Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62014CC0559

Conclusie van advocaat-generaal J. Kokott van 25 februari 2016.

Digital reports (Court Reports - general)

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2016:120

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

J. KOKOTT

van 25 februari 2016 ( 1 )

Zaak C‑559/14

Rudolfs Meroni

[verzoek van de Augstākās tiesas Senāts (hooggerechtshof, Letland) om een prejudiciële beslissing]

„Verzoek om een prejudiciële beslissing — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Verordening (EG) nr. 44/2001 — Artikel 34, aanhef en punt 1 — Gronden voor weigering van de erkenning en de uitvoerbaarverklaring van voorlopige en conservatoire maatregelen — Openbare orde”

I – Inleiding

1.

Na de zaak West Tankers ( 2 ), waarin een „antisuit injunction” centraal stond, wordt het Hof thans opnieuw geconfronteerd met een procesrechtelijke bijzonderheid van het Anglo-Amerikaanse recht.

2.

De onderhavige zaak heeft betrekking op een zogenoemde „freezing injunction” ( 3 ). Het is een door de rechter in kort geding opgelegde bevriezingsmaatregel bestaande in een verbod tot het verrichten van beschikkingshandelingen, dat ertoe strekt te voorkomen dat activa van de schuldenaar worden vervreemd waardoor schuldeisers zich later hierop niet meer kunnen verhalen.

3.

In casu betreft de bevriezing van activa echter niet alleen verweerder in het hoofdgeding, maar ook derden die een nauwe band hebben met het vermogen van de verweerder. De verwijzende rechter, die over het verlof tot tenuitvoerlegging van de bevriezingsuitspraak in de Republiek Letland dient te beslissen, beschouwt deze daarom als problematisch vanuit het oogpunt van de openbare orde.

4.

De onderhavige zaak biedt het Hof dus opnieuw gelegenheid het rechtsbegrip openbare orde in het kader van verordening (EG) nr. 44/2001 ( 4 ) nader af te bakenen. De centrale vraag is of, en zo ja in hoeverre, het feit dat rechten van derden in het geding zijn, in aanmerking moet worden genomen als grond voor een weigering van verlof tot tenuitvoerlegging.

II – Toepasselijke wetgeving

A – Unierecht

5.

Het Unierechtelijke kader van deze zaak wordt bepaald door verordening nr. 44/2001.

6.

Overweging 18 van die verordening luidt:

„De eerbiediging van de rechten van de verdediging houdt [...] in dat de verweerder de mogelijkheid moet hebben in een procedure op tegenspraak een rechtsmiddel in te stellen tegen de verklaring van uitvoerbaarheid [van een beslissing], wanneer hij van mening is dat een van de gronden voor niet-uitvoering van toepassing is. [...]”

7.

Artikel 32 van de verordening definieert het begrip „beslissing” ( 5 ) als volgt:

„Onder beslissing in de zin van deze verordening wordt verstaan, elke door een gerecht van een lidstaat gegeven beslissing, ongeacht de daaraan gegeven benaming, zoals arrest, vonnis, beschikking of rechterlijk dwangbevel, alsmede de vaststelling door de griffier van het bedrag van de proceskosten.”

8.

Volgens artikel 34, aanhef en punt 1, van verordening nr. 44/2001 wordt een beslissing niet erkend indien „de erkenning kennelijk strijdig is met de openbare orde van de aangezochte lidstaat”. Een beslissing wordt volgens artikel 34, aanhef en punt 2, van de verordening ook niet erkend indien „het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, niet zo tijdig en op zodanige wijze als met het oog op zijn verdediging nodig was, aan de verweerder tegen wie verstek werd verleend, betekend of meegedeeld is, tenzij de verweerder tegen de beslissing geen rechtsmiddel heeft aangewend terwijl hij daartoe in staat was”.

9.

Artikel 38, lid 1, van verordening nr. 44/2001 luidt als volgt:

„De beslissingen die in een lidstaat gegeven zijn en daar uitvoerbaar zijn, kunnen in een andere lidstaat ten uitvoer worden gelegd, nadat zij aldaar, ten verzoeke van iedere belanghebbende partij, uitvoerbaar zijn verklaard.”

10.

Artikel 41 van de verordening bepaalt:

„De beslissing wordt uitvoerbaar verklaard zodra de formaliteiten[ ( 6 ) ] van artikel 53 vervuld zijn, zonder toetsing uit hoofde van de artikelen 34 en 35. De partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, wordt in deze stand van de procedure niet gehoord.”

11.

Artikel 42, lid 2, van de verordening bepaalt:

„De verklaring van uitvoerbaarheid wordt betekend of meegedeeld aan de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd en gaat vergezeld van de beslissing, indien deze nog niet aan haar is betekend of meegedeeld.”

12.

Artikel 43, lid 1, van de verordening voegt daaraan toe, dat „[e]lke partij [...] een rechtsmiddel [kan] instellen tegen de beslissing op het verzoek om een verklaring van uitvoerbaarheid”.

13.

Volgens artikel 45, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 44/2001 wordt „[de] verklaring van uitvoerbaarheid [...] door het gerecht dat oordeelt over een rechtsmiddel, bedoeld in [artikel] 43 [...], slechts op een van de in de artikelen 34 en 35 genoemde gronden geweigerd of ingetrokken”.

B – Recht van de Republiek Letland

14.

Volgens artikel 92 van de grondwet van de Republiek Letland moet iedereen zijn rechten en gerechtvaardigde belangen voor een onpartijdige rechtbank kunnen doen gelden.

