Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62013CJ0543

Arrest van het Hof (Derde kamer) van 4 juni 2015.
Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank tegen E. Fischer-Lintjens.
Verzoek van de Centrale Raad van Beroep om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Sociale zekerheid van migrerende werknemers – Verordening (EEG) nr. 1408/71 – Artikel 27 – Bijlage VI, rubriek R, punt 1, onder a) en b) – Begrip ‚pensioenen of renten, verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer lidstaten’ – Verstrekkingen – Toekenning met terugwerkende kracht van een pensioen krachtens de wettelijke regeling van de woonlidstaat – Recht op zorgverstrekkingen afhankelijk van de voorwaarde dat een verplichte zorgverzekering is afgesloten – Verklaring van niet-verzekering krachtens de wettelijke regeling inzake de verplichte zorgverzekering van de woonlidstaat – Ontbreken, als gevolg daarvan, van de verplichting tot betaling van bijdragen in die lidstaat – Intrekking met terugwerkende kracht van die verklaring – Onmogelijkheid om met terugwerkende kracht een verplichte zorgverzekering af te sluiten – Onderbreking van de dekking van het risico van ziekte door een dergelijke verzekering – Nuttig effect van verordening nr. 1408/71.
Zaak C-543/13.

Digital reports (Court Reports - general)

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2015:359

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

4 juni 2015 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing — Sociale zekerheid van migrerende werknemers — Verordening (EEG) nr. 1408/71 — Artikel 27 — Bijlage VI, rubriek R, punt 1, onder a) en b) — Begrip ‚pensioenen of renten, verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer lidstaten’ — Verstrekkingen — Toekenning met terugwerkende kracht van een pensioen krachtens de wettelijke regeling van de woonlidstaat — Recht op zorgverstrekkingen afhankelijk van de voorwaarde dat een verplichte zorgverzekering wordt afgesloten — Verklaring van niet-verzekering krachtens de wettelijke regeling inzake de verplichte zorgverzekering van de woonlidstaat — Daaropvolgend ontbreken van de verplichting tot betaling van bijdragen in die lidstaat — Intrekking met terugwerkende kracht van die verklaring — Onmogelijkheid om met terugwerkende kracht een verplichte zorgverzekering af te sluiten — Onderbreking van de dekking door een dergelijke verzekering van het risico van ziekte — Nuttig effect van verordening nr. 1408/71”

In zaak C‑543/13,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Centrale Raad van Beroep (Nederland), bij beslissing van 15 oktober 2013, ingekomen bij het Hof op 17 oktober 2013, in de procedure

Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank

tegen

E. Fischer-Lintjens,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: M. Ilešič, kamerpresident, A. Ó Caoimh (rapporteur), C. Toader, E. Jarašiūnas en C. G. Fernlund, rechters,

advocaat-generaal: P. Mengozzi,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, vertegenwoordigd door H. van der Most als gemachtigde,

de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. de Ree en M. Bulterman als gemachtigden,

de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en A. Wiedmann als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Martin en M. van Beek als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 februari 2015,

het navolgende

Arrest

1

De onderhavige prejudiciële verwijzing betreft de uitlegging van artikel 27 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB 1997, L 28, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1992/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 (PB L 392, blz. 1; hierna: „verordening nr. 1408/71”), en van bijlage VI, rubriek R, punt 1, onder a) en b), bij deze verordening.

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: „SVB”) en E. Fischer-Lintjens, over de intrekking door het College voor zorgverzekeringen (hierna: „CVZ”) – een orgaan waarvan de bevoegdheden thans worden uitgeoefend door de SVB – van een verklaring die was bestemd om te bewijzen dat Fischer-Lintjens niet verplicht was om een Nederlandse zorgverzekering af te sluiten, en dus geen premie verschuldigd was (hierna: „verklaring van niet-verzekering”).

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3

Artikel 27 is opgenomen in hoofdstuk 1 („Ziekte en moederschap”) van titel III („Bijzondere bepalingen met betrekking tot de verschillende soorten prestaties”) van verordening nr. 1408/71. Dit artikel, met het opschrift „Pensioenen of renten, verschuldigd op grond van de wettelijke regelingen van verscheidende lidstaten, terwijl in het land van de woonplaats recht op prestaties bestaat”, luidt als volgt:

„De rechthebbende op pensioenen of renten, verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer lidstaten, waaronder de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woonachtig is, die recht heeft op prestaties op grond van de wettelijke regeling van laatstbedoelde lidstaat, eventueel met inachtneming van artikel 18 en van bijlage VI, krijgt, evenals zijn gezinsleden, prestaties van het orgaan van de woonplaats en voor rekening van dit orgaan, alsof de betrokkene uitsluitend recht had op een pensioen of rente, verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van deze lidstaat.”

