EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52008AE1659

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's Belemmeringen voor grensoverschrijdende investeringen door risicokapitaalfondsen opheffen COM(2007) 853 final

PB C 100 van 30.4.2009, p. 15–21 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

30.4.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 100/15


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's Belemmeringen voor grensoverschrijdende investeringen door risicokapitaalfondsen opheffen

COM(2007) 853 final

2009/C 100/03

Op 21 december 2007 besloot de Europese Commissie om, overeenkomstig artikel 262 van het EG-Verdrag, het Europees Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over de

Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Belemmeringen voor grensoverschrijdende investeringen door risicokapitaalfondsen opheffen

De afdeling Interne markt, productie en consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 1 oktober 2008 goedgekeurd. Rapporteur was de heer MORGAN; corapporteur de heer DERRUINE.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 21, 22 en 23 oktober 2008 gehouden 448e zitting (vergadering van 22 oktober 2008) onderstaand advies uitgebracht, dat unaniem werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.   De Mededeling van de Commissie gaat in op twee belangrijke onderdelen van het Lissabonprogramma: enerzijds de opstart en groei van innovatieve, kleine ondernemingen, anderzijds de integratie van de EU-kapitaalmarkten als middel ter financiering van werkgelegenheid en productiviteitsgroei. De convergentie van deze twee beleidsgebieden wordt ingegeven door de behoefte aan een risicokapitaalsector voor de gehele EU.

1.2.   De Mededeling gaat over een onderwerp waarover het laatste woord nog niet is gezegd. Nauwe samenwerking is vereist tussen de lidstaten, de Commissie en de risicokapitaalsector om de in paragraaf 3.6 uiteengezette stappen in de praktijk te brengen. Hierna zal de Commissie in 2009 opnieuw verslag uitbrengen.

1.3.   Beschikken over risicokapitaal is geen haarlemmerolie. Risicokapitaalinvesteerders zijn eerder geïnteresseerd in grote transacties, omdat kleine transacties net zo tijdrovend kunnen zijn. Daarom zijn zij meer geneigd om middelen te verschaffen voor de expansie van groeiende ondernemingen in plaats van zaaikapitaal voor starters. Voorzover deze risicokapitaalinvesteerders zich bezighouden met zaai-, start- en groeikapitaal, zijn zij een belangrijk onderdeel van de Lissabonstrategie; het EESC steunt dan ook dit initiatief van de Commissie. Verbetering van de toegang tot risicokapitaal is belangrijk, vooral in de lidstaten waar de mogelijkheden nu beperkt zijn.

1.4.   Voor risicokapitaalfondsen is het essentieel om hun investeringen te kunnen liquideren. Hiertoe dienen zij een koper te vinden, d.w.z. een grotere onderneming, of anders de onderneming aan investeerders te verkopen via de beurs. In de EU is het probleem dat er niet genoeg belangstelling is om in kleine, jonge ondernemingen te investeren. Het EESC beveelt de lidstaten aan om via prikkels in het belastingstelsel particulieren aan te zetten om in kleine ondernemingen te investeren. De ontwikkeling van beurzen waar aandelen van kleine ondernemingen worden verhandeld, is hierbij gebaat. Vooralsnog zijn de enige beurzen in de EU waar dit mogelijk is de Alternative Investment Market (AIM) in Londen en de Entry Standard van de Deutsche Börse, hoewel er nu ook een initiatief is van Euronext.

1.5.   Omdat de AIM de ideale overstap is van de status van niet-beursgenoteerd naar beursgenoteerd, maakt het investeringen in RK van niet-beursgenoteerde ondernemingen voor beleggers zeer aantrekkelijk. De AIM verschaft beleggers in RK in het VK de exitmogelijkheden die zij nodig hebben. Een dergelijke instelling zou in andere lidstaten een beurs opleveren waar kapitaal voor het MKB kan worden gevonden en waar hun aandelen kunnen worden verhandeld. Dit zou een belangrijke factor kunnen zijn voor de ontwikkeling van risicokapitaal in tot nu toe zwakke EU-markten.