15.

Artikel 105 van de Letse grondwet bepaalt dat beperkingen van het recht op eigendom uitsluitend bij wet mogen worden vastgesteld.

III – Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vragen

16.

De achtergrond van de prejudiciële verwijzing vormt een geding over de beslissing houdende verlof tot tenuitvoerlegging in de Republiek Letland van een bevriezingsmaatregel die in 2013 is opgelegd door de High Court of Justice (England and Wales), Queen’s Bench Division (Commercial Court) (Verenigd Koninkrijk).

17.

Met deze maatregel wordt onder meer aan A.L. verboden beschikkingshandelingen te verrichten met betrekking tot activa die direct of indirect deel uitmaken van zijn vermogen. Het verbod heeft betrekking op zijn aandelen in de Letse vennootschap VB. In die vennootschap houdt A.L. rechtstreeks slechts één aandeel. Volgens de verwijzende rechter is hij echter ook de „uiteindelijke gerechtigde” ( 7 ) van aandelen in ten minste één andere vennootschap (hierna: „Y”), die van haar kant een aanzienlijk deel van de aandelen in VB houdt.

18.

Meroni is lid van de raad van bestuur van Y. Op grond van een door het Letse algemeen parket in 2007 gelaste beslaglegging is Meroni tevens bewaarnemer van de deelnemingen in Y waarvan A.L. de uiteindelijke gerechtigde is. ( 8 )

19.

Het verbod tot het verrichten van beschikkingshandelingen geldt volgens punt 6 van de uitspraak voor „alle belangen in VB, ongeacht of zij op [...] naam [van A.L.] luiden.” Tegen de betrokken uitspraak staat volgens Engels recht beroep open. Ook niet bij de Engelse procedure betrokken partijen kunnen, indien de uitspraak aan hen is betekend, om wijziging of vernietiging ervan verzoeken ( 9 ), maar dienen er voor het overige na kennisgeving gevolg aan te geven. ( 10 ) Wat betreft activa die zich buiten Engeland en Wales bevinden, staat niets eraan in de weg dat voornoemde derden contractuele of andere verplichtingen blijven nakomen en voorschriften van de betrokken staat eerbiedigen. ( 11 ) Volgens punt 22 („Partijen waaraan kennisgeving moet worden gedaan van deze uitspraak”) moet de bevriezingsuitspraak niet alleen worden betekend aan verweerders, maar ook aan de „in punt 7 [...] genoemde natuurlijke personen en vennootschappen”, waartoe in casu dus ook VB behoort. Zonder voorafgaande betekening is „tenuitvoerlegging in het buitenland” echter alleen maar mogelijk „voor zover dat is toegestaan in het desbetreffende rechtsgebied”. ( 12 )

20.

De vennootschappen VB en Y waren geen partij in de procedure voor de High Court of Justice, in het kader waarvan de bevriezingsmaatregel tegen A.L. is vastgesteld. Het is de verwijzende rechter niet bekend of de uitspraak aan hen is betekend. ( 13 ) Uit het prejudiciële verzoek volgt voorts niet duidelijk of A.L. voorafgaand aan de beslissing van de Engelse rechter in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord. Dat dit wel het geval was, zou kunnen worden afgeleid uit de zinsnede in de bevriezingsuitspraak dat deze is gedaan „onverminderd de bewering van [A.L.] dat hij geen rechtstreeks of indirect belang heeft in een van de [litigieuze] activa”. ( 14 )

21.

In eerste aanleg is de bevriezingsuitspraak in 2013 in de Republiek Letland uitvoerbaar verklaard tegen A.L. De beslissing ter zake is in hoger beroep gehandhaafd voor zover het A.L. uit hoofde van de bevriezingsmaatregel is verboden zijn direct of indirect gehouden aandelen in VB te vervreemden, hun waarde te verminderen of andere personen met desbetreffende handelingen te belasten.

22.

De hogere voorziening van Meroni, die momenteel aanhangig is bij de verwijzende rechter, richt zich tegen die Letse uitvoerbaarverklaring. Meroni stelt dat de bevriezingsmaatregel aandeelhoudster Y belet om haar stemrechten in VB uit te oefenen. Dit komt volgens Meroni neer op een aantasting van het grondrechtelijk beschermde eigendomsrecht, temeer daar de vennootschap in de Engelse procedure niet is gehoord, hetgeen in strijd is met het beginsel van een eerlijk proces.

23.

Onder die omstandigheden heeft de nationale rechter besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Moet artikel 34, punt 1, van verordening nr. 44/2001 aldus worden uitgelegd dat in een procedure tot erkenning van een beslissing van een buitenlandse rechter de inbreuk op de rechten van personen die geen partij zijn in het hoofdgeding, een grond kan zijn om de in dat artikel opgenomen openbare-orde-exceptie toe te passen en de erkenning van die beslissing te weigeren voor zover zij gevolgen heeft voor personen die geen partij zijn in het hoofdgeding?

2)

Zo ja, moet artikel 47 van het Handvest [van de grondrechten van de Europese Unie] aldus worden uitgelegd dat het daarin vervatte beginsel van een eerlijk proces zich niet ertegen verzet dat in een procedure betreffende voorlopige conservatoire maatregelen de vermogensrechten van een persoon die geen partij was in de procedure, worden beperkt, indien iedere persoon voor wie de beslissing over de voorlopige beschermingsmaatregelen gevolgen heeft, steeds het recht heeft de rechter te verzoeken om wijziging of vernietiging van de beslissing, maar het aan de verzoekende partijen wordt overgelaten om de beslissing ter kennis te brengen van belanghebbenden?”