4

In datzelfde hoofdstuk 1 van deze verordening, stelt artikel 28, met het opschrift „Pensioenen of renten, verschuldigd op grond van de wettelijke regelingen van een of meer lidstaten, terwijl in het land van de woonplaats geen recht op prestaties bestaat”, de voorschriften vast inzake de verlening van de prestaties en inzake de vraag voor wiens rekening deze komen. Deze voorschriften zijn van toepassing op de rechthebbende op een pensioen of een rente, verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van één lidstaat, of op de rechthebbende van pensioenen of renten, verschuldigd op grond van de wettelijke regelingen van twee of meer lidstaten, die geen recht op prestaties heeft op grond van de wettelijke regeling van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont, maar zelf, evenals zijn gezinsleden, recht heeft op dergelijke prestaties, voor zover hij op grond van de wettelijke regeling van de voor de pensioenverzekering bevoegde lidstaat, of van ten minste een van de voor deze verzekering bevoegde lidstaten, recht op prestaties zou hebben, indien hij op het grondgebied van de betrokken staat woonde.

5

Artikel 84 bis van voornoemde verordening, met het opschrift „Betrekkingen tussen de organen en de onder deze verordening vallende personen”, bepaalt:

„1.   De organen en de personen die onder deze verordening vallen, zijn gehouden tot wederzijdse informatieverstrekking en samenwerking teneinde de goede toepassing van deze verordening te verzekeren.

Overeenkomstig het beginsel van behoorlijk bestuur, beantwoorden de organen elke vraag binnen een redelijke termijn en verstrekken zij aan de betrokkenen in dit verband alle informatie die nodig is voor de uitoefening van de uit hoofde van deze verordening toegekende rechten.

De betrokkenen stellen de organen van de bevoegde staat en van de staat waar de betrokkenen wonen, zo spoedig mogelijk in kennis van iedere wijziging in hun persoonlijke of gezinssituatie, die hun recht op prestaties uit hoofde van deze verordening beïnvloedt.

2.   Indien niet wordt voldaan aan de informatieplicht, zoals bedoeld in lid 1, derde alinea, kunnen overeenkomstig het nationale recht evenredige maatregelen worden getroffen. Deze maatregelen moeten gelijkwaardig zijn aan de sancties die in soortgelijke onder de nationale rechtsorde vallende situaties van toepassing zijn en mogen de uitoefening van de door deze verordening aan de betrokkenen verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of buitengewoon moeilijk maken.

[...]”

6

Bijlage VI bij diezelfde verordening, met het opschrift „Bijzonderheden voor de toepassing van de wetgevingen van bepaalde lidstaten”, omvat een rubriek R, waarin onder punt 1, met het opschrift „Zorgverzekering”, onder a) en b), wordt bepaald:

„a)

Wat betreft het recht op verstrekkingen krachtens de Nederlandse wetgeving wordt voor de toepassing van de hoofdstukken 1 en 4 van titel III van de verordening onder ‚rechthebbenden op verstrekkingen’ verstaan:

i)

personen die overeenkomstig artikel 2 van de Zorgverzekeringswet [(hierna: „Zvw”)] verplicht zijn zich te verzekeren bij een zorgverzekeraar;

[...]

b)

Personen als bedoeld in punt a, onder i), moeten zich overeenkomstig de [Zvw] verzekeren bij een zorgverzekeraar [...]”.

Nederlands recht

Algemene ouderdomswet

7

Artikel 14, lid 1, van de Algemene Ouderdomswet (hierna: „AOW”) bepaalt:

„Het ouderdomspensioen alsmede een verhoging van het ouderdomspensioen wordt op aanvraag toegekend door de Sociale verzekeringsbank.”

8

In artikel 16 van de AOW wordt bepaald:

„1.   Het ouderdomspensioen gaat in op de dag waarop de belanghebbende aan de voorwaarden voor het recht op ouderdomspensioen voldoet.

2.   In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan een ouderdomspensioen niet vroeger ingaan dan een jaar vóór de dag waarop de aanvraag werd ingediend of vóór de dag waarop ambtshalve toekenning plaatsvond. De Sociale verzekeringsbank kan voor bijzondere gevallen van het bepaalde in de vorige volzin afwijken.”

Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten

9

Artikel 5, leden 1 en 4, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: „AWBZ”) bepaalt:

„1.   Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene die:

a.

ingezetene is;

b.

geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

[...]

4.   Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van het eerste lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de kring der verzekerden.”

10

Artikel 5c AWBZ luidt als volgt:

„De Sociale Verzekeringsbank stelt ambtshalve en, desgevraagd, op aanvraag vast of een natuurlijke persoon voldoet aan de bij of krachtens de artikelen 5 of 5b vastgestelde voorwaarden voor het verzekerd zijn ingevolge deze wet.”

Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999

11

Artikel 21, leden 1 en 6, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (hierna: „KB 746”) bepaalt:

„1.   Niet verzekerd op grond van de [AWBZ] is de persoon die in Nederland woont, doch die met toepassing van een verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen of van een door Nederland met een of meer andere staten gesloten verdrag inzake sociale zekerheid, in Nederland recht kan doen gelden op verstrekkingen die hem in beginsel worden verleend ten laste van een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of een staat waarmee Nederland een verdrag inzake sociale zekerheid heeft gesloten.

[...]

6.   De Sociale verzekeringsbank geeft op aanvraag van de persoon, bedoeld in het eerste, tweede, derde of vierde lid, een verklaring af dat hij niet verzekerd is.”

Zorgverzekeringswet

12

Artikel 2, lid 1, Zvw bepaalt:

„Degene die ingevolge de [AWBZ] en de daarop gebaseerde regelgeving van rechtswege verzekerd is, is verplicht zich krachtens een zorgverzekering te verzekeren of te laten verzekeren tegen het in artikel 10 bedoelde risico.”

