EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52011XC1214(03)

Kaderregeling inzake staatssteun aan de scheepsbouw

OJ C 364, 14.12.2011, p. 9–13 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

14.12.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 364/9


KADERREGELING INZAKE STAATSSTEUN AAN DE SCHEEPSBOUW

2011/C 364/06

1.   INLEIDING

1.

Sedert het begin van de jaren zeventig gelden voor staatssteun aan de scheepsbouw een aantal specifieke regelingen, die geleidelijk aan de horizontale bepalingen inzake staatssteun zijn aangepast. De thans geldende kaderregeling inzake staatssteun aan de scheepsbouw (1) vervalt op 31 december 2011. Overeenkomstig haar beleid om de staatssteunregels transparanter en eenvoudiger te maken, streeft de Commissie ernaar de verschillen tussen de regels voor de scheepsbouwsector en die voor andere industriële sectoren zoveel mogelijk op te heffen, door de algemene horizontale bepalingen uit te breiden tot de scheepsbouwsector (2).

2.

De Commissie erkent niettemin dat bepaalde aspecten de scheepsbouw van andere sectoren onderscheiden, zoals de korte productiereeksen, de grootte, waarde en complexiteit van de geproduceerde eenheden, en het feit dat prototypes doorgaans commercieel worden gebruikt.

3.

Gelet op deze bijzondere kenmerken acht de Commissie het gepast specifieke bepalingen te blijven toepassen ten aanzien van innovatiesteun voor de scheepsbouwsector en ervoor te zorgen dat deze steun de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt, niet zodanig verandert dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad.

4.

Staatssteun voor innovatie moet ertoe leiden dat de begunstigde van de steun zijn gedrag wijzigt zodat hij zijn activiteiten op innovatiegebied uitbreidt, en er aldus innovatieprojecten of -activiteiten plaatsvinden die anders niet, of op beperktere schaal, zouden zijn uitgevoerd. Een stimulerend effect kan worden vastgesteld door middel van een contrafeitelijke analyse, waarbij het niveau van de geplande activiteiten mét en zonder steun wordt vergeleken. Daarom zijn in deze kaderregeling specifieke vereisten vastgelegd aan de hand waarvan de lidstaten kunnen garanderen dat er sprake is van een stimulerend effect.

5.

In samenspraak met de sector zijn informele regels inzake innovatiesteun voor de scheepsbouw ontwikkeld, met name met betrekking tot de subsidiabele kosten en de bevestiging van het innoverende karakter van het project, welke door de Commissie in haar besluitvormingspraktijk zijn toegepast. In het belang van de transparantie moeten die regels formeel in de regels inzake innovatiesteun worden opgenomen.

6.

Wat regionale steun betreft, zal de Commissie de horizontale richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen 2007-2013 (3) in 2013 herzien. De Commissie zal daarom tot die tijd dezelfde specifieke regels op het gebied van regionale steun in de scheepsbouwsector blijven toepassen als die welke momenteel in de kaderregeling van 2003 zijn vervat. Zij zal de situatie opnieuw beoordelen in de context van de herziening van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen.

7.

Wat exportkredieten betreft, wordt met deze kaderregeling beoogd de toepasselijke internationale verplichtingen in acht te nemen.

8.

Deze kaderregeling bevat dan ook specifieke bepalingen zowel met betrekking tot innovatiesteun en regionale steun aan de scheepsbouw als met betrekking tot exportkredieten. Daarnaast kan steun aan de scheepsbouwsector op grond van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en in het kader van de horizontale staatssteuninstrumenten (4) als verenigbaar met de interne markt worden beschouwd, tenzij in die instrumenten anders is bepaald.

9.

Overeenkomstig artikel 346 van het Verdrag en met inachtneming van artikel 348 van het Verdrag kan elke lidstaat de maatregelen nemen die hij noodzakelijk acht voor de bescherming van de wezenlijke belangen van zijn veiligheid ten aanzien van de financiering met betrekking tot militaire schepen.

10.

