EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52000AR0302

Advies van het Comité van de Regio's over het "Voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautair actieprogramma ter aanmoediging van samenwerking tussen lidstaten ter bestrijding van sociale uitsluiting"

OJ C 144, 16.5.2001, p. 52–55 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

52000AR0302

Advies van het Comité van de Regio's over het "Voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautair actieprogramma ter aanmoediging van samenwerking tussen lidstaten ter bestrijding van sociale uitsluiting"

Publicatieblad Nr. C 144 van 16/05/2001 blz. 0052 - 0055


Advies van het Comité van de Regio's over het "Voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautair actieprogramma ter aanmoediging van samenwerking tussen lidstaten ter bestrijding van sociale uitsluiting"

(2001/C 144/15)

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S,

gezien het "Voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautair actieprogramma ter aanmoediging van samenwerking tussen lidstaten ter bestrijding van sociale uitsluiting" (COM(2000) 368 def.) 2000/0157 (COD);

gezien het besluit van de Raad van 24 juli 2000 om het Comité overeenkomstig artikel 265, eerste alinea, en artikel 137 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, over dit voorstel te raadplegen;

gezien het besluit van de voorzitter van het Comité van 3 augustus 2000 om, conform artikel 39 van het reglement van orde, commissie 5 voor sociaal beleid, volksgezondheid, consumentenbescherming, onderzoek, toerisme, te vragen een advies hierover op te stellen;

gezien punt twee van zijn advies CDR 84/2000 def. van 14 juni 2000 over de mededeling van de Commissie "Bouwen aan een solidair Europa" - COM(2000) 79 def.(1);

gezien het op 23 oktober 2000 door commissie 5 aangenomen ontwerpadvies [CvdR 302/2000 rev. 1; rapporteurs: mevrouw Hanham (VK/EVP) en de heer Sodano (I/NL)],

heeft tijdens zijn 36e zitting op 13 en 14 december 2000 (vergadering van 13 december) het volgend advies aangenomen.

Het Comité van de Regio's,

1. juicht het communautair actieprogramma van de Commissie ter aanmoediging van samenwerking tussen de lidstaten ter bestrijding van sociale uitsluiting toe;

2. stelt met genoegen vast dat de Commissie erkent dat de verantwoordelijkheid voor de bestrijding van sociale uitsluiting in eerste instantie bij de lidstaten en hun decentrale overheden berust(2);

3. is ingenomen met de algemene doelstelling van het communautair actieprogramma, nl. het bevorderen van samenwerking tussen de Unie en de lidstaten om armoede en sociale uitsluiting, zoals gedefinieerd aan de hand van de parameters van de Raad, uit te roeien;

4. is het ermee eens dat dit doel kan worden bereikt door de Europese richtsnoeren in nationale en regionale actieplannen om te zetten, nauwkeurige streefdoelen vast te leggen, maatregelen te treffen die rekening houden met nationale en regionale verschillen, en grensoverschrijdende samenwerking als katalysator voor een beter begrip en een betere praktijk te stimuleren;

5. vindt, net als de Commissie, dat de nationale actieplannen de vele dimensies van sociale uitsluiting moeten weerspiegelen, en de toegang tot fundamentele rechten en diensten, zoals werkgelegenheid, sociale bescherming, gezondheid, huisvesting, onderwijs, opleiding en cultuur, moeten behandelen;

6. heeft met tevredenheid kennis genomen van de conclusies van de Europese Raad van Lissabon van maart 2000, waarin vermeld staat dat de communautaire strategie tegen sociale uitsluiting moet bestaan uit:

- het bevorderen van een beter begrip van het verschijnsel sociale uitsluiting door middel van een permanente dialoog en door uitwisseling van informatie en goede praktijkvoorbeelden, op basis van gezamenlijk goedgekeurde indicatoren;

- het integreren ("mainstreaming") van de bevordering van sociale insluiting in het beleid van de lidstaten op het vlak van werkgelegenheid, onderwijs en opleiding, gezondheid en huisvesting; deze maatregelen dienen aangevuld te worden met communautaire acties van de structuurfondsen, binnen het bestaande begrotingskader;

- het ontwikkelen van prioritaire acties voor specifieke doelgroepen, waartussen de lidstaten, naar gelang van hun behoeften en noden, een keuze kunnen maken, en waarover zij vervolgens verslag uitbrengen;

7. benadrukt het belang van een beter begrip van sociale uitsluiting; dit kan tot stand worden gebracht door, aan de hand van gezamenlijk afgesproken indicatoren, een voortdurende dialoog en uitwisseling van informatie en beste praktijkvoorbeelden op alle niveaus te doen plaatsvinden, waarbij alle belangrijke actoren, met inbegrip van de lokale en regionale overheden, betrokken worden; stelt voor dat er informatie en goede voorbeelden worden uitgewisseld m.b.t. over nieuwe groepen die uit de boot vallen, zoals mensen met een beperkte kennis van informatietechnologie;