IV – Juridische beoordeling

A – Opmerking vooraf

24.

Overeenkomstig de taakverdeling tussen Hof en verwijzende rechter valt de nationale procedure niet onder de bevoegdheid van het Hof en staat het in beginsel aan de nationale rechter om te beoordelen of de beantwoording van de prejudiciële vragen noodzakelijk is voor de beslechting van het bij hem aanhangige geding. Voor een beter begrip van de onderhavige zaak wil ik echter de aandacht vestigen op twee processuele bijzonderheden ervan, temeer daar deze van belang kunnen zijn voor de relevantie van de prejudiciële vragen.

25.

Ten eerste valt uit de uiteenzetting van de feiten door de verwijzende rechter op te maken dat Meroni in eigen naam optreedt in de Letse procedure. Daarentegen lijkt de litigieuze bevriezing geen betrekking te hebben op de vermogensrechten van Meroni zelf, maar primair op die van A.L., wiens vermogen Meroni beheert. In zoverre wordt Meroni echter beschouwd als „houder van de rechten van [A.L.] als uiteindelijke gerechtigde” ( 15 ), zodat ervan moet worden uitgegaan dat de beantwoording van de prejudiciële vragen ook voor hem relevant is.

26.

Ten tweede blijkt uit de verwijzingsbeschikking niet duidelijk wanneer de bevriezingsuitspraak precies aan A.L. of aan Meroni is betekend. De aan het Hof verstrekte informatie duidt evenwel erop dat die betekening, waarvan de werking van de uitspraak afhankelijk is, in elk geval wel heeft plaatsgevonden. Enerzijds wordt reeds in punt 22 van de bevriezingsuitspraak zelf betekening aan de verweerder gelast. Anderzijds is in de Republiek Letland door de rechter in eerste aanleg reeds beslist over de uitvoerbaarverklaring van de bevriezingsuitspraak, zodat uiterlijk in dat stadium van de procedure volgens artikel 42, lid 2, van verordening nr. 44/2001 betekening aan A.L. moet hebben plaatsgevonden, voor wiens vermogen Meroni als bewaarnemer fungeert. Ook in zoverre kunnen de prejudiciële vragen dus met betrekking tot Meroni niet als irrelevant voor de afdoening van het hoofdgeding of zelfs als hypothetisch worden beschouwd.

B – Prejudiciële vragen

27.

De eerste prejudiciële vraag van de verwijzende rechter heeft betrekking op de uitlegging van artikel 34, aanhef en punt 1, van verordening nr. 44/2001. De tweede, die hij stelt voor het geval dat de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord, betreft de uitlegging van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten.

28.

De twee vragen kunnen echter gezamenlijk worden behandeld, aangezien schending van de grondrechten van het Handvest schending van de openbare orde in de zin van artikel 34, aanhef en punt 1, van verordening nr. 44/2001 met zich zou brengen. ( 16 )

29.

Met zijn prejudiciële vragen wenst de verwijzende rechter dus in wezen te vernemen of een bevriezingsmaatregel die een nationale rechter bij wijze van voorlopige voorziening heeft opgelegd zonder dat alle personen die door deze maatregel kunnen worden geraakt vooraf zijn gehoord, in strijd kan zijn met de openbare orde van de aangezochte staat respectievelijk met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten, indien elke persoon die door de beslissing wordt geraakt, de rechter van de staat van herkomst te allen tijde kan verzoeken om wijziging of vernietiging van de beslissing.

30.

Eerst moet echter worden onderzocht of de litigieuze bevriezingsuitspraak als „beslissing” in de zin van artikel 32 van verordening nr. 44/2001 kan worden beschouwd. ( 17 ) Slechts in dat geval is het namelijk mogelijk de erkenning en tenuitvoerlegging van de bevriezingsmaatregel, zijnde een voorlopige maatregel, aan de hand van die verordening te beoordelen.

31.

Het Hof heeft in het arrest Denilauler ( 18 ), dat is gewezen tegen de achtergrond van het Executieverdrag, het begrip beslissing ondanks de hieraan gegeven ruime definitie restrictief uitgelegd waar het voorlopige maatregelen betreft en beslist dat een Franse conservatoire beslagmaatregel in Duitsland niet uitvoerbaar was aangezien de Franse beslissing zowel was genomen zonder dat de Duitse beslagene was gehoord en als ten uitvoer zou worden gelegd zonder vooraf aan hem te zijn betekend. ( 19 ) Met betrekking tot de onderhavige zaak bestaan in dit opzicht echter geen twijfels. Zoals reeds uiteengezet, kan ervan worden uitgegaan dat de bevriezingsmaatregel in elk geval aan A.L. respectievelijk zijn bewaarnemer is betekend en dat de betrokkene waarschijnlijk ook in de Engelse procedure is gehoord. Dat betekent dat de litigieuze uitspraak zelfs volgens de strenge maatstaf van het arrest Denilauler moet worden gekwalificeerd als „beslissing”. Derhalve speelt het geen rol of thans onder vigeur van verordening nr. 44/2001 minder strenge eisen aan het begrip beslissing moeten worden gesteld dan onder van het Executieverdrag, dat aan het arrest Denilauler ten grondslag lag. Volledigheidshalve wijs ik echter erop dat in de context van verordening nr. 44/2001 een aantal overwegingen voor een soepelere benadering bij de erkenning van beslissingen pleit. ( 20 ) Uit hoofde van het Executieverdrag moest de erkenning namelijk nog in het algemeen worden geweigerd indien het geding inleidende stuk niet regelmatig of niet tijdig aan de verweerder was betekend. Volgens verordening nr. 44/2001 kan de erkenning echter ondanks het ontbreken van een betekening niet worden geweigerd indien de betrokkene in de staat van herkomst geen rechtsmiddel tegen de betrokken beslissing heeft aangewend, terwijl hij daartoe wel in staat was. ( 21 ) Met betrekking tot voorlopige maatregelen betekent dit dat wanneer (zoals in casu) in de staat van herkomst een beroep openstaat tegen de ten uitvoer te leggen maatregel, deze volgens verordening nr. 44/2001 logischerwijs reeds als voor erkenning vatbaar kan worden beschouwd indien de verweerder het nationale rechtsmiddel niet heeft aangewend alhoewel hij die mogelijkheid had.

