EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62016CJ0409

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 18 oktober 2017.
Ypourgos Esoterikon en Ypourgos Ethnikis paideias kai Thriskevmaton tegen Maria-Eleni Kalliri.
Verzoek van de Symvoulio tis Epikrateias om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Sociale politiek – Richtlijn 76/207/EEG – Gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep – Discriminatie op grond van geslacht – Vergelijkend examen voor toegang tot de politieschool van een lidstaat – Regeling van deze lidstaat volgens welke voor alle kandidaten voor toelating tot dit vergelijkend examen een vereiste van eenzelfde minimale lichaamslengte geldt.
Zaak C-409/16.

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2017:767

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

18 oktober 2017 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Sociale politiek – Richtlijn 76/207/EEG – Gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep – Discriminatie op grond van geslacht – Vergelijkend examen voor toegang tot de politieschool van een lidstaat – Regeling van deze lidstaat volgens welke voor alle kandidaten voor toelating tot dit vergelijkend examen een vereiste van eenzelfde minimale lichaamslengte geldt”

In zaak C‑409/16,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Symvoulio tis Epikrateias (hoogste bestuursrechter, Griekenland) bij beslissing van 15 juli 2016, ingekomen bij het Hof op 22 juli 2016, in de procedure

Ypourgos Esoterikon,

Ypourgos Ethnikis paideias kai Thriskevmaton

tegen

Maria-Eleni Kalliri,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta (rapporteur), kamerpresident, C. G. Fernlund, J.‑C. Bonichot, S. Rodin en E. Regan, rechters,

advocaat-generaal: P. Mengozzi,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

Maria-Eleni Kalliri, vertegenwoordigd door P. Aggelakis, dikigoros,

de Griekse regering, vertegenwoordigd door K. Georgiadis, D. Katopodis en E. Zisi als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Patakia en C. Valero als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB 1976, L 39, blz. 40), zoals gewijzigd bij richtlijn 2002/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 (PB 2002, L 269, blz. 15; hierna: „richtlijn 76/207”), en van richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (PB 2006, L 204, blz. 23).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Ypourgos Esoterikon (minister van Binnenlandse Zaken, Griekenland) en de Ypourgos Ethnikis paideias kai Thriskevmaton (minister van Onderwijs en Eredienst, Griekenland) enerzijds en Maria-Eleni Kalliri anderzijds, betreffende een door laatstgenoemde ingesteld beroep tot nietigverklaring van administratieve handelingen vastgesteld op grond van een nationale regeling die voor de toelating van kandidaten tot het vergelijkend examen voor toegang tot de Griekse politieschool eenzelfde minimale lichaamslengte eist.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3

Artikel 1, lid 1, van richtlijn 76/207 bepaalt:

„Deze richtlijn beoogt de tenuitvoerlegging in de lidstaten van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, met inbegrip van promotiekansen, en tot de beroepsopleiding, alsmede ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden en, onder de voorwaarden bedoeld in lid 2, de sociale zekerheid. Dit beginsel wordt hierna ‚beginsel van gelijke behandeling’ genoemd.”

4

Artikel 2 van deze richtlijn luidt als volgt:

„1.   Het beginsel van gelijke behandeling in de zin van de hierna volgende bepalingen houdt in dat iedere vorm van discriminatie is uitgesloten op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door verwijzing naar met name de echtelijke staat of de gezinssituatie.

2.   Voor de toepassing van deze richtlijn zijn de volgende definities van toepassing:

‚directe discriminatie’: wanneer iemand op grond van geslacht minder gunstig wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld;

‚indirecte discriminatie’: wanneer een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen van een geslacht in vergelijking met personen van het andere geslacht bijzonder benadeelt, tenzij die bepaling, maatstaf of handelwijze objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn;

[…]”

5

Artikel 3, lid 1, van deze richtlijn bepaalt:

„De toepassing van het beginsel van gelijke behandeling houdt in dat er geen directe of indirecte discriminatie op grond van het geslacht plaatsvindt in de publieke of de particuliere sector, met inbegrip van overheidsinstanties, voor wat betreft:

a)

voorwaarden voor toegang tot arbeid in loondienst, of als zelfstandige en tot een beroep, met inbegrip van de selectie- en aanstellingscriteria, ongeacht de tak van activiteit en tot op alle niveaus van de beroepshiërarchie, met inbegrip van bevorderingskansen;

[…]”

Grieks recht

6

Volgens artikel 1, lid 2, onder a), van wet nr. 2226/1994 betreffende de toelating tot en de opleiding en de nascholing aan de scholen van de politieacademie en van de afdeling onderofficieren van de brandweeracademie (FEK A’122), zoals gewijzigd bij artikel 12, lid 1, van wet nr. 2713/1999 (FEK A’89) en vervolgens bij artikel 20 van wet nr. 3103/2003 (FEK A’23), worden mannen en vrouwen tot deze scholen toegelaten. Op grond van deze bepaling zijn de voor de kandidaten geldende eisen en de preselectie-examens die de kandidaten moeten afleggen, voor beide geslachten gelijk.

