EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52005AE0529

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld, met inbegrip van terrorismefinanciering”(COM(2004) 448 def.)

OJ C 267, 27.10.2005, p. 30–35 (ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV)

27.10.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 267/30


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld, met inbegrip van terrorismefinanciering”

(COM(2004) 448 def.)

(2005/C 267/05)

De Raad besloot op 21 oktober 2004, overeenkomstig artikel 262 van het EG-Verdrag, het Europees Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over voornoemd voorstel.

De afdeling „Economische en Monetaire Unie — economische en sociale samenhang”, die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 15 april 2005 goedgekeurd; rapporteur was de heer Simpson.

Het Comité heeft tijdens zijn 417e zitting van 11 en 12 mei 2005 (vergadering van 11 mei 2005) het volgende advies uitgebracht dat met 107 stemmen vóór, bij 1 onthouding werd goedgekeurd:

1.   Samenvatting

1.1

Het gaat om het derde richtlijnvoorstel ter voorkoming van witwassen. Het eerste (91/308/EEG) werd in 1991 uitgebracht en het tweede (2001/97/EG) in 2001.

1.2

Met het voorstel wordt vooral beoogd om (1) uitdrukkelijk te verwijzen naar financiering van terrorisme, hoewel de lidstaten het reeds bij de voorbereiding van de eerdere richtlijn erover eens waren dat zulks tot „ernstige strafbare feiten” behoort, en (2) rekening te houden met de herziene 40 aanbevelingen (juni 2003) van de FATF (Financial Action Task Force on Money Laundering) (1).

2.   Algemene opmerkingen

2.1

De in het ontwerp opgenomen verplichtingen zijn in de eerste plaats bedoeld voor:

a)

ondernemingen die aan de voorgestelde vereisten dienen te voldoen (de „gereguleerde sector”);

b)

betrekkers van door deze ondernemingen aangeboden diensten;

c)

personen die kennisgeven van kennis of verdenking van witwassen;

d)

wetshandhavers en financiële inlichtingeneenheden („FIU's”) die gebruikmaken van informatie over witwassen; en

e)

criminelen, d.w.z. zij die zich schuldig maken aan de „ernstige strafbare feiten” van artikel 3, lid 7, van het voorstel voor zover deze middels de gelden in kwestie worden gefinancierd.

2.2

Het ontwerp strekt ter vervanging van de twee bestaande richtlijnen.

2.3

De belangrijkste wijzigingen hebben betrekking op het volgende:

i.

opname van een specifieke verwijzing naar terrorismefinanciering en een gedetailleerdere omschrijving van „ernstige strafbare feiten”;

ii.

uitbreiding tot verleners van trust- en bedrijfsdiensten en bemiddelaars in kostbare goederen en diensten;

iii.

significante uitbreiding tot verleners van trust- en bedrijfsdiensten, alertheid („kennis van de cliënt”), verificatie van identiteit, inclusief die van de uiteindelijk begunstigde;

iv.

bescherming van werknemers die witwasactiviteiten melden;

v.

een verbod op kennisgeving aan een cliënt dat informatie over dergelijke activiteiten is doorgegeven;

vi.

opname van de verplichting om EU-normen ook op vestigingen in derde landen toe te passen.

2.4

Het ontwerp biedt ruimte voor meer convergentie met landen waar de aanbevelingen van de FATF en de OESO reeds worden toegepast of waar dit nog zal gebeuren.

2.5

Consolidering van de bestaande richtlijnen in de nieuwe dient voorts de duidelijkheid.

2.6

De derde richtlijn sluit echter wel zeer nauw aan bij de tweede richtlijn, waarin de materiële en sectorale reikwijdte van de anti-witwasbepalingen reeds vergaand was opgerekt. Het is wellicht nog te vroeg om de impact van de Richtlijn 2001 te evalueren, en de Commissie merkt dan ook op dat er tot op heden geen diepgaande studie is verricht naar de efficiëntie van de bestaande regels of de evenredigheid ervan. Voorts is er evenmin gekeken of de financiële bijdrage van de lidstaten gelijke tred houdt met die van de gereguleerde sector.