32.

Aangezien dit betekent dat een bevriezingsmaatregel zoals in het hoofdgeding aan de orde, volgens verordening nr. 44/2001 in beginsel uitvoerbaar kan worden verklaard, moet thans worden onderzocht of in het onderhavige geval overwegingen van openbare orde aan de uitvoerbaarverklaring in de weg staan.

1. De openbare-orde-exceptie in de rechtspraak van het Hof

33.

Het Hof heeft de op de openbare orde stoelende beletselen voor de erkenning en tenuitvoerlegging restrictief uitgelegd. ( 22 ) Daar ik de ter zake relevante rechtspraak reeds elders heb besproken ( 23 ), zal ik mij thans, om herhaling te voorkomen, beperken tot een beknopte samenvatting van de wezenlijke basisgedachten.

a) Algemene beginselen

34.

De lidstaten kunnen de eisen van hun openbare orde in beginsel zelf invullen overeenkomstig hun nationale opvattingen. Niettemin houdt het Hof toezicht op de grenzen waarbinnen de rechter van een lidstaat een beroep op dit begrip kan doen. ( 24 )

35.

De erkenning van een rechterlijke beslissing mag niet worden geweigerd enkel op grond dat de door de rechter van de staat van herkomst toegepaste rechtsregel afwijkt van die welke de rechter van de aangezochte staat zou hebben toegepast indien het geschil bij hem aanhangig was gemaakt. ( 25 ) Op de openbare-orde-exceptie van artikel 34, aanhef en punt 1, van verordening nr. 44/2001 kan slechts een beroep worden gedaan indien de erkenning van de in een andere lidstaat gegeven beslissing op onaanvaardbare wijze zou botsen met de rechtsorde van de aangezochte staat doordat inbreuk op een fundamenteel beginsel zou worden gemaakt. Het in de artikelen 36 en 45, lid 2, van verordening nr. 44/2001 neergelegde verbod om de juistheid van de in een andere lidstaat gegeven beslissing te onderzoeken wordt dus enkel in acht genomen indien de inbreuk bestaat in een kennelijke schending van een rechtsregel die in de rechtsorde van de aangezochte staat van essentieel belang wordt geacht, of van een in die rechtsorde als fundamenteel erkend recht. ( 26 )

b) Openbare orde en procedurele waarborgen

36.

Op 16 juli 2015 heeft het Hof die benadering opnieuw bevestigd in het arrest Diageo Brands ( 27 ) en is het bovendien ingegaan op de vraag in hoeverre het feit dat een beslissing van een nationale rechter kennelijk in strijd is met het Unierecht en is gegeven met schending van de procedurele waarborgen, een grond vormt voor weigering van erkenning in de zin van artikel 34, aanhef en punt 1, van verordening nr. 44/2001.

37.

Het Hof oordeelde dat de openbare-orde-exceptie bij schendingen van het Unierecht enkel kan worden toegepast wanneer de onjuiste rechtsopvatting inhoudt dat erkenning van de betrokken beslissing in de aangezochte staat een kennelijke schending van een fundamentele rechtsregel in de rechtsorde van de Unie en dus van die lidstaat zou opleveren. ( 28 ) Aangaande de schending van procedurele waarborgen stelde het Hof voorts vast dat de justitiabelen voorafgaand aan een uitvoerbaarverklaring „behoudens bijzondere omstandigheden die het te moeilijk of onmogelijk maken de rechtsmiddelen in de lidstaat van herkomst aan te wenden, in die lidstaat alle bestaande rechtsmiddelen [moeten] uitputten om schending van de openbare orde [in de aangezochte staat] in een eerder stadium te voorkomen”. ( 29 ) Daarmee heeft het Hof in de lijn van artikel 34, aanhef en punt 2, van verordening nr. 44/2001 een zware last opgelegd aan degene die met executiemaatregelen wordt bedreigd: de schuldenaar mag niet passief afwachten en erop vertrouwen dat hij eventueel later, in het kader van het door hem in de procedure tot uitvoerbaarverklaring aangewende rechtsmiddel, een beroep kan doen op procedurefouten in de staat van herkomst. Hij moet juist zelf actief worden zodra hij kennis heeft gekregen van de betrokken beslissing en deze bestrijden met de rechtsmiddelen die hem in de lidstaat van herkomst ter beschikking staan. ( 30 )

38.

