EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62015CJ0457

Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 28 juli 2016.
Vattenfall Europe Generation AG tegen Bundesrepublik Deutschland.
Verzoek van het Verwaltungsgericht Berlin om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Europese Unie – Richtlijn 2003/87/EG – Werkingssfeer ratione temporis – Tijdstip waarop de verplichting tot handel in emissierechten ontstaat – Artikel 3 – Bijlage I – Begrip ‚installatie’ – Verbranden van brandstof in installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW.
Zaak C-457/15.

Court reports – general

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2016:613

ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)

28 juli 2016 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing — Regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Europese Unie — Richtlijn 2003/87/EG — Werkingssfeer ratione temporis — Tijdstip waarop de verplichting tot handel in emissierechten ontstaat — Artikel 3 — Bijlage I — Begrip ‚installatie’ — Verbranden van brandstof in installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW”

In zaak C‑457/15,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Verwaltungsgericht Berlijn (bestuursrechter Berlijn, Duitsland) bij beslissing van 12 maart 2015, ingekomen bij het Hof op 28 augustus 2015, in de procedure

Vattenfall Europe Generation AG

tegen

Bundesrepublik Deutschland,

wijst

HET HOF (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: A. Arabadjiev, kamerpresident, J.‑C. Bonichot (rapporteur) en S. Rodin, rechters,

advocaat-generaal: E. Sharpston,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

Vattenfall Europe Generation AG, vertegenwoordigd door M. Ehrmann, Rechtsanwalt,

de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en K. Petersen als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door E. White en K. Herrmann als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van bijlage I bij richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB 2003, L 275, blz. 32), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 (PB 2009, L 140, blz. 63) (hierna: „richtlijn 2003/87”), en van artikel 19, lid 2, van besluit 2011/278/EU van de Commissie van 27 april 2011 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 bis van richtlijn 2003/87 (PB 2011, L 130, blz. 1).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Vattenfall Europe Generation AG (hierna: „Vattenfall”) en de Bundesrepublik Deutschland (Bondsrepubliek Duitsland) inzake de vaststelling van het tijdstip waarop de rapportage- en inleveringsverplichting van broeikasgasemissierechten (hierna: „emissierechten”) van richtlijn 2003/87 ontstaat voor een elektriciteitscentrale.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Richtlijn 2003/87

3

Artikel 2, lid 1, van richtlijn 2003/87 bepaalt:

„Deze richtlijn is van toepassing op emissies uit de in bijlage I genoemde activiteiten en de in bijlage II genoemde broeikasgassen.”

4

Artikel 3 van die richtlijn luidt als volgt:

„In deze richtlijn wordt verstaan onder:

[...]

b)

‚emissie’: emissie van broeikasgassen in de atmosfeer door in een installatie aanwezige bronnen [...];

[...]

e)

‚installatie’: vaste technische eenheid waarin één of meer van de in bijlage I genoemde activiteiten plaatsvinden alsmede andere, daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden, die technisch in verband staan met de op die plaats ten uitvoer gebrachte activiteiten en gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging;

[...]

t)

‚verbranden’: het oxideren van brandstoffen, ongeacht de wijze waarop de warmte, de elektrische of de mechanische energie die tijdens dit proces vrijkomt wordt gebruikt, en andere rechtstreeks daarmee verband houdende activiteiten, met inbegrip van rookgasreiniging;

u)

‚elektriciteitsopwekker’: een installatie die op of na 1 januari 2005 elektriciteit heeft geproduceerd om aan derden te worden verkocht en waarin geen van de in bijlage I genoemde activiteiten worden uitgevoerd, behalve het ‚verbranden van brandstof’.”

5

Artikel 4 van richtlijn 2003/87 bepaalt:

„De lidstaten dragen er zorg voor dat vanaf 1 januari 2005 geen installatie een in bijlage I genoemde activiteit verricht welke een voor die activiteit gespecificeerde emissie tot gevolg heeft, tenzij haar exploitant in het bezit is van een door een bevoegde autoriteit overeenkomstig de artikelen 5 en 6 verleende vergunning, of de installatie uit hoofde van artikel 27 is uitgesloten van de Gemeenschapsregeling. Dit geldt tevens voor installaties die overeenkomstig artikel 24 zijn opgenomen.”

