EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52011AE0796

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Richtlijnen 2003/71/EG en 2009/138/EG wat de bevoegdheden van de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen en van de Europese Autoriteit voor effecten en markten betreft (COM(2011) 8 definitief — 2011/0006 (COD))

OJ C 218, 23.7.2011, p. 82–86 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

23.7.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 218/82


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Richtlijnen 2003/71/EG en 2009/138/EG wat de bevoegdheden van de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen en van de Europese Autoriteit voor effecten en markten betreft

(COM(2011) 8 definitief — 2011/0006 (COD))

2011/C 218/15

Rapporteur: de heer WUERMELING

Het Europees Parlement en de Raad hebben op 3 februari 2011, respectievelijk 2 maart 2011 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over het

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Richtlijnen 2003/71/EG en 2009/138/EG wat de bevoegdheden van de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen en van de Europese Autoriteit voor effecten en markten betreft

COM(2011) 8 definitief — 2011/0006 COD.

De gespecialiseerde afdeling Interne markt, productie en consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 5 april 2011 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 4 en 5 mei 2011 gehouden 471e zitting (vergadering van 5 mei) het volgende advies uitgebracht, dat met 111 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 4 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het EESC verwelkomt ten zeerste het voorstel van de Europese Commissie voor een richtlijn tot wijziging van de Richtlijnen 2003/71/EG en 2009/138/EG, en steunt de inspanningen van de Commissie om de sectorale wetgeving te wijzigen opdat het Europees Systeem voor financieel toezicht (ESFT) doeltreffend kan functioneren. Het Comité herhaalt dat het overtuigd voorstander is van de nieuwe toezichtregels voor het verzekeringsbedrijf („Solvabiliteit II”), met name gezien de ervaringen tijdens de recente financiële crisis.

1.2

Het streven naar solide solvabiliteitsnormen dient echter rekening te houden met de behoefte om de capaciteit veilig te stellen van de verzekeringsmarkten om de risico’s van hun klanten te dragen en hun rol te vervullen als aanbieder van financiering voor gemeenschappen en ondernemingen van elke omvang.

1.3

Het EESC verwelkomt de nieuwe wijziging van de Solvabiliteit II-richtlijn met betrekking tot overgangsvoorschriften in aanvulling op het uitstel van twee maanden voor de datum van tenuitvoerlegging.

1.4

Het EESC onderstreept de noodzaak van het beginsel van een overgang van het huidige systeem (Solvabiliteit I) naar het nieuwe systeem (Solvabiliteit II). De overgang naar de nieuwe regeling dient soepel te verlopen. Verstoring van de markt moet worden voorkomen door middel van een benadering waarin toezichthoudende maatregelen op consistente wijze gekoppeld worden aan overgangsvoorschriften. Solvabiliteit II dient niet tot marktconsolidatie te leiden, met name bij kleine en middelgrote verzekeraars.

1.5

De overgangsmaatregelen die in het huidige voorstel worden beschreven, dienen een infaserings-/uitfaseringsproces mogelijk te maken dat rekening houdt met het vermogen van ondernemingen om de wijzigingen door te voeren. Het vastgestelde maximum voor de duur van de overgangsperiode mag door de Commissie worden ingekort mits er onderling overeenstemmende aanwijzingen zijn dat dit mogelijk is. Het spreekt voor zich dat de overgangsperiode zal verschillen per gebied.

1.6

In het tijdschema voor de uitvoering dient op realistische wijze rekening te worden gehouden met de capaciteit van zowel de toezichthouders als de verzekeringsondernemingen, met inbegrip van kleinere bedrijven, met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van de Solvabiliteit II-richtlijn. Het EESC dringt er bij de Commissie en de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (EAVB) op aan ervoor te zorgen dat de nieuwe regeling niet tot administratieve overbelasting leidt, en dat deze niet van een onhanteerbare complexiteit is, waardoor de kwaliteit van de dienstverlening aan consumenten nadelig beïnvloed zou kunnen worden.

1.7

Het EESC onderschrijft de democratische legitimering van de toekomstige reeks Europese voorschriften („één enkel wetboek”) voor verzekeraars. De omschrijving van de passende werkingssfeer van technische normen dient ook beschouwd te worden als extra instrument voor toezichtconvergentie en met het oog op de ontwikkeling van één enkel wetboek.