Het arrest Diageo Brands ligt in zoverre op dezelfde lijn als het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 25 februari 2014 ( 31 ), waarin interessant genoeg net als in de onderhavige zaak een relatie met Letland bestaat.

39.

In die zaak diende het EHRM in het licht van artikel 6 EVRM ( 32 ) en het recht op een eerlijk proces te beoordelen of onregelmatigheden bij de inleiding van een procedure in Cyprus na het wijzen van een verstekvonnis kunnen worden opgeworpen tegen de uitvoerbaarverklaring ervan in Letland. Artikel 34, aanhef en punt 2, van verordening nr. 44/2001 wijst dit af als grond voor weigering van de uitvoerbaarverklaring indien de verweerder – zoals in de bij het EHRM aanhangige zaak – tegen de betrokken beslissing „geen rechtsmiddel heeft aangewend terwijl hij daartoe in staat was”. Het EHRM acht dit vanuit het oogpunt van het EVRM niet bezwaarlijk, en tekent nog aan dat de verweerder, die het beroep bij hem had ingesteld, beleggingsadviseur en dus in zakelijk opzicht niet onervaren is. Alhoewel het ten uitvoer te leggen vonnis geen vermelding van de beschikbare rechtsmiddelen bevatte, kon daarom in redelijkheid van hem worden verwacht dat hij zich op de hoogte zou stellen van de in Cyprus beschikbare rechtsmiddelen en deze zou aanwenden zodra hij kennis had gekregen van dat vonnis. Hij heeft niet aangetoond dat er geen rechtsmiddelen beschikbaar waren of dat deze ondoeltreffend zouden zijn geweest.

40.

Het laatste woord in deze is echter nog niet gezegd, aangezien de zaak na het arrest van 25 februari 2014 is verwezen naar de Grote Kamer van het EHRM, die nog geen uitspraak heeft gedaan. Voor het moment moet er op basis van het reeds gewezen arrest echter van worden uitgegaan dat op een in zakelijk opzicht niet onervaren schuldenaar aanzienlijke handelingsverplichtingen rusten waar het gaat om het waarborgen van zijn materiële en procedurele rechten; indien hij niet aan die verplichtingen voldoet, kan hij geen beroep doen op artikel 6 EVRM.

2. Toepassing van de beginselen van de rechtspraak op het onderhavige geval

41.

Om te beginnen moet worden onderzocht of in casu in het licht van de rechtspraak kan worden uitgegaan van een schending van de openbare orde. Teneinde de verwijzende rechter een zinvol antwoord te geven, moet daarnaast echter ook aandacht worden besteed aan de vraag wie in een geding betreffende de uitvoerbaarverklaring van een beslissing schending van de openbare orde als grief kan aanvoeren en of een dergelijke grief ook betrekking kan hebben op vermeende rechten van derden.

a) Bestaan van een schending van de openbare orde in het hoofdgeding

42.

In het hoofdgeding stelt verzoeker dat de uitvoerbaarverklaring inbreuk maakt op het „eigendomsrecht [...] van derden”. ( 33 ) Met „derden” bedoelt hij in eerste instantie de vennootschap Y, aangezien A.L. in die vennootschap, waarvan de rechten door de bevriezingsmaatregel zouden worden geraakt, „slechts economische belangen” ( 34 ) heeft en niet de eigenlijke aandeelhouder is.

43.

Het verbod beschikkingshandelingen te verrichten is echter tot A.L. persoonlijk gericht en raakt de door hem economisch gecontroleerde vennootschappen en activa slechts indirect. In wezen wordt A.L. gelast niets te doen wat tot een directe of indirecte vermindering van het vermogen van VB zou kunnen leiden en het bestuur van de door hem gecontroleerde vennootschappen dienovereenkomstige instructies te geven. ( 35 )

44.

Op het eerste gezicht is niet duidelijk in hoeverre dat verbod in strijd zou zijn met de grondbeginselen van het materiële of het procedurele recht van Letland. Dit temeer niet omdat volgens de door de verwijzende rechter verstrekte informatie de Letse rechtsorde in kort geding zonder meer toestaat dat beslissingen worden gegeven zonder dat de schuldenaar eerst is gehoord. ( 36 )

45.

Afgezien daarvan brengt de onderhavige Engelse uitspraak geen irreversibele, ingrijpende maatregelen mee wat de tenuitvoerlegging in het buitenland betreft, in het bijzonder niet voor zover het gaat om derden die in Engeland niet partij in de procedure zijn geweest. Ten aanzien van in het buitenland gevestigde derden – dat wil zeggen de door A.L. gecontroleerde vennootschappen – sorteert de bevriezingsuitspraak slechts rechtsgevolgen onder nauw omschreven voorwaarden: ten eerste sorteert de uitspraak slechts rechtsgevolg zonder betekening vooraf voor zover dat volgens het buitenlandse recht is toegestaan ( 37 ); ten tweede kan eenieder aan wie de uitspraak is betekend, de rechter verzoeken om wijziging of vernietiging ervan ( 38 ), en ten derde blijft het mogelijk dat de derde zijn contractuele verplichtingen in het buitenland ondanks de bevriezingsuitspraak nakomt. ( 39 )

46.