1.6.   Terwijl risicokapitaal uit de aard der zaak gericht is op de exitmogelijkheden van de aandelenmarkt, mag niet worden aangenomen dat beursgang voor elke kleine onderneming de beste optie is. Beursgenoteerde ondernemingen kunnen gebruik maken van equitykapitaal en de aandelen leveren valuta op voor overnames, maar anderzijds wordt hun vrijheid van optreden enigszins beperkt, met name op de lange termijn, vanwege de vraag van de markt. Het is dus niet verstandig om risicokapitaal te gebruiken om elke kleine onderneming te laten groeien. Als een midden- of kleinbedrijf, dat al steunt op RK, niet helemaal klaar is voor een beursgang (IPO, Initial Public Offering), dan kan vervangingskapitaal soelaas bieden.

1.7.   Risicokapitaal kan niet voorzien in de totale behoefte aan startkapitaal omdat RK-ondernemingen uitsluitend selectief investeren in ondernemingen in de aanloopfase. Om de kloof te helpen dichten, kunnen door de overheid gefinancierde risicokapitaalverschaffers een rol spelen, maar op hun beurt scheppen zij nog steeds een kloof, die moet worden opgevuld door familie en vrienden van de ondernemer en door business angels. De noodzaak om de verschaffing van startkapitaal aan te moedigen, is een tweede argument voor het EESC om de Commissie en de lidstaten aan te moedigen om te werken aan fiscale prikkels voor particuliere investeringen in startende ondernemingen.

1.8.   Zoals in hoofdstuk 2 (Definities) wordt toegelicht, is risicokapitaal technisch gezien een subcategorie van private equity. Het EESC benadrukt dat de verwijdering van belemmeringen voor grensoverschrijdende activiteiten van RK-investeerders zonder deugdelijke waarborgen niet mag resulteren in andere private-equity-activiteiten, zoals leveraged buy outs.

1.9.   In een eerder advies (1) heeft het EESC al zijn bezorgdheid uitgesproken over de eventuele bedreigingen voor de werkgelegenheid (inclusief de kwaliteit ervan) door transacties van private equity. Het is essentieel dat zulke transacties plaatsvinden binnen het kader voor onderhandelingen met sociale partners, zoals dat in elke lidstaat is vastgelegd. Het EESC verzoekt de Commissie dan ook om, in het kader van dit initiatief voor risicokapitaal, te garanderen dat de sociale dialoog de overhand blijft krijgen en dat de richtlijn inzake voorlichting en raadpleging van werknemers in deze gevallen van toepassing is. Voorts dringt het EESC er weer bij de Commissie op aan om een voorstel te doen voor een actualisering van de richtlijn „verworven rechten van werknemers”, in die zin dat overdrachten van ondernemingen die voortvloeien uit overdracht van aandelen ook onder die richtlijn vallen (2).

1.10.   Deze bezorgdheid is van het hoogste belang aangezien „de meest gebruikelijke exit de verkoop aan een andere onderneming is, wat in 39 % van de gevallen gebeurt. De op één na gebruikelijkste exit is een secundaire buy-out (24 %), die de laatste tien jaar in opkomst is, in ieder geval volgens anekdotische bewijzen” (3).

2.   Definities

2.1.   Bij de mededeling van de Commissie hoort een werkdocument. In dit document staat een uitgebreide woordenlijst met onder andere de volgende termen die betrekking hebben op de sector risicokapitaal.

2.2.   Er zijn in de risicokapitaalsector zes algemeen aanvaarde vormen van investering in gebruik:

Zaaikapitaal wordt verstrekt ter ondersteuning van onderzoek, beoordeling en ontwikkeling van een initieel concept;

Startkapitaal wordt aan ondernemingen verstrekt met het oog op het ontwikkelen en op de markt brengen van producten;

Groeikapitaal: financiering die wordt verstrekt ter bevordering van de groei van een onderneming;

Vervangingskapitaal: aankoop van aandelen in een bestaande onderneming van een andere private equity-investeerder of van een andere aandeelhouder;

Bij een buy-out kopen bestaande aandeelhouders de onderneming deels of geheel op. Dit kan betekenen dat de onderneming haar notering aan de beurs verliest, d.w.z. privé wordt. In geval van een management buy-out zijn de zittende managers de kopers, doorgaans met de steun van private equity of risicokapitaal.