8. beklemtoont de fundamentele rol van de decentrale overheden bij de tenuitvoerlegging van het beleid ter bestrijding van armoede en sociale uitsluiting:

- deze staan immers aan het hoofd van plaatselijke gemeenschappen en zijn hoofdrolspelers in plaatselijke rehabilitatiepartnerschappen;

- zij verlenen diensten aan alle leden van de gemeenschap of maken dienstverlening mogelijk;

- zij zijn katalysatoren van economische activiteit en werkgelegenheid;

- zij verschaffen zeer veel mensen werk;

- zij verstrekken lokale voorlichting en geven onderzoeksopdrachten(3)

9. is verheugd over de meer geïntegreerde, op partnerschap en samenwerking gebaseerde aanpak in dit actieprogramma. Als lokale bestuurders en hoofdrolspelers in plaatselijke rehabilitatiepartnerschappen, hebben de decentrale overheden een schat aan ervaring opgedaan bij het tot stand brengen en aansturen van partnerschappen tussen overheidsinstanties, de vrijwilligerssector, buurtverenigingen, de particuliere sector en andere economische actoren;

10. stelt met tevredenheid vast dat gegarandeerd wordt dat alle activiteiten van het programma in overeenstemming zullen zijn met andere communautaire beleidslijnen, instrumenten en acties; er zullen namelijk mechanismen worden uitgewerkt voor het coördineren van de activiteiten van dit programma met relevante activiteiten in het kader van andere programma's (onderzoek, werkgelegenheid, non-discriminatie, gelijkheid van mannen en vrouwen, sociale bescherming, onderwijs, opleiding en jongerenbeleid, gezondheid, externe betrekkingen) te coördineren;

11. beklemtoont dat er een zo groot mogelijke synergie moet zijn tussen de nationale actieplannen (met streefcijfers voor de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting) en de communautaire programma's en financieringsinstrumenten, en herhaalt dat dit enkel mogelijk is als er tussen de sleutelactoren, o.a. de decentrale overheden, een échte dialoog wordt gevoerd;

12. juicht de in Lissabon vastgestelde streefcijfers toe: een stijging van de arbeidsparticipatie van het huidige gemiddelde van 61 % tot 70 % in 2010, een halvering van kinderarmoede tegen 2010, en een verlaging van het aantal onder de armoedegrens levende burgers van 18 % tot 15 % in 2005 en 10 % in 2010; benadrukt evenwel dat de drie onderdelen van het actieprogramma met name op de volgende groepen moeten worden gericht:

- werklozen die op de arbeidsmarkt kunnen worden ingezet;

- werklozen die, bij gebrek aan de nodige vaardigheden en opleiding, niet kunnen worden ingezet;

- mensen met een baan die sociaal uitgesloten worden omdat zij maar voor korte tijd tewerkgesteld zijn en/of een laag inkomen hebben en/of ontoereikende bedrijfstoeslagen krijgen;

- mensen die niet aan het arbeidsproces kunnen deelnemen (bijv. door ziekte of zorgtaken);

- ouderen die met uitsluiting worden geconfronteerd omdat hun uitkering/pensioen niet volstaat;

- mensen die geen toegang hebben tot de kennismaatschappij;

- mensen die, door het post-industrialiseringsproces, geen toegang hebben tot de arbeidsmarkt.

13. benadrukt dat de volgende principes moeten worden gerespecteerd bij de toepassing van het eerste onderdeel - "analyse van de kenmerken, oorzaken, processen en trends van sociale uitsluiting":

- nationale, regionale en lokale indicatoren, met inbegrip van overkoepelende, zijn zinvol om nationale en lokale informatie op Europees niveau te vergelijken;

- het is belangrijk dat tussen alle bestuursniveaus - lokaal, regionaal, nationaal en Europees - informatie wordt uitgewisseld;

- alle organisaties en verenigingen moeten de nodige kennis in huis hebben om de gemeenschappelijke indicatoren accuraat en efficiënt te gebruiken en te interpreteren (cfr. het vijfde kaderprogramma dat een sleutelactie voor het vergroten van het menselijk onderzoekspotentieel en de sociaal-economische kennis bevat);

14. stelt voor dat, om de juiste kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren gemakkelijker te vinden (eerste onderdeel) en de informatie-uitwisseling te bevorderen (tweede onderdeel), de Commissie:

- een Europese gegevensbank voor goede praktijkvoorbeelden op het vlak van de bevordering van sociale integratie aanlegt, waarin ook de nationale en regionale indicatoren zitten;

- het Comité van de Regio's raadpleegt over opbouw en inhoud van deze gegevensbank;