7

Artikel 2, lid 1, onder f), van presidentieel decreet nr. 4/1995 betreffende de toelating tot de scholen voor politieofficieren en politieagenten via het systeem van algemene examens (FEK A’1), zoals gewijzigd bij artikel 1, lid 1, van presidentieel decreet nr. 90/2003 (FEK A’82), bepaalt dat de civiele kandidaten, zowel mannen als vrouwen, voor de scholen voor officieren en agenten van de politieacademie een lichaamslengte van ten minste 1,70 m moeten hebben zonder schoeisel te dragen.

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

8

Overeenkomstig de bepalingen van presidentieel decreet nr. 4/1995, zoals gewijzigd bij die van presidentieel decreet nr. 90/2003, is bij besluit van het hoofd van de Helleense politie een aankondiging van vergelijkend examen voor de inschrijving aan de scholen voor officieren en agenten van de Griekse politie voor het academiejaar 2007‑2008 bekendgemaakt.

9

Volgens bepaling II.6 van deze aankondiging van vergelijkend examen moesten de kandidaten voor dit vergelijkend examen een lichaamslengte van ten minste 1,70 m hebben zonder schoeisel te dragen.

10

Kalliri heeft een verzoek tot deelneming aan dit vergelijkend examen, samen met de vereiste bewijsstukken, ingediend bij het politiecommissariaat van Vrachati (Griekenland), dat haar deze documenten heeft teruggestuurd op grond dat haar lichaamslengte niet de 1,70 m bereikt die minimaal wordt geëist door artikel 2, lid 1, onder f), van presidentieel decreet nr. 4/1995, zoals gewijzigd bij artikel 1, lid 1, van presidentieel decreet nr. 90/2003, aangezien zij slechts 1,68 m groot is.

11

Op grond van deze terugzending van de documenten door het politiecommissariaat van Vrachati heeft het bestuur geweigerd, Kalliri aan het vergelijkend examen te laten deelnemen.

12

Kalliri is tegen deze weigering opgekomen bij de Dioikitiko Efeteio Athinon (bestuursrechter in tweede aanleg Athene, Griekenland), die haar beroep heeft toegewezen op grond van de overweging dat artikel 2, lid 1, onder f), van presidentieel decreet nr. 4/1995, zoals gewijzigd bij artikel 1, lid 1, van presidentieel decreet nr. 90/2003, in strijd is met het grondwettelijke beginsel van gelijkheid van de geslachten, en die bepaling nietig heeft verklaard.

13

De minister van Binnenlandse Zaken en de minister van Onderwijs en Eredienst zijn van deze beslissing van de Dioikitiko Efeteio Athinon in hoger beroep gekomen bij de verwijzende rechterlijke instantie.

14

In deze context heeft de Symvoulio tis Epikrateias (hoogste bestuursrechter, Griekenland) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Is artikel 1, lid 1, van presidentieel decreet nr. 90/2003, houdende wijziging van artikel 2, lid 1, van presidentieel decreet nr. 4/1995, volgens hetwelk de civiele kandidaten voor het vergelijkend examen voor toegang tot de scholen voor officieren en agenten van de politieacademie onder meer ‚(zowel de mannen als de vrouwen) een lichaamslengte van ten minste 1,70 m moeten hebben’, in overeenstemming met de bepalingen van de richtlijnen 76/207, 2002/73 en 2006/54, die elke indirecte discriminatie op grond van het geslacht met betrekking tot de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden in de publieke sector verbieden (tenzij het daaruit voortvloeiende feitelijke verschil in behandeling zijn rechtvaardiging vindt in objectieve factoren die niets van doen hebben met enige discriminatie op grond van het geslacht en niet verder gaat dan passend en noodzakelijk is ter verwezenlijking van het met de maatregel nagestreefde doel)?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

15

Met haar vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen of de bepalingen van de richtlijnen 76/207 en 2006/54 in die zin moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een regeling van een lidstaat als de regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, volgens welke voor de toelating van kandidaten tot het vergelijkend examen voor toegang tot de politieschool van deze lidstaat ongeacht het geslacht van de kandidaten een lichaamslengte van ten minste 1,70 m wordt geëist.

16

Om te beginnen dient te worden uitgemaakt of het hoofdgeding binnen de werkingssfeer van die bepalingen valt.

17

In dit verband dient erop te worden gewezen dat dit geding betrekking heeft op administratieve handelingen die in de loop van het haar 2007 zijn gesteld naar aanleiding van een door Kalliri ingediend verzoek tot toelating tot het vergelijkend examen voor toegang tot de scholen voor officieren en agenten van de Helleense politie voor het academiejaar 2007‑2008.