6

Artikel 6 van richtlijn 2003/87 luidt:

„1.   De bevoegde autoriteit verleent een vergunning waarin toestemming wordt verleend broeikasgassen uit de gehele installatie of een deel daarvan uit te stoten, indien zij ervan overtuigd is dat de exploitant in staat is de emissies te bewaken en te rapporteren.

[...]

2.   Vergunningen voor broeikasgasemissies bevatten:

a)

de naam en het adres van de exploitant;

b)

een beschrijving van de activiteiten en de uitstoot van de installatie;

[...]

e)

de verplichting binnen vier maanden na het einde van elk kalenderjaar een hoeveelheid emissierechten die niet zijn verleend krachtens hoofdstuk II in te leveren die gelijk is aan de totale emissies van de installatie voor dat jaar, als geverifieerd overeenkomstig artikel 15.”

7

Artikel 10, lid 3, van deze richtlijn bepaalt:

„Met inachtneming van de leden 4 en 8, en van artikel 10 quater, wordt geen kosteloze toewijzing gegeven aan elektriciteitsopwekkers, installaties voor het afvangen van CO2, pijpleidingen voor het vervoer van CO2 of CO2-opslagplaatsen.”

8

Artikel 12, lid 3, van de richtlijn luidt als volgt:

„De lidstaten dragen er zorg voor dat de exploitant van iedere installatie uiterlijk 30 april van ieder jaar een hoeveelheid emissierechten die niet zijn verleend krachtens hoofdstuk II, inlevert die gelijk is aan de totale emissies van die installatie gedurende het voorgaande kalenderjaar, als geverifieerd overeenkomstig artikel 15, en dat die rechten vervolgens worden geannuleerd.”

9

Artikel 14 van richtlijn 2003/87 bepaalt:

„1.   De Commissie stelt uiterlijk op 31 december 2011 een verordening vast voor de bewaking en rapportage van emissies [...] die wordt gebaseerd op de in bijlage IV vermelde beginselen voor bewaking en rapportage en waarin het aardopwarmingsvermogen van elk broeikasgas in de vereisten voor de bewaking en rapportage van emissie voor dat gas wordt gespecificeerd.

Deze maatregel, die beoogt niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door haar aan te vullen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 23, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

[...]

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat elke exploitant van een installatie of vliegtuigexploitant de emissies die gedurende elk kalenderjaar door die installatie, of, met ingang van 1 januari 2010, door het vliegtuig plaatsvindt, overeenkomstig de in lid 1 bedoelde verordening bewaakt en hierover na het eind van dat jaar aan de bevoegde autoriteit rapporteert.

[...]”

10

Bijlage I van richtlijn 2003/87 bevat een opsomming van de categorieën activiteiten waarop deze richtlijn van toepassing is. Een van die activiteiten is het „[v]erbranden van brandstof in installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW (met uitzondering van installaties voor het verbranden van gevaarlijke afvalstoffen of huishoudelijk afval)”.

Besluit 2011/278

11

Overweging 31 van besluit 2011/278 luidt als volgt:

„Aangezien vanaf 2013 voor de elektriciteitssector algehele veiling de regel zal zijn, rekening houdend met het feit dat deze bedrijfstak de toenemende kosten van koolstofdioxide zal kunnen doorberekenen, en dat voor elektriciteitsopwekking in geen geval kosteloos emissierechten mogen worden toegewezen, tenzij voor de overgangsregeling inzake kosteloze toewijzing voor de modernisering van de opwekking van de elektriciteit en elektriciteit uit afvalgassen, mag dit besluit niet leiden tot kosteloze toewijzing van emissierechten met betrekking tot de productie of het verbruik van elektriciteit. Niettemin kunnen volgens artikel 10 bis, lid 6, van richtlijn [2003/87] bedrijfstakken en deeltakken die geacht worden te zijn blootgesteld aan een significant CO2-weglekrisico, vergoed worden voor in de elektriciteitsprijzen doorberekende kosten in verband met broeikasgasemissies door middel van financiële maatregelen die door de lidstaten conform de toepasselijke en door de Commissie op dit gebied vast te stellen overheidssteunregels worden getroffen.”