De Commissie is voornemens de in deze kaderregeling vervatte beginselen van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2013 toe te passen. De Commissie overweegt om na die datum de bepalingen betreffende innovatiesteun in de communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (5) op te nemen, en regionale steun ten behoeve van scheepsbouw in de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen te integreren.

2.   TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

11.

Uit hoofde van deze kaderregeling kan de Commissie haar goedkeuring hechten aan steun aan scheepswerven of, in het geval van exportkredieten, aan steun aan reders die voor het bouwen, het repareren of het verbouwen van schepen wordt verleend, alsmede aan innovatiesteun voor de bouw van drijvende en bewegende offshore-constructies.

12.

Voor de toepassing van deze kaderregeling wordt verstaan onder:

a)   „scheepsbouw”: de bouw in de Unie van zichzelf voortstuwende commerciële schepen;

b)   „scheepsreparatie”: de reparatie of modernisering in de Unie van zichzelf voortstuwende commerciële schepen;

c)   „scheepsverbouwing”: de verbouwing in de Unie van zichzelf voortstuwende commerciële schepen van 1 000 bt (6) of meer, voor zover de uitgevoerde werken een ingrijpende wijziging van het laadplan, de romp, het voortstuwingsmechanisme of de passagiersverblijven met zich brengen;

d)   „zichzelf voortstuwende commerciële schepen”: schepen die door hun permanente voortstuwing en besturing alle kenmerken van autonome bestuurbaarheid op zee en op de binnenwateren bezitten en tot één van de onderstaande categorieën behoren:

i)zeeschepen van 100 bt of meer en binnenschepen van overeenkomstige grootte voor het vervoer van passagiers en/of goederen;ii)zeeschepen van 100 bt of meer en binnenschepen van overeenkomstige grootte voor het verrichten van een speciale dienst (bijvoorbeeld baggerschepen en ijsbrekers);iii)sleepboten van 365 kW of meer;iv)niet-afgewerkte casco's van de in de punten i), ii) en iii) bedoelde schepen, die drijvend en mobiel zijn;

e)   „drijvende en bewegende offshore-constructies”: constructies voor de exploratie, exploitatie of productie van olie, gas of hernieuwbare energie die de kenmerken van een commercieel schip bezitten, doch zonder eigen voortstuwing, en die zijn bedoeld om meermaals te worden verplaatst terwijl zij in bedrijf zijn.

3.   SPECIFIEKE MAATREGELEN

3.1.   Regionale steun

13.

Regionale steun ten behoeve van scheepsbouw, scheepsreparatie of scheepsverbouwing kan met de interne markt verenigbaar worden geacht, wanneer deze met name aan de volgende voorwaarden voldoet:

a)

de steun wordt toegekend ten behoeve van investeringen in de aanpassing of modernisering van bestaande werven en is niet gekoppeld aan een financiële herstructurering van de betrokken werf of werven, met als doel de productiviteit van bestaande installaties te verbeteren;

b)

in de in artikel 107, lid 3, onder a), van het Verdrag bedoelde gebieden die met de door de Commissie voor elke lidstaat goedgekeurde regionale-steunkaart in overeenstemming zijn, bedraagt de steunintensiteit niet meer dan 22,5 % brutosubsidie-equivalent;

c)

in de in artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag bedoelde gebieden die met de door de Commissie voor elke lidstaat goedgekeurde regionale-steunkaart in overeenstemming zijn, bedraagt de steunintensiteit niet meer dan 12,5 % brutosubsidie-equivalent of niet meer dan het toepasselijke plafond voor regionale steun, indien dat lager is;

d)

de steun is beperkt tot het steunen van in aanmerking komende uitgaven als gedefinieerd in de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen 2007-2013.

3.2.   Innovatiesteun

3.2.1.   Subsidiabele toepassingen

14.