- bij het opstellen van de gegevensbank, informatie en statistieken vraagt aan verenigingen van decentrale overheden in de lidstaten(4);

15. onderstreept dat het belangrijk is lokale en regionale overheden bij de uitwerking en tenuitvoerlegging van het actieprogramma te betrekken, omdat:

- zij hun waardevolle kennis en ervaring kunnen aanbieden als de indicatoren voor sociale integratie en uitsluiting moeten worden gedefinieerd, en kunnen verduidelijken hoe deze indicatoren aansluiten op de lokale en regionale situatie;

- zij advies kunnen geven als de Europese richtsnoeren op nationaal en regionaal niveau worden omgezet in beleid; de vast te stellen specifieke doelstellingen zouden rekening moeten houden met de verschillen tussen lidstaten en regio's;

- zij eveneens waardevolle ervaring hebben opgedaan met de toepassing van de programma's in het kader van de structuurfondsen, wat relevant is om de mainstreaming van sociale uitsluiting in andere beleidsonderdelen, zoals werkgelegenheid, onderwijs en opleiding, gezondheid en huisvesting, door te voeren;

- ze eveneens waardevolle ervaring hebben met grensoverschrijdende samenwerking in sociale-uitsluitingsprojecten (bijv. het communautair initiatief voor werkgelegenheid);

16. is verheugd dat aan de kennismaatschappij gerelateerde uitsluiting wordt aangepakt, en onderstreept dat het één van de cruciale taken van de lokale en regionale overheden is om aan alle groepen in de samenleving diensten te verlenen, en daarbij informatie- en communicatietechnologieën te gebruiken die doeltreffendere interactie met de burgers mogelijk maken, deelname aan ontspannings- en culturele activiteiten vergemakkelijken, actief burgerschap stimuleren, en burgers in staat stellen aan democratische besluitvormingsprocessen deel te nemen(5);

17. vestigt er de aandacht op dat de door de Commissie voorgestelde begroting (70 miljoen euro, gespreid over vijf jaar) naar alle waarschijnlijkheid ontoereikend is om de drie onderdelen te financieren en de lidstaten te helpen armoede een beslissende slag toe te brengen; daarom stelt het Comité dan ook voor meer middelen uit te trekken;

18. vindt het van het grootste belang dat alle lidstaten betrokken worden bij de regelmatige controle op en evaluatie van de nationale actieplannen, om commentaar te leveren en om na te gaan of er, in het licht van de Europese en nationale indicatoren, vorderingen zijn geboekt;

19. herhaalt dat de onderdelen van het actieprogramma zowel op stedelijke als op plattelandsgebieden van toepassing zouden moeten zijn;

20. vraagt dat, daar het de bedoeling is alle bij het actieprogramma betrokken partijen te horen, de Commissie regelmatig van gedachten wisselt met vertegenwoordigers van decentrale overheden (en van niet-gouvernementele organisaties en sociale partners, zoals vermeld in artikel 5, eerste lid);

21. zou graag zien dat de richtsnoeren die de Commissie in het kader van het programma opstelt, inhouden dat de lidstaten bij de uitwerking van de nationale actieplannen van deel 1 overleg moeten plegen met de lokale en regionale overheden. Het Comité dringt er ook op aan, conform punt 4 van het politieke akkoord van de Raad van de Europese Unie van 17 oktober 2000, bij de raadplegingen over de Europese indicatoren betrokken te worden omdat:

- sommige nationale streefcijfers en indicatoren handig kunnen zijn voor een vergelijking op Europees niveau;

- plaatselijke streefcijfers en indicatoren via een Europese gegevensbank voor streefcijfers en indicatoren ter informatie verspreid kunnen worden;

- beter besloten kan worden waar - op nationaal of communautair niveau - welke gegevens verzameld worden, als de lokale en regionale overheden de kans krijgen hun ervaring en expertise op dit vlak in te brengen(6);

22. beklemtoont dat de deelname van het Comité van de Regio's aan de jaarlijkse, in samenwerking met het voorzitterschap van de EU georganiseerde rondetafelconferentie over sociale uitsluiting van groot belang is;

23. verzoekt de Raad en het Europees Parlement een bijdrage te leveren tot een passende erkenning van de rol van de decentrale overheden op dit gebied(7)

Brussel, 13 december 2000.

De voorzitter

van het Comité van de Regio's

Jos Chabert

(1) PB C 317 van 6.11.2000, blz. 47.

(2) Vgl. punt 2 van CDR 84/2000 def.

(3) Vgl. punt 3 van CDR 84/2000 def.

(4) Zie punt 17 van CDR 84/2000 def.

(5) Zie punt 6 van CDR 84/2000 def.

(6) Vgl. punt 18 van CDR 84/2000 def.

(7) Zie punt 18 van CDR 84/2000 def.

Top