EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52000IR0351

Advies van het Comité van de Regio's over "Regio's en nieuwe economie/Richtsnoeren voor uit het EFRO gefinancierde innoverende acties voor 2000-2006"

OJ C 144, 16.5.2001, p. 62–64 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

52000IR0351

Advies van het Comité van de Regio's over "Regio's en nieuwe economie/Richtsnoeren voor uit het EFRO gefinancierde innoverende acties voor 2000-2006"

Publicatieblad Nr. C 144 van 16/05/2001 blz. 0062 - 0064


Advies van het Comité van de Regio's over "Regio's en nieuwe economie/Richtsnoeren voor uit het EFRO gefinancierde innoverende acties voor 2000-2006"

(2001/C 144/19)

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S,

gelet op de op 11 juli 2000 door de Commissie goedgekeurde ontwerpmededeling aan de lidstaten over regio's en nieuwe economie/Richtsnoeren voor uit het EFRO te financieren innoverende acties voor 2000-2006;

gelet op art. 22 van Verordening (EG) nr. 1260/99 van de Raad houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen(1), waarin is vastgelegd dat uit de fondsen "op initiatief van de Commissie ... innovatieve acties op communautair niveau (kunnen worden ) gefinancierd ... (die bijdragen) tot de uitwerking van innovatieve methoden en praktijken die tot doel hebben de kwaliteit van de bijstandspakketten in het kader van de doelstellingen 1, 2 en 3 te verbeteren.";

gelet op het door het CvdR-bureau op 10 november 2000 overeenkomstig art. 265, vijfde alinea, van het Verdrag van Amsterdam genomen besluit om over dit onderwerp een advies op te stellen en commissie 1 "Regionaal beleid, structuurfondsen, economische en sociale samenhang, grensoverschrijdende en interregionale samenwerking" met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden te belasten;

gelet op het door commissie 1 op 22 november 2000 goedgekeurde ontwerpadvies (CDR 351/2000 rev. 1) (rapporteur: de heer O'Neachtain, lid van de Galway County Council en van de West Regional Authority, IRL/EA);

gelet op het op 21 september 1995 door het Comité uitgebrachte advies "Innovatie in het kader van de Structuurfondsen 1995-1999 - Richtsnoeren voor het tweede actieprogramma in het kader van artikel 10 van het EFRO" (CDR 303/95(2)) (rapporteurs: de heren Holgersson en Pettitt);

overwegende dat het hier gaat om richtsnoeren die de wijze waarop lokale en regionale overheden innoverende acties in praktijk brengen, rechtstreeks beïnvloeden;

overwegende dat de nieuwe, voor 2000-2006 voorgestelde richtsnoeren wat toepassing en beheer van innoverende acties betreft enkele significante verschillen vertonen met die van de vorige programmeringsperiode;

overwegende dat er behoefte bestaat aan voorstellen die zowel voor de Commissie als voor lokale en regionale overheden alsmede de uiteindelijke begunstigden duidelijk, eenvoudig en transparant zijn;

overwegende dat er behoefte bestaat aan flexibele voorschriften m.b.t. maatregelen die tot doel hebben om innovatie in regio's te stimuleren, de verschillen in bestuurlijke en juridische ordening van regio's overal in de EU gemakkelijker te ondervangen en een daadwerkelijk partnerschap tussen de diverse regio's tot stand te brengen;

overwegende dat actheropgeraakte regio's voor hun ontwikkeling baat hebben bij de overdracht van innovatie en technologie en dat bureaucratische rompslomp bij een dergelijke overdracht zoveel mogelijk moet worden beperkt;

overwegende dat de uit het EFRO te financieren innoverende acties bedoeld zijn als aanvulling op het algemene programma van de doelstellingen 1 en 2;

overwegende dat de EU, behalve bij deze innoverende acties, maar weinig andere gelegenheden biedt waarbij een groot aantal Europese regio's streekgebonden programma's kunnen uitwerken en financiële steun van de EU kunnen aanvragen voor projecten die uitsluitend op de regio zelf betrekking hebben,

heeft tijdens zijn 36e zitting van 13 en 14 december 2000 (vergadering van 13 december) het volgende advies uitgebracht, dat met algemene stemmen is goedgekeurd.