1.8

Het EESC is van mening dat er een duidelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds puur technische kwesties en anderzijds politieke kwesties, die het terrein zijn van de communautaire instellingen met een politiek mandaat.

1.9

Het EESC benadrukt evenwel de status van de EAVB als autonome instantie. In haar bijdragen tot de samenstelling van één enkel wetboek opereert de EAVB binnen het mandaat dat is vastgesteld door de wetgevende instellingen met politieke verantwoordelijkheid.

1.10

Het EESC is van mening dat de verzekeringsindustrie consumenten gegarandeerde pensioenen op de lange termijn moet blijven aanbieden en een betrouwbare partner moet blijven voor hun oudedagvoorziening. Een passende rentetermijnstructuur is derhalve onontbeerlijk voor de berekening van het solvabiliteitskapitaal. Het EESC bepleit een oplossing die ervoor zorgt dat dergelijke producten economisch haalbaar blijven.

1.11

Het EESC beveelt voorts aan de methoden die gebruikt worden voor dergelijke berekeningen niet uitsluitend als een technische kwestie te zien, maar onder toezicht van het Parlement en de Raad vast te stellen, zodat de politieke gevolgen hierbij in aanmerking kunnen worden genomen die het vaststellen van dergelijke methoden kan hebben voor het algehele niveau van bereidheid van burgers met het oog op de stijgende levensverwachting en de lage geboortecijfers onder jongere generaties.

1.12

Het EESC onderstreept het belang van permanent overleg met de belangengroepen van de EAVB, die bestaan uit vertegenwoordigers van vakbonden van de verzekeringsindustrie, consumenten van financiële diensten en academici die gespecialiseerd zijn op het gebied van regelgeving en toezicht.

2.   Achtergrond en algemene opmerkingen

2.1

Op 19 januari 2011 hechtte de Commissie haar goedkeuring aan een voorstel voor een richtlijn tot wijziging van twee eerdere richtlijnen met betrekking tot activiteiten in de financiëledienstensector, de Prospectusrichtlijn en de Solvabiliteit II-richtlijn. Het voorstel wordt de „Omnibus II-richtlijn” genoemd, omdat het de tweede richtlijn betreft waarin verschillende wijzigingsvoorstellen voor bestaande richtlijnen worden samengevoegd om de richtlijn aan te passen aan de nieuwe Europese structuur voor financieel toezicht.

2.2

De Solvabiliteit II-richtlijn heeft betrekking op de toegang tot en de uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf. De grondig voorbereide hervorming van het Europese toezicht op verzekeringen is erop gericht de verzekeringsindustrie duurzaam te versterken en deze concurrerender te maken: kapitaalvereisten voor verzekeraars zullen veel meer risicogebaseerd zijn (Pijler I). De vereisten voor kwalitatief risicobeheer (Pijler II) en rapportage door verzekeraars (Pijler III) worden eveneens vernieuwd.

2.3

De Omnibus II-richtlijn is erop gericht de Europese toezichtregelingen aan te passen, na de conclusies van de groep op hoog niveau onder leiding van de heer de Larosière en de mededeling van de Commissie van mei 2009, waarin werd voorgesteld een Europees Systeem voor Financiële Toezichthouders (ESFT) in te stellen, bestaande uit een netwerk van nationale financiële toezichthouders die samenwerken met nieuwe Europese toezichthoudende autoriteiten (ETA’s).

2.4

Het EESC heeft adviezen uitgebracht (onder andere EESC 100/2010 en 446/2010) over de nieuwe toezichtsstructuur, zijn brede steun betuigd voor de hervormingen, en nadrukkelijk gewezen op het onderscheid dat gemaakt moest worden tussen technische en politieke kwesties, waarbij de laatste gezien werden als het terrein van de communautaire instellingen met een politiek mandaat. In de adviezen van het EESC werd de noodzaak benadrukt van het voeren van een permanente dialoog door de nieuwe autoriteiten met vertegenwoordigende instanties van de financiëledienstensectoren, de vakbonden, consumenten van financiële diensten en ook met de EESC, als de vertegenwoordiger van de georganiseerde civiele samenleving in Europa.