13

In artikel 3, lid 1, Zvw wordt bepaald:

„Een zorgverzekeraar is verplicht met of ten behoeve van iedere verzekeringsplichtige die in zijn werkgebied woont, alsmede met of ten behoeve van iedere verzekeringsplichtige die in het buitenland woont, desgevraagd een zorgverzekering te sluiten.”

14

Artikel 5, leden 1 en 5, Zvw bepaalt:

„1.   De zorgverzekering gaat in op de dag waarop de zorgverzekeraar het verzoek, bedoeld in artikel 3, eerste lid, [...] heeft ontvangen.

[...]

5.   De zorgverzekering werkt, zo nodig in afwijking van artikel 925, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, terug:

a.

indien zij ingaat binnen vier maanden nadat de verzekeringsplicht is ontstaan, tot en met de dag waarop die plicht ontstond.

[...]”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

15

Fischer-Lintjens heeft vanaf 1 december 1934 – haar geboortedag – tot 1 september 1970 in Nederland gewoond. Vervolgens heeft zij in Duitsland gewoond tot 1 mei 2006, op welke datum zij terugkeerde naar Nederland, waar zij sindsdien woont.

16

Sinds oktober 2004 ontvangt Fischer-Lintjens een weduwepensioen van het bevoegde Duitse orgaan. Aangezien zij in 2006 Duitsland heeft verlaten om in Nederland te gaan wonen, heeft zij zich met een E 121‑formulier ingeschreven bij de Nederlandse zorgverzekeraar CZ (hierna: „CZ”) en heeft zij vanaf 1 juni 2006 in Nederland verstrekkingen kunnen ontvangen krachtens artikel 28 van verordening nr. 1408/71, die voor rekening komen van het bevoegde Duitse orgaan. Fischer-Lintjens heeft in Duitsland bijdragen betaald voor haar zorgverzekering.

17

Op 20 oktober 2006 ontving Fischer-Lintjens van het CVZ de verklaring van niet-verzekering voor de AWBZ, welke verklaring was bestemd om ten overstaan van de Nederlandse autoriteit die is belast met de inning van de bijdragen, te bewijzen dat in Nederland geen bijdrage was verschuldigd. Fischer-Lintjens heeft op het formulier dat zij moest invullen om deze verklaring te verkrijgen aangegeven dat zij geen pensioen of verstrekkingen ontving krachtens de Nederlandse wettelijke regeling, maar een pensioen op grond van de Duitse wettelijke regeling.

18

Bovengenoemde verklaring was, bij ongewijzigde omstandigheden, geldig van 1 juni 2006 tot en met 31 december 2010.

19

Hoewel Fischer-Lintjens de leeftijd van 65 jaar had bereikt, waardoor zij in Nederland vanaf 1 december 1999 krachtens de AOW pensioengerechtigd was, heeft zij dat pensioen echter pas in mei 2007 aangevraagd. Volgens de verwijzende rechter verkeerde Fischer-Lintjens voordat zij haar verzoek indiende, ten onrechte in de veronderstelling dat zij daar geen recht op had.

20

Bij besluit van 8 november 2007, gewijzigd op 24 april 2008, heeft de SVB aan Fischer-Lintjens overeenkomstig artikel 16, lid 2, van de AOW een pensioen toegekend en uitbetaald met één jaar terugwerkende kracht vanaf de datum van de eerste dag van de maand waarin het verzoek was ingediend, derhalve met ingang van 1 mei 2006.

21

Fischer-Lintjens heeft vóór de maand oktober 2010 deze wijziging in haar situatie noch aan CZ, noch aan het CVZ, noch aan het Duitse zorgverzekeringsorgaan meegedeeld.

22

Op 21 oktober 2010 heeft Fischer-Lintjens een formulier ingevuld dat haar door de SVB in het kader van haar verzoek om verlenging van haar verklaring van niet-verzekering was toegezonden. Zij heeft daarop aangegeven dat zij sinds 1 mei 2006 een AOW-pensioen ontving.

23

Bij besluit van 2 november 2010 heeft het CVZ Fischer-Lintjens laten weten dat zij verzekeringsplichtig was voor de AWBZ en de Zvw, en dat zij derhalve in Nederland premies moest betalen, aangezien zij zich niet meer bevond in een van de situaties als bedoeld in artikel 21, lid 1, van KB 746 en derhalve verzekeringsplichtig was vanaf juni 2006. Bijgevolg heeft het CVZ de verklaring van niet-verzekering van Fischer-Lintjens ingetrokken (hierna: „intrekkingsbesluit”) en heeft CZ de zorgverzekeringsovereenkomst van Fischer-Lintjens opgezegd. Deze intrekking en opzegging hadden terugwerkende kracht tot 1 juni 2006.

24

Vervolgens heeft het Duitse zorgverzekeringsorgaan een bedrag van meer dan 5000 EUR aan premies – die Fischer-Lintjens sinds 1 juni 2006 in Duitsland had betaald – gerestitueerd.