De litigieuze bevriezingsuitspraak houdt dus enerzijds rekening met procedurele bijzonderheden van de aangezochte staat (bijvoorbeeld betekeningsvereisten) en biedt anderzijds de betrokkenen ook na de betekening nog een aanzienlijke materiële armslag. Mocht vennootschap Y bijvoorbeeld op grond van aandeelhoudersovereenkomsten verplicht zijn om onder bepaalde voorwaarden in een aandeelhoudersvergadering van VB haar stemrecht op een vooraf bepaalde wijze uit te oefenen, dan zou de bevriezingsuitspraak, die immers niet tornt aan bestaande contractuele verplichtingen, blijkbaar hieraan niet in de weg staan.

47.

Gelet op het voorgaande lijkt het dus niet zo te zijn dat de bevriezingsuitspraak bij de procedure niet betrokken derden in materieel opzicht de handen bindt op een wijze die vanuit het oogpunt van de openbare orde relevant zou kunnen zijn, integendeel: voor zover een niet bij de procedure betrokken derde zoals de vennootschap Y kan menen door de bevriezing te worden geraakt, is dit in wezen het gevolg van het feit dat ten eerste A.L. haar „economische eigenaar is”, ten tweede het nationale recht van de aangezochte staat die rechtspositie lijkt te erkennen ( 40 ) en ten derde het nationale recht van de staat van herkomst een bevriezingsmaatregel met die strekking toestaat. Een ingreep in grondrechtelijk beschermde rechtsposities van niet bij de procedure betrokken partijen die een dergelijke maatregel kan meebrengen, is dus niet willekeurig, maar heeft een wettelijke basis.

48.

Voor zover de in de bevriezingsuitspraak genoemde derden bovendien de mogelijkheid hebben om rechtsmiddelen tegen die uitspraak in te stellen en die derden ook nog eens kapitaalvennootschappen, dus niet in zakelijk opzicht compleet onervaren personen zijn, wijst ook in procedureel opzicht niets op schending van de openbare orde. Dit geldt althans voor zover er geen onoverkoombare belemmeringen voor het aanwenden van rechtsmiddelen in Engeland zijn, waarvan bij gebreke van concrete aanwijzingen voor het tegendeel ( 41 ) in de geest van het wederzijdse vertrouwen in de rechtspleging in de lidstaten moet worden uitgegaan.

49.

Uit het eerder genoemde arrest Diageo Brand valt namelijk op te maken dat eerst alle nationale rechtsmiddelen in de staat van herkomst moeten zijn uitgeput voordat in de aangezochte staat een beroep kan worden gedaan op de openbare-orde-exceptie. Die premisse ligt ook in de lijn van de recente rechtspraak van het EHRM inzake artikel 6 EVRM, dat inhoudelijk overeenstemt met artikel 47 van het Handvest. Uit die arresten volgt met betrekking tot de onderhavige zaak dat niet kan worden uitgegaan van een schending van de openbare orde, daar de rechtsmiddelen in de lidstaat van herkomst nog niet zijn uitgeput.

50.

Het verdere verwijt van Meroni, ten slotte, dat de bevriezingsmaatregel inhoudelijk niet nauwkeurig genoeg is om in Letland te kunnen worden geëxecuteerd, behoeft door het Hof in de onderhavige procedure niet te worden beoordeeld. Dit is namelijk geen kwestie die in het kader van de uitvoerbaarverklaring in de zin van artikel 34, aanhef en punt 1, van verordening nr. 44/2001 moet worden onderzocht.

51.

Dit is veeleer een vraag van executierecht, dat nog steeds onder de bevoegdheid van de lidstaten valt. De onderhavige prejudiciële procedure heeft daarentegen uitsluitend betrekking op de aan de tenuitvoerlegging voorafgaande uitvoerbaarverklaring. Met andere woorden: dat een beslissing uitvoerbaar wordt verklaard, betekent nog niet automatisch dat zij met dezelfde executiemiddelen kan worden uitgevoerd die in de staat van herkomst ter beschikking zouden staan. Doorslaggevend voor de vraag of een beslissing uitvoerbaar kan worden verklaard, is veeleer of deze ook in de staat van herkomst uitvoerbaar is ( 42 ), waarvan in casu kan worden uitgegaan. Wat de inleiding van executiemaatregelen betreft kunnen echter, zoals het Hof onder meer in het arrest Prism ( 43 ) heeft erkend, in de fase na de uitvoerbaarverklaring andere (nationale) rechtsmiddelen worden ingesteld en grieven worden aangevoerd, zoals mogelijkerwijs die van Meroni.

52.

Vanuit het oogpunt van het Unierecht kan in een geval als dat van het hoofdgeding niet worden aangenomen dat er sprake is van een inbreuk op fundamentele beginselen van de rechtsorde van de aangezochte staat die bij uitvoerbaarverklaring van de bevriezingsuitspraak onaanvaardbare gevolgen zou hebben. Een schending van de openbare orde moet dan ook worden ontkend.

b) Handhaving van rechten van derden in de procedure tot uitvoerbaarverklaring

53.

Zelfs indien een dergelijke schending van de openbare orde met betrekking tot de rechten van derden – in casu de vennootschap Y – zou moeten worden bevestigd, kan Meroni, die blijkens de verwijzingsbeschikking in de Letse procedure de rechten van A.L. vertegenwoordigt, niet tegen een dergelijke schending opkomen met een rechtsmiddel dat tegen de uitvoerbaarverklaring van de bevriezingsuitspraak tegen A.L. is gericht.

54.