Innovatiesteun voor scheepsbouw-, scheepsreparatie- of scheepsverbouwingswerven kan tot een bruto-intensiteit van ten hoogste 20 % verenigbaar worden geacht met de interne markt, mits de steun betrekking heeft op de industriële toepassing van innoverende producten en processen, dat wil zeggen producten en processen die in technologisch opzicht nieuw zijn of een wezenlijke verbetering inhouden ten opzichte van de huidige situatie in de scheepsbouwsector in de Unie, en die een risico op technologische of industriële mislukking inhouden. Innovatiesteun voor de uitrusting en modernisering van vissersvaartuigen wordt niet als met de interne markt verenigbaar beschouwd, tenzij de voorwaarden van artikel 25, leden 2 en 6, van Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad van 27 juli 2006 inzake het Europees Visserijfonds (7) of daarvoor in de plaats tredende bepalingen zijn vervuld. Er kan geen steun aan een scheepswerf worden verleend indien ten aanzien van hetzelfde vaartuig steun uit het Europese Visserijfonds of uit een daarvoor in de plaats tredend instrument dan wel andere overheidssteun wordt verleend.

15.

Innoverende producten en processen in de zin van punt 14 houden verbeteringen op milieugebied in met betrekking tot kwaliteit en prestaties, zoals het optimaliseren van het brandstofverbruik, de uitstoot van motoren, afval en veiligheid.

16.

Wanneer innovatie betere milieubescherming tot doel heeft en ertoe leidt dat minstens een jaar voordat normen van de Unie worden vastgesteld, aan die normen worden voldaan of, indien er geen normen van de Unie zijn, het niveau van milieubescherming doet stijgen of het mogelijk maakt verder te gaan dan de normen van de Unie, kan de maximum steunintensiteit tot 30 % bruto worden verhoogd. De begrippen „normen van de Unie” en „milieubescherming” hebben de betekenis die daaraan in de communautaire richtsnoeren inzake staatssteun voor milieubescherming is gegeven.

17.

Voor zover zij voldoen aan de in punt 14 genoemde criteria, kunnen innoverende producten betrekking hebben op een nieuwe scheepsklasse, dat wil zeggen het eerste schip van een potentiële serie zeeschepen (prototype), of op innoverende onderdelen van een zeeschip die als afzonderlijk element van het schip kunnen worden onderscheiden.

18.

Voor zover zij voldoen aan de in punt 14 genoemde criteria, zullen innoverende processen betrekking hebben op de ontwikkeling en toepassing van nieuwe processen op het gebied van productie, management, logistiek en techniek.

19.

Innovatiesteun kan alleen als verenigbaar met de interne markt worden beschouwd wanneer deze voor de eerste industriële toepassing van producten en processen wordt verleend.

3.2.2.   Subsidiabele kosten

20.

Innovatiesteun voor producten en processen moet worden beperkt tot het ondersteunen van uitgaven voor investeringen, ontwerp, engineering- en testactiviteiten die rechtstreeks en uitsluitend verband houden met het innoverende deel van het project en die na de datum van aanvraag van innovatiesteun zijn gedaan (8).

21.

De subsidiabele kosten omvatten de kosten van de werf alsook de kosten voor de levering van goederen en diensten van derden (bijvoorbeeld systeemleveranciers, turnkey-leveranciers, toeleveranciers), in zoverre die goederen en diensten strikt verband houden met de innovatie. De subsidiabele kosten worden in de bijlage nader beschreven.

22.

De desbetreffende door de lidstaat met het oog op het aanvragen van innovatiesteun aangewezen nationale instantie moet de subsidiabele kosten onderzoeken op basis van de door de aanvrager verstrekte en onderbouwde ramingen. Indien in de aanvraag de kosten voor de aankoop van goederen en diensten bij leveranciers zijn begrepen, mag de leverancier ten aanzien van die goederen of diensten geen staatssteun voor dezelfde doeleinden hebben ontvangen.

3.2.3.   Bevestiging van het innoverende karakter van het project

23.

Om ervoor te zorgen dat innovatiesteun uit hoofde van deze kaderregeling als verenigbaar met de interne markt kan worden beschouwd, moeten aanvragen van innovatiesteun bij de desbetreffende nationale instantie worden ingediend voordat de aanvrager een bindende overeenkomst aangaat ter uitvoering van het specifieke project waarvoor de steun wordt gevraagd. De aanvraag moet een beschrijving van de innovatie omvatten, zowel in kwalitatieve als in kwantitatieve zin.