12

Artikel 1 van dit besluit luidt:

„Dit besluit stelt de voor de hele Unie geldende overgangsregeling vast voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten krachtens richtlijn [2003/87] vanaf 2013.”

13

Artikel 19 van dit besluit, met het opschrift „Toewijzing aan nieuwkomers”, bepaalt:

„1.   Met uitzondering van de toewijzing aan de installaties bedoeld in artikel 3, onder h), derde streepje, van richtlijn [2003/87], berekenen de lidstaten voor de toewijzing van emissierechten aan nieuwkomers het voorlopige jaarlijkse aantal kosteloos toegewezen emissierechten vanaf de aanvang van de normale werking van de installatie voor elke subinstallatie afzonderlijk, als volgt:

[...]

c)

voor elke brandstofbenchmark-subinstallatie is het voorlopige jaarlijkse aantal kosteloos toegewezen emissierechten gelijk aan de waarde van de brandstofbenchmark zoals vermeld in bijlage I, vermenigvuldigd met het brandstofgerelateerde activiteitsniveau;

[...]

2.   Voor onafhankelijk geverifieerde emissies van de nieuwkomer die aan de aanvang van de normale werking voorafgingen, worden extra rechten toegewezen op basis van de historische emissies, uitgedrukt in ton kooldioxide-equivalent.

[...]”

Verordening (EU) nr. 601/2012

14

Artikel 5, eerste alinea, van verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig richtlijn 2003/87 (PB 2012, L 181, blz. 30) bepaalt:

„De monitoring en rapportage zijn volledig en omvatten alle proces- en verbrandingsemissies uit alle emissiebronnen en bronstromen die samenhangen met de in bijlage I bij richtlijn [2003/87] genoemde activiteiten en andere relevante activiteiten die krachtens artikel 24 van die richtlijn zijn opgenomen en van alle broeikasgassen die met betrekking tot die activiteiten zijn gespecificeerd, waarbij dubbeltelling wordt vermeden.”

15

Artikel 20, lid 1, van deze verordening bepaalt:

„Een exploitant definieert de monitoringgrenzen voor elke installatie.

Binnen deze grenzen telt de exploitant alle relevante broeikasgasemissies uit alle emissiebronnen en bronstromen die samenhangen met activiteiten die in de installatie worden uitgevoerd en die in bijlage I bij richtlijn [2003/87] worden genoemd, alsook de activiteiten en broeikasgassen die door een lidstaat overeenkomstig artikel 24 van richtlijn [2003/87] in de handelsregeling zijn opgenomen mee.

De exploitant telt ook de emissies mee van de normale bedrijfsvoering en van uitzonderlijke gebeurtenissen, inclusief opstarten, uitschakelen en noodsituaties gedurende de verslagperiode, met uitzondering van emissies van mobiele machines voor vervoersdoeleinden.”

Duits recht

16

§ 2, lid 1, van het Gesetz über den Handel mit Berechtigungen zur Emission von Treibhausgasen (wet op de handel in broeikasgasemissierechten ) van 21 juli 2011 (BGBl. I 1475, blz. 3154; hierna: „TEHG”), bepaalt:

„Deze wet is van toepassing op de emissie van de in bijlage 1, deel 2, genoemde broeikasgassen ten gevolge van de daar genoemde activiteiten. [...]”

17

Bijlage 1, deel 2, van de TEHG luidt als volgt:

„1.

Verbrandingsunits voor het verbranden van brandstoffen met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 20 MW of meer in een installatie, voor zover zij niet onder een van de volgende punten vallen.

2.

Installaties voor het opwekken van elektriciteit, stoom, warm water, proceswarmte of opgewarmde uitlaatgassen, door middel van brandstoffen in een verbrandingsinstallatie (zoals een elektriciteitscentrale, warmtekrachtcentrale, warmtecentrale, gasturbine-installatie, verbrandingsmotorinstallatie, andere stookinstallatie), met inbegrip van bijbehorende stoomketels, met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW of meer.”