Het Comité van de Regio's,

1. staat achter voortzetting van uit het EFRO te financieren innoverende acties en de rol die de regio's bij de uitwerking en bevordering van dergelijke acties spelen;

2. is ingenomen met deze ontwerprichtsnoeren voor innoverende EFRO-acties voor 2000-2006 en dringt aan op een zo spoedig mogelijke tenuitvoerlegging daarvan;

3. betreurt dat de ontwerpmededeling alleen de lidstaten is toegezonden, en noch aan het Comité van de Regio's (dat is aangewezen als overlegorgaan voor lokale en regionale overheden), noch aan het Europees Parlement is gericht;

4. is ervan overtuigd dat deze innoverende acties lokale en regionale overheden de gelegenheid bieden om de procedures en praktijken van de Europese Unie nog beter onder de knie te krijgen;

5. juicht toe dat wordt aangegeven in welke regio's de regionale overheden voor financiële steun in aanmerking komen en is vooral ingenomen met de verduidelijking in deze ontwerpmededeling dat de NUTS III-overheden van regio's in Ierland, Denemarken, Finland en Zweden zal worden gevraagd om een voorstel in te dienen; het is sterk gekant tegen ieder mogelijk nieuw voorstel om daarin weer verandering te brengen;

6. stelt verder voor dat innoverende acties krachtens art. 22 ook kunnen worden toegepast in regio's die momenteel geheel of gedeeltelijk in aanmerking komen voor steun onder doelstelling 1 in overgangsfase en doelstelling 2 in overgangsfase, teneinde de band tussen die acties en uit het EFRO gecofinancierde programma's verder aan te halen;

7. is van oordeel dat in sommige lidstaten ook andere overheidsinstanties met een uitgesproken regionale opdracht aanvragen moeten kunnen indienen;

8. onderkent de noodzaak om in de praktijk gestalte te geven aan het subsidiariteitsbeginsel en dat regio's een rechtstreekse band met de EU moeten hebben, zonder dat zij daarbij onder te vérgaand financieel of bestuurlijk toezicht van hun centrale overheid staan;

9. is ingenomen met de gestructureerde samenwerking tussen degenen die verantwoordelijk zijn voor het beheer van innoverende acties en degenen die over de programma's van doelstellingen 1 en 2 gaan, zij het dat innoverende acties niet als nóg een algemeen operationeel programma mogen worden gezien;

10. adviseert dat aan regio's waarvan de programma's zijn goedgekeurd, de bevoegdheid wordt toegekend om zelf als beheerder, toezichthouder en uitbetaler voor die programma's op te treden. Als volgens de Commissie in specifieke gevallen terecht voor problemen kan worden gevreesd, dienen maatregelen te worden genomen om betrokkenen op te leiden en op hun taken voor te bereiden;

11. wil dat de uitvoering van afzonderlijke projecten sterk de nadruk krijgt in regionale programma's. Gezien de voor de programma's vastgestelde termijn van twee jaar, moeten de strategieën die voor de uitvoering daarvan worden uitgestippeld, duidelijk en beknopt zijn en snel worden goedgekeurd. Zo kan worden voorkomen dat proefprojecten of innoverende acties wegens tijdgebrek niet naar behoren kunnen worden verwezenlijkt;

12. dringt erop aan dat de Commissie in de financiële instructies voor de regio's termijnen stelt voor de uitbetalingen. De procedures zouden zowel voor de Commissie als voor de regio's eenvoudig en overzichtelijk moeten zijn. Bij de laatste uitbetalingen mag geen onnodige vertraging worden opgelopen;

13. acht het wenselijk dat de toepassing van het subsidiariteitsbeginsel wordt bevorderd doordat de betrokken regio's zelf verantwoordelijk worden gemaakt voor het toezicht op en het beheer van de programma's, alsook voor de daarvoor te verrichten betalingen. Een dergelijke regeling kan in sommige lidstaten op zich al innoverend zijn. Het Comité is het er niet mee eens dat betalingen en toezicht in àlle lidstaten onder de verantwoordelijkheid van dezelfde instanties vallen als bij de programma's van doelstellingen 1 en 2;

