EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52000AR0309

Advies van het Comité van de Regio's over het "Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 97/67/EG met betrekking tot de verdere openstelling van de postmarkt in de Gemeenschap voor mededinging"

OJ C 144, 16.5.2001, p. 20–22 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

52000AR0309

Advies van het Comité van de Regio's over het "Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 97/67/EG met betrekking tot de verdere openstelling van de postmarkt in de Gemeenschap voor mededinging"

Publicatieblad Nr. C 144 van 16/05/2001 blz. 0020 - 0022


Advies van het Comité van de Regio's over het "Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 97/67/EG met betrekking tot de verdere openstelling van de postmarkt in de Gemeenschap voor mededinging"

(2001/C 144/07)

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S,

gezien het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 97/67/EG met betrekking tot de verdere openstelling van de postmarkt in de Gemeenschap voor mededinging [COM(2000) 319 def. - 2000/0139 (COD)]

gezien het besluit van de Raad van 25 september 2000, om het Comité, overeenkomstig art. 265, eerste alinea, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, dienaangaande te raadplegen;

gezien het besluit van zijn bureau d.d. 13 juni 2000 om een advies uit te brengen over het onderwerp en commissie 6 "Werkgelegenheid, economisch beleid, gemeenschappelijke markt, industrie, MKB" met de voorbereiding van de werkzaamheden te belasten;

gezien zijn advies over de Commissiemededeling betreffende het pakket maatregelen dat wordt voorgesteld tot ontwikkeling van de postdiensten in de Gemeenschap en het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de postdiensten in de Gemeenschap en voor de verbetering van de kwaliteit van de dienst (CDR 422/95 fin)(1);

gezien het besluit van zijn voorzitter d.d. 26 oktober 2000 om de heer Martin aan te wijzen als algemeen rapporteur voor dit advies, overeenkomstig art. 40.2 van het reglement van orde;

gezien het ontwerpadvies (CDR 309/2000 rev. 1), dat door de algemeen rapporteur voor dit onderwerp, de heer Martin, GB/PSE is opgesteld,

heeft tijdens zijn 36e zitting van 13 en 14 december 2000 (vergadering van 13 december) het volgende advies uitgebracht.

1. Standpunt van het Comité t.a.v. de voorstellen

1.1. Het Comité ondersteunt en zet zich in voor de voltooiing van de interne markt, waaronder de liberalisering van de postsector in de Europese Unie. De geleidelijke en beheerste liberalisering van de postsector moet op zodanige wijze worden voortgezet dat de universele dienstverlening duurzaam wordt gewaarborgd.

1.2. Het Comité steunt het besluit van de Raad van maart 1999, maar wil tevens benadrukken dat postdiensten van groot belang zijn voor de sociale en territoriale samenhang in de Europese Unie.

1.3. Het Comité wijst erop dat de postdiensten een unieke communicatie-infrastructuur vormen, die zowel economisch als sociaal gezien voor alle EU-burgers van groot belang is.

1.4. Het Comité is van oordeel dat voor de voltooiing van de interne markt, en voor verdere economische groei en ter bestrijding van sociale uitsluiting een hoogwaardige, moderne en geavanceerde universele postdienst een eerste vereiste is. Met name de burgers en het kleinbedrijf in verafgelegen en gemarginaliseerde stedelijke gebieden zijn voor de bestelling c.q. levering van brieven, goederen en diensten aangewezen op een universele dienst.

1.5. Het Comité staat er ook achter dat veel postdiensten grensoverschrijdende strategische allianties met andere bedrijven aangaan, om via deze acquisities meer greep te krijgen op de distributienetwerken.

1.6. Het Comité erkent dat de sector zich als gevolg van globalisering, technologische ontwikkeling en de vraag naar hoogwaardige dienstverlening voor grote veranderingen geplaatst ziet.

1.7. Het Comité stelt ook vast dat de postdiensten in de EU reeds in een toenemend open, concurrerende en door snelle technologische veranderingen gekenmerkte markt opereren, vooral als gevolg van een snel groeiend gebruik van internet, fax en andere technologische ontwikkelingen.

1.8. Het Comité ziet eveneens dat sommige lidstaten een stap verder zijn gegaan dan de richtlijn van 1997 en grotere segmenten van de postsector hebben geliberaliseerd dan de voorbehouden diensten waarvoor de maxima van 350 gram en 5 maal het openbare tarief zijn vastgesteld.

1.9. Het Comité wil met name de werkgeversrol van de postsector naar voren halen: de postsector biedt aan zo'n 1,7 miljoen mensen werk, waarvan ongeveer 1,3 miljoen zijn brood verdient in de universele dienstverlening. Deze banen zijn veelal gesitueerd in verafgelegen plattelandsgebieden en gemarginaliseerde stedelijke gebieden. Het belang van deze werkgelegenheid voor de lokale en regionale economieën mag zeker niet uit het oog worden verloren bij elke verdere liberalisering.