2.5

Het EESC betuigde zijn algemene steun aan de Commissie in haar pogingen om de onlangs opgerichte toezichthouders van bevoegdheden te voorzien voor de omschrijving van technische normen en voor het oplossen van geschillen tussen nationale toezichthoudende autoriteiten, hetgeen met het huidige voorstel wordt beoogd op het gebied van effecten en verzekeringen en bedrijfspensioenen.

2.6

Het EESC prijst de overkoepelende doelstellingen van de richtlijn, namelijk alle klanten van financiële diensten te beschermen en de stabiliteit van de markten te waarborgen door middel van een flexibele benadering, de eerbiediging van de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid bij de voortgang naar toezichtconvergentie, en de ontwikkeling van één enkel wetboek. Deze doelstellingen kunnen bijdragen aan het proces tot verwezenlijking van de interne markt en aan de voortrekkersrol van Europa op het gebied van internationale normen, zonder daarbij de internationale financiële markten uit het oog te verliezen.

2.7

Omnibus II wijzigt hoofdzakelijk de Solvabiliteit II-richtlijn. Het voorstel voorziet in nieuwe bevoegdheden voor bindende technische normen en brengt de procedures voor uitvoeringsmaatregelen in overeenstemming met het Verdrag van Lissabon. Daarnaast omvat het algemene wijzigingen die gemeenschappelijk zijn voor de meeste sectorale wetgeving in de financiële sector die is opgenomen in de „Omnibus-I-richtlijn” en die noodzakelijk zijn voor het functioneren van de richtlijnen in de context van de nieuwe autoriteiten, bijvoorbeeld door de niveau 3-comités (CETVB) de naam te geven van de nieuwe autoriteiten („EAVB”) en door te voorzien in passende kanalen voor de uitwisseling van informatie.

2.8

Omnibus II past ook de bestaande regeling van uitvoeringsbevoegdheden („niveau 2”) aan het Verdrag van Lissabon aan. De Solvabiliteit II-richtlijn trad in werking vóór het nieuwe Verdrag. De omzetting van bestaande niveau 2-mandaten in mandaten voor gedelegeerde handelingen, uitvoeringsmaatregelen of technische regelgevingsnormen is derhalve noodzakelijk. Er dient voorzien te worden in passende controleprocedures.

2.9

In de Solvabiliteit II-richtlijn worden ook overgangsregelingen ingevoerd. Dit is noodzakelijk voor een soepele overgang naar de nieuwe regeling. Verstoring van de markt moet worden voorkomen en er moet rekening kunnen worden gehouden met de effecten voor de belangrijkste verzekeringsproducten.

3.   Wijzigingen in de Solvabiliteit II-richtlijn

3.1

In zijn advies over de Solvabiliteit II-richtlijn (EESC 976/2008) juichte het EESC de fundamentele inspanningen toe die erop gericht waren de verzekeringsindustrie te versterken en concurrerender te maken, en wel door een betere kapitaalallocatie, beter risicobeheer en betere rapportage. In dit opzicht is Solvabiliteit II naar de mening van het EESC tevens de juiste respons in het licht van de ervaringen van de recente financiële crisis. Het ondersteunt de Commissie in haar benadering geen fundamentele wijzigingen aan te brengen in de Solvabiliteit II-richtlijn. In gevallen waarin de aanpassing van uitvoeringsmaatregelen passend lijkt, kunnen echter op specifieke gebieden waarvan het toepassingsgebied beperkt is, meer wijzigingen noodzakelijk zijn.

3.2

In de loop der tijd, naarmate de door de handel in kredietderivaten veroorzaakte crisis twijfels deed rijzen over de soliditeit van alle financiële activiteiten, ontstond de angst dat veronderstellingen ingegeven door een voorkeur voor een extreme mate van risicovermijding, gevolgen zouden kunnen hebben voor de afstemming van solvabiliteitsnormen voor verzekeringsactiviteiten. Het EESC spreekt zijn waardering uit over de verklaringen van de Commissie waarin zij bevestigt vastbesloten te zijn een evenwichtig standpunt in te nemen met betrekking tot deze normen. Het dringt er bij de Commissie op aan te voorkomen dat er nieuwe volatiliteitsproblemen ontstaan in een industrie waarin verbintenissen voor de lange termijn de norm zijn.