2.3.   Risicokapitaal betreft investeringen in niet-beursgenoteerde ondernemingen door risicokapitaalondernemingen, die optredend als hoofdinvesteerder, geld van particulieren, instellingen of eigen geld beheren. De belangrijkste fasen in de financiering zijn de aanloopfase (betreft zaai- en startkapitaal) en expansie. Risicokapitaal is dus professionele financiering, met mede-investering door de ondernemer, van een aanloop- of uitbreidingsfase. Het grote risico dat de investeerder neemt, wordt gecompenseerd door de verwachting van een hoger dan gemiddeld rendement op de investering.

2.4.   Strikt genomen is risicokapitaal een subcategorie van private equity. Private-equityondernemingen kunnen deelnemen aan risicokapitaalactiviteiten, maar hun reikwijdte gaat verder dan alleen het verstrekken van RK en omvat ook de verstrekking van vervangingskapitaal en de financiering van buy-outs. Het EESC is bezorgd over de eventuele sociale gevolgen van dergelijke activiteiten van private-equityondernemingen.

2.5.   Business angels zijn welgestelde particulieren die rechtstreeks in nieuwe en groeiende niet-beursgenoteerde bedrijven investeren. Dit kapitaal kan een aanvulling vormen op de sector van het risicokapitaal door de verschaffing van kapitaal in de aanloopfase.

2.6.   Institutionele beleggers zijn financiële instellingen als verzekeringsmaatschappijen, pensioenfondsen, banken en investeringsmaatschappijen die spaargeld van (doorgaans) particuliere beleggers aantrekken om dat te investeren op de financiële markten. Deze ervaren investeerders beschikken over grote vermogens.

2.7.   Onderhandse plaatsing is een verkoopmethode voor investeringen waarbij de overeenkomst tussen koper en verkoper niet of minimaal onderworpen is aan de wettelijke beperkingen die gelden in geval van een publieke emissie. Regelingen voor onderhandse plaatsing specificeren doorgaans de criteria voor entiteiten die dergelijke transacties mogen verrichten. De regelingen zijn normaliter van toepassing op investeringen van institutionele beleggers (die per definitie verstand van zaken hebben) in fondsen die beheerd worden door risicokapitaalondernemingen.

2.8.   Goede-huisvader-regel: pensioenfondsen mogen op grond van deze regel particulier risicokapitaal en risicokapitaalfondsen in hun investeringsportefeuille hebben, mits ze het risicoprofiel van hun cliënten in acht nemen. Met andere woorden: de pensioenbeheerder is verplicht te investeren zoals hij het in zijn eigen belang zou doen. Dit veronderstelt verstandige spreiding van de portefeuille voorzover het risicokapitaal betreft.

3.   Kern van de Mededeling van de Commissie

3.1.   Volgens gegevens van de European Venture Capital and Private Equity Association (EVCA) draagt risicokapitaal aanzienlijk bij tot het scheppen van werkgelegenheid. Ondernemingen in de EU waarin private equity en risicokapitaal is gestoken, hebben tussen 2000 en 2004 een miljoen nieuwe banen gecreëerd. Meer dan 60 % van deze banen werden gecreëerd door met risicokapitaal gefinancierde ondernemingen en in deze ondernemingen nam de werkgelegenheid jaarlijks met 30 % toe. Bovendien besteden innovatieve en groeiondernemingen waarin risicokapitaal is geïnvesteerd, gemiddeld 45 % van hun totale uitgaven aan O&O. (Het bevreemdt het EESC dat de Commissie geen onafhankelijke gegevensbron heeft kunnen vinden om deze analyse te controleren. In de paragrafen 4.10 en 4.11 wordt hierop nader ingegaan.)

3.2.   Het potentieel van de EU-risicokapitaalmarkten wordt niet ten volle benut en deze markten voorzien het innovatieve MKB in de aanloopfase niet van voldoende kapitaal. Het ontbreken van een cultuur van risicokapitaalinvestering, informatieproblemen, een versnipperde markt, hoge kosten en onaangeboorde synergieën tussen bedrijfsleven en universiteiten zijn de belangrijkste redenen voor dit marktfalen. Verder leidt divergerend nationaal beleid tot sterke marktversnippering, wat een nadelige invloed uitoefent op het aantrekken van middelen en op investeringen binnen de EU.