2.7

Het Comité is voorstander van maatregelen die witwassen en terrorismefinanciering moeilijker zullen maken. Het schaart zich verder achter toepassing in de gehele Unie van preventieve maatregelen, omdat de witwassers zullen proberen de zwakheden in het controlestelsel uit te buiten en geld naar de gebieden met het zwakste toezicht zullen proberen te sluizen. Daarom moeten de lidstaten strenge regels invoeren en derde landen aanmoedigen hetzelfde te doen.

2.8

In het navolgende wordt gedetailleerder ingegaan op specifieke aspecten van het ontwerp.

3.   Bijzondere opmerkingen over de belangrijkste herzieningen

3.1   Terrorisme en ernstige strafbare feiten

3.1.1

Het Comité kan zich vinden in de opname van terrorismefinanciering in het ontwerp.

3.1.2

De definities van ernstige strafbare feiten en witwassen dienen te worden verduidelijkt ten behoeve van alle betrokkenen. Daarmee zouden zij gedetailleerder inzicht krijgen in de strekking van het ontwerp en kunnen zij in hogere mate bijdragen tot een door meer consistentie en doeltreffendheid gekenmerkte toepassing.

3.1.3

Het is vooral zaak om duidelijk aan te geven, tot op welke hoogte in de gereguleerde sector werkzame personen van de strafrechtelijke bepalingen ter zake op de hoogte dienen te zijn, want de meeste betrokkenen hebben nauwelijks of geen kennis op dit gebied. Artikel 3, lid 7, bevat een gedetailleerde definitie van „ernstige strafbare feiten”, maar aanbevolen wordt om deze bepaling nog verder uit te werken, zodat duidelijk is wanneer van een persoon uit de gereguleerde sector mag worden verwacht dat hij of zij witwaspraktijken rapporteert. Verdergaande vereisten zouden de sector met disproportioneel hoge opleidings- en toezichtlasten opzadelen, met alle gevaren van kostenverhoging van dien en daarmee gepaard gaande onnodige onzekerheid voor de cliënt. Werknemers in de gereguleerde sector zouden op die manier ook aan onnodige risico's worden blootgesteld.

3.1.4

Het „ernstige strafbare feit” (in deze gedefinieerd als „ten minste” omvattende de in lid 7 opgesomde activiteiten) lijkt als minimumnorm te zijn geformuleerd. Uit de nationale omzettingspraktijk tot op heden blijkt evenwel dat de lidstaten er uiteenlopende benaderingen op nahouden, met als resultaat dat over het geheel óf alle criminele activiteiten óf slechts ernstige strafbare feiten worden bestreken.

3.1.5

Er dient over te worden nagedacht om de nationale keuzevrijheid in te perken ten behoeve van een uniforme toepassing van de regels en zo in de gereguleerde sector van de gehele EU gelijke kansen te creëren. Wensen bepaalde lidstaten stringentere regelgeving, dan beveelt het Comité een regeling aan waarbij uitsluitend de ernstige strafbare feiten (de minimumnorm) hoeven te worden aangegeven. De rest kan op vrijwillige basis geschieden. Zodoende bieden de nationale wet en de verplichte aanmelding dezelfde bescherming ten aanzien van andere strafbare feiten.

3.1.6

Een meldingsplicht voor alle criminele activiteiten, vooral in verband met extraterritoriale vereisten aangaande rapportage, risicospreiding door particuliere handelaren in dure goederen en diensten, sorteert waarschijnlijk geen effect. De gebreken van een aangifteverplichting voor ieder „strafbaar feit” zijn reeds zichtbaar geworden door het het VK-systeem, waarmee getracht werd om de inspanningen voor de sector en de wetshandhavers ter zake van (soms reeds gemelde) bagatelzaken te minimaliseren.

3.1.7

Het Comité acht de in artikel 6, onder b, voorgestelde minimumdrempel (15.000 euro) voor de aangifteplicht redelijk, gegeven het feit dat de drempel bereikt kan worden door één of meerdere transacties waartussen een verband lijkt te bestaan.