3.3

Sinds het begin van het hervormingsproces in het kader van Solvabiliteit II zijn er verschillende kwantitatieve impactstudies verricht. Aan de meest recente, QIS 5 genoemd, heeft ongeveer tweederde van de Europese verzekeringsmarkt deelgenomen. De resultaten zijn onlangs gepubliceerd door de EAVB en vereisen nog een verdere diepgaande analyse. Uit de verrichte impactstudies is echter gebleken dat het tijdschema en de reikwijdte van de migratie naar het nieuwe stelsel ernstige gevolgen kan hebben voor de beschikbaarheid en betaalbaarheid van verzekeringen voor gemeenschappen, bedrijven en particuliere huishoudens, alsmede voor de voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening van verzekeringsondernemingen.

3.4

Het Comité benadrukt nogmaals dat het voorstander is van de beginselen van evenredigheid en flexibiliteit. Het heeft erop aangedrongen dat op basis hiervan heldere en passende vereisten opgesteld dienen te worden, waarbij het gerechtvaardigd is rekening te houden met de diversiteit van de verzekeringsmarkt, zowel wat betreft de grootte als de aard van verzekeringsondernemingen. In dit stadium vreest het EESC dat de invoering van Solvabiliteit II tot een mate van complexiteit zal leiden die kleine en middelgrote verzekeraars te boven zal gaan.

3.5

Een adequate opzet van de overgangsvoorschriften van Solvabiliteit II en van het Europees financieel toezicht is van essentieel belang om de stabiliteit van de verzekeringsmarkten te waarborgen. Deze doelstellingen lopen gevaar indien niet op dit moment de juiste koers wordt ingezet.

Uitstel tot 1 januari 2013

3.6

Het EESC onderschrijft de verlenging met twee maanden van de datum van uitvoering van Solvabiliteit II, die nu op 1 januari 2013 in werking zal treden.

3.7

Het EESC deelt het standpunt van de Commissie dat het beter is de start van de nieuwe Solvabiliteit II-regeling met haar nieuwe vereisten op het gebied van onder andere berekeningen en rapportage te laten samenvallen met de datum die voor de meeste verzekeringsondernemingen het begin van het boekjaar is (1 januari), in plaats van Solvabiliteit II in de loop van het boekjaar (1 november) in te laten gaan, zoals in de Solvabiliteit II-richtlijn werd voorgesteld. Bijgevolg dienen de andere data in de Solvabiliteit II-richtlijn, met name voor de overgangsvoorschriften en evaluatiebepaling, eveneens met twee maanden te worden verlengd, zoals vastgesteld in Omnibus II.

Overgangsregeling

3.8

Het voorstel van de Commissie is een reactie op het verzoek om de overgang tussen de verbeterde Solvabiliteit I-normen en de Solvabiliteit II-normen soepel te laten verlopen, om marktverstoring te voorkomen. Verzekeringsgroepen met activiteiten zowel binnen als buiten de EU zouden de ontwikkeling van hun bedrijf effectiever moeten kunnen beheren.

3.9

Het is belangrijk dat de overgang alle drie de pijlers van Solvabiliteit II bestrijkt. Het EESC deelt het standpunt van de Commissie dat in overgangsvoorschriften moet worden voorzien met betrekking tot governance, berekeningen en rapportage. Er moet rekening worden gehouden met de effecten voor de verzekeringsproducten die belangrijk zijn voor nationale markten. De vijfde kwantitatieve impactstudie (QIS5) moet gezien worden als een primaire bron van overwegingen voor overgangsvereisten. Uit de QIS5 blijkt dat er dringend behoefte is aan een consistent overgangsconcept (infasering/uitfasering) zodat bedrijven en toezichthouders voldoende tijd hebben om zich dienovereenkomstig voor te bereiden.

3.10

Het EESC raadt aan dat er deugdelijk onderzoek wordt verricht naar de manier waarop deze overgangsvoorschriften consistent aan toezichthoudende maatregelen gekoppeld kunnen worden ingeval van niet-naleving van de nieuwe voorschriften. Bij een soepele overgang dient rekening te worden gehouden met het huidige interventieniveau van toezichthouders en dient tevens het huidige beschermingsniveau van verzekeringnemers gewaarborgd te worden.