24.

De desbetreffende nationale instantie moet een onafhankelijke en technisch bevoegde deskundige verzoeken te bevestigen dat de steun wordt aangevraagd voor een project dat betrekking heeft op een product of proces dat in technologisch opzicht nieuw is of een wezenlijke verbetering inhoudt ten opzichte van de huidige situatie in de scheepsbouwsector in de Unie (kwalitatieve beoordeling). De steun kan alleen met de interne markt verenigbaar worden geacht indien de onafhankelijke en technisch bevoegde deskundige de desbetreffende nationale instantie bevestigt dat de subsidiabele kosten van het project zo zijn berekend dat zij uitsluitend op de innoverende delen van het betrokken project betrekking hebben (kwantitatieve analyse).

3.2.4.   Stimulerend effect

25.

Innovatiesteun in de zin van deze kaderregeling moet een stimulerend effect hebben, dat wil zeggen dat de steun ertoe moet leiden dat de begunstigde zijn gedragingen zodanig verandert dat hij zijn innovatie-activiteiten uitbreidt. Door de steun moeten de innovatie-activiteiten worden uitgebreid qua omvang, reikwijdte, uitgaven of uitvoeringssnelheid.

26.

Conform punt 25 is de Commissie van oordeel dat steun voor de begunstigde geen stimulerend effect heeft wanneer deze al voor de indiening van de steunaanvraag bij de nationale instantie met het project (9) een aanvang heeft gemaakt.

27.

Om te kunnen nagaan of de steun de begunstigde ertoe zou aanzetten zijn gedragingen zodanig te veranderen dat hij zijn innovatie-activiteiten uitbreidt, moeten de lidstaten een voorafgaande evaluatie van de uitgebreide innovatie-activiteiten verstrekken, op basis van een analyse waarbij een situatie waarin geen steun wordt verleend, wordt vergeleken met een situatie waarin wel steun wordt verleend. Een van de daarbij te hanteren criteria is uitbreiding van de innovatie-activiteiten qua omvang, reikwijdte, uitgaven of uitvoeringssnelheid, in combinatie met andere, door de lidstaat in zijn aanmelding overeenkomstig artikel 108, lid 3, van het Verdrag meegedeelde relevante kwantitatieve en/of kwalitatieve factoren.

28.

Wanneer op ten minste één van deze punten een significant effect kan worden aangetoond, zal de Commissie, rekening houdend met de normale gedragingen van een onderneming in de betrokken sector, doorgaans besluiten dat de steun een stimulerend effect heeft.

29.

Wanneer de Commissie een steunregeling beoordeelt, zullen de voorwaarden inzake het stimulerend effect worden geacht te zijn vervuld indien de lidstaat zelf heeft toegezegd om individuele steun in het kader van een goedgekeurde steunregeling pas te zullen verlenen nadat hij zich ervan heeft vergewist dat er sprake is van een stimulerend effect, en om jaarlijks verslagen te zullen indienen over de tenuitvoerlegging van de goedgekeurde steunregeling.

30.

De goedkeuring van de steunaanvraag moet afhankelijk zijn van de voorwaarde dat de begunstigde een bindend overeenkomst sluit waarin wordt bepaald dat hij het specifieke scheepsbouw-, scheepsreparatie- of scheepsverbouwingsproject of -proces zal uitvoeren waarvoor de innovatiesteun wordt aangevraagd. Betalingen kunnen pas worden verricht nadat de desbetreffende overeenkomst is ondertekend. Indien de overeenkomst wordt beëindigd of het project wordt stopgezet, moet alle uitgekeerde steun worden terugbetaald, waarbij rente verschuldigd is vanaf de datum waarop de steun is uitbetaald. Evenzo moet, wanneer het project niet wordt voltooid, de steun die niet voor de subsidiabele innovatie-uitgaven is gebruikt, met rente worden terugbetaald. De rentevoet moet minstens gelijk zijn aan de door de Commissie vastgestelde referentietarieven.