1.10. Het Comité merkt op dat het grensoverschrijdend postverkeer dankzij de richtlijn uit 1997 al kwalitatief is verbeterd, omdat de beginselen daarvan voor goede betrekkingen hebben gezorgd tussen degenen die verplichte universele diensten verlenen.

1.11. Het Comité benadrukt dat de verplichting tot universele dienstverlening de postsector zo bijzonder maakt ten opzichte van andere sectoren, omdat het de enige sector is die de individuele consument, zowel de particulier als het bedrijfsleven, rechtstreekse toegangspunten biedt tot betrouwbare communicatiediensten alsook tot administratieve diensten en bank- en andere commerciële faciliteiten in tal van EU-landen. Dergelijke dienstverlening is met name voor gemarginaliseerde gemeenschappen in platteland- en stedelijke gebieden van groot belang.

1.12. Het Comité is zich ervan bewust dat de aanbieders van universele diensten bij verdere liberalisering onder ongekende druk komen te staan gezien de investeringen die nu al moeten worden gedaan in de netwerken van de postdiensten (veelal investeringen in vaste activa: postkantoren, vervoersinfrastructuur, personeel, enz.) en de exponentiële groei van op nieuwe technologieën gebaseerde communicatieoplossingen voor bedrijfsleven en particulier (elektronische handel, internet, fax, communicatie via beeldscherm).

1.13. Het Comité erkent dat het toegenomen gebruik van op internet gebaseerde diensten zou kunnen leiden tot verdere afname van de traditionele brievenpost, de pijler van de voorbehouden diensten, en dat uitgesloten groepen waarschijnlijk minder toegang hebben tot op internet gebaseerde diensten.

1.14. Het Comité gaat ervan uit dat ook het komende decennium nog het nodige zal veranderen door de technologische vooruitgang. Hierdoor zal de druk op de postdienst, hetzij de aanbieder van de universele dienst hetzij gespecialiseerde exploitanten van postdiensten om steeds meer op maat gesneden, klantgerichte oplossingen voor diverse doelgroepen te ontwikkelen en aan te bieden, toenemen.

1.15. Volgens het Comité zal dit leiden tot een herstructurering van de werkgelegenheid in de postsector, met een mogelijke verschuiving van de universele dienstverlening naar nieuwkomers in de sector. Het Comité waarschuwt ervoor dat een dergelijke verschuiving niet ten koste mag gaan van de kwaliteit van de werkgelegenheid voor de EU-burger. De ontwikkeling en ondersteuning van human resources in de postsector dienen eventueel te worden versterkt.

1.16. Anderzijds ziet het Comité in deze technologische vooruitgang mogelijkheden voor de ontwikkeling van nieuwe producten zoals versleuteling van berichten voor een veilige transmissie via internet en op maat gesneden producten voor de individuele klant. Hiervan zullen zowel de bestaande aanbieders van universele diensten als nieuwkomers op de markt profiteren als nieuwe bron van inkomsten en als bron van werkgelegenheid.

2. Aanbevelingen van het Comité m.b.t. de voorstellen

2.1. Het Comité van de Regio's stemt in met de beginselen waarmee beoogd wordt de geleidelijke, beheerste liberalisering van de postdiensten op zodanige wijze voort te zetten dat de universele dienstverlening duurzaam wordt gewaarborgd, omdat dit waarschijnlijk zal leiden tot een betere kwalitatieve dienstverlening voor de consument, zowel voor de particuliere consument als voor het bedrijfsleven.

2.2. Het Comité beveelt zeer aan meer aandacht te schenken aan een spreiding van het mogelijke banenverlies, met name in afgelegen plattelandsgebieden en gemarginaliseerde stedelijke gemeenschappen, waar de postsector een belangrijke werkgever is. Verschuivingen in de werkgelegenheid hebben aanzienlijke gevolgen voor lokale en regionale economieën. Van belang is dat bij verdere stappen ter liberalisering van de markt daarmee rekening wordt gehouden.

2.3. Het Comité is van oordeel dat moet worden overwogen om de bestaande postkantoren in plattelandsgebieden, waar de communicatie-infrastructuur te wensen overlaat, te gebruiken als middel om de overheid en andere diensten dichterbij te brengen. Zo kunnen postkantoren een verbindingsschakel vormen tussen afgelegen en centrale gebieden; zij dragen immers bij aan de instandhouding en bevordering van de werkgelegenheid en het tegengaan van de ontvolking van het platteland.

2.4. Het Comité vraagt zich af of de gevolgen voor de werkgelegenheid zo zullen uitpakken als de Commissie verwacht en verzoekt de lidstaten derhalve om de Commissie regelmatig gegevens over de werkgelegenheidssituatie door te geven. Zoiets zou ook goed aansluiten bij het Verdrag van Amsterdam, waarin werkgelegenheid als nieuwe prioriteit naar voren wordt gehaald.