3.11

Het EESC raadt aan bij de overgang explicieter te verwijzen naar de verbeterde Solvabiliteit I-normen als een (optioneel) minimumniveau.

3.12

Wat de rapportage betreft, raadt het EESC aan niet alleen de methoden maar ook de inhoud en het tijdschema van de rapportage tijdens de overgangsperiode nader uit te werken. Aangezien er twijfels bestaan over welke gegevens in de kwartaalrapporten en zelfs in de inleidende verklaring moeten worden opgenomen, lijkt het beter te voorzien in aanpassingen van de rapportagenormen na de datum van 1 januari 2013. Dit is van essentieel belang voor kleine en middelgrote ondernemingen. Met name van onderlinge maatschappijen en andere verzekeraars die geen toegang hebben tot de aandelenmarkt, mag niet verlangd worden dat zij aan dezelfde rapportageverplichtingen voldoen als internationale beursgenoteerde ondernemingen die vanaf het begin IFRS-jaarrekeningen hebben opgesteld, of dat zij zich aan dezelfde korte tijdschema’s houden.

Waarborgen van langetermijngaranties voor pensioenen

3.13

In de context van de vergrijzende bevolking van Europa heeft het EESC het belang van solide en goed beheerde pensioenverzekeringen en andere vormen van oudedagvoorziening benadrukt, meest recentelijk in zijn advies over het groenboek van de Commissie over adequate, houdbare en zekere pensioenen in Europa (EESC 72/2011).

3.14

De uitwerking van beleid inzake rentetermijnberekeningen voor pensioenen is van het allergrootste belang voor de voorwaarden waaronder een dergelijke bescherming door consumenten kan worden verkregen. Het EESC is bezorgd over de rentetermijnstructuur die momenteel wordt besproken. Deze zal waarschijnlijk tot een enorme afname van het aanbod leiden en tot een stijging van de kosten van pensioenproducten.

3.15

Met het oog hierop is het EESC kritisch over het feit dat, overeenkomstig het Omnibus II-voorstel van de Commissie, de rentetermijnstructuur en de illiquiditeitspremie niet zal worden vastgesteld door wetgevende organen. De rentetermijnstructuur en het renterisico zijn bepalend voor de toekomst van de particuliere oudedagvoorziening. Een dergelijk belangrijk politiek besluit kan niet uitsluitend op het administratieve niveau van de EAVB worden genomen.

Uitdagingen voor de EAVB

3.16

Aangezien zowel dit voorstel als de uitvoeringsmaatregelen nog moeten worden goedgekeurd, lijkt bij nader inzien het tijdschema voor de doeltreffende invoering van Solvabiliteit II de EAVB voor bijzondere uitdagingen te plaatsen. Verzekeringsondernemingen kunnen niet verantwoordelijk worden gehouden voor het opvolgen van instructies die in een laat stadium worden gepubliceerd. Het EESC dringt er derhalve bij de Commissie op aan dergelijke instructies snel te publiceren of in redelijke aanpassingstermijnen te voorzien.

3.17

Het EESC onderkent tevens dat de EAVB zichzelf een aanzienlijke werklast heeft opgelegd, met name gezien het feit dat zij nog steeds aan het uitbreiden is en nog niet de verwachte personeelsbezetting heeft bereikt. Het EESC is derhalve van mening dat het onderhavige voorstel haar beschikbare capaciteit te boven gaat en verlangt dat de Commissie rekening houdt met de reeks prioriteiten die vastgesteld moet worden.

3.18

Het EESC is van mening dat zorgvuldig overwogen moet worden of de EAVB over voldoende middelen beschikt voor de bevoegdheden en taken die haar door de tweede Omnibus-richtlijn zijn toegewezen, met name met betrekking tot technische invoergegevens en bindende bemiddeling, als de Solvabiliteit II-richtlijn in werking treedt. Het voorstel om de EAVB vóór 31 december 2011 een ontwerp van uitvoeringsmaatregelen te laten opstellen lijkt vrij ambitieus.