25

Hierna heeft CZ van Fischer-Lintjens de aan het bovengenoemde Duitse orgaan betaalde ziektekosten, ten belope van meer dan 11000 EUR, teruggevorderd. Volgens het CVZ kan de zorgverzekering krachtens artikel 5, lid 5, Zvw enkel terugwerken indien zij is afgesloten binnen vier maanden nadat de verzekeringsplicht is ontstaan. Fischer-Lintjens moest dus zelf de ziektekosten betalen die aan dit Duitse orgaan waren vergoed voor de periode waarin zij niet was gedekt door een zorgverzekering, dat wil zeggen van juni 2006 tot 1 juli 2010, aangezien laatstgenoemde datum de datum was waarop Fischer-Lintjens over een Nederlandse zorgverzekering beschikte.

26

Op 7 december 2010 heeft Fischer-Lintjens bij het CVZ een bezwaar ingediend tegen het intrekkingsbesluit.

27

Met ingang van 15 maart 2011 is de SVB het bevoegde orgaan geworden tot het verlenen van ontheffing van de verzekeringsplicht uit hoofde van de AWBZ en de afgifte van verklaringen van niet-verzekering. De vóór die datum door het CVZ afgegeven verklaringen worden aangemerkt als door de SVB afgegeven verklaringen.

28

Bij besluit van 21 april 2011 heeft de SVB het bezwaar van Fischer-Lintjens tegen het intrekkingsbesluit ongegrond verklaard. Bij uitspraak van de Rechtbank Roermond van 17 januari 2012 werd het beroep van Fischer-Lintjens tegen dat besluit toegewezen. Volgens die rechterlijke instantie was de verklaring van niet-verzekering die Fischer-Lintjens had ontvangen, bedoeld om rechtsgevolgen in het leven te roepen die door de intrekking van de verklaring niet teniet konden worden gedaan.

29

De SVB heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, met het betoog dat de verklaring van niet-verzekering, net als het E 121-formulier, een louter declaratoire handeling was. Volgens de SVB kunnen aan nationale regelingen geen rechtgevolgen worden verbonden die afwijken van die welke voortvloeien uit de toepassing van verordening nr. 1408/71.

30

De verwijzende rechter is van oordeel dat de SVB bevoegd was om de verklaring van niet-verzekering met terugwerkende kracht in te trekken, maar dat de SVB, door tot deze intrekking over te gaan, de belangen van Fischer-Lintjens onvoldoende in aanmerking heeft genomen. Volgens die rechter vloeit met name uit het rechtszekerheidsbeginsel voort dat de daadwerkelijke bevoegdheid om pensioenen toe te kennen en om de kosten van de verstrekkingen op zich te nemen, pas ontstaat vanaf de datum van het toekenningsbesluit waarin is vastgesteld dat de betrokkene daadwerkelijk recht heeft op het aangevraagde pensioen. Daarom vraagt hij zich af op welk tijdstip het in het hoofdgeding aan de orde zijnde pensioen daadwerkelijk aan Fischer-Lintjens „verschuldigd” werd in de zin van artikel 27 van verordening nr. 1408/71, aangezien, indien dat artikel met terugwerkende kracht kan worden toegepast, dit in principe zal leiden tot het ontstaan van verscheidene rechtsgevolgen, eveneens met terugwerkende kracht, waaronder in het onderhavige geval de verplichting om over een Nederlandse zorgverzekering te beschikken.

31

In die omstandigheden heeft de Centrale Raad van Beroep de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Moet het begrip ‚verschuldigd’ zoals bedoeld in de artikelen 27 en volgende van verordening [...] nr. 1408/71, aldus worden uitgelegd dat voor de vaststelling vanaf welk moment een pensioen of rente verschuldigd is, beslissend is de datum waarop een toekenningsbesluit is genomen waarna het pensioen is uitbetaald, dan wel de ingangsdatum van het met terugwerkende kracht toegekende pensioen?

2)

Indien met het begrip ‚verschuldigd’ wordt gedoeld op de ingangsdatum van het met terugwerkende kracht toegekende pensioen:

Is hiermee te verenigen dat de pensioengerechtigde die onder artikel 27 van verordening [...] nr. 1408/71 valt zich ingevolge de Nederlandse wetgeving niet met eenzelfde terugwerkende kracht kan verzekeren voor de zorgverzekering?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

32

Om te beginnen moet worden vastgesteld dat de vragen zijn gesteld in de bijzondere omstandigheden van het hoofdgeding, waarin, enerzijds, in november 2007 aan Fischer-Lintjens met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2006 een Nederlands pensioen is toegekend, en, anderzijds, Fischer-Lintjens door middel van de verklaring van niet-verzekering van 20 oktober 2006 ten overstaan van de Nederlandse autoriteit die is belast met de inning van de premies, heeft kunnen bewijzen dat zij niet onderworpen was aan de uit artikel 2, lid 1, Zvw, gelezen in samenhang met bijlage VI, rubriek R, punt 1, onder a), van verordening nr. 1408/71, voortvloeiende verplichting om een Nederlandse verplichte zorgverzekering af te sluiten, aangezien zij binnen de werkingssfeer van artikel 28 van deze verordening viel en derhalve recht had op zorgverstrekkingen in Nederland voor rekening van het Duitse bevoegde orgaan. Deze verklaring van niet-verzekering is op 2 november 2010 met terugwerkende kracht tot 1 juni 2006 ingetrokken.