3.1.8

Verder verdient het aanbeveling om in de definitie van witwassen de volgende explicitering aan te brengen: evenals in artikel 1, lid 1, onder c), van de tweede Richtlijn, zoals overgenomen in artikel 1, lid 2, onder c, van het ontwerp, dient het bezit van een uit een criminele activiteit verkregen voorwerp van iedere eventuele verder nodige transactie te worden losgekoppeld.

3.1.9

In artikel 2, lid 1, onder 3b), worden vijf categorieën vrije-beroepsbeoefenaars opgevoerd. Het Comité wil daar nog een volgende aan toevoegen: „(vi) belastingadviseurs”.

3.2   Verrichters van trust- en bedrijfsdiensten en tussenpersonen bij kostbare transacties

3.2.1

Verrichters van trust- en bedrijfsdiensten worden in artikel 3, lid 9, gedefinieerd en tussenpersonen bij kostbare transacties in artikel 2, lid 1, onder 3 f). De verduidelijking van deze definities, en met name de opname van „diensten” in artikel 2, lid 1, onder 3 f), verdienen bijval. Evenals cash betaalde goederentransacties kunnen namelijk ook cash betaalde dienstentransacties worden witgewassen.

3.3   Kennis van de cliënt, verificatie van zijn identiteit en de uiteindelijke begunstigde

3.3.1

Deze artikelen moeten duidelijk zijn en geschikt voor toepassing op een op risico gebaseerd systeem. Deze aspecten van de witwasregeling vormen een groot aandeel in de nalevingkosten en hebben dus directe gevolgen voor cliënten.

3.3.2   Definiëring van de uiteindelijke begunstigde

3.3.2.1

Deze wordt in artikel 3, lid 8, gedefinieerd als de natuurlijke persoon die uiteindelijk rechtstreeks of middellijk eigenaar is van of zeggenschap heeft over ten minste 10 % van de aandelen of van de stemrechten van een rechtspersoon of uiteindelijke begunstigde is van ten minste 10 % van het vermogen van een stichting, een trust of een soortgelijke constructie, of die anderszins een vergelijkbare invloed uitoefent op bijv. het bestuur. Gegeven artikel 7, lid 1, onder b), en de risicomaatregelen van artikel 7, lid 2, is deze drempel te laag.

3.3.2.2

Het ontwerp zou uitsluitend beginselen moeten bevatten betreffende identificatievereisten en de lidstaten de verplichting moeten opleggen om zelf of via representatieve beroepsorganisaties begeleiding te verschaffen; een en ander op basis van een gedifferentieerd risicosysteem ten behoeve van identificatie van de uiteindelijke begunstigde.

3.3.2.3

Het Comité kan begrip opbrengen voor de voorgestelde strikte eisen, maar algemene toepassing ervan zou te goeder trouw zijnde cliënten wel eens kunnen opzadelen met bijkomende kosten en verlies aan vertrouwelijkheid ten aanzien van geplande transacties die niet of nauwelijks illegale effecten hebben.

3.3.2.4

Daarom wordt aanbevolen om de minimumdrempel voor identificatie van de eigenaar (een natuurlijk persoon of een met afstemming handelende groep) op 25 % te situeren.

3.3.3   Publieke of politieke personen

3.3.3.1

De definitie van artikel 3, lid 10, is onnodig ruim en moet aan het einde, na de passage „relaties met deze personen” worden aangevuld met de passage „die geen EU-burgers zijn.”„PEP's in de Unie (die niet noodzakelijkerwijs immuun voor corruptie zijn) zijn reeds onderworpen aan democratische controlemechanismen waardoor de” uitgebreide „ken-uw-cliënt-vereisten” van artikel 11, lid 1, overbodig zijn.

3.3.4   Kennis van de cliënt en identificatie

3.3.4.1

Dit onderdeel van het ontwerp behoeft nauwkeuriger woordgebruik. Termen als „ken-uw-cliënt”, „verifiëren” en „nauwlettend controleren” kunnen binnen de gereguleerde sector en de lidstaten op uiteenlopende wijze worden uitgelegd, en daarom dient er voor preciezere, uniforme interpretaties te worden gezorgd.