3.19

Het EESC is op de hoogte van het feit dat de EAVB haar personeelsbestand en kennis aan het opbouwen is. Om ontwrichtingen te voorkomen, dient in de overgangsregeling rekening te worden gehouden met de middelen die aan de EAVB zijn toegewezen. De middelen dienen in verhouding te staan tot de bevoegdheden en taken.

3.20

Dit kan gevolgen hebben voor de taakverdeling tussen de nieuwe autoriteit en de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaten, die op consistente wijze het dagelijks toezicht op ondernemingen zouden verrichten die onder hun bevoegdheid vallen.

3.21

Meer bepaald is het EESC van mening dat de leidende rol van de groepstoezichthouder bij de goedkeuring van groepsbrede interne modellen bevestigd moet worden en dat er in de richtlijn geen onduidelijkheid mag bestaan over de toegewezen respectieve bevoegdheden en verantwoordelijkheden.

3.22

Het EESC steunt de Commissie in haar beslissing de verschillende functies van de nationale toezichthouders en van de nieuwe Europese toezichthoudende autoriteit voor verzekeringen, de EAVB, aan de orde te stellen. Het is belangrijk om op passende wijze te voorzien in de mogelijkheid voor de EAVB om geschillen op evenwichtige wijze te beslechten op de gebieden waar de Solvabiliteit II-richtlijn of andere sectorale wetgeving reeds in gemeenschappelijke besluitvormingsprocessen voorziet.

Uitvoeringsbevoegdheid

3.23

Het EESC is van mening dat voor het functioneren van het „Lamfalussy-systeem”, waarbij financiële regelgeving op verschillende niveaus wordt uitgevoerd, een consistent trapsgewijs systeem is vereist om ervoor te zorgen dat technische normen voortbouwen op uitvoeringsmaatregelen, dat er geen kwesties worden geregeld zonder basis van politieke verantwoordelijkheid, vooral met betrekking tot subsidiariteit, en dat het aandachtsgebied van de uitvoeringsmaatregelen duidelijk en eenduidig blijft.

3.24

Het EESC neemt kennis van het voorstel van de Commissie voor bindende technische normen (niveau 3) in gebieden waar reeds in uitvoeringsmaatregelen (niveau 2) is voorzien. Aanvullende bindende technische normen dienen beperkt te zijn in omvang. Het zou wenselijk zijn als er meer duidelijkheid bestond over het toekomstige evenwicht tussen de Europese instellingen ten aanzien van de delegatie van bevoegdheden.

3.25

Het EESC is van mening dat de prioriteitenstelling van bindende technische normen van cruciaal belang kan zijn voor de kwaliteitswaarborging van de geharmoniseerde regels. Bepaalde technische uitvoeringsnormen zijn mogelijk niet noodzakelijk aan het begin van Solvabiliteit II en dit zou de EAVB meer tijd geven om ze te ontwikkelen, aan de hand van de usances in de sector en de ervaringen van toezichthouders. Andere technische uitvoeringsnormen kunnen als optioneel worden behandeld („mogen”) en dienen pas te worden ingevoerd indien er in de toekomst behoefte bestaat aan harmonisatie.

3.26

Er dient zorgvuldig te worden nagedacht over de reikwijdte van technische normen. Het is zinvol de vraag te stellen of de geplande reguleringsdichtheid werkelijk noodzakelijk is op Europees niveau in termen van subsidiariteit. In geval van twijfel dient er niet in aanvullende technische normen (niveau 3) voor individuele uitvoeringsmaatregelen (niveau 2) te worden voorzien; niveau 3 lijkt bijvoorbeeld niet noodzakelijk ten aanzien van de beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit, de indeling van het eigen vermogen of afgezonderde fondsen.

3.27

De voorschriften op verschillende niveaus zouden niet transparant zijn. Bovendien is het mogelijk dat er nationale verschillen zijn voor dezelfde onderwerpen van de regelgeving. Dit zou te complex worden – vooral voor kleine en middelgrote ondernemingen. Een andere kwestie die zorgvuldig overwogen moet worden, is de voorgestelde inhoudelijke uitbreiding van bepaalde uitvoeringsmaatregelen.

Brussel, 5 mei 2011

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


Top