33

In deze context zij eraan herinnerd dat de rechthebbenden op pensioenen, verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer lidstaten, waaronder die van Nederland, waar zij woonachtig zijn, zich, volgens bijlage VI, rubriek R, punt 1, onder a) en b), van voornoemde verordening, om krachtens artikel 27 van diezelfde verordening aanspraak te kunnen maken op zorgverstrekkingen uit hoofde van de wettelijke regeling van laatstgenoemde lidstaat voor rekening van het Nederlandse bevoegde orgaan, overeenkomstig artikel 2 Zvw dienen te verzekeren bij een zorgverzekeringsinstelling. Vaststaat dat volgens artikel 5, leden 1 en 5, Zvw deze verzekering enkel kan terugwerken indien zij binnen vier maanden na het ontstaan van de verzekeringsplicht is afgesloten.

34

Volgens de verwijzende rechter dient derhalve te worden vastgesteld op welke datum Fischer-Lintjens in Nederland recht had op voornoemde verstrekkingen voor rekening van het Nederlandse bevoegde orgaan, welke datum overeenkomt met de datum waarop Fischer-Lintjens niet meer onder artikel 28 van verordening nr. 1408/71 viel omdat artikel 27 daarvan op haar van toepassing was geworden. De verwijzende rechter preciseert evenwel dat, welke deze datum ook moge zijn, de toepassing van de artikelen 2 en 5, lid 5, Zvw ertoe zou kunnen leiden dat Fischer-Lintjens voor een bepaalde periode verstoken zou zijn van een zorgverzekering, aangezien deze bepalingen in de weg staan aan het afsluiten van een dergelijke verzekering met terugwerkende kracht in omstandigheden als die welke de situatie van Fischer-Lintjens kenmerken. Voornoemde rechter wijst er evenwel op dat het aannemelijk is dat de onderbreking van de zorgverzekering van Fischer-Lintjens in de periode tussen 8 november 2007, de datum van de eerste betaling aan haar van het Nederlandse pensioen, en 1 juli 2010, de datum waarop Fischer-Lintjens zich aansloot bij een Nederlandse zorgverzekering, enkel valt toe te rekenen aan de laattijdige aansluiting van laatstgenoemde bij een Nederlandse verzekeraar. De daaruit voortvloeiende schade dient dan ook enkel en alleen door Fischer-Lintjens te worden gedragen.

35

Derhalve wenst de verwijzende rechter met zijn vragen, die samen moeten worden onderzocht, in wezen te vernemen of artikel 27 van verordening nr. 1408/71, gelezen in samenhang met bijlage VI, rubriek R, punt 1, onder a) en b), daarbij, aldus moet worden uitgelegd dat het zich in omstandigheden als die in het hoofdgeding verzet tegen een regeling van een lidstaat die niet toestaat dat de rechthebbende op een door deze lidstaat met één jaar terugwerkende kracht toegekend pensioen, zich met diezelfde terugwerkende kracht aansluit bij een verplichte zorgverzekering.

36

Bijgevolg dient te worden bepaald vanaf welk tijdstip Nederland in de omstandigheden van het hoofdgeding krachtens voornoemd artikel 27 van verordening nr. 1408/71 bevoegd is geworden ten aanzien van een pensioengerechtigde als Fischer-Lintjens.

37

In dit verband vormen de bepalingen van voornoemde verordening die betrekking hebben op de vaststelling van de toepasselijke wettelijke regeling, een volledig stelsel van conflictregels, zodat de nationale wetgever niet meer bevoegd is om de draagwijdte en de toepassingsvoorwaarden van zijn nationale wettelijke regeling ter zake te bepalen met betrekking tot de personen die eraan onderworpen zijn en met betrekking tot het grondgebied waarbinnen de nationale bepalingen effect sorteren (zie met name arrest Van Delft e.a., C‑345/09, EU:C:2010:610, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38

Nu de conflictregels van verordening nr. 1408/71 dwingend gelden voor de lidstaten, heeft het Hof reeds geoordeeld dat het a fortiori uitgesloten is dat de sociaal verzekerden op wie die regels van toepassing zijn de gevolgen ervan teniet kunnen doen doordat zij ervoor kunnen kiezen zich eraan te onttrekken. De toepassing van de bij deze verordening ingevoerde conflictregels hangt immers alleen af van de objectieve situatie waarin de betrokken werknemer zich bevindt (zie in die zin arrest Van Delft e.a., C‑345/09, EU:C:2010:610, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

39

Ook moet eraan worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de bepalingen van voornoemde verordening die betrekking hebben op de vaststelling van de toepasselijke wettelijke regeling, niet alleen tot doel hebben de gelijktijdige toepassing van verschillende nationale wettelijke regelingen en de mogelijke complicaties daarvan te voorkomen, maar ook te beletten dat binnen de werkingssfeer van deze verordening vallende personen wegens het ontbreken van een toepasselijke wettelijke regeling geen enkele socialezekerheidsbescherming genieten (zie in die zin arrest Mulders, C‑548/11, EU:C:2013:249, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

40

Hieruit volgt dat, zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 41 van zijn conclusie, een van de doelstellingen van de conflictregels van verordening nr. 1408/71 is dat elke sociaal verzekerde die binnen de werkingssfeer ervan valt, doorlopend is gedekt, zonder dat deze continuïteit kan worden ondermijnd door discretionaire keuzes van individuen of van de bevoegde organen van de lidstaten.