18

§ 18, lid 4, van de Verordnung über die Zuteilung von Treibhausgas-Emissionsberechtigungen in der Handelsperiode 2013 bis 2020 (besluit betreffende de toekenning van broeikasgasemissierechten in de handelsperiode van 2013 tot 2020) van 26 september 2011 (BGBl. I 2011, blz. 1921), bepaalt:

„Voor emissies van elementen voor toewijzing die vóór aanvang van de normale werking hebben plaatsgevonden, worden aan de nieuwe installatie extra rechten toegewezen op basis van deze emissies, die in tonnen kooldioxide-equivalent worden aangeduid.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

19

Blijkens de verwijzingsbeslissing is Vattenfall exploitant van een nieuw gebouwde elektriciteitscentrale in Moorburg, in de buurt van Hamburg (Duitsland). Het nominaal thermisch ingangsvermogen van deze kolencentrale bedraagt 3700 MW.

20

Vattenfall heeft de Deutsche Emissionshandelsstelle im Umweltbundesamt (Duitse autoriteit voor handel in emissierechten bij de Federale Dienst voor het Milieu, hierna: „Emissionshandelsstelle”) bij twee brieven van 7 augustus en 3 september 2013 gemeld dat de uit de regeling van richtlijn 2003/87 voortvloeiende verplichting tot handel in en inlevering van emissierechten (hierna: „handelsregeling”) niet gold voor de centrale van Moorburg, aangezien zij nog in de bouwfase verkeerde.

21

Nadat de Emissionshandelsstelle een dergelijke uitlegging bij brief van 18 september 2013 had verworpen, heeft Vattenfall beroep ingesteld bij het Verwaltungsgericht Berlin (bestuursrechter Berlijn, Duitsland) tot vaststelling dat de handelsverplichting pas ontstaat wanneer de exploitant begint met proefdraaien.

22

Vattenfall staat namelijk op het standpunt dat uit artikel 3, onder u), van richtlijn 2003/87 blijkt dat deze verplichting pas geldt voor elektriciteitsopwekkende centrales vanaf het tijdstip dat zij elektriciteit produceren om aan derden te worden verkocht. De TEHG is dus in overeenstemming met deze bepaling, omdat de regeling voor de handel in emissierechten volgens bijlage 1, deel 2, punt 2 bij deze wet, niet geldt voor de emissies die door elektriciteitscentrales zijn uitgestoten voordat elektrische stroom wordt geproduceerd. De verplichting tot handel in emissierechten ontstaat pas op het moment dat de installatie bedrijfsklaar aan de exploitant wordt opgeleverd en deze laatste begint met proefdraaien. Deze uitlegging is verenigbaar met bijlage 1, deel 2, punt 1, TEHG, die enkel beoogt te verzekeren dat alle soorten installaties binnen de werkingssfeer van de TEHG vallen, maar geen enkele aanwijzing bevat inzake de werkingssfeer ratione temporis ervan.

23

De Bondsrepubliek Duitsland stelt daarentegen dat de verplichting tot handel in emissierechten voor de centrale van Moorburg, wegens haar nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW, geldt vanaf het tijdstip dat zij met haar activiteit verband houdende broeikasgassen is gaan uitstoten, ongeacht het doel van de verbranding. De activiteit van een installatie begint namelijk al bij de eerste proefdraaiingen en dus zodra de installatie broeikasgassen uitstoot, ongeacht de reden ervan. Deze regel vloeit voort uit de TEHG, waarvan bijlage 1, deel 2, punt 1, bepaalt dat alle emissies die het gevolg zijn van verbranding moeten worden meegeteld. Hij is in overeenstemming met zowel het begrip verbranden in artikel 3, onder t), van richtlijn 2003/87 als de temporele monitoringgrenzen voor emissies als bedoeld in artikel 20, lid 1, van verordening nr. 601/2012.