3.3.   Exportkredieten

31.

Steun aan de scheepsbouw in de vorm van door de overheid gesteunde kredietfaciliteiten die aan nationale en buitenlandse reders of aan derden worden toegekend ten behoeve van het bouwen of verbouwen van schepen, kan met de interne markt verenigbaar worden geacht, indien deze in overeenstemming is met de bepalingen van de OESO-regeling van 1998 inzake richtsnoeren voor door de overheid gesteunde exportkredieten en met de OESO-sectorovereenkomst inzake exportkredieten voor schepen, dan wel met latere bepalingen van een soortgelijke regeling of bepalingen die in de plaats treden van de OESO-regeling.

4.   MONITORING EN RAPPORTAGE

32.

Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (10) en Verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie van 21 april 2004 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (11) verlangen dat de lidstaten de Commissie jaarlijks verslagen over alle bestaande steunregelingen verstrekken. Bij de aanneming van een besluit uit hoofde van deze kaderregeling voor alle innovatiesteun die in het kader van een goedgekeurde regeling aan grote ondernemingen wordt verleend, kan de Commissie de lidstaten verzoeken toe te lichten hoe bij de aan grote ondernemingen verleende steun de voorwaarde inzake het stimulerend effect van de steun in acht is genomen, met name aan de hand van de in punt 3.2.4 genoemde criteria.

5.   CUMULERING

33.

De in deze kaderregeling vastgestelde steunplafonds gelden ongeacht of de steun volledig of gedeeltelijk uit staatsmiddelen dan wel uit middelen van de Unie wordt bekostigd. Krachtens deze kaderregeling goedgekeurde steunmaatregelen kunnen niet worden gecumuleerd met andere steunmaatregelen in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag, noch met andere financiering door de Unie, indien deze cumulering tot gevolg heeft dat de steunintensiteit het in deze kaderregeling vastgestelde niveau overschrijdt.

34.

Wanneer de steun verschillende doelstellingen betreft en betrekking heeft op dezelfde in aanmerking komende kosten, geldt het gunstigste steunplafond.

6.   TOEPASSING VAN DEZE KADERREGELING

35.

De Commissie zal de in deze kaderregeling vervatte beginselen van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2013 toepassen. De Commissie zal die beginselen toepassen op alle aangemelde steunmaatregelen ten aanzien waarvan zij na 31 december 2011 een besluit moet nemen, ook indien de projecten voor die datum zijn aangemeld.

36.

Overeenkomstig de mededeling van de Commissie betreffende de vaststelling van regels voor de beoordeling van onrechtmatig verleende staatssteun (12) zal de Commissie de in deze kaderregeling vervatte beginselen toepassen op niet-aangemelde steun die na 31 december 2011 is toegekend.


(1)  PB C 317 van 30.12.2003, blz. 11.

(2)  Zie Actieplan staatssteun COM(2005) 107 def., punt 65: „de Commissie zal ook beslissen of er nog steeds een kaderregeling inzake staatssteun aan de scheepsbouw nodig is, dan wel of voor deze sector gewoon de horizontale regels kunnen gelden”.

(3)  PB C 54 van 4.3.2006, blz. 13.

(4)  In de communautaire richtsnoeren inzake staatssteun voor milieubescherming (PB C 82 van 1.4.2008, blz. 1) zijn de voorwaarden vastgelegd waaronder steun aan scheepswerven voor milieuvriendelijker productieprocessen kan worden goedgekeurd. Daarnaast kan steun voor de aanschaf van nieuwe vervoermiddelen die verder gaan dan normen van de Unie of die, indien er geen normen van de Unie zijn, het niveau van milieubescherming doen stijgen, aan reders worden toegekend en aldus bijdragen aan schoner zeevervoer.

(5)  PB C 323 van 30.12.2006, blz. 1.

(6)  Bruto ton.

(7)  PB L 223 van 15.8.2006, blz. 1.

(8)  Behalve kosten voor haalbaarheidsstudies die binnen 12 maanden voor de aanvraag van steun voor een innovatief proces zijn uitgevoerd.