3.3.   Publieke overheden kunnen de financiering van innovatie tot op zekere hoogte tegemoetkomen, maar op lange termijn is de enige oplossing, gezien de omvang van de wereldwijde vraagstukken, een stijging van de investeringen door particuliere investeerders. Daarom moeten de Commissie en de lidstaten de randvoorwaarden voor risicokapitaal verbeteren; één van de opties is het opheffen van niet te rechtvaardigen belemmeringen voor grensoverschrijdende transacties.

3.4.   De strategie ter verbetering van de voorwaarden voor gensoverschrijdende transacties betreft het vrije kapitaalverkeer, het aantrekken van middelen onder betere omstandigheden, verbetering van het regelgevingskader, terugdringing van fiscale verschillen en bevordering van wederzijdse erkenning.

3.5.   Het glossarium en het verslag van de deskundigengroep dat in bijlage bij de Mededeling gaat, bevat in een tabel een analyse van de problemen en suggesties voor oplossingen (zie Tabel I).

Tabel I

Probleem

Optie

Aantrekken van middelen en distributie (tussen investeerders en RK-fondsen)

Uiteenlopende nationale normen ter bepaling van gekwalificeerde investeerders in particulier kapitaal - RK (institutionele versus particuliere investeerders)

Gemeenschappelijke EU-definitie van een gekwalificeerde investeerder (voor institutionele en particuliere investeerders)

Uiteenlopende nationale regelingen inzake de ondernemingen waarin institutionele investeerders mogen beleggen (landspecifieke beperkingen)

Toepassing van goede-huisvader-regel (uitvoering van deze regels zoals omschreven in de richtlijn pensioenfondsen 2003/41/EG)

Moeilijkheden met de verhandeling van private equity en risicokapitaalfondsen in diverse lidstaten ten gevolge van uiteenlopende nationale benaderingen van onderhandse plaatsing/ afwijkingen van regels voor publieke emissies

Gemeenschappelijke EU-regeling voor „onderhandse plaatsing”

Fiscale neutraliteit (tussen RK-fondsen en het land waar geïnvesteerd wordt)

Complexe fondsstructuren, afhankelijk van het land waarin de investeerder is gevestigd en het land van de ondernemingen waarin wordt geïnvesteerd (bedoeld om dubbele belastingheffing te vermijden)

Belastingheffing op kapitaalwinst in het land waar de investeerder gevestigd is; gelijke behandeling van directe investeerders en degenen die particulier kapitaal investeren; gelijke behandeling van beursgenoteerd en niet-beursgenoteerd kapitaal.

Verschillende regels en vereisten voor fondsen met private equity om van belastingverdragen te profiteren

Fiscale transparantie : lijst van wederzijds erkende fondsstructuren voor private equity (of gemeenschappelijke criteria voor lidstaten om fiscale transparantie te bepalen);

Fiscale neutraliteit: als vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid gevestigde fondsen voor private equity (niet transparant) dienen te kunnen profiteren van verdragen inzake dubbele belastingheffing; gemeenschappelijke vereisten om de vruchten te plukken van deze verdragen.

Professionele normen (voor RK-fondsen)

Verschillende lokale regels voor taxatie en verslaglegging (hogere kosten en gebrek aan vergelijkbaarheid)

Aanmoediging van het gebruik van door de sector zelf opgelegde professionele normen (d.w.z. die van de EVCA)

Problemen met de toepassing van IFRS (International financial reporting standards) op fondsen met private equity: met name op het gebied van consolidatie

 

Permanente vestiging (voor de algemene partner of fondsbeheerder)

Risico voor de algemene partner (onderneming die RK beheert) om gevestigd te zijn in het land van de ondernemingen waarin geïnvesteerd wordt (negatieve fiscale gevolgen)