24

De verwijzende rechter merkt in dat verband op dat het Duitse recht noch het Unierecht een expliciete bepaling bevatten inzake het tijdstip waarop de verplichting tot handel in emissierechten ontstaat voor de installaties die in bedrijf zijn gesteld in de handelsperiode van 2013 tot 2020. Deze vraag zou echter kunnen worden beantwoord aan de hand van bijlage I bij richtlijn 2003/87, die is gericht op het „verbranden van brandstof in installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW”, en van artikel 19, lid 2, van besluit 2011/278. Ofschoon dit laatste besluit niet van toepassing is op installaties die bedoeld zijn om elektriciteit op te wekken, zou uit artikel 19, lid 2, ervan, inzake nieuwkomers, kunnen worden afgeleid dat de verplichting tot handel in emissierechten voorafgaand aan de normale werking van dergelijke installaties ontstaat. Indien deze verplichting daarentegen pas ontstaat bij aanvang van de normale werking, zou Vattenfall een te hoog aantal rechten hebben ingeleverd.

25

Daarop heeft het Verwaltungsgericht Berlin de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Leidt de opname van de categorie activiteiten voor het ‚verbranden van brandstof in installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW’ in bijlage I bij richtlijn 2003/87 ertoe dat daarmee de verplichting tot handel in emissierechten van een installatie voor elektriciteitsopwekking ontstaat op het tijdstip waarop voor het eerst broeikasgassen worden uitgestoten en derhalve mogelijkerwijs vóór het tijdstip waarop voor het eerst elektriciteit door de installatie wordt opgewekt?

2)

Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord:

Moet artikel 19, lid 2, van besluit 2011/278 aldus worden uitgelegd dat de emissie van broeikasgassen die plaatsvindt vóór de aanvang van de normale werking van een onder bijlage I bij richtlijn 2003/87/EG vallende installatie, al op het tijdstip van de eerste emissie tijdens de bouwfase van de installatie de verplichting tot rapportage en inlevering van emissierechten door de exploitant in het leven roept?

3)

Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord:

Moet artikel 19, lid 2, van besluit 2011/278 aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de nationale uitvoeringsbepaling – § 18, lid 4, van het besluit betreffende de toekenning van broeikasgasemissierechten in de handelsperiode van 2013 tot 2020 – op elektriciteitscentrales wordt toegepast om het tijdstip te bepalen waarop de verplichting tot handel in emissierechten ontstaat?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

26

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of bijlage I bij richtlijn 2003/87, aangezien „verbranden van brandstof in installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW” hierin is opgenomen in de categorieën activiteiten waarop deze richtlijn van toepassing is, aldus moet worden uitgelegd dat de verplichting tot handel in emissierechten van een installatie die is bestemd voor de elektriciteitsopwekking ontstaat op het tijdstip waarop voor het eerst broeikasgassen worden uitgestoten en derhalve mogelijkerwijs al vóór het tijdstip waarop voor het eerst elektriciteit door de installatie wordt opgewekt.

27

Er zij aan herinnerd dat de algemene opzet van richtlijn 2003/87 berust op een strikte registratie van de verlening, het bezit, de overdracht en de annulering van emissierechten. Deze nauwkeurige registratie is inherent aan het door deze richtlijn nagestreefde doel om een regeling voor de handel in emissierechten in te voeren, die beoogt de uitstoot van deze gassen in de atmosfeer te verminderen tot een niveau waarbij elke gevaarlijke antropogene verstoring van het klimaat wordt voorkomen en waarvan het einddoel de bescherming van het milieu is (zie in die zin arrest van 29 april 2015, Nordzucker, C‑148/14, EU:C:2015:287, punt 28).

28

Artikel 2, lid 1, van richtlijn 2003/87 bepaalt voor de uitvoering van deze regeling dat het toepassingsgebied ervan zich uitstrekt tot de in bijlage I ervan genoemde activiteiten en de in bijlage II ervan genoemde broeikasgassen, waaronder meer bepaald kooldioxide.

29

Bovendien vloeit uit artikel 4 van deze richtlijn voort dat de lidstaten ervoor zorg dragen dat geen installatie een in bijlage I genoemde activiteit verricht welke een voor die activiteit gespecificeerde emissie tot gevolg heeft, tenzij haar exploitant in het bezit is van een door een bevoegde autoriteit overeenkomstig deze richtlijn verleende vergunning.