41

In dit verband betreft artikel 27 van voornoemde verordening de rechthebbende op pensioenen of renten, verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer lidstaten, waaronder de woonlidstaat, die recht heeft op prestaties bij ziekte en moederschap in laatstgenoemde staat. Dit artikel heeft, in samenhang met artikel 28 van diezelfde verordening, tot doel het orgaan aan te wijzen dat aan de rechthebbenden op pensioenen of renten deze prestaties bij ziekte en moederschap moet uitkeren, en het orgaan voor wiens rekening dit komt (zie in die zin arrest Rundgren, C‑389/99, EU:C:2001:264, punten 43 en 44).

42

Het bij deze artikelen ingevoerde stelsel legt dus een verband tussen de bevoegdheid om pensioenen of renten uit te betalen en de verplichting om op te komen voor de kosten van de verstrekkingen, waaruit volgt dat deze verplichting afhankelijk is van een daadwerkelijke bevoegdheid ter zake van pensioenen. Derhalve kunnen de verstrekkingen niet voor rekening komen van het orgaan van een lidstaat die slechts een eventuele bevoegdheid ter zake van pensioenen heeft. Bijgevolg wordt in artikel 27 van verordening nr. 1408/71, net als in artikel 28 van deze verordening, met de verwijzing naar een verschuldigd pensioen of een verschuldigde rente een daadwerkelijk aan de betrokkene uitbetaald pensioen of uitbetaalde rente bedoeld (zie in die zin arrest Rundgren, C‑389/99, EU:C:2001:264, punt 47).

43

Derhalve moet het Nederlandse pensioen van een betrokkene die zich in eenzelfde situatie als Fischer-Lintjens bevindt, worden beschouwd verschuldigd te zijn in de zin van artikel 27 van verordening nr. 1408/71, vanaf het begin van de periode waarvoor dit pensioen daadwerkelijk aan deze betrokkene is uitbetaald, ongeacht het moment waarop dit pensioen formeel is vastgesteld. Een dergelijk pensioen is dus verschuldigd voor die periode als geheel, ook in de situatie waarin deze, in voorkomend geval, aanvangt vóór de datum van het besluit tot toekenning van dit pensioen.

44

In casu staat vast dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde pensioen daadwerkelijk aan Fischer-Lintjens is uitbetaald, krachtens de Nederlandse wettelijke regeling, voor de periode die aanving op 1 mei 2006. Bijgevolg dient dit pensioen – met het oog op de toekenning van verstrekkingen aan Fischer-Lintjens – vanaf die datum te worden aangemerkt als „verschuldigd” in de zin van artikel 27 van verordening nr. 1408/71.

45

Bovendien zou, zoals de Duitse regering in haar schriftelijke opmerkingen aangeeft, elke andere uitlegging van de term „verschuldigd” in de zin van voornoemd artikel 27 de toepassing in de tijd van de bevoegdheid van een lidstaat inzake de krachtens die verordening verschuldigde verstrekkingen afhankelijk stellen van de snelheid waarmee de nationale administraties de aanvragen van pensioenen of renten verwerken, hetgeen zou indruisen tegen een van de door deze verordening nagestreefde doelstellingen, namelijk die welke erin bestaat, zoals het Hof reeds heeft vastgesteld in punt 40 van het onderhavige arrest, dat elke sociaal verzekerde die binnen de werkingssfeer ervan valt, doorlopend is gedekt.

46

Overigens blijkt uit de aan het Hof verstrekte informatie – die niet wordt betwist – dat Fischer-Lintjens na de intrekking met terugwerkende kracht van haar verklaring van niet-verzekering, niet meer over een zorgverzekering beschikte voor de periode tussen juni 2006 en 1 juli 2010, terwijl zij eerst in Duitsland voor die periode wel zorgverzekeringspremies had betaald, die vanwege het intrekkingsbesluit later aan haar zijn terugbetaald.

47

In dit verband zet de Nederlandse regering in haar schriftelijke opmerkingen uiteen dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde Nederlandse regeling in beginsel elke terugwerkende kracht van de Nederlandse zorgverzekering uitsluit, zulks gelet op de voor verzekeringen kenmerkende doelstelling van het verzekeren van toekomstige schade, die zich op de datum waarop de verzekering wordt afgesloten nog niet heeft voorgedaan, alsmede om belanghebbenden die verplicht zijn om een verzekeringsovereenkomst naar Nederlands recht af te sluiten, te stimuleren dit zo snel mogelijk te doen. Een dergelijk ontbreken van terugwerkende kracht waarborgt de solidariteit die ten grondslag ligt aan het zorgverzekeringsstelsel en voorkomt misbruik. Niettegenstaande dit algemene uitsluitingsbeginsel heeft de Nederlandse wetgever voorzien in een beperkte uitzondering, op grond waarvan, wanneer de zorgverzekering begint te lopen binnen vier maanden na het ontstaan van de verzekeringsplicht, deze verzekering terugwerkt tot de dag waarop deze verplichting is ontstaan. Deze terugwerkende kracht is – zo zij van toepassing is, hetgeen in het hoofdgeding niet het geval kan zijn aangezien de verzekeringsplicht van Fischer-Lintjens is ontstaan op 1 mei 2006 – dus beperkt tot vier maanden.