18

Ingevolge artikel 33, eerste alinea, van richtlijn 2006/54 is de termijn voor omzetting van deze richtlijn in nationaal recht op 15 augustus 2008 verstreken.

19

Volgens artikel 34, lid 1, van deze richtlijn is richtlijn 76/207 overigens ingetrokken met ingang van 15 augustus 2009.

20

Bijgevolg zijn niet de bepalingen van richtlijn 2006/54, maar die van richtlijn 76/207 ratione temporis van toepassing op de feiten van het hoofdgeding.

21

Volgens artikel 1, lid 1, van richtlijn 76/207 beoogt deze richtlijn de tenuitvoerlegging in de lidstaten van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, met inbegrip van promotiekansen, en tot de beroepsopleiding.

22

Artikel 3, lid 1, onder a), van die richtlijn verbiedt elke directe of indirecte discriminatie op grond van het geslacht in de publieke of de particuliere sector, met inbegrip van overheidsinstanties, voor wat betreft de voorwaarden voor toegang tot arbeid in loondienst of als zelfstandige en tot een beroep, met inbegrip van de selectie- en aanstellingscriteria.

23

Hieruit volgt dat richtlijn 76/207 van toepassing is op iemand die toegang tot het arbeidsproces zoekt, en dit ook voor wat de selectie- en aanstellingscriteria voor de beoogde arbeidsplaats betreft (zie naar analogie arrest van 28 juli 2016, Kratzer,C‑423/15, EU:C:2016:604, punt 34).

24

Dit is het geval met iemand die zich, zoals Kalliri, aanmeldt voor deelneming aan een vergelijkend examen voor toegang tot een politieschool van een lidstaat.

25

Door te bepalen dat personen met een lichaamslengte van minder dan 1,70 m niet kunnen worden toegelaten tot het vergelijkend examen voor toegang tot de Griekse politieschool, raakt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling echter de criteria voor aanstelling van deze werknemers en moet zij dus worden geacht regels inzake de toegang tot arbeid in loondienst in de publieke sector in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), van richtlijn 76/207 vast te stellen (zie naar analogie arresten van 13 november 2014, Vital Pérez,C‑416/13, EU:C:2014:2371, punt 30, en 15 november 2016, Salaberria Sorondo,C‑258/15, EU:C:2016:873, punt 25).

26

Hieruit volgt dat een geschil als dat waarvan de verwijzende rechterlijke instantie kennis dient te nemen, binnen de materiële werkingssfeer van richtlijn 76/207 valt.

27

Bijgevolg dient te worden onderzocht of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling een door deze richtlijn verboden discriminatie in het leven roept.

28

Dienaangaande staat vast dat deze regeling de personen die zich voor het vergelijkend examen voor toegang tot de politieschool aanmelden, identiek behandelt ongeacht het geslacht van deze personen.

29

Bijgevolg voert deze regeling geen directe discriminatie in de zin van artikel 2, lid 2, eerste streepje, van richtlijn 76/207 in.

30

Een dergelijke regeling kan echter indirecte discriminatie in de zin van artikel 2, lid 2, tweede streepje, opleveren.

31

Volgens vaste rechtspraak van het Hof is er sprake van indirecte discriminatie wanneer de toepassing van een nationale maatregel, al is deze op neutrale wijze geformuleerd, in feite een veel groter aantal vrouwen dan mannen benadeelt (zie met name arresten van 2 oktober 1997, Kording,C‑100/95, EU:C:1997:453, punt 16, en 20 juni 2013, Riežniece,C‑7/12, EU:C:2013:410, punt 39).

32

In het onderhavige geval heeft de verwijzende rechterlijke instantie in haar beslissing zelf vastgesteld dat een veel groter aantal vrouwen dan mannen een lichaamslengte van minder van 1,70 m heeft, zodat vrouwen door deze regeling duidelijk worden benadeeld ten opzichte van mannen ter zake van de toelating tot het vergelijkend examen voor toegang tot de scholen voor officieren en agenten van de Helleense politie. Hieruit volgt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling een indirecte discriminatie oplevert.

33

Uit artikel 2, lid 2, tweede streepje, van richtlijn 76/207 volgt echter dat een dergelijke regeling geen door deze richtlijn verboden indirecte discriminatie oplevert indien zij objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.

34

Al staat het aan de verwijzende rechterlijke instantie om uit te maken of een dergelijke rechtvaardiging voorhanden is, is het Hof, dat de nationale rechter een nuttig antwoord dient te geven, niettemin bevoegd om aanwijzingen te verstrekken die deze rechterlijke instantie in staat stellen uitspraak te doen (zie in die zin arrest van 10 maart 2005, Nikoloudi,C‑196/02, EU:C:2005:141, punten 48 en 49).