30

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, van richtlijn 2003/87 geldt de eerbiediging van met name de in artikel 12, lid 3, ervan bedoelde verplichting, op grond waarvan de exploitant uiterlijk 30 april van het lopende jaar een hoeveelheid emissierechten inlevert die gelijk is aan de totale emissies van die installatie gedurende het voorgaande kalenderjaar, als voorwaarde voor de verlening van een vergunning (zie in die zin arrest van 29 april 2015, Nordzucker, C‑148/14, EU:C:2015:287, punt 29).

31

Zoals valt op te maken uit artikel 14, lid 3, van richtlijn 2003/87, heeft deze inleveringsverplichting als uitgangspunt de rapportages die exploitanten van een installatie opstellen volgens de regels die zijn vervat in de verordening die krachtens artikel 14, lid 1, van deze richtlijn moet worden vastgesteld door de Commissie (zie in die zin arrest van 29 april 2015, Nordzucker, C‑148/14, EU:C:2015:287, punt 31).

32

De Commissie heeft op basis van deze bepaling verordening nr. 601/2012 vastgesteld, waarvan artikel 20, lid 1, tweede alinea, bepaalt dat de exploitant, binnen de monitoringgrenzen die hij voor elke installatie heeft vastgesteld, alle relevante broeikasgasemissies uit alle emissiebronnen en bronstromen die samenhangen met activiteiten die in de installatie worden uitgevoerd en die in bijlage I bij richtlijn 2003/87 worden genoemd, meetelt.

33

Artikel 20, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 601/2012 preciseert dat deze verplichting niet enkel is gericht op de emissies van de normale bedrijfsvoering, maar ook die van uitzonderlijke gebeurtenissen, zoals het opstarten en uitschakelen van een installatie. Daar deze opsomming niet uitputtend is, moeten ook de emissies van andere uitzonderlijke gebeurtenissen, zoals die welke tijdens het proefdraaien van een installatie ontstaan, worden meegeteld voor de monitoring en de rapportage van de emissies.

34

Bovendien moet eraan worden herinnerd dat artikel 3, onder e), van richtlijn 2003/87 een installatie in die richtlijn definieert als een vaste technische eenheid waarin één of meer van de in bijlage I bij die richtlijn genoemde activiteiten plaatsvinden alsmede andere, daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten die technisch in verband staan met de op die plaats ten uitvoer gebrachte activiteiten en gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging (arrest van 9 juni 2016, Elektriciteits Produktiemaatschappij Zuid-Nederland EPZ, C‑158/15, EU:C:2016:422, punt 25).

35

Het verbranden van brandstof in installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW, met uitzondering van installaties voor het verbranden van gevaarlijke afvalstoffen of huishoudelijk afval, is een van de activiteiten die in bijlage I van deze richtlijn zijn bedoeld.

36

Het begrip verbranden wordt gedefinieerd in artikel 3, onder t), van richtlijn 2003/87 als het oxideren van brandstoffen, ongeacht de wijze waarop de warmte, de elektrische of de mechanische energie die tijdens dit proces vrijkomt wordt gebruikt, en andere rechtstreeks daarmee verband houdende activiteiten.

37

De omstandigheid dat een elektriciteitscentrale die binnen het toepassingsgebied van richtlijn 2003/87 valt, bij het eerste proefdraaien waarbij broeikasgassen in de atmosfeer worden uitgestoten geen elektriciteit opwekt is dus niet van invloed, omdat het, in het licht van de verplichting om emissierechten in te leveren, niet noodzakelijk is dat de warmte die het resultaat is van de verbranding van brandstoffen met dat doel wordt gebruikt.

38

Uit het voorgaande vloeit voort dat een installatie die is bedoeld voor elektriciteitsopwekking door het verbranden van brandstoffen en waarvan de opbrengstcapaciteit de in bijlage I bij richtlijn 2003/87 bepaalde waarde overschrijdt, is onderworpen aan de verplichtingen van het emissiehandelssysteem en meer bepaald aan die van de rapportage van emissies uit alle bronnen en bronstromen die samenhangen met activiteiten die in de installatie worden uitgevoerd, met inbegrip van de emissies die zijn veroorzaakt bij het proefdraaien vóór de aanvang van de normale werking van deze installatie.