48

Inderdaad kan het gerechtvaardigd zijn dat een lidstaat de mogelijkheid om met terugwerkende kracht een zorgverzekering af te sluiten beperkt teneinde personen die verplicht zijn om een dergelijke verzekering af te sluiten, te stimuleren dit zo spoedig mogelijk te doen. Zo heeft het Hof reeds geoordeeld dat een verplichting tot bijdragebetaling op grond dat er een recht op prestaties bestaat, ook al worden niet effectief prestaties verleend, inherent is aan het door de nationale socialezekerheidsstelsels toegepaste solidariteitsbeginsel. Zonder bijdrageplicht zouden de belanghebbenden immers ertoe kunnen overgaan, tot het intreden van het risico te wachten alvorens aan de financiering van dat stelsel bij te dragen (zie in die zin arrest Van Delft e.a., C‑345/09, EU:C:2010:610, punt 75).

49

Dit neemt evenwel niet weg dat de voorwaarden voor aansluiting bij de stelsels van sociale zekerheid van de lidstaten, waarvan de inrichting binnen de bevoegdheid van die staten valt, het Unierecht moeten eerbiedigen en niet tot gevolg mogen hebben dat van de werkingssfeer van een nationale wettelijke regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, worden uitgesloten de personen op wie diezelfde wettelijke regeling krachtens verordening nr. 1408/71 van toepassing is (zie in die zin arresten Kits van Heijningen, C‑2/89, EU:C:1990:183, punt 20, en Salemink, C‑347/10, EU:C:2012:17, punten 38‑40).

50

Vastgesteld moet worden dat, zoals de advocaat-generaal in wezen heeft opgemerkt in de punten 53 en 54 van zijn conclusie, een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, ertoe leidt dat het voor een persoon aan wie door de autoriteiten van de woonlidstaat krachtens artikel 27 van deze verordening met meer dan vier maanden terugwerkende kracht vanaf het besluit tot toekenning daarvan een pensioen is toegekend, vervolgens onmogelijk is om aan zijn wettelijke verplichtingen te voldoen en om in deze lidstaat een zorgverzekering af te sluiten binnen een termijn die hem recht geeft op meer dan vier maanden terugwerkende kracht, ook al had hij tot dan toe recht op zorgverstrekkingen door het bevoegde orgaan van een andere lidstaat.

51

Zo staat in casu vast dat Fischer-Lintjens, hoewel zij de Nederlandse bevoegde autoriteiten op de hoogte had gesteld van het feit dat zij een Duits pensioen ontving, zich op 8 november 2007 – de datum waarop de SVB het besluit nam waarbij haar recht op een pensioen in Nederland werd vastgesteld met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2006 – vanwege de in artikel 5, lid 5, Zvw, neergelegde beperking niet had kunnen aansluiten bij een verplichte zorgverzekering die haar vanaf 1 mei 2006 dekte. In de omstandigheden van het hoofdgeding was het dus voor Fischer-Lintjens hoe dan ook onmogelijk geweest te vermijden dat de dekking door een dergelijke verzekering gedurende een periode werd onderbroken.

52

Overeenkomstig de in punt 39 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak kan aan een verzekerde als Fischer-Lintjens, die binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 valt, niet vanwege het ontbreken van een toepasselijke wettelijke regeling de bescherming op het gebied van de sociale zekerheid worden ontnomen (zie naar analogie arrest Kuusijärvi, C‑275/96, EU:C:1998:279, punt 28).

53

Hieruit volgt dat, zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in de punten 55 en 56 van zijn conclusie, de in de bepalingen van een nationale wettelijke regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, neergelegde beperking, die ertoe leidt dat een persoon die zich in dezelfde situatie bevindt als Fischer-Lintjens, niet in staat is om de krachtens artikel 27 van verordening nr. 1408/71 en bijlage VI, rubriek R, punt 1, onder a) en b), bij deze verordening op hem rustende verplichtingen na te komen, afbreuk doet aan het nuttig effect van het door deze verordening ingevoerde stelsel van conflictregels en aan de krachtens deze verordening op sociaal verzekerden rustende verplichtingen. Het nuttig effect van dit stelsel, dat dwingend geldt voor zowel de lidstaten als belanghebbende personen, kan met name niet worden gewaarborgd indien deze staten door middel van hun nationale wettelijke regelingen in staat zouden zijn om een belanghebbende, zoals Fischer-Lintjens, de mogelijkheid te ontnemen om de krachtens diezelfde verordening op hem rustende verplichtingen volledig na te komen.

54

In dit verband kan het argument van de Nederlandse regering dat de onderbreking van de zorgverzekering van Fischer-Lintjens, met name over de periode tussen november 2007 en juli 2010, enkel voortvloeit uit het feit dat Fischer-Lintjens de wijziging van haar rechten op een pensioen niet aan het Nederlandse bevoegde orgaan heeft meegedeeld, niet worden aanvaard.