3.3.4.2

Wat identificatie betreft, wordt aanbevolen om de lidstaten ertoe te verplichten duidelijke, risicogerelateerde richtsnoeren uit te vaardigen.

3.3.4.3

Krachtens artikel 6, onder c), moet de „ken-uw-cliënt-procedure” worden gevolgd wanneer er een vermoeden van witwassen bestaat, ongeacht of er sprake is van enigerlei ontheffing, vrijstelling of drempel. In de praktijk kan dit op problemen stuiten omdat de verdachte partij dan als het ware wordt ingeseind dat er een verdenking op hem rust. Artikel 6 zou dan ook moeten worden aangevuld met de bepaling dat de procedure uitsluitend mag worden toegepast wanneer vaststaat dat de verdenking daardoor niet aan partij(en) kenbaar wordt gemaakt.

3.3.4.4

Ten aanzien van de vereenvoudigde ken-uw-cliënt-procedure van artikel 10, lid 3, onder c), beveelt het Comité aan om de bepaling als volgt aan te vullen: „een pensioenstelsel, een pensioenfonds of een soortgelijk stelsel dat pensioenen uitkeert aan werknemers, waarbij de premies worden ingehouden op het loon en/of waarbij sprake is van werkgeversbijdragen …”.

3.3.4.4.1

Voorgesteld wordt (artikel 11, lid 2) dat de lidstaten kredietinstellingen verbieden om een correspondentbankrelatie aan te gaan met banken die het shell banken toestaat om van haar rekeningen gebruik te maken. Een kredietinstelling kan dat laatste echter niet altijd zomaar vaststellen. Er dient dan ook uitsluitend te worden voorgeschreven dat de instellingen hun relaties met hun correspondentbanken zorgvuldig toetsen op hun beleid ten aanzien van shell banken.

3.3.4.5

In artikel 11, lid 1, onder a), hoeft de term „bewijsstukken” niet nader te worden gespecificeerd door het woord „aanvullend”. Dit laatste woord kan dus worden geschrapt.

3.3.4.6

Ingevolge artikel 12 kan voor de toepassing van ken-uw-cliënt-procedures een beroep op derden worden gedaan, maar de eindverantwoordelijkheid ter zake van die procedures blijft rusten op de door de richtlijn bestreken instellingen en personen. Aanbevolen wordt om de tweede alinea („De uiteindelijke verantwoordelijkheid blijft evenwel berusten bij de onder deze richtlijn vallende persoon of instelling die op een derde een beroep doet”) te vervangen door het in inleidende overweging 20 op blz. 12 van het voorstel genoemde beginsel (vermijden dat in een regeling vervatte door derden uitgevoerde cliëntidentificatieprocedures worden overgedaan). Tenzij uitbesteding is toegestaan, zal de bepaling, als er eenmaal redelijke maatregelen zijn genomen om de goede trouw van de derde vast te stellen, dubbel werk namelijk niet vermijden.

3.3.4.7

Het is dienstig om artikel 13, lid 2 (informatieverschaffing over vermoedens dat een derde land niet aan de voorwaarden voldoet) met de volgende zin aan te vullen: „De Commissie dient dergelijke informatie te onderzoeken en de lidstaten van haar conclusies op de hoogte te stellen.

3.3.4.8

Om twijfels over de verenigbaarheid van artikel 14 met in sommige lidstaten bestaande privacyregelingen weg te nemen moet het woord „onmiddellijk” uit artikel 14 worden geschrapt. Wellicht kan het worden vervangen door „snel”. Verder moet de derde in dit verband de mogelijkheid hebben om de instemming te vragen van de personen wier informatie wordt onthuld.

3.4   Mededelingsverbod

3.4.1

Wat het eerste gedeelte van artikel 25 betreft, moet nauwkeuriger worden aangegeven wat het woord „verbod” inhoudt. In sommige lidstaten moet het personeel in de gereguleerde sector verslag uitbrengen aan bepaalde regelgevers, rechtelijke autoriteiten of de financiële inlichtingeneenheid en ook kan de bestrijding van witwassen in de praktijk worden vergemakkelijkt door zorgvuldige informatie-uitwisseling tussen partijen die niet medeplichtig zijn aan witwassen. Om deze positieve vormen van informatieverstrekking mogelijk te maken, verdient het aanbeveling om in dit artikel expliciet aan te geven dat „mededelingen” uitsluitend verboden zijn wanneer daardoor een verdachte wordt ingeseind of een onderzoek naar witwaspraktijken in gevaar wordt gebracht.