39

Deze uitlegging van richtlijn 2003/87 is in overeenstemming met het hoofddoel ervan, te weten de bescherming van het milieu door een vermindering van de broeikasgasemissies (zie in die zin arrest van 28 april 2016, Borealis Polyolefine e.a., C‑191/14, C‑192/14, C‑295/14, C‑389/14 en C‑391/14–C‑393/14, EU:C:2016:311, punt 79) en kan niet worden ontkracht door het feit een installatie slechts als elektriciteitsopwekker in de zin van artikel 3, onder u), van deze richtlijn kwalificeert indien zij elektriciteit produceert om aan derden te worden verkocht.

40

Deze bepaling beoogt namelijk niet het toepassingsgebied van richtlijn 2003/87 af te bakenen, maar draagt bij aan het maken van een belangrijk onderscheid voor de vaststelling van de maximale jaarlijkse hoeveelheid emissierechten in de zin van artikel 10 bis, lid 5, van deze richtlijn (zie in die zin arrest van 28 april 2016, Borealis Polyolefine e.a., C‑191/14, C‑192/14, C‑295/14, C‑389/14 en C‑391/14–C‑393/14, EU:C:2016:311, punten 6470).

41

Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, dient, krachtens artikel 10 bis, lid 1, derde alinea, en artikel 10 bis, leden 3 tot en met 5, van richtlijn 2003/87, een onderscheid te worden gemaakt tussen de installaties die onder artikel 10 bis, lid 3, van deze richtlijn vallen en andere installaties die broeikasgassen uitstoten. Tot eerstbedoelde installaties behoren onder meer elektriciteitsopwekkers in de zin van artikel 3, onder u), van die richtlijn (arrest van 28 april 2016, Borealis Polyolefine e.a., C‑191/14, C‑192/14, C‑295/14, C‑389/14 en C‑391/14–C‑393/14, EU:C:2016:311, punt 70).

42

Daarenboven moet worden benadrukt dat de omstandigheid dat deze verplichtingen zijn gericht tot de exploitant van een installatie, niet inhoudt dat de emissies die zijn veroorzaakt tijdens het proefdraaien door de bouwer ervan, niet moeten worden meegeteld. Ten eerste is, zoals de Commissie heeft betoogd, het in artikel 3, punt u), van richtlijn 2003/87 bedoelde begrip „energieopwekker” niet relevant voor het ontstaan van de verplichting tot handel in emissierechten. Ten tweede heeft de rapportage- en inleveringsverplichting van de exploitant tevens betrekking op deze emissies, aangezien de regeling voor de handel in emissierechten overeenkomstig artikel 2, lid 1, van deze richtlijn is gericht op alle emissies uit de in bijlage I genoemde activiteiten.

43

Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat bijlage I van richtlijn 2003/87, aangezien het „verbranden van brandstof in installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW” hierin is opgenomen in de lijst van de categorieën van activiteiten waarop deze richtlijn van toepassing is, aldus moet worden opgevat dat de verplichting tot handel in emissierechten van een installatie die is bestemd voor elektriciteitsopwekking ontstaat op het tijdstip waarop voor het eerst broeikasgassen worden uitgestoten en derhalve mogelijkerwijs vóór het tijdstip waarop voor het eerst elektriciteit wordt opgewekt.

Tweede en derde vraag

44

Gelet op het antwoord op de eerste vraag, hoeven de tweede en de derde vraag niet te worden beantwoord.

Kosten

45

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:

 

Bijlage I van richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van richtlijn 96/61/EG van de Raad, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009, moet, aangezien het „verbranden van brandstof in installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW” hierin is opgenomen in de lijst van de categorieën van activiteiten waarop richtlijn 2003/87, zoals gewijzigd, van toepassing is, aldus worden opgevat dat de verplichting tot handel in emissierechten van een installatie die is bestemd voor elektriciteitsopwekking ontstaat op het tijdstip waarop voor het eerst broeikasgassen worden uitgestoten en derhalve mogelijkerwijs vóór het tijdstip waarop voor het eerst elektriciteit wordt opgewekt.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Duits.

Top