14. adviseert dat regio's een aanvraag voor een tweede programma mogen indienen als het laatste financiële verslag en de overige rapporten over het eerste programma bij de Commissie zijn binnengekomen en door haar zonder nodeloze vertraging zijn goedgekeurd;

15. dringt er bij de Commissie op aan om de drie in de ontwerprichtsnoeren voorgestelde prioritaire thema's ruim te interpreteren. Die thema's zijn relevant en belangrijk voor de stimulering van innovatie in regio's. Rationalisering door prioritaire thema's vast te leggen en het aantal daarvan bovendien tot drie te beperken, mag echter niet tot gevolg hebben dat de mogelijkheid om innovatie in regio's te stimuleren, aan banden worden gelegd;

16. stelt voor dat de inhoud van programma's die onder het thema Op kennis en technologische innovatie gebaseerde regionale economie vallen, wordt uitgebreid tot

- aanschaf van externe knowhow;

- analyse van bestaande infrastructuur en het potentieel daarvan;

- analyse van de meest benodigde vaardigheden in het MKB;

- analyse van de meest benodigde infrastructuur (bv. voor telecommunicatie op het platteland);

- vestiging in regio's van centra voor technologisch en fundamenteel onderzoek, zodat men zich bewust wordt van de grote betekenis van de interactie tussen de openbare, de particuliere en de z.g. sociale economie voor de ontwikkeling in de regio's;

17. stelt voor dat de inhoud van programma's die onder het thema e-Europe Regio vallen, wordt uitgebreid tot

- het creëren van sites op Internet voor regionale dienstverlening

- het verlenen van hulp aan kleine en middelgrote ondernemingen om de kwaliteit van hun Internet-sites te verbeteren door onderzoek, opleiding en innoverende inhoud (digitale beelden, koppelingen, enz.)

- dienstverlening van lokale overheden via Internet

- experimenteren met het gebruik van de lokale radio-breedband;

18. stelt voor dat de inhoud van programma's die onder het thema Regionale identiteit en duurzame ontwikkeling vallen, wordt uitgebreid tot

- gebruik van technologie voor de instandhouding van culturele en taalkundige identiteit;

- onderzoek naar en identificatie van regionale acties voor duurzame economische activiteiten;

- mogelijkheden en risico's van elektronische inkoop;

19. is van oordeel dat overdracht van technologie veel voordelen heeft voor achterop geraakte regio's. Daarom moet van meet af aan duidelijk op de betekenis van transnationale samenwerking worden gewezen en dient die samenwerking onderdeel van goedgekeurde programma's te zijn;

20. wijst met klem op de noodzaak van opleiding voor een optimaal gebruik van technologieën en innovaties. Zonder die opleidingen zullen vooral in het MKB de langetermijnvoordelen van nieuwe technologieën niet ten volle kunnen worden gerealiseerd;

21. ziet in dat het al dan niet slagen van proefprojecten de lakmoesproef is voor iedere strategie. Er moet voor worden gewaakt dat die proefprojecten te veel aan banden worden gelegd of dat de uitvoering ervan wordt gehinderd door een overmaat aan onnodige regels in verband met financiële en andere controles. Regionale overheden zijn zeker wel in staat om de financiën van dergelijke projecten op een behoorlijke, eenvoudige en transparante wijze te beheren;

22. stelt voor dat er, in het kader van de bespreking en bekendmaking van het jaarverslag, ieder jaar een - door het Comité samen met vertegenwoordigers van de regio's en hun partners te organiseren - conferentie of seminar wordt gehouden om de met de goedgekeurde programma's gemaakte vorderingen te evalueren.

Brussel, 13 december 2000.

De voorzitter

van het Comité van de Regio's

Jos Chabert

(1) PB L 161 van 26.6.1999, blz. 1.

(2) PB C 100 van 2.4.1996, blz. 124.

Top