2.5. In verband met het nieuwe strategische doel van de Europese Unie om meer en betere banen te creëren, beveelt het Comité aan bijzondere aandacht te schenken aan de monitoring van de kwaliteit van de werkgelegenheid in de postsector, om te voorkomen dat verdere liberalisering leidt tot een verslechtering van de arbeidsomstandigheden van in de postsector werkzame EU-burgers.

2.6. Met het oog daarop doet het Comité een beroep op de lidstaten en de Commissie, dit aspect zeer serieus mee te laten spelen bij liberaliseringsvoorstellen. Dit houdt onder meer in dat nagegaan moet worden in welke mate human resources development dient te worden uitgebreid, om de EU-burger uitzicht op hoogwaardig werk te kunnen garanderen.

2.7. Het Comité roept de lidstaten eveneens op om samen met de Commissie na te gaan welke mogelijkheden de nieuwe technologieën en het bestaande uitgebreide netwerk van postkantoren in de EU bieden, om het netwerk verder uit te bouwen c.q. de toegang tot administratieve diensten, m.i.v. stemmen bij rechtstreekse verkiezingen, onderwijs, mogelijke stages en banen enz., te verbeteren.

2.8. Vanwege het bijzondere belang van een universele postdienst voor de voltooiing van de interne markt dringt het Comité erop aan dat na 2003, als de Richtlijn eenmaal is omgezet, nogmaals een verslag wordt opgesteld over de toestand van de markt, voordat nieuwe voorstellen voor liberalisering worden gedaan. Onder andere dient te worden bekeken of met het oog op de handhaving van de verplichting tot universele dienstverlening volledige liberalisering uitvoerbaar en echt wenselijk is.

2.9. Het Comité juicht handhaving van de verplichting tot universele dienstverlening (gedefinieerd als ten minste één lichting en één bestelling op ieder adres in de gehele regio per dag tegen een redelijke prijs en in de vorm van betrouwbare en hoogwaardige dienstverlening) toe en dringt erop aan dat deze verplichting één van de basisvereisten blijft waaraan aanbieders van universele diensten dienen te voldoen.

2.10. De waarborging van een dergelijke universele dienst is naar het oordeel van het Comité van essentieel belang, wil men het vertrouwen van de consument behouden en de interne markt kunnen voltooien. Bovendien is het Comité van mening dat met deze definitie ook voor de particuliere consument en het kleinbedrijf in plattelands- en gemarginaliseerde stedelijke gemeenschappen een adequate toegang gewaarborgd is.

2.11. Er worden nieuwe definities ingevoerd voor traditionele diensten en speciale diensten. Volgens het Commissievoorstel zullen speciale diensten die buiten de universele dienst vallen geliberaliseerd worden, ongeacht de maximumprijs. Het Comité pleit ervoor de definitie van het begrip "speciale diensten" aan te scherpen om de economische inhoud van de universele dienst te beschermen. Genoemd begrip is in het voorstel namelijk zo ruim gedefinieerd dat iedere aanbieder die zijn diensten als "speciaal" omschrijft de exclusieve concessie gemakkelijk kan omzeilen, waardoor de financiële levensvatbaarheid van alle providers van universele diensten in gevaar komt.

2.12. Het Comité betreurt dat zonder enig onderzoek een nieuw concept "speciale diensten" wordt ingevoerd, omdat hiermee het beginsel van aanpassing van de universele dienst (art. 5 van de richtlijn uit 1997) op de helling komt te staan. Afschaffing van verwijzingen naar prijzen voor dergelijke diensten zal tot een ernstig gebrek aan rechtszekerheid voor de sector leiden en zal de economische levensvatbaarheid van leveranciers van universele diensten ongunstig beïnvloeden.

2.13. De Commissie stelt voor de maxima terug te brengen van 350 gram of 5 maal het openbare tarief naar 50 gram ofwel 2,5 maal dit tarief. Het Comité is van mening dat het voor de aanbieders van universele diensten wel eens moeilijk zou kunnen worden onder deze voorwaarden te leveren. Uitgangspunt van de richtlijn van 1997 was een beheerste, geleidelijke liberalisering. Het Comité stelt daarom voor de gewichtsklasse te wijzigen van 350 in 150 i.p.v. 50 gram.

2.14. Het Comité is van mening dat de postsector van zeer groot belang is voor de lokale en regionale overheden en verzoekt daarom van verdere ontwikkelingen op de hoogte te worden gesteld.

Brussel, 13 december 2000.

De voorzitter

van het Comité van de Regio's

Jos Chabert

(1) PB C 337 van 11.11.1996, blz. 28.

Top