(9)  Dit sluit niet uit dat de potentiële begunstigde mogelijk reeds haalbaarheidsstudies heeft uitgevoerd die niet door de steunaanvraag zijn gedekt.

(10)  PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1.

(11)  PB L 140 van 30.4.2004, blz. 1.

(12)  PB C 119 van 22.5.2002, blz. 22.


BIJLAGE

Subsidiabele kosten bij innovatiesteun voor de scheepsbouw

1.   NIEUWE SCHEEPSKLASSE

Voor de bouw van een nieuwe scheepsklasse die voor innovatiesteun in aanmerking komt, zijn de volgende kosten subsidiabel:

a)

de kosten voor de conceptontwikkeling;

b)

de kosten voor het conceptontwerp;

c)

de kosten voor het functionele ontwerp;

d)

de kosten voor het detailontwerp;

e)

de kosten voor studies, testen, proefmodellen en soortgelijke kosten voor de ontwikkeling en het ontwerp van het schip;

f)

de kosten voor de planning van de implementatie van het ontwerp;

g)

de kosten voor het testen en proefdraaien van het product;

h)

bijkomende arbeidskosten en overheadkosten voor een nieuwe scheepsklasse (leercurve);

Voor de toepassing van de punten a) tot en met g) zijn kosten voor het standaard technisch ontwerp overeenkomend met een eerdere scheepsklasse uitgesloten;

Voor de toepassing van punt h) kunnen extra productiekosten die strikt noodzakelijk zijn om de technologische innovatie te valideren, in aanmerking komen, voor zover zij beperkt zijn tot het strikt noodzakelijke minimum. Ten gevolge van de technische problemen waarmee het bouwen van een prototype gepaard gaat, liggen de productiekosten van het eerste schip gewoonlijk hoger dan de productiekosten van de daaropvolgende zusterschepen. Onder „extra productiekosten” wordt verstaan het verschil tussen de arbeidskosten en de daarmee verbonden overheadkosten voor het eerste schip van een nieuwe scheepsklasse en de productiekosten van de daaropvolgende schepen van dezelfde serie (zusterschepen). De arbeidskosten omvatten de lonen en de sociale kosten.

In uitzonderlijke, naar behoren gemotiveerde gevallen kan ten hoogste 10 % van de productiekosten die verband houden met de bouw van een nieuwe scheepsklasse als subsidiabele kosten worden beschouwd: indien die kosten noodzakelijk zijn om de technische innovatie te valideren. Een geval wordt geacht naar behoren gemotiveerd te zijn wanneer wordt geraamd dat de extra productiekosten meer dan 3 % van de productiekosten van de daaropvolgende zusterschepen zullen bedragen.

2.   NIEUWE ONDERDELEN OF SYSTEMEN VAN EEN SCHIP

Voor nieuwe onderdelen of systemen waarvoor innovatiesteun kan worden verleend, komen de volgende kosten in aanmerking in zoverre zij strikt beperkt blijven tot de innovatie:

a)

de kosten voor het ontwerp en de ontwikkeling;

b)

de kosten voor het testen van het innoverende onderdeel en proefmodellen;

c)

de kosten voor materialen en uitrusting;

d)

in uitzonderlijke gevallen, de kosten voor de bouw en de installatie van een nieuw onderdeel of systeem dat noodzakelijk is om de innovatie te valideren, voor zover deze kosten beperkt zijn tot het strikt noodzakelijke minimum.

3.   NIEUWE PROCESSEN

Voor nieuwe processen waarvoor innovatiesteun kan worden verleend, komen de volgende kosten in aanmerking in zoverre zij strikt verband houden met het innoverende proces:

a)

de kosten voor het ontwerp en de ontwikkeling;

b)

de kosten voor materialen en uitrusting;

c)

indien van toepassing, de kosten voor het testen van het nieuwe proces;

d)

de kosten voor haalbaarheidsonderzoeken die binnen 12 maanden vóór de steunaanvraag zijn uitgevoerd.


Top