Uit de systematiek van verordening nr. 44/2001 volgt namelijk dat de met de uitvoerbaarverklaring belaste rechter de betrokken beslissing niet ambtshalve op conformiteit met de openbare orde toetst, maar dat het de potentiële geëxecuteerde is die met het oog op de eerbiediging van zijn rechten van verdediging – aldus overweging 18 van de verordening – bezwaar kan maken tegen de uitvoerbaarverklaring. Het zou in strijd zijn met die systematiek wanneer de schuldenaar zich in dit verband ook zou kunnen beroepen op rechtsposities van derden, temeer wanneer die derden zelf geen rechtsmiddel tegen de uitvoerbaarverklaring hebben ingesteld of de desbetreffende beslissing nog niet eens aan hen is betekend.

55.

In die richting ging ook reeds het arrest Draka ( 44 ) van het Hof, waarin een schuldeiser van de geëxecuteerde, die geen procespartij is, de mogelijkheid werd ontzegd om (bijvoorbeeld om de tenuitvoerlegging door concurrerende schuldeisers te voorkomen) deel te nemen aan de procedure tot uitvoerbaarverklaring: de door het Hof geëiste beperking van het voorwerp van het geding tot de procespartijen zou worden omzeild indien die partijen zou worden toegestaan om vermeende rechten van derden in de procedure van de artikelen 43 e.v. van verordening nr. 44/2001 te doen gelden.

56.

Voor zover Meroni zijn rechtsmiddel niet instelt namens vennootschap Y, waarvoor geen aanwijzingen bestaan, heeft hij dus niet de mogelijkheid om de belangen van die vennootschap als „rechten van derden” in de procedure tot uitvoerbaarverklaring aan te voeren. Dat betekent dat de openbare-ordegrieven van Meroni, zelfs al waren zij gegrond, in het hoofdgeding niet relevant zijn, aangezien die grieven betrekking hebben op rechten van derden die geen partij zijn bij de procedure.

V – Conclusie

57.

Derhalve geef ik het Hof in overweging, de prejudiciële vragen als volgt te beantwoorden:

„Een verbod tot het verrichten van beschikkingshandelingen, dat door een nationale rechter als voorlopige maatregel is uitgesproken zonder dat vooraf alle personen zijn gehoord waarvan de rechten door het verbod zouden kunnen worden geraakt, is niet in strijd met artikel 34, aanhef en punt 1, van verordening nr. 44/2001 of met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie voor zover elke persoon die door de beslissing wordt geraakt, te allen tijde de rechter van de staat van herkomst om wijziging of vernietiging van de rechterlijke beslissing kan verzoeken.”

Rechtsmiddelen tegen de uitvoerbaarverklaring kunnen uitsluitend betrekking hebben op de eigen rechten van de verzoeker en niet op de rechten van derden.


( 1 ) Oorspronkelijke taal: Duits.

( 2 ) Arrest Allianz (C‑185/07, EU:C:2009:69).

( 3 ) In het verleden ook wel aangeduid als „Mareva injunction”; zie reeds arrest Gambazzi (C‑394/07, EU:C:2009:219, punt 11).

( 4 ) Verordening van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1, in de in casu toepasselijke versie, laatstelijk gewijzigd bij verordening [EG] nr. 1103/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 [PB L 304, blz. 80]).

( 5 ) Die definitie komt in wezen overeen met die van artikel 25 van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32) (hierna: „Executieverdrag”).

( 6 ) Hiertoe behoort onder meer de overlegging van een expeditie van de ten uitvoer te leggen beslissing.

( 7 ) De verwijzende rechter verduidelijkt niet wat onder de juridische status van „uiteindelijke gerechtigde” moet worden begrepen en of hierbij bijvoorbeeld moet worden gedacht aan een trust-verhouding of alleen maar aan de daadwerkelijke mogelijkheid om op soortgelijke wijze als een eigenaar invloed uit te oefenen.

( 8 ) In punt 3 van de verwijzingsbeschikking wordt hij aangeduid als „bewaarnemer van de in de strafprocedure [...] in beslag genomen goederen [van A.L.]”, in punt 9 van de schriftelijke opmerkingen van het Verenigd Koninkrijk als „bailee of property of [A.L.]”.

( 9 ) Zie punt 13 van de bevriezingsuitspraak.

( 10 ) Zie punt 15 van de bevriezingsuitspraak, „Andere partijen dan verzoeksters en verweerders”. Op overtreding staan gevoelige sancties wegens „contempt of court”.

( 11 ) Zie punt 20 van de bevriezingsuitspraak.

( 12 ) Zie punt 21 van de bevriezingsuitspraak.

( 13 ) Punt 10.2.5 van de verwijzingsbeschikking.

( 14 ) Zie punt 1 van de bevriezingsuitspraak.

( 15 ) Zie de punten 3 en 8 van de verwijzingsbeschikking.

( 16 ) Zie in die zin arresten Krombach (C‑7/98, EU:C:2000:164, punten 38 en 39) en Gambazzi (C‑394/07, EU:C:2009:219, punt 28), alsmede mijn conclusie in de zaak flyLAL-Lithuanian Airlines (C‑302/13, EU:C:2014:2046, punt 74).

( 17 ) Aangaande de vroegere rechtssituatie en artikel 25 Executieverdrag, zie mijn conclusie in de zaak Gambazzi (C‑394/07, EU:C:2008:748, punten 2030).

( 18 ) Arrest Denilauler (125/79, EU:C:1980:130, punten 2, 7, 8, 17 en 18).