35

In het onderhavige geval voert de Griekse regering aan dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling tot doel heeft, de daadwerkelijke vervulling van de taken van de Helleense politie mogelijk te maken, en dat het bezit van bijzondere lichamelijke eigenschappen, zoals een minimale lichaamslengte, een noodzakelijke en passende voorwaarde is om dat doel te bereiken.

36

Er dient aan te worden herinnerd dat het Hof al heeft geoordeeld dat de wens om de inzetbaarheid en de goede werking van de politiediensten te verzekeren, een legitieme doelstelling is [zie, met betrekking tot artikel 4, lid 1, van die richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PB 2000, L 303, blz. 16), waarvan de structuur, de bepalingen en het doel grotendeels vergelijkbaar zijn met die van richtlijn 76/207, arresten van 13 november 2014, Vital Pérez,C‑416/13, EU:C:2014:2371, punt 44, en 15 november 2016, Salaberria Sorondo,C‑258/15, EU:C:2016:873, punt 38].

37

Bijgevolg dient te worden nagegaan of de eis van een minimale lichaamslengte, zoals die welke in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling wordt gesteld, geschikt is om de verwezenlijking van het met deze regeling nagestreefde doel te waarborgen en niet verder gaat dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken.

38

In dit verband is het weliswaar juist dat de uitoefening van politiefuncties inzake bescherming van personen en zaken, arrestatie en bewaking van daders van strafbare feiten en preventieve patrouilles het gebruik van lichaamskracht kan vergen en een bijzondere lichamelijke geschiktheid kan impliceren, doch dit neemt niet weg dat bepaalde andere politiefuncties, zoals het verlenen van bijstand aan de burgers of het regelen van het verkeer, ogenschijnlijk geen grote lichamelijke inzet vergen (zie in die zin arrest van 13 november 2014, Vital Pérez,C‑416/13, EU:C:2014:2371, punten 39 en 40).

39

Ook al zouden alle door de Helleense politie uitgeoefende functies een bijzondere lichamelijke geschiktheid vergen, dit betekent nog niet dat een dergelijke geschiktheid noodzakelijk verband houdt met het bezit van een minimale lichaamslengte en dat personen met een geringere lichaamslengte naar hun aard die geschiktheid niet bezitten.

40

In deze context kan met name rekening worden gehouden met het feit dat de Griekse regeling tot 2003 voor de toelating tot het vergelijkend examen voor toegang tot de scholen voor officieren en agenten van de Helleense politie een verschillende lichaamslengte voor mannen en voor vrouwen eiste, aangezien voor vrouwen de vereiste minimale lichaamslengte 1,65 m bedroeg en voor mannen 1,70 m.

41

Relevant lijkt ook de door Kalliri genoemde omstandigheid dat voor de Griekse strijdkrachten, havenpolitie en kustwacht een verschillende minimale lichaamslengte voor mannen en vrouwen wordt geëist en dat voor vrouwen de minimale lichaamslengte 1,60 m is.

42

In elk geval zou het met de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling nagestreefde doel kunnen worden bereikt met maatregelen die minder nadelig zijn voor vrouwen, zoals preselectie van de kandidaten voor het vergelijkend examen voor toegang tot de scholen voor politieofficieren en politieagenten op basis van specifieke proeven waarmee de lichamelijke geschiktheid van de kandidaten kan worden vastgesteld.

43

Hieruit volgt dat, onder voorbehoud van de door de verwijzende rechterlijke instantie te verrichten vaststellingen, die regeling niet gerechtvaardigd is.

44

In die omstandigheden dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat de bepalingen van richtlijn 76/207 in die zin moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een regeling van een lidstaat als de regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, volgens welke voor de toelating van kandidaten tot het vergelijkend examen voor toegang tot de politieschool van die lidstaat ongeacht het geslacht van de kandidaten een lichaamslengte van minimaal 1,70 m wordt geëist, wanneer deze regeling een veel groter aantal vrouwen dan mannen benadeelt en niet geschikt en evenmin noodzakelijk is om het ermee nagestreefde legitieme doel te bereiken, hetgeen de verwijzende rechterlijke instantie dient na te gaan.

Kosten

45

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

 

De bepalingen van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, zoals gewijzigd bij richtlijn 2002/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002, moeten in die zin worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een regeling van een lidstaat als de regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, volgens welke voor de toelating van kandidaten tot het vergelijkend examen voor toegang tot de politieschool van die lidstaat ongeacht het geslacht van de kandidaten een lichaamslengte van minimaal 1,70 m wordt geëist, wanneer deze regeling een veel groter aantal vrouwen dan mannen benadeelt en niet geschikt en evenmin noodzakelijk is om het ermee nagestreefde legitieme doel te bereiken, hetgeen de verwijzende rechterlijke instantie dient na te gaan.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Grieks.

Top