Wederzijdse erkenning van beheersondernemingen of „paspoort” voor zulke ondernemingen;

op de lange termijn een „paspoort” voor deze ondernemingen

3.6.   In reactie hierop heeft de Commissie de volgende stappen en aanbevelingen geformuleerd:

3.6.1.   Om het aantrekken van middelen en investeringen over de grenzen heen te verbeteren, zal de Commissie:

a)

nationale benaderingen en belemmeringen voor grensoverschrijdende onderhandse plaatsing analyseren. In de eerste helft van 2008 zal verslag worden uitgebracht van de mogelijkheden om een Europese regeling voor onderhandse plaatsing op te zetten (nu uitgesteld tot het derde kwartaal van 2008);

b)

samen met deskundigen uit de lidstaten gevallen van dubbele belasting en andere belemmeringen inzake directe belastingen voor grensoverschrijdende risicokapitaalinvesteringen opsporen; de deskundigengroep moet voor eind 2008 verslag uitbrengen;

c)

op basis van deze verslagen de mogelijkheden analyseren om gezamenlijke kenmerken te definiëren en zo een EU-kader voor risicokapitaal tot stand te brengen;

d)

nagaan hoe de lidstaten bij het proces van wederzijdse erkenning kunnen worden bijgestaan.

3.6.2.   Om de marktversnippering te reduceren en de voorwaarden voor het aantrekken van risicokapitaal en voor risicokapitaalinvesteringen te verbeteren, verzoekt de Commissie de lidstaten om:

a)

waar dit nog niet het geval is, de „goede-huisvader”-regel uit te breiden tot andere soorten institutionele investeerders, waaronder pensioenfondsen;

b)

overeenstemming te bereiken over de kenmerken van risicokapitaalfondsen en gekwalificeerde investeerders en wederzijdse erkenning van nationale kaders te overwegen;

c)

fiscale en regelgevingsbarrières te overwinnen door bestaande wetgeving te herzien of nieuwe wetgeving goed te keuren;

d)

samenwerking en wederzijds aanvaardbare niveaus van toezicht en transparantie mogelijk te maken;

e)

de ontwikkeling van concurrerende clusters aan te moedigen (in de geest van wetenschapsparken);

f)

liquid-exitmarkten te promoten.

4.   Algemene opmerkingen

4.1.   Buitenstaanders neigen ertoe om de risicokapitaalsector te beschouwen als verstrekkers van investeringskapitaal, terwijl de risicokapitaalinvesteerders zelf net zo veel aandacht besteden aan de verwerving als aan de investering van het kapitaal. De integratie van de financiering met risicokapitaal in de gehele EU moet dus niet alleen investeringen in RK-fondsen gemakkelijker maken maar ook de uitbetalingen daaruit.

4.2.   Risicokapitaalfondsen dienen de investeerders goede opbrengsten op te leveren. De werkwijze voor de risicokapitaalsector is daarom als volgt: fondsen werven, deze investeren en de investeringen van het fonds op het juiste moment liquideren om de verwachte opbrengst uit te keren aan de investeerders. De levensduur van een fonds bedraagt in de regel zeven jaar.

4.3.   Voor risicokapitaalinvesteerders is het essentieel om hun investeringen te kunnen liquideren. Hiertoe dienen zij een koper te vinden, d.w.z. een grotere onderneming, of anders de onderneming aan investeerders te verkopen via de beurs. In de EU is het probleem dat er niet genoeg belangstelling is om in kleine, jonge ondernemingen te investeren. Het EESC beveelt de lidstaten aan om via prikkels in het belastingstelsel particulieren aan te zetten om in kleine ondernemingen te investeren. De ontwikkeling van beurzen waar aandelen van kleine ondernemingen kunnen worden verhandeld, is hierbij gebaat. Vooralsnog zijn de enige beurzen in de EU waar dit mogelijk is de Alternative Investment Market (AIM) in Londen en de Entry Standard van de Deutsche Börse, hoewel er nu ook een initiatief van Euronext is.

4.4.   Beschikken over risicokapitaal is geen haarlemmerolie. Risicokapitaalinvesteerders zijn eerder geïnteresseerd in grote transacties, omdat kleine transacties net zo tijdrovend kunnen zijn. Daarom zijn zij meer geneigd om middelen te verschaffen voor de expansie van groeiende ondernemingen in plaats van zaaikapitaal voor starters. Dit geldt bijv. voor 3I, een reeds lang bestaand RK-ondernemingen in het Verenigd Koninkrijk. Eind maart 2008 kondigde het aan dat het zich terugtrok uit investeringen in de aanloopfase van ondernemingen, de sector waarin de slechtste resultaten waren behaald, na het uiteenspatten van de dotcombel in 2000. De blootstelling aan risicokapitaalassets was al aanzienlijk gedaald: de investeringen in startende ondernemingen maakten nog maar 10 % uit van de portefeuille, terwijl dat in 2000 nog de helft was. Volgens 3I leverde financiering in een latere fase een hoger rendement op; het verklaarde zich voortaan te gaan richten op buy-outs, groeikapitaal en infrastructuur.