( 19 ) Opmerkelijk is dat de punten 17 en 18 van de (als procestaal eigenlijk authentieke) Duitse taalversie van dat arrest afwijken van de Franse taalversie. In de Franse taalversie wordt namelijk gesteld dat een beslissing niet onder het Executieverdrag valt bij cumulatief ontbreken van een oproep tot verschijnen en van betekening (hetgeen overeenkomt met de feiten van het hoofdgeding), terwijl de Duitse taalversie aangeeft dat dit reeds het geval is wanneer de betrokkene niet is opgeroepen of de beslissing niet aan hem is betekend. De terughoudende rechtspraak van het Duitse Bundesgerichtshof (zie bijvoorbeeld beslissing van 21 december 2006, zaak nr. IX ZB 150/05, gepubliceerd in onder meer RIW 2007, blz. 217), dat in de lidstaat van herkomst eerst een contradictoire procedure moet hebben plaatsgevonden voordat buitenlandse voorlopige maatregelen in Duitsland worden erkend, is mogelijkerwijs een gevolg van die taalkundige divergentie.

( 20 ) Zie in dit verband Leible in Rauscher, EuZPR/EuIPR, Brüssel I-VO, 3e druk 2011, artikel 32, punt 12 bis.

( 21 ) Zie arrest ASML (C‑283/05, EU:C:2006:787, punten 1821).

( 22 ) Zie in die zin arresten Hoffmann (145/86, EU:C:1988:61, punt 21), Hendrikman en Feyen (C‑78/95, EU:C:1996:380, punt 23), Krombach (C‑7/98, EU:C:2000:164, punt 21), Renault (C‑38/98, EU:C:2000:225, punt 26), Apostolides (C‑420/07, EU:C:2009:271, punt 55) en Trade Agency (C‑619/10, EU:C:2012:531, punt 49).

( 23 ) Zie mijn conclusie in de zaak flyLAL-Lithuanian Airlines (C‑302/13, EU:C:2014:2046, punten 71e.v.).

( 24 ) Arresten Krombach (C‑7/98, EU:C:2000:164, punt 23), Renault (C‑38/98, EU:C:2000:225, punt 28), Apostolides (C‑420/07, EU:C:2009:271, punt 57), Trade Agency (C‑619/10, EU:C:2012:531, punt 49) en flyLAL-Lithuanian Airlines (C‑302/13, EU:C:2014:2319, punt 47).

( 25 ) Arresten Krombach (C‑7/98, EU:C:2000:164, punt 36), Renault (C‑38/98, EU:C:2000:225, punt 29), Apostolides (C‑420/07, EU:C:2009:271, punt 58), Trade Agency (C‑619/10, EU:C:2012:531, punt 50) en flyLAL-Lithuanian Airlines (C‑302/13, EU:C:2014:2319, punt 48).

( 26 ) Arresten Krombach (C‑7/98, EU:C:2000:164, punt 37), Renault (C‑38/98, EU:C:2000:225, punt 29), Gambazzi (C‑394/07, EU:C:2009:219, punt 27), Apostolides (C‑420/07, EU:C:2009:271, punt 59), Trade Agency (C‑619/10, EU:C:2012:531, punt 51) en flyLAL-Lithuanian Airlines (C‑302/13, EU:C:2014:2319, punt 49).

( 27 ) Arrest Diageo Brands (C‑681/13, EU:C:2015:471).

( 28 ) Arrest Diageo Brands (C‑681/13, EU:C:2015:471, punt 50).

( 29 ) Arrest Diageo Brands (C‑681/13, EU:C:2015:471, punt 64).

( 30 ) Zie arrest Apostolides (C‑420/07, EU:C:2009:271, punt 80).

( 31 ) EHRM, arrest Avotiņš/Letland (ECLI:CE:ECHR:2014:0225JUD001750207, met name de punten 51 e.v.).

( 32 ) Die bepaling komt overeen met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten. In het licht van artikel 52, lid 3, van het Handvest is derhalve de uitlegging van artikel 6 EVRM relevant voor de uitlegging van artikel 47 van het Handvest; zie mijn conclusie in de zaak Schindler Holding e.a./Commissie (C‑501/11 P, EU:C:2013:248, punten 2124).

( 33 ) Zie punt 8 van de verwijzingsbeschikking.

( 34 ) Zie punt 8 van de verwijzingsbeschikking.

( 35 ) Zie punt 9 van de bevriezingsuitspraak.

( 36 ) Zie punt 10.2.4 van de verwijzingsbeschikking.

( 37 ) Zie punt 21 van de bevriezingsuitspraak.

( 38 ) Zie punt 13 van de bevriezingsuitspraak.

( 39 ) Zie punt 20 van de bevriezingsuitspraak.

( 40 ) Punt 8 van de verwijzingsbeschikking spreekt uitdrukkelijk van de eigendom van rechten „die [A.L.] als uiteindelijke gerechtigde in de Nederlandse vennootschap [Y] heeft”.

( 41 ) Het niet-gesubstantieerde argument van Meroni in de punten 21 e.v. van zijn schriftelijke opmerkingen dat de Engelse rechters over een te ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken, schiet in dit verband tekort.

( 42 ) Arrest Coursier (C‑267/97, EU:C:1999:213, punt 23).

( 43 ) Arrest Prism Investments (C‑139/10, EU:C:2011:653, punt 40).

( 44 ) Arrest Draka NK Cables e.a. (C‑167/08, EU:C:2009:263, punten 2931).

Top