificatie- en inhoudsbeoordelingssystemen van de lidstaten aan te moedigen, met ruimte voor culturele verschillen tussen de lidstaten.


(1)  PB L 270 van 7.10.1998, blz. 48.

(2)  PB L 378 van 27.12.2006, blz. 72.

(3)  14268/11 + ADD 1 — COM(2011) 556 definitief + SEC(2011) 1043 definitief.

(4)  COM(2011) 665.

(5)  www.eukidsonline.net

(6)  Europees netwerk van bewustmakingscentra (www.saferinternet.org).

(7)  Zoals INHOPE (het internationaal samenwerkingsverband van internetmeldpunten).

(8)  Actie 40 van de digitale agenda voor Europa.

(9)  Zie het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad (PE-CONS 51/11).

(10)  Zie Aanbeveling 2006/962/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren.


BIJLAGE

Politieke achtergrond

Bij het aannemen van deze conclusies verwijst de Raad met name naar de volgende teksten:

de mededeling van de Commissie van 19 mei 2010„Een digitale agenda voor Europa” (1), waarin onderstreept wordt dat teneinde „de beveiliging in de digitale maatschappij te versterken, zowel individuen als particuliere en openbare instanties in hun eigen omgeving en op mondiaal vlak hun verantwoordelijkheid moeten opnemen”, alsmede de conclusies van de Raad van 31 mei 2010 over een digitale agenda voor Europa (2);

Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (de richtlijn audiovisuele mediadiensten) (3);

de mededeling van de Commissie van 22 april 2008 betreffende de bescherming van consumenten, in het bijzonder minderjarigen, met betrekking tot het gebruik van videospellen (4);

Besluit nr. 1351/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 tot vaststelling van een meerjarenprogramma van de Gemeenschap betreffende de bescherming van kinderen die het internet en andere communicatietechnologieën gebruiken (5);

de conclusies van de Raad van 27 november 2009 over mediageletterdheid in de digitale omgeving (6), waarin de Raad reageerde op de aanbeveling van de Commissie van 20 augustus 2009 betreffende mediageletterdheid in de digitale omgeving voor een meer concurrerende audiovisuele en inhoudsindustrie en een inclusieve kennismaatschappij (7);

de conclusies van de Raad van 22 mei 2008 over een Europese aanpak van mediageletterdheid in de digitale omgeving (8);

de mededeling van de Commissie van 20 december 2007 over een Europese aanpak van mediageletterdheid in de digitale omgeving (9).


(1)  Doc. 9981/1/10, COM(2010) 245 definitief/2.

(2)  Doc. 10130/10.

(3)  PB L 95 van 15.4.2010, blz. 1.

(4)  Doc. 8805/08 — COM(2008) 207 definitief.

(5)  PB L 348 van 24.12.2008, blz. 118.

(6)  PB C 301 van 11.12.2009, blz. 12.

(7)  PB L 227 van 29.8.2009, blz. 9.

(8)  PB C 140 van 6.6.2008, blz. 8.

(9)  COM(2007) 833 definitief.


Top