4.5.   Risicokapitaal kan niet voorzien in de totale behoefte aan startkapitaal omdat RK-ondernemingen uitsluitend selectief investeren in de aanloopfase van ondernemingen. Om de kloof te helpen dichten, kunnen door de overheid gefinancierde risicokapitaalverschaffers een rol spelen, maar ook zij zullen de kloof niet geheel dichten: familie en vrienden van de ondernemer en business angels moeten hier soelaas bieden. De noodzaak om de verschaffing van startkapitaal aan te moedigen, is een tweede argument voor het EESC om de Commissie en de lidstaten aan te moedigen om te werken aan fiscale prikkels voor particuliere investeringen in startende ondernemingen, zoals in het Enterprise Investment Scheme in het VK. Volgens deze regeling levert geïnvesteerd kapitaal een lagere inkomstenbelasting op, terwijl het rendement op risicokapitaal belastingvrij is. Deze fiscale prikkels zorgen voor een zeer gunstige verhouding tussen risico en rendement voor de particulier die in een startende onderneming investeert.

4.6.   Volgens de regeling in de VK gelden soortgelijke prikkels ook voor investeringen van particulieren in collectieve beleggingsfondsen die een belang nemen in kleine nieuwe ondernemingen die aan de AIM genoteerd staan. Deze fondsen staan bekend onder de naam Venture Capital Trusts. De investeringen leveren een lagere inkomstenbelasting op, terwijl het geïnvesteerde kapitaal vrijgesteld is van winstbelasting en successierechten.

4.7.   Soortgelijke prikkels zijn er ook voor particulieren die rechtstreeks investeren in aan de AIM genoteerde ondernemingen. Deze markt en de bijbehorende belastingvermindering hebben er in het VK toe geleid dat er veel nieuwe ondernemingen zijn opgericht.

4.8.   De AIM is gespecialiseerd in de beursintroductie van aandelen van kleine nieuwe ondernemingen (initial public offerings, IPO′s). Het investeren van risicokapitaal in niet aan de beurs genoteerde ondernemingen is daardoor in het VK zeer aantrekkelijk geworden omdat de AIM via die IPO's RK-ondernemingen voorziet van de exits waar zij behoefte aan hebben. Als instellingen als de AIM er ook in andere lidstaten komen, waar zij de nationale of diverse nationale markten bedienen, zou dat tot beurzen kunnen leiden waar kapitaal voor het MKB wordt verworven en waar hun aandelen worden verhandeld. Dit zou een belangrijke factor kunnen zijn voor de ontwikkeling van risicokapitaal in tot nu toe zwakke EU-markten.

4.9.   Het EESC beseft terdege dat er vraag moet zijn naar risicokapitaal wil de RK-sector floreren. Dit betekent weer dat er in de EU meer ondernemingen moeten worden opgericht, met een gelijkopgaande groei van ondernemerschap en innovatie. Het EESC stelt deze zaken eenvoudig vast. Het is niet de bedoeling dat hier aspecten van ondernemerschap en innovatie aan bod komen; het zij echter nogmaals opgemerkt dat aan de hand van belastingprikkels de groei van het aantal kleine ondernemingen toeneemt.

4.10.   Terwijl het EESC achter de voorstellen staat om grensoverschrijdende RK-activiteiten mogelijk te maken, betreurt het dat er geen betrouwbare en onafhankelijke data zijn om als basis voor deze analyse te fungeren. Onafhankelijk onderzoek lijkt immers op terughoudendheid in dit verband te wijzen aangezien er „geen duidelijk onderscheid gemaakt kan worden tussen veranderingen in de werkgelegenheid in ondernemingen die steunen op risicokapitaal en ondernemingen die steunen op andere vormen van private equity (4).