55

Artikel 84 bis, lid 1, van verordening nr. 1408/71 voorziet in een verplichting tot wederzijdse informatieverstrekking en samenwerking tussen de bevoegde organen en de onder deze verordening vallende personen. Hoewel deze personen gehouden zijn om deze organen zo spoedig mogelijk in kennis te stellen van iedere wijziging in hun persoonlijke of gezinssituatie die hun recht op prestaties uit hoofde van deze verordening beïnvloedt, dienen de organen immers, in antwoord op verzoeken van deze betrokkenen met betrekking tot diezelfde verordening, aan de betrokkenen in dit verband alle informatie te verstrekken die nodig is voor de uitoefening van de uit hoofde van verordening nr. 1408/71 toegekende rechten.

56

Deze informatie zou, in voorkomend geval, voldoende inlichtingen kunnen bevatten om een persoon, in omstandigheden als die in het hoofdgeding, in staat te stellen te begrijpen dat hij in Nederland verplicht is om een zorgverzekering af te sluiten.

57

Dit neemt evenwel niet weg dat artikel 84 bis, lid 2, van diezelfde verordening bepaalt dat indien niet wordt voldaan aan de informatieplicht, zoals bedoeld in lid 1, derde alinea, van voornoemd artikel 84 bis, overeenkomstig het nationale recht enkel evenredige maatregelen kunnen worden getroffen, die, enerzijds, gelijkwaardig moeten zijn aan de sancties die in soortgelijke onder de nationale rechtsorde vallende situaties van toepassing zijn en, anderzijds, de uitoefening van de door deze verordening aan de betrokkenen verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of buitengewoon moeilijk mogen maken.

58

Dit is niet het geval wanneer de toepassing van een nationale regeling ertoe zou kunnen leiden dat aan een betrokkene die zich in eenzelfde situatie als Fischer-Lintjens bevindt, over een bepaalde periode elke bescherming op het gebied van de sociale zekerheid wordt ontnomen, zonder dat alle relevante omstandigheden, met name die welke betrekking hebben op zijn persoonlijke situatie – zoals zijn leeftijd, zijn gezondheidstoestand en zijn afwezigheid uit Nederland gedurende langere tijd –, in aanmerking zijn genomen. Van bijzonder belang hierbij is bovendien het feit dat Fischer-Lintjens in het tijdvak van november 2007 tot oktober 2010 in Duitsland bijdragen heeft betaald voor een zorgverzekering.

59

Gelet op het voorgaande dient op de gestelde vragen te worden geantwoord dat artikel 27 van verordening nr. 1408/71, gelezen in samenhang met bijlage VI, rubriek R, punt 1, onder a) en b), daarbij, aldus moet worden uitgelegd dat het pensioen van een pensioengerechtigde, in omstandigheden als die in het hoofdgeding, moet worden beschouwd verschuldigd te zijn vanaf het begin van de periode waarvoor dit pensioen daadwerkelijk aan deze betrokkene is uitbetaald, ongeacht de datum waarop het recht op dit pensioen formeel is vastgesteld en ook wanneer deze periode, in voorkomend geval, ingaat vóór de datum van het besluit tot toekenning van dit pensioen. De artikelen 27 en 84 bis van verordening nr. 1408/71, gelezen in samenhang met bijlage VI, rubriek R, punt 1, onder a) en b), daarbij, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich, in omstandigheden als die in het hoofdgeding, verzetten tegen een regeling van een lidstaat die niet toestaat dat de rechthebbende op een door deze lidstaat met één jaar terugwerkende kracht toegekend pensioen zich met diezelfde terugwerkende kracht aansluit bij een verplichte zorgverzekering, en die ertoe leidt dat aan deze rechthebbende elke bescherming op het gebied van de sociale zekerheid wordt ontnomen, zonder dat alle relevante omstandigheden, met name die welke betrekking hebben op de persoonlijke situatie van deze rechthebbende, in aanmerking zijn genomen.

Kosten

60

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

 

Artikel 27 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1992/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006, gelezen in samenhang met bijlage VI, rubriek R, punt 1, onder a) en b), bij verordening nr. 1408/71, moet aldus worden uitgelegd dat het pensioen van een pensioengerechtigde, in omstandigheden als die in het hoofdgeding, moet worden beschouwd verschuldigd te zijn vanaf het begin van de periode waarvoor dit pensioen daadwerkelijk aan deze betrokkene is uitbetaald, ongeacht de datum waarop het recht op dit pensioen formeel is vastgesteld en ook wanneer deze periode, in voorkomend geval, ingaat vóór de datum van het besluit tot toekenning van dit pensioen.

 

De artikelen 27 en 84 bis van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 118/97, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1992/2006, gelezen in samenhang met bijlage VI, rubriek R, punt 1, onder a) en b), daarbij, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich, in omstandigheden als die in het hoofdgeding, verzetten tegen een regeling van een lidstaat die niet toestaat dat de rechthebbende op een door deze lidstaat met één jaar terugwerkende kracht toegekend pensioen, zich met diezelfde terugwerkende kracht aansluit bij een verplichte zorgverzekering, en die ertoe leidt dat aan deze rechthebbende elke bescherming op het gebied van de sociale zekerheid wordt ontnomen, zonder dat alle relevante omstandigheden, met name die welke betrekking hebben op de persoonlijke situatie van deze rechthebbende, in aanmerking zijn genomen.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Nederlands.

Top