3.5   Faire mededinging en transacties in derde landen

3.5.1

In inleidende overweging 23 (blz. 11) en artikel 27 wordt voorgesteld dat de EG-normen moeten worden toegepast in derde landen waar Europese krediet- of financiële instellingen bijkantoren bezitten en dochters waarin zij een meerderheidsbelang hebben, en waarvan de wetgeving inzake witwassen en terrorismefinanciering gebrekkig wordt geacht.

3.5.2

Het Comité is bezorgd dat genoemde bijkantoren en dochters op die manier niet efficiënt en competitief kunnen opereren in landen waar de anti-witwasbepalingen niet aan de EU-normen voldoen. Weliswaar dient de toepassing van de EU- of vergelijkbare normen te worden gestimuleerd, maar het lijkt nog te vroeg om dat als absoluut vereiste ten aanzien van derde landen te stellen. Het verdient in dit verband aanbeveling dat de instellingen de bevoegde autoriteiten van derde landen informeren ten behoeve van de verbetering van de controle op witwaspraktijken en terrorismefinanciering aldaar.

3.5.3

Het zou meer op zijn plaats zijn wanneer de Unie de toepassing van goede en wereldwijd erkende normen zou bevorderen door haar eigen eisen te vervangen door de 40 aanbevelingen van de FATF. Daardoor zou de indruk worden weggenomen dat zij middels extraterritoriale werking haar normen wil opdringen, terwijl er toch in hoge mate gelijkwaardige mondiale standaarden bestaan.

3.6   Bescherming van werknemers

3.6.1

Het Comité is ingenomen met artikel 24 en dringt aan op een verwijzing naar de rol die gerechtelijke procedures en de politie ter zake van bescherming kunnen spelen. Duidelijkheid over de bescherming van vertrouwelijkheid en de bronnen van informatie over witwassen is cruciaal voor het soepel en integraal functioneren van de informatiesystemen. Artikel 24 dient niet alleen op werknemers maar ook op vakverenigingen betrekking te hebben. Verder zou er specifiek gewag moeten worden gemaakt van de verplichting voor de lidstaten om de identiteit van informanten geheim te houden voor zover dat met het nationale civiel en strafrecht te rijmen valt. Daarnaast dient ondubbelzinnig te worden bepaald dat die identiteit alleen wordt vrijgegeven wanneer de informant daarin heeft toegestemd of zulks wezenlijk is voor een fair strafproces.

3.6.2

Voorts dienen de beschermingsbepalingen van het artikel zich uit te strekken tot vrijeberoepsbeoefenaars en mkb's.

3.7   Verdere opmerkingen

3.7.1   Sectorale toepassing van het voorstel

3.7.1.1

Tenzij anders bepaald, gelden de eisen van het ontwerp voor alle in artikel 2 genoemde instellingen en personen. De gereguleerde sector wordt evenwel gekenmerkt door een hoge mate aan diversiteit en daarom moet worden gekeken naar de situatie van instellingen of beroepen die slechts gedeeltelijk onder de reikwijdte van het voorstel vallen. Zij behoeven opheldering over de vraag in hoeverre het ontwerp op hun activiteiten van toepassing is.

3.7.1.2

Het is onduidelijk waarom in artikel 2 het toepassingsgebied van de richtlijn voor notarissen en andere onafhankelijke beoefenaars van juridische beroepen wordt beperkt tot bepaalde activiteiten, terwijl voor andere vrijeberoepsbeoefenaars, die door hun beroepsorganisatie aan dezelfde soort strikte normen betreffende ethiek en vaardigheden zijn gebonden, geldt dat al hun activiteiten onder de richtlijn vallen. Het Comité begrijpt dat in sommige lidstaten bepaalde activiteiten zijn voorbehouden aan notarissen en andere juridische beroepsbeoefenaars (met name in verband met formele gerechtelijke procedures), dat zij wat dat betreft van andere vrijeberoepsbeoefenaars kunnen worden onderscheiden en dat dus een aantal van hun activiteiten buiten het toepassingsgebied van de richtlijn vallen. Diensten die niet uitsluitend door deze juristen maar ook door andere beoefenaars van gereguleerde beroepen mogen worden verleend zouden echter wel binnen het werkingsgebied van de richtlijn moeten worden gebracht.