4.11.   In een eerder advies (5) heeft het EESC zijn bezorgdheid al uitgesproken over de eventuele dreiging voor de werkgelegenheid (inclusief de kwaliteit ervan) door private equity-transacties. Ondernemingen die steunen op private equity creëren circa 10 % minder banen dan vergelijkbare ondernemingen na een buy-out (5 jaar) (6). Voorts is het essentieel dat zulke transacties plaatsvinden binnen het kader voor onderhandelingen met sociale partners, zoals dat in elke lidstaat is vastgelegd. Het EESC verzoekt de Commissie dan ook om, in het kader van dit initiatief voor risicokapitaal, te garanderen dat de sociale dialoog de overhand blijft krijgen en dat de richtlijn inzake voorlichting en raadpleging van werknemers in deze gevallen van toepassing is. Voorts dringt het EESC er bij de Commissie weer op aan om een voorstel te doen voor een actualisering van de richtlijn „verworven rechten van werknemers”, in die zin dat overdrachten van ondernemingen die voortvloeien uit overdracht van aandelen ook onder die richtlijn vallen (7).

5.   Specifieke opmerkingen over de voorstellen van de Commissie

5.1.   Het is van belang om te werken aan statistische instrumenten die beter inzicht verlenen in hedge funds en private equity-ondernemingen, en aan indicatoren voor bedrijfsbestuur die alle, tenminste op Europees niveau, geharmoniseerd dienen te worden (8).

De voorstellen van de Commissie ter verbetering van fondsenverwerving en grensoverschrijdende investeringen

5.2.   Het EESC schaart zich geheel achter de invoering van een Europese regeling voor onderhandse plaatsing. Dit is een fundamentele vereiste voor grensoverschrijdend risicokapitaal.

5.3.   Dubbele belastingheffing dient te verdwijnen. Zo niet, dan is grensoverschrijdend risicokapitaal voor RK-ondernemingen niet winstgevend genoeg om eraan te beginnen. Het EESC kijkt reikhalzend uit naar het verslag van de werkgroep die de Commissie heeft opgericht om belastingkwesties onder de loep te nemen.

5.4.   De idee van een Europees kader voor risicokapitaal is aantrekkelijk voor zover lidstaten RK-ondernemingen toelaten die onder de regelgeving van andere lidstaten vallen. Dit zal de wederzijdse erkenning ten goede komen, alsook grensoverschrijdende activiteiten van RK-ondernemingen zonder al te veel administratieve rompslomp. Echter, gezien het belang van meer coördinatie van het fiscale beleid, acht het Comité het nodig dat er minimumeisen komen ten aanzien van de belasting van fondsbeheerders om fiscale dumping en economische inefficiëntie te vermijden.

Voorstellen voor acties van de lidstaten om versnippering van de markt te beperken en om de voorwaarden voor de verwerving van risicokapitaal en investering in risicokapitaal te verbeteren

5.5.   Uitbreiding van de goede-huisvader-regel is een cruciale vereiste voor fondsverwerving omdat de investerende instellingen de belangrijkste middelenbron zijn. Het is van belang dat lidstaten regelgeving uitwerken die institutionele investeerders, met name pensioenfondsen, de mogelijkheid bieden om als „goed huisvader” deel te nemen aan RK-fondsen.

5.6.   Samenwerking tussen de lidstaten voor regulering en wederzijdse erkenning is nodig om vorderingen te kunnen boeken met de initiatieven van de Commissie.

5.7.   De idee van concurrerende clusters houdt verband met ondersteunend beleid voor ondernemingen en innovatie. De idee is dat clusters van innovatieve ondernemingen zouden voortkomen uit universiteiten en nabij universiteiten zouden worden gevestigd. Zulke ontwikkelingen zijn zeer aantrekkelijk voor RK-ondernemingen.

5.8.   Kwesties in verband met liquide-exitmarkten komen ter sprake in hoofdstuk 4.

Brussel, 22 oktober 2008.

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI


(1)  PB C 10 van 15.1.2008, blz. 96.

(2)  Richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen, PB L 82 van 22.3.2001, blz. 16-20.

(3)  Globalisation of Alternative Investment: the global economic impact of private equity (blz.viii), een door het World Economic Forum gepubliceerde studie, 2008.

(4)  WEF, blz. 43.

(5)  PB C 10 van 15.1.2008, blz. 96.

(6)  WEF, blz. 54.

(7)  Richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen, PB L 82 van 22.3.2001, blz. 16-20.

(8)  PB C 10 van 15.1.2008, blz. 96.


Top