3.7.2   Meldingsplicht

3.7.2.1

Krachtens artikel 17 onderzoeken de onder de richtlijn vallende instellingen en personen met bijzondere aandacht activiteiten die waarschijnlijk verband met witwassen houden.

3.7.2.2

Dit zou erin kunnen resulteren dat die instellingen en personen zware bijkomende procedures moeten invoeren en dat een betrokkene door het openen van dergelijke procedures wel eens over de verdenking zou kunnen worden „getipt”.

3.7.2.3

Het Comité denkt niet dat het de taak van de gereguleerde sector is om het onderzoek van artikel 17 uit te voeren. Wel dient men alert te zijn: vermoedens die worden gewekt op basis van tijdens de normale manier van zakendoen opgedane informatie met deze informatie voor onderzoek aan de handhavingautoriteiten worden doorgegeven.

3.7.3   De mogelijkheid voor de lidstaten om strengere bepalingen in te voeren

3.7.3.1

Krachtens artikel 4 kunnen de lidstaten strengere bepalingen aannemen of handhaven dan als opgenomen in de richtlijn.

3.7.3.2

Qua strengheid onderling uiteenlopende nationale bepalingen kunnen echter afbreuk doen aan de interne markt, uitmonden in mededingingsdistorsies en criminelen ertoe aanzetten om hun witwaspraktijken naar tolerantere lidstaten te verplaatsen.

3.7.3.3

Aanbevolen wordt dan ook om de vrijheid van de lidstaten om strengere bepalingen van dwingende aard in te voeren te beperken tot hetgeen in het licht van de specifieke lokale omstandigheden geboden is.

3.7.4   Opmerkingen over specifieke bepalingen

3.7.4.1

Het Comité kan zich vinden in de verplichting voor de lidstaten om feedback te verstrekken (artikel 31, lid 3) en beveelt aan dat de desbetreffende informatie specifiek aan de financiële inlichtingeneenheid wordt doorgegeven. Feedback is nuttig omdat daarmee voor een efficiënte toepassing van de wetgeving kan worden gezorgd.

3.7.4.2

Krachtens artikel 19, lid 1, onder b, moeten de onder de richtlijn vallende instellingen en personen de financiële inlichtingeneenheid alle vereiste aanvullende inlichtingen verstrekken overeenkomstig geldend recht. Het Comité wijst erop dat de notie „alle vereiste aanvullende inlichtingen” uit handhavingoogpunt erg ver gaat en dat de gereguleerde sector wel eens niet in staat zou blijken te zijn om aan die verplichting te voldoen. Het beveelt dan ook aan, de woorden „alle vereiste” te vervangen door een formulering die de lidstaten en hun gereguleerde sectoren de mogelijkheid biedt om te bezien welke bijkomende informatie kan worden gevraagd zonder dat de verstrekking ervan onnodige rompslomp met zich meebrengt en hoe kan worden voorkomen dat de financiële inlichtingeneenheid toch op meer informatie aandringt.

3.7.4.3

In artikel 20, lid 2, zou moeten worden bepaald dat verdenkingen die opkomen tijdens de verschaffing van juridisch advies door notarissen, onafhankelijke juridische beroepsbeoefenaars, bedrijfsrevisoren, externe accountants of belastingadviseurs buiten de meldingsplicht vallen. De huidige formulering van dit lid is beperkter en lijkt te suggereren dat de vrijstelling alleen geldt voor advies ten behoeve de vaststelling van de rechtspositie van hun cliënt in de aanloop naar een rechterlijke procedure. Dit zou neerkomen op een niet te wettigen beperking van het grondrecht om in alle vertrouwelijkheid juridisch advies in te winnen.

3.7.4.4

De bepaling van artikel 23 dat verstrekking van inlichtingen overeenkomstig de richtlijn geen schending van een verbod op onthulling van informatie oplevert ontbeert de wel in de Tweede richtlijn opgenomen toevoeging dat deze inlichtingen te goeder trouw moeten zijn verstrekt om voor bescherming in aanmerking te komen. Die toevoeging moet in onderhavig voorstel worden overgenomen, zodat de gereguleerde sector wordt verplicht verantwoordelijk en te goeder trouw te handelen om de noodzakelijkerwijs vergaande wettelijke bescherming te kunnen genieten. Zonder die toevoeging zou afbreuk kunnen worden gedaan aan de rechten van personen en hun toegang tot de rechter.

4.   Conclusies

4.1

Het Comité kan zich vinden in de twee doelstellingen van het voorstel: ervoor zorgen dat de EU de in de 40 FATF-aanbevelingen vervatte mondiale normen op samenhangende wijze toepast en bestrijding van terrorismefinanciering. Het betreurt evenwel dat de Derde richtlijn wordt voorgesteld terwijl de verdiensten van de in 2001 goedgekeurde Tweede richtlijn nog niet konden worden beoordeeld. Het lijkt wat overhaast om niet eerst te bezien welke lering uit de toepassing van de Tweede richtlijn kan worden getrokken alvorens tot de Derde over te gaan.

4.1.1

Onderhavig ontwerp vormt evenwel in een aantal (uitvoerings)opzichten een verbetering van de eerdere regeling. Het Comité wijst hierbij op met name:

de schrapping van een aantal onnodig lasten veroorzakende bepalingen van de Tweede richtlijn, die niet werden gecompenseerd door verbetering op het gebied van handhaving en criminaliteitsbestrijding;

het opheffen van tegenstrijdigheden tussen anti-witwasverplichtingen en –praktijken binnen de EU (d.w.z. in de lidstaten, de gereguleerde sectoren en andere voor witwassen gevoelige sectoren) en contrasten tussen praktijken in de Unie en derde landen (waardoor uiteenlopende voorschriften van de lidstaten zoveel mogelijk dienen te worden vermeden), en

duidelijkere voorschriften voor de bescherming van werknemers in verband met de meldingsplicht.

4.2

De gedane suggesties dienen als bijdrage tot deze aanvullende maar niet strijdige doelstellingen. Bij de verdere uitwerking van het voorstel moeten deze hoofdbeginselen voor ogen worden gehouden.

4.3

De Tweede richtlijn is in veel lidstaten pas kort van kracht en daarom dient voor de uitvoering van onderhavig voorstel in een ruime overgangsperiode te worden voorzien.

4.4

De opgedane ervaringen met de tenuitvoerlegging van anti-witwas- en terrorismefinancieringsrichtlijnen zouden de Unie wel eens kunnen nopen tot dwarsverbanden en beleidssynergie met de afschrikking van andere vormen van criminaliteit. Het Comité beveelt in dit verband het volgende aan:

het voorstel moet tegen de achtergrond van de werkzaamheden van de Raad van Europa inzake het strafrecht worden bezien;

de regelingen betreffende inbeslagname van criminele gelden moeten worden verduidelijkt;

derde landen dient meer ondersteuning bij criminaliteitsbestrijding worden geboden;

er dient meer aandacht te worden besteed aan specifiek gevoelige onderwerpen, zoals grensoverschrijdende belastingontwijking.

4.5

Het Comité schaart zich ten slotte achter de uitwerking van regels om witwaspraktijken en terrorismefinanciering tegen te gaan, teneinde aan te tonen dat de Unie zorgt voor strikte normen inzake legitiem gedrag in zowel de publieke als de particuliere sector. Onderhavig voorstel betekent een praktische verbetering van het financieel beheer en een versterking van de EU.

Brussel, 11 mei 2005

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

A.-M. SIGMUND


(1)  De FATF is een intergouvernementeel orgaan dat normen opstelt en beleid ter bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering ontwikkelt en promoot. Website: www.fatf